gespleten. Door met de ijsbijlen te peilen merkten we, dat er overal
afgronden waren, met een dunne laag sneeuw bedekt. Het zou dwaasheid
wezen, daar den nacht door te brengen en de kans te loopen, in den
slaap verzwolgen te worden. Bij gevolg gingen we de tenten 400 meter
verder achterwaarts neerzetten. Hoe onaangenaam was het, op onze
schreden terug te keeren!
De 9de December was weer een prachtige dag. En dat was gelukkig, want
de étappe van dien dag was een zeer bezwaarlijke, de gevaarlijkste
van de heele reis.
Kwartier vóór acht in den morgen vertrokken we over het blauwe ijs;
nog geen uur later was er al weer een veld vol spleten te overwinnen;
sommige spleten droegen een laag sneeuw; andere hadden iets vaster,
maar niet minder gevaarlijke sneeuwbruggen. Onder het gewicht
van Marshall gaf een der bruggen mee, en onze vriend verdween;
het tuig, waarin hij bleef hangen, redde hem van een val in een
meer dan 300 meter diepen afgrond. Enkele oogenblikken later viel
Adams, en daarna was het mijn beurt. Verderop werd de toestand nog
hachelijker. De sleden gleden over het ijs, maar stieten telkens tegen
de scherpe kanten van de randen der spleten; de eene, die al door
den val beschadigd was, werd bij een schok van voren vernield. In die
omstandigheden werd het onmogelijk de beide sleden tegelijk te trekken,
zoodat we ons met ons vieren eerst voor de eene slee moesten spannen,
die een paar honderd meter ver trekken, en dan terugkeeren om de
tweede te halen. Eerst na elf uur, toen het ijs beter was geworden,
konden we beide voertuigen tegelijk voorttrekken.
Om kwartier vóór twaalf rust, om poolshoogte te nemen. Resultaat:
84.2 Z.B. Dat was nog niet ver, en dan te denken, dat wij de beide
laatste dagen zonder ophouden omhoog waren gegaan, terwijl ieder
van ons 72 kilo had te trekken. We waren ter hoogte van ongeveer 750
meter, naar de ruwe opgaaf van de instrumenten, niet gecorrigeerd ten
opzichte van de temperatuur of door vergelijking met de waarnemingen
in het winterkwartier. In den namiddag nog een zware stijging:
vijf uren achtereen sleepten we de sleden over een zeer ongelijk
terrein. We waren dan ook uitgeput en uitgehongerd bij de aankomst
in het bivak. Om 6 uur kampeerden we ter hoogte van 900 meter.
Dien avond maakten, gelijk reeds vele dagen, lage cumuluswolken het
uitzicht naar het Zuiden onmogelijk. Hoe verlangden we naar den top,
de hoogte van het plateau en naar een vlak ijsveld, waarop we zouden
kunnen vooruitkomen! Er was dien dag 18.9 kilometer afgelegd.
Onze gesprekken liepen bijna altijd over de keuken en over de
gerechten, die we graag zouden willen eten. Bij de maaltijden verdween
onze soep met een naar onzen zin veel te groote snelheid. Met ongeduld
verlangden we naar Kerstmis; dien dag zouden we, wat er ook mocht
gebeuren, de boter eruit braden.
Den 12den December kwamen we maar 4800 meter vooruit! Duidelijker
dan eenige beschrijving stelt dat cijfer de bezwaren van den tocht
in het licht.
Twintig minuten vóór acht vertrek over het allerslechtste terrein
dat men zich kan voorstellen. Een blauwe ijsvlakte, waaruit scherpe
punten opsteken tusschen diepe scheuren. Het was als een bergland
met heuvels en diepe dalen en kloven, een grond, als poolexpedities
zeker weinig hebben aangetroffen.
Steeds moest onze aandacht gespannen blijven, om te voorkomen, dat
de sleden braken bij een botsing met de ijspunten of in een spleet
verdwenen, of om op te passen, dat we niet zelf een doodelijke
buiteling maakten. Toch vielen we telkens weer; en 's avonds zaten
we vol builen en kneuzingen, maar Goddank was er niets ernstigs.
