vóór vijf op, juist toen het begon te waaien. De thermometer daalde
tot ruim 37 graden vorst. Den heelen dag bleef de wind aanhouden, en
we konden maar niet warm worden, maar legden twintig mijlen af. In
gewone omstandigheden zou men op een poolreis in zulk weêr stil in
de tenten blijven; wij echter kunnen in onzen kritieken toestand ons
niet ophouden. We moeten vooruit, het koste wat het wil! Vóór ons is
de overvloed; achter ons de dood.
Dit is de tijd van het jaar, waarin het meeste slechte weêr te
verwachten is. De zon daalt nu verscheiden uren onder den horizon en
tegen half tien in den avond is het volkomen duister.
Wij zijn zoo mager geworden, dat onze beenderen ons pijn doen, als
we in onze slaapzakken gaan liggen, die ook al het meeste van hun
bont hebben verloren. Van avond stoofden we een paar stukken van
Grisi's vleesch, en het gerecht smaakte heerlijk. Goddank, dat wij
de Klip naderen."
(Met de "Klip" bedoelt de schrijver den heuvel
Minna, een rotspunt aan den rand der Barrière.
Vóór zijn vertrek naar het Uiterste Zuiden had de
heer Shackleton het bevel achtergelaten, dat er
levensmiddelen moesten worden gebracht naar een
plek 112 kilometer ten zuiden van de winterkwartieren.
Volgens die voorschriften werd er een dépôt
gevestigd aan den voet van den heuvel Minna. De
afdeeling, die in opdracht had, deze zending te volbrengen,
trok daarna verscheiden dagen zuidwaarts
in de hoop, Shackleton te ontmoeten of hem en zijn
metgezellen te zoeken. Maar de groep van Shackleton
was later dan oorspronkelijk was berekend als
tijd van terugkomst, en de hulpexpeditie moest teruggaan
volgens de bevelen, die de leider der expeditie
van te voren had achtergelaten.)
De 22ste Februari was beter, want ik schreef: "Een prachtige
dag. Heerlijk weêr, 33 kilometer! Om ons te tracteeren ter eere van
dat resultaat, namen we een goeden maaltijd. Omstreeks elf uur in den
morgen ontmoetten wij de versche sporen van vier man met honden. Ze
trokken recht naar het Zuiden en met flinke snelheid, zoodat het
stellig goed weêr moet zijn geweest. De lengte van hun schreden wees
uit, dat ze vlug vooruit kwamen. Ook droegen ze geen bontlaarzen,
maar skilaarzen, en wij vonden een eindje sigaret! Wij slaan nu ons
kamp op boven die schreden en we willen zien, ze te volgen naar de
klip, want ze moeten van het dépôt zijn gekomen. Hierdoor hebben we de
zekerheid, dat er levensmiddelen zijn gebracht naar de opgegeven plek,
zooals ik had voorgeschreven. Ik kan niet uitmaken, wie de vierde man
kan zijn geweest, tenzij het Buckley is, die er nu zou kunnen zijn,
als het schip is aangekomen.
Wij passeerden de plek, waar ze op den middag hebben gerust en
gegeten, en ik ben zeker, dat het schip is aangekomen, want er
lagen daar in het rond blikjes, die andere étiketten droegen, dan
die van ons gewoon proviand. We vonden drie kleine stukjes chocolade
en een stukje beschuit als belooning voor de moeite, die we hadden
gedaan, om te zoeken naar het een of ander, dat de anderen hadden
weggeworpen. Er werd geloot om de lekkernijen. Ik had het ongeluk,
het stukje beschuit te trekken, en in dat verdriet was ik eenige
oogenblikken ten prooi aan een onredelijke boosheid. Daaruit blijkt,
hoe primitief wij zijn geworden en hoe de quaestie van een hapje eten
ons oordeel benevelt. We zijn bijna aan het eind van onzen voorraad,
maar daar we nu vast rekenden op het dépôt van de Klip, namen we een
goeden maaltijd. Daarna was er niets meer in voorraad; als wij niet
aan het dépôt komen, zijn we verloren."
Den 23sten kwamen wij aan de Klip en vonden er overvloedig proviand
en berichten. Het schip, de Nimrod, dat ons zou komen afhalen, was
inderdaad gearriveerd en het was al voor de terugreis in gereedheid
gebracht.
Het vleesch van den pony Grisi, dat in deze dagen gegeten was, had bij
Wild een hernieuwden aanval van dysenterie ten gevolge. Twee dagen
later werd Marshall op zijn beurt ernstig ziek. Nadat hij nog trots
zijn pijnen een étappe van vier-en-twintig mijlen met ons aflegde,
was hij op 26 Februari te ziek, om in den namiddag verder te gaan,
ofschoon hij het nog wilde probeeren. In die omstandigheden nam ik het
besluit, hem in het kamp achter te laten onder de hoede van Adams,
terwijl ik met Wild een geforceerden marsch van 53 kilometer of 33
mijlen deed naar het schip.
Den 1sten Maart kwamen we aan boord, waar al onze kameraden ons op
het allerhartelijkst verwelkomden. Denzelfden dag ging ik er weer op
uit met een hulptroepje, om onze zieke te hulp te komen. Wij hadden
het geluk Marshall veel beter te vinden, en den 4den Maart waren wij
allen aan boord van de Nimrod. Dadelijk daarop zette het schip koers
naar Nieuw-Zeeland.
(Zoo kort en eenvoudig vertelt de luitenant dit laatste gedeelte
van den tocht, maar zoowel de redactie van Pearson's Magazine,
waarin het verhaal van den tocht het eerst is gepubliceerd als
de fransche Illustration, die er een vertaling van geeft, voegen
hier een opmerking aan het verhaal toe, namelijk dat luitenant
Shackleton's bescheidenheid hem weerhouden heeft, de aandacht te
vestigen op misschien het treffendste blijk van zijn eigen dapperheid,
uithoudingsvermogen en schitterende eigenschappen als leider, en de
redacteur acht het zeker, dat de lezers er belang in zullen stellen,
te hooren wat een der leden van zijn troepje te zeggen heeft, die op
zijn terugkeer wachtte.
"Hij was lang over zijn tijd," zegt hij, "en we waren bang, dat hem
een ongeluk was overkomen. De Nimrod ging hem zoeken. De kapitein
ontdekte twee stippen op de Barrière op een afstand en toen zag
hij het licht van de heliograaf. De stippen ontwikkelden zich tot
luitenant Shackleton en Wild. Waar waren Marshall en Adams? Er
ging een boot heen en de onderzoekers werden aan boord genomen. Hun
magere leden en ingevallen gezichten toonden, hoe groote ontberingen
ze hadden geleden. En toch, na het eten van een stevig maal van
gebakken brood en ham, vertrok luitenant Shackleton, ofschoon hij
in vier-en-twintig uur niet had geslapen, onmiddellijk, om de zware
53 mijlen af te leggen en met de hulpexpeditie Marshall te bereiken,
die ziek was aan dysenterie door het gebruik van paardevleesch en die
onder de hoede van Adams was achtergebleven. Het was nog een tocht
van anderhalven dag, eer ze er aankwamen. Toen keerden allen terug
naar het schip, uitgeput, maar gelukkig over den goeden afloop van de
groote onderneming. Luitenant Shackleton had het sterke stuk bestaan,
een reis van 99 mijlen per slede te doen met weinig slaap in drie
dagen aan het slot van een tocht van 1700 mijlen.")
Aan boord kreeg ik niet anders dan goede berichten. Op de Nimrod genoot
ik met een gevoel van onbeschrijfelijke vreugde en dankbaarheid van
hetgeen de andere leden der expeditie mij hadden te vertellen.