Op zulk een terrein waren al onze vereenigde krachten nog nauwelijks
voldoende, om één enkele slede te doen vooruitgaan, en zoo trokken
we den heelen dag samen één slede, twee van ons van voren trekkend
en twee duwend aan den achterkant. Na zoo 1600 meter te hebben
afgelegd, gingen we de tweede slede halen. Bij gevolg moesten wij,
om 5000 meter vooruit te komen, 15 kilometer afleggen, en dat op
ijs, waar een verkeerd gezette voetstap een doodelijk ongeluk kon
veroorzaken. Hoe het zij, we zijn 4800 meter gevorderd naar de pool.
Bijna een week lang ging het zoo voort, en nog altijd hield het
vermoeiende trekken aan.
Den 18den December waren we des avonds totaal verstijfd. We hadden een
hoogte van 2200 meter bereikt na een van onze moeilijkste etappen,
maar die zeer belangrijk was, daar we ten slotte eindelijk op het
plateau waren aangekomen!
Om half acht 's morgens waren we op weg gegaan en legden 10 kilometer
af onder het transporteeren der bagage in twee reizen, dus in het
geheel 30 kilometer op glad ijs, nu eens de sleden ophijschend en
met alle macht ze aan de touwen ophalend, dan weer ze trekkend,
als de helling iets minder steil was. Kwartier vóór een hielden
we rust voor het tweede ontbijt. Rondom ons waren overal spleten;
Adams en ik hadden het ongeluk ook nog te vallen.
Terwijl de soep pruttelde op het vuur, ging ik stukken rots zoeken en
vond ze zeer verschillend van de stukken zandsteen van den vorigen
dag. In die hoogere streek hadden de bergen een heel ander aanzien
dan op de lagere breedte. Links van ons, dus in het Oosten, waren ze
merkwaardig geregeld gestreept en rechts, in het westen, bestonden
ze uit gesteente, dat door atmosferische invloeden blijkbaar veel
had geleden.
Den geheelen namiddag besteedden we aan de beklimming van een lange
sneeuwhelling en trokken weer in twee reizen de sleden ertegen op,
zoodat we weer door en door vermoeid en uitgehongerd in het bivak
aankwamen.
Om het proviand langer te doen strekken, werden de porties verkleind;
bij gevolg werden we al hongeriger en elken nacht droomden we van
overvloedig voedsel. Dagelijks zuinigden we twee beschuiten per
man uit en wat pemmikan en suiker; daarvoor in de plaats aten we de
maïs van de paarden, na die in water te hebben geweekt. Op den 18den
December hadden we nog voor vijf weken levensmiddelen en we waren
nog 544 kilometer van de pool verwijderd. Als we dus het doel wilden
bereiken, zouden we ons met hongersnoodporties moeten behelpen. De
thermometer wees 17.2 graden vorst en daarbij sneed een ijzige wind
ons in het gezicht.
Overal waren spleten en onpeilbare diepten. We hoopten den volgenden
dag aan het eind der moeilijke bestijging aan te komen.
En in werkelijkheid bereikten wij de hoogte van het plateau eerst een
week later, den 25sten December. Het verdere gedeelte van den gletscher
bood nog wel hellingen aan, maar we troffen er niet, als lager, van
die verbrokkelde gedeelten, die onzen gang zoozeer hadden vertraagd.
Als volgend uittreksel uit mijn dagboek kies ik dat, wat op Kerstmis
betrekking heeft, den dag, waarnaar wij allen zoo hadden verlangd,
om eindelijk eens naar onzen zin genoeg te kunnen eten. Het vroor
27,7 graden met jachtsneeuw en ijzig kouden zuidenwind. Den heelen
dag besteedden we aan het beklimmen van een zeer steile helling,
die hier en daar in spleten was gescheurd.
We waren ter hoogte van 2850 meter en om zes uur in den avond hadden
we 85.55 Z.B. bereikt. Versterkt door een stevig ontbijt waren we om
zeven uur vertrokken. Al dadelijk hadden we weeke sneeuw waarover de
versleten ijzers van de sleden moeilijk voortkwamen, 's Morgens was
het zwaar trekken en om 12 uur hadden we nog slechts 8.2 kilometer
afgelegd.