Onder de allergrootste gevaren had het gezelschap, dat uit professor
David, Douglas Mawson en Dr. Mackay bestond, de magnetische Zuidpool
ontdekt na vele avonturen en was daarna in welstand opgehaald door de
Nimrod. Dat was het noordelijke gezelschap. Het westelijke had een
nieuwe kust geëxploreerd en was eveneens door het schip opgenomen,
terwijl elk lid van het troepje gezond was. De pogingen, die waren
gedaan, waren alle goed geslaagd. In alle richtingen was er nuttig
werk gedaan, en ons wakker scheepje bracht ons nu terug naar de
beschaving en de vrienden zonder het verlies van een enkel man. Wij
konden rusten, slapen en eten zonder eenige kwelling des geestes en
met een heerlijk gevoel van vrijheid, comfort en veiligheid, dat een
goede reactie was op de maanden van zorg en inspanning.
Thans wil ik nog een paar woorden wijden aan de werkzaamheden van de
beide genoemde groepen, werkzaamheden, die van groote beteekenis waren.
De groep voor het Noorden, die onder het bevel stond van professor
David, had de winterkwartieren den 5den October verlaten. Ik heb
slechts weinige van de incidenten kunnen vermelden, die op onze reis
naar het Zuiden hebben plaats gehad, en ik kan nu ook maar zeer kort
blijven stilstaan in de mij voor dit artikel toegestane ruimte, bij
het werk van dit gezelschap, dat zich ten doel stelde, de magnetische
Zuidpool te zoeken, en dat die pool bereikte. Ook het troepje, dat
een reis westwaarts maakte, kan ik maar vluchtig volgen.
Zij namen bezit van een dépôt, dat vroeger door de auto was gebracht op
een westelijk punt en trokken toen langs Victorialand noordwaarts over
het ijs. Het eerste eind van 400 kilometer was uiterst moeilijk. De
reizigers moesten twee sleden trekken, waarop hun proviand was geladen
en hun materialen, te zamen 500 kilo's wegend. Met hun drieën konden ze
de beide zware voertuigen niet tegelijkertijd vooruit krijgen. Daarom
spanden ze zich eerst voor de eene slede, en na die dan ongeveer 3600
meter te hebben vooruitgebracht, keerden ze op hun schreden terug,
om de tweede slede te halen. Driemaal legden ze zoo hetzelfde traject
af. Wel kwamen ze op deze wijze al heel langzaam vooruit, en omdat
dus de étappen van elken dag zoo klein waren, moesten professor David
en zijn metgezellen hun dagelijksche rantsoenen verkleinen.
Gelukkig, dat zeehonden en pingoeïns hun overvloedig hielpen in
de aanvulling van hun eetbaren voorraad. Dat wild werd gebraden op
een vuur, dat met zeehondenvet werd onderhouden in een fornuisje,
door een der reizigers op vernuftige manier gemaakt van een blikken
bus. Onze vrienden schikten zich best met dit menu, dat min of meer
olieachtig moet worden genoemd.
Intusschen kwam men dieper in den zomer, en de temperatuur
werd hooger. Op het ijs hadden de onderzoekers van de warmte te
lijden en moesten vaak hun jassen uittrekken. Ten slotte kwamen
ze aan den uitlooper van den Drygalskigletscher, waar ze een dépôt
vestigden. Daarna namen ze voorraden mee voor zes weken en begonnen
de bestijging van het plateau, waarop de magnetische Zuidpool is
gelegen op een afstand van de zee van ongeveer 320 kilometer.
Het was zeer slecht weêr geworden. Ofschoon men zich in den vollen
zomer bevond, viel er herhaaldelijk sneeuw en in groote massa's;
bovendien duurde het een volle week, dat de eene storm op den anderen
volgde. Als men daarbij bedenkt, dat de ijsmassa, die de hellingen
bedekte van het plateau, vol spleten was, dan wordt het begrijpelijk,
dat de mannen op hun exploratietocht een oogenblik dachten, dat ze hun
onderneming zouden moeten opgeven. Ze waren op een grooten gletscher
geraakt; maar toen ze telkens weer vielen, moesten ze wel van dien weg
afzien. Enkel een geen oogenblik falende waakzaamheid en het geluk,
dat de afdeeling op de heele expeditie niet in den steek liet, redden
de leden van een groote ramp. Langs een sneeuwhelling wist David de
streken van het gescheurde ijs uit den weg te gaan en bereikte zoo
het plateau ten zuiden van den berg Larsen.
Na die inspanning waren allen uitgeput; maar ze bleven gelooven aan
het eindelijke succes van hun onderneming. Verder trekkend over het
zacht golvende plateau langs den meridiaan van de magnetische pool,
bereikte het troepje een hooge sneeuwvlakte, gelegen ter hoogte van
2100 tot 2400 meter. Op dit terrein werd het voortgaan gemakkelijker,
en den 16den Januari 1909 op 72 graden, 45 minuten Z. B. en 134 graden
W. L. van Greenwich was het doel van dezen zwaren tocht bereikt. Op
dat punt plaatsten zeer preciese waarnemingen de magnetische Zuidpool.
Om het behaalde succes te vieren, ontplooide professor David de
nationale vlag en in naam des konings nam hij bezit van dit deel van
het antarctisch continent.
Dadelijk daarna begon de terugtocht. Er was geen tijd te
verliezen. Onvoldoende gevoed, aan zeer hevige koude blootgesteld,
voortdurend in de noodzakelijkheid, overmatig zwaren arbeid te
verrichten, waren de dappere ontdekkers in hooge mate verzwakt.
Uit het Zuidwesten blies onophoudelijk een ijzige wind en herhaaldelijk
woedden hevige sneeuwstormen. Gelukkig was de richting van den wind
in de meeste gevallen gunstig, en dank zij het zeil, dat aan de sleden
was aangebracht, ging de daling betrekkelijk vlug.
Na een laatsten wanhopigen strijd op een sterk gespleten gletscher
kwam het troepje den 3den Februari uitgeput bij het dépôt aan, dat
achtergelaten was op den Drygalskigletscher. De nood was toen op het
hoogst gestegen voor de drie mannen, die kleine donkere stipjes waren
op het groote, witte veld. De levensmiddelen liepen op het eind, en
de terugweg naar de winterkwartieren was afgesneden door het smelten
van het ijs in den tijd van den tocht naar de magnetische pool.
De bevrijding van dit gezelschap uit hun netelige positie door de
Nimrod is een illustratie van het geluk, dat de expeditie trouw
bleef. Mijn kameraden hebben in de gevaarlijke omstandigheden den
meest bewonderenswaardigen moed getoond. Voordat ze zich waagden op de
gletschers van het binnenland, wisten ze, dat ze bij hun terugkomst
op open water zouden stuiten en dat hun heil uitsluitend was gelegen
in de komst van het schip. Volgens mijn instructies moest, als den
1sten Februari David niet op het station was aangekomen, de Nimrod
er op uitgaan, om hem te zoeken. Dat deel der kust, dat onderzocht
moest worden, was zeer uitgestrekt. Daarom mocht men met eenige zorg
zijn vervuld over het succes van het onderzoek.
Maar zoodra men bij het dépôt was aangekomen, slaagde de afdeeling
erin, zeehonden en pingoeïns te vangen en weldra kon het gezelschap
zijn honger stillen met flinke stukken versch vleesch en spek. Terwijl
men in de tent een sappig en smakelijk maal genoot, werden plotseling
twee schoten vernomen. Met een sprong waren de onderzoekers overeind,
gingen naar buiten en wat zagen ze? De Nimrod, die hun kamp had
opgemerkt en nu naderbij kwam. In zijn uitbundige vroolijkheid viel
Mawson in een spleet, die oversneeuwd was, maar werd spoedig gered
met de hulp der ontscheepte matrozen van het schip, die onzen vriend
optrokken uit zijn gevaarlijke positie. Een goed uur later was de
Nimrod op weg naar het station bij kaap Royds.