Ter eere van den grooten dag werd onder het tweede ontbijt de vlag,
die de Koningin mij heeft geschonken, ontrold en ook de sleden werden
bevlagd, en ik photografeerde het tooneel met mijn metgezellen erbij.
Het was zeer koud, 26.8 graden vorst en er woei een doordringende
ijskoude wind.
In den namiddag waren het altijd nog sneeuwhellingen. Om 6 uur
verscheen er in het Zuidoosten, juist toen we zouden gaan kampeeren,
iets als een ander land. Dien avond nam de wind nog in kracht
toe. Wij wisten niet, hoe de aanwezigheid van zooveel zachte sneeuw
te verklaren met dien aanhoudenden wind. Naar alle waarschijnlijkheid
komt ze van het plateau, dat wij nog niet hebben bereikt en waarvan
ze is voortgedreven door den hevigen Zuidoostenwind.
Dien avond hadden we een vorstelijk maal. Eerst een ragout van
ponyvleesch, pemmikan, beschuit en emergency-oxo; daarna een
plum-pudding, besproeid met een klein glaasje brandewijn, een maal,
dat Lucullus ons zou hebben benijd, eindelijk cacao, sigaren en een
lepel room voor ieder.
Wij hebben overdaad genoten, wat ons in langen tijd niet weer zou
gebeuren.
Tot aan de pool en dan naar hetzelfde punt terug, als waar we toen
waren, was 917 kilometer en we hadden maar voor een maand proviand. Dus
moesten de porties weer worden verminderd. Van den volgenden dag
af kregen we maar zes beschuiten per dag, een 's morgens, drie 's
middags en twee 's avonds. We zouden daar laten blijven al wat niet
volstrekt noodig was. Reeds waren we, wat de kleeding aangaat, tot
de uiterste grens genaderd; we hadden niets meer bij ons dan wat we
aan hadden. Het was gevaarlijk, een deel van onze uitrusting achter
te laten, maar de omstandigheden maakten het noodzakelijk.
Maar daar aan het einde der wereld vlogen dien dag onze gedachten
vaak naar het vaderland en naar allen die ons dierbaar waren.
Marshall nam dien avond ook onze temperaturen op en vond ze 1.11
graad beneden het normale. Maar we voelden ons nog flink en krachtig.
Toen op Kerstmis tot een nieuwe vermindering der porties was besloten,
hadden we juist een overvloedigen maaltijd achter ons en konden dus de
toekomst met een zekere kalmte tegemoet zien; maar den volgenden dag
zag alles er anders uit, met tien uur trekkens voor den boeg. Altijd
woei het hard, en gedurende onzen geheelen pooltocht blies de wind
uit het Zuiden.
Wij werden van dag tot dag zwakker, uitgeput door te weinig eten en
het vele inspannende werk. Ook leden we geducht van de koude door de
onvoldoendheid van ons voedsel, om de lichaamswarmte op peil te houden.
Den 4den Januari liepen we over een onmetelijk sneeuwveld en
nergens was iets anders dan ijs te zien. Wij besloten een dépôt
van levensmiddelen op het plateau te laten. Daardoor werd onze last
lichter, maar het gevaar bestaat, dat we het dépôt niet terugvinden in
de sneeuweentonigheid die ons omringt. Om dat gevaar te verminderen,
dat noodlottig zou wezen, bedachten wij, om elke 18 kilometer een
der bamboestokken van de in het dépôt achtergelaten tent te planten,
met een zwarte vlag op den top; op die manier was onze weg gemerkt.
Onze bagage was nu verminderd tot 39.5 kilo per persoon; maar in onzen
verzwakten toestand scheen die last ons zwaarder dan de 87 kilo,
die we eenige weken geleden trokken. Onze étappen waren nog van 19
tot 22 kilometer.
Op den 9den Januari was de breedte 88.8; we hadden hevigen sneeuwstorm,
en in den nacht wakkerde de storm nog aan. Twee-en-een halven dag had
de wind een kracht van 110 tot 130 kilometer in het uur en nu en dan
daalde de thermometer tot 39 graden onder nul.