Den vorigen dag was de Nimrod het dépôt voorbijgevaren, zonder iets te
bespeuren. Thans keerde het schip terug, om het anker uit te werpen
dicht bij het winterkwartier, toen de scherpe oogen van de mannen,
die de wacht hadden, het kleine kamp ontdekten. De redding van David
en de zijnen in die bezwaarlijke omstandigheden mag wel aan hun goed
gesternte worden toegeschreven.
Deze expeditie naar de magnetische Zuidpool heeft uit het oogpunt der
wetenschap zeer belangrijke resultaten gehad, maar daarop kan ik hier
niet ingaan.
Het gezelschap, dat naar het Westen onderzoekingen deed, bestond uit
Armytage, Priestley en Brocklehurst. Ze had de opdracht, geologische
onderzoekingen te doen in het bergland, dat zich ten westen van het
station uitstrekte. De gedane waarnemingen en de oogst aan geologisch
materiaal, die werd meegebracht, zijn eveneens hoogst interessant.
Op dezen verkenningstocht had er een dramatisch incident plaats. In
den nacht van den 22sten Januari raakte de ijsschol, waarop de drie
mannen kampeerden, los van de kust. Den volgenden morgen bij het
ontwaken waren onze vrienden ten hoogste verbaasd en verschrikt,
toen ze zich in volle zee zagen. Den geheelen dag dwaalden ze op hun
ijsveld rond door de baai, omringd door haaien, die met gulzige blikken
over den rand van het ijs keken naar het afgedreven en hulpelooze
troepje. De toestand scheen hopeloos; maar gelukkig kwam er dien
avond een verandering in de richting van den stroom, zoodat ze naar
het Zuiden dreven, en omstreeks middernacht raakte een hoek van hun
ijsschol het landijs voor eenige minuten aan. Met een sprong brachten
ze zich toen in veiligheid, konden nog hun uitrusting meenemen,
en bijna dadelijk daarna dreef hun ijsmassa weer naar het Noorden,
naar de open zee! Den volgenden dag zagen ze het schip op een afstand
van ongeveer elf mijlen, terwijl het heliografische seinen afzond.
De afdeeling, die levensmiddelen was gaan brengen naar de klip bij
den berg Minna ten behoeve van ons troepje bij de terugkomst uit het
Zuiden, ontsnapte ook aan een wissen dood op haar terugweg naar de
winterkwartieren. Den 18den Februari had ze een streek te passeeren,
die vol spleten was, en ze hielden een richting, die loodrecht op
die gevaarlijke plekken stond. Het ging naar kaap Crozier en ze
draafden over een harde oppervlakte. Plotseling werd een voet van
Joyce gevat door een opening, maar hij kon zich nog snel loswerken
en zijn weg vervolgen. Het ongeval leek niet erg, en er werd niet om
stilgehouden, want Joyce viel niet. Maar in het volgende oogenblik,
toen de slede over een hoogen sastrugi ging, sloeg ze achterover
onderste boven en met een donderend geweld stortte de sneeuwbrug,
die een breede spleet had verborgen, in.
Marston, die vóór de slede liep, kwam er nog net over, en een hond,
die naast hem liep, viel erin, maar kon aan het tuig nog worden
opgetrokken. Het gezelschap stond toen aan den rand van een gapende
kloof, waarin gemakkelijk de slede met de mannen en de honden hadden
kunnen worden verzwolgen. Aan den overkant van de instorting zagen
ze nog duidelijk de sporen van de slede en hun eigen voetstappen,
plotseling ophoudend, waar de brug was ingestort. Dat ze ontkomen waren
aan het doodsgevaar, leek hun een wonder, en nadat ze een photografie
hadden genomen, trokken ze verder met veel grooter voorzichtigheid.
Er zijn in allerlei opzichten door de inspanning der expeditieleden
belangrijke resultaten verkregen, zonder dat wij eenig verlies hadden
te betreuren. Thans brengt ons stevig scheepje ons naar de beschaving
terug. Onze arbeid is ten einde. Na zooveel maanden van vermoeienis
en ontberingen, kunnen we rust nemen, slapen en eten naar hartelust
in een gevoel van voldane behagelijkheid.
De Nimrod sloeg den weg naar het Noorden in met volle zeilen en met
de grootste snelheid, waartoe haar machine in staat was. Er woei een
zeer hevige koude wind, wat een geluk moest heeten, want het ijs,
dat begonnen was, zich aan de oppervlakte te vormen, werd snel al
dikker en dikker, terwijl groote brokken drijfijs voor ons uit dreven,
zoodat het veel waard was, vlug vooruit te komen.
Op den morgen van den 6den Maart waren we op de hoogte van kaap Adare,
en ik hoopte, tusschen de Balleny-eilanden en de kust te kunnen
doorvaren, en de kustlijn te volgen van kaap North naar het Westen,
om de kust tot Adelieland te verkennen.
Maar eerst had ik nog gehoopt, de geologische verzamelingen aan boord
te kunnen nemen, die door onze noorderafdeeling op het eiland Monazite
waren neergelegd. Op dat oogenblik blies de wind echter als een storm,
en de ijsvelden, die aan de kust zich ophoopten, werden dikker en
dikker. Er was geen enkele schuilplaats in de buurt van het eiland;
dus zou het zeer moeilijk wezen, aan land te gaan, en het minste
oponthoud, zou noodlottige gevolgen kunnen hebben. Al die redenen
werkten ertoe mee, mij te doen besluiten, de geologische collectie
in den steek te laten en weer noordwaarts te stevenen.
Zoo probeerden we dan den 6den Maart dien doorgang en de verkenning van
de kust naar het Westen, ten einde het verband te ontdekken tusschen
Victoria- en Adelieland. Het was een moeilijke onderneming. Altijd
hadden ten westen van kaap North de vaste ijsmassa's de schepen
tegengehouden, als ze hadden getracht, erlangs te varen. Geen schip
was dan ook ooit verder naar het Westen doorgedrongen. De Discovery
was door de Balleny-eilanden heen gevaren en was zeilende de plek
gepasseerd, waar op de kaarten Wilkesland was geteekend; maar het
was een open vraag gebleven, of Wilkesland niet op wat zuidelijker
breedte kon liggen.
Langs het pakijs varend, dat in dikte bleef toenemen, hadden we
de voldoening, ons scheepje langs die kust te brengen tot een
punt, verder westelijk gelegen, dan op eenige vorige expeditie was
bereikt. Op den morgen van den 8sten Maart kwamen we in het gezicht
van een nieuwe kustlijn, een voorbij kaap North zich uitstrekkend,
tot nu toe onbekend land, dat eerst naar het Zuiden en dan naar het
Westen liep over een afstand van 45 mijlen.
Wij deden opmetingen en Marston schetste de hoofdlijnen.
Wij waren te ver uit den wal, om foto's te nemen, die eenigszins
van waarde konden wezen, maar de schetsen wezen duidelijk den aard
van het land aan. Het was een plateau, en prof. David hield het voor
den noordelijken rand van het groote tafelland, dat dit deel van den
Antarctis inneemt, het zuidelijke Poolplateau. Wij konden heel goed
hooge rotsen onderscheiden en klippen, met eenige baaien ertusschen.