Het begon er ernstig uit te zien, want onze geringe voorraad slonk,
zonder dat we vooruit kwamen. Bovendien waren we bevreesd, dat de storm
onze bakens op de sneeuw zou doen verdwijnen en de stokken omwerpen,
en hoe zouden wij dan het dépôt terugvinden, waarvan ons leven afhing?
Al dien tijd was de temperatuur binnen in de tent haast niet hooger dan
er buiten en door het versleten zeildoek drong de sneeuw. Dikwijls had
de een of ander bevroren voeten, en om den bloedsomloop te herstellen,
hielpen we allen mee aan het wrijven en verzorgen. In die donkere
uren werd gebeden, dat de storm toch maar mocht ophouden.
Om één uur in den morgen van den 9den Januari ging de wind liggen. De
storm had zijn werk verricht, en wij waren inderdaad uitgeput. Er
was nu geen twijfel meer aan, we hadden de uiterste grens van onze
kracht bereikt. Om twee uur in den morgen stonden we op, en om vier
uur vertrokken we voor een laatste poging op weg naar het Zuiden,
slechts meenemend wat eten, de instrumenten en de vlag van de koningin.
Nu eens dravend, dan loopend, volbrachten we dien laatsten tocht. Om
9 uur in den morgen hadden we 88.23 Z.B. bereikt en ontplooiden de
Union Jack. Verder te gaan zou gelijk hebben gestaan met ons den
weg af te snijden naar het dépôt, dat we dan niet meer zouden hebben
kunnen halen.
Daarginds was de pool, 179 kilometer vóór ons; maar het was onmogelijk
haar te bereiken.
Over de wijde sneeuwvlakte lieten we onzen Goertz-kijker langs
den horizon gaan, maar nergens was land waar te nemen. Naar alle
waarschijnlijkheid ligt de aardrijkskundige pool midden op dat
reusachtige plateau op een hoogte van 3000 à 3300 meter; zeker het
koudste deel der aarde en een der stormachtigste tevens.
Na ons groepje te hebben gephotografeerd, geschaard vóór de vlag van
de koningin, die in den kouden poolwind wapperde, namen wij bezit van
het plateau in naam van den koning. En onmiddellijk daarna begonnen
wij den terugtocht naar het Noorden, naar ons kamp.
Luitenant Shackleton heeft in de vorige nommers de geschiedenis
verhaald van de organisatie en de uitrusting van zijn expeditie, hoe de
winterkwartieren waren gevestigd op den rand van de Groote IJsbarrière,
het antarctisch continent, en ten slotte hoe hijzelf met drie gezellen
dien wondervollen tocht van 800 mijlen deed in de onbekende gebieden
der Zuidpoolstreken, die zijn hoogtepunt bereikte in het planten van
de engelsche vlag op een afstand van 97 engelsche mijlen, dat is 179
kilometer, van de Zuidpool. Thans vertelt luitenant Shackleton de
geschiedenis van den langen marsch van zijn klein gezelschap naar het
Noorden op den terugweg. Ze waren uitgeput door geforceerde marschen
en hard werk, en zijn beschrijving van hoe ze zich erdoor sloegen,
vormt een waardig besluit voor dit verhaal van heldendaden.
Wij hadden de engelsche vlag geplant op een afstand van 179 kilometer
van de Zuidpool en hadden dus ver overschreden het vorige record van
den Zuidpoolafstand, dat 667 kilometer verder noordelijk lag.
Nu moesten wij een langen tocht naar het Noorden maken, om onze
winterkwartieren te bereiken. Toen we twee-en-een halve maand te
voren vertrokken, waren we sterk en krachtig en wel doorvoed en
hadden overvloed van levensmiddelen bij ons, althans voor het eerste
gedeelte van onzen tocht. Maar toen we op weg gingen, om de reis
terug te ondernemen, waren we in een verzwakten toestand en hingen
af van enkele weinige dépôts van levensmiddelen, op groote afstanden
van elkander gelegen.
Er was intusschen geen tijd tot klagen, want onze