Wij zouden allen graag aan de exploratie zijn gegaan van dit deel
der kust, maar daarvan was geen sprake, evenmin als eraan kon worden
gedacht, meer naar het Westen te stevenen. Het ijs nam maar voortdurend
in dikte toe, en jong ijs werd gevormd tusschen de brokken van het
vorige jaar, zoodat er werkelijk gevaar begon te dreigen, dat we
zouden invriezen. Dus werd het dringend noodig, dat we ons uit de
voeten maakten, om vlug open water te zoeken, want anders zouden we
genoodzaakt worden tot een hernieuwde overwintering. Daar het zou zijn
geweest op een plaats, waar we geen geologisch werk van beteekenis
zouden kunnen doen, maakten we haast, om weg te komen. Wij wendden
dus den steven naar het Noorden langs het pakijs, steeds nog weer
zooveel mogelijk westelijk houdend naar de Balleny-eilanden.
Ik had nog hoop, dat het mogelijk zou zijn er voorbij te komen en
Wilkesland te vinden. Het was een bijzonder moeilijk werk, en op
sommige oogenblikken kon het schip zich haast niet bewegen. Het scheen
geheel door het ijs geblokkeerd, en eindelijk tegen middernacht zag ik,
dat het noodig was den steven te wenden naar het Noorden. Dat was op
den 9den Maart.
Het was intusschen al te laat; het ijs sloot zich, en de Nimrod zat
weer vast. De toestand was kritiek; maar na lang scharrelen vonden
we toch nog een uitweg, een open kanaaltje, en door dat te volgen
kwamen we in den namiddag van den 10den in open water, na een menigte
ijsmassa's te zijn gepasseerd.
Nu waren we dan uit het pakijs vandaan, en onze tribulaties waren
ten einde. Na een snellen en voorspoedigen overtocht waren we den
22sten Maart op Nieuw-Zeeland aan de monding van Lord's rivier op
den zuidkant van het Stewart-eiland.
Het is nu dadelijk niet mogelijk, met juistheid de beteekenis te
schatten van het aardrijkskundige en natuurwetenschappelijke werk,
door de expeditie verricht. In elken tak van de natuurwetenschap is er
gewerkt, en specialiteiten zullen te zijner tijd de bereikte resultaten
openbaar maken. Op het oogenblik is de studie van de verzamelingen,
die wij hebben meegebracht, nauwelijks begonnen. Ik kan dan ook slechts
in hoofdlijnen de meest in het oog loopende uitkomsten aangeven.
In de eerste plaats weten we nu, dat de Groote IJsbarrière begrensd
wordt door bergen, die zich in zuidoostelijke richting uitstrekken van
78 graden Z. B. tot minstens 85 graden Z. B. en dat een onmetelijke
gletscher naar een hoogvlakte voert van meer dan 3000 meter boven
zeepeil, waarop de aardrijkskundige Zuidpool gelegen is.
In de tweede plaats hebben wij verscheiden bergen in het binnenland
ontdekt en daar een overvloed van geologische staaltjes ingezameld. Die
specimina wijzen uit, dat in de een of andere periode van de
geologische geschiedenis onzer planeet een warm klimaat moet hebben
geheerscht in deze deelen van de IJszee.
En eindelijk is een kustlijn van 45 mijlen lengte langs de noordzijde
van het antarctisch continent door ons geëxploreerd.
De toestand van den vulkaan Erebus is op den top waargenomen,
en er zijn op dien berg interessante aardkundige verzamelingen
bijeengebracht.
Daar ik niet bevoegd ben, over het geologisch werk te spreken, kan
ik enkel verzekeren dat de werkzaamheden, door onze specialisten,
geoefende mannen in hun vak, verricht, een helder licht werpen op
de veranderingen, die er hebben plaats gehad in dit gedeelte van
de aarde, en hun verzamelingen zoowel als hun rapporten zullen in
de naaste toekomst onderzocht en nagespeurd worden, opdat men kome
tot een oplossing van de problemen, gesteld door de ontdekking van
steenkoollagen ver in het binnenland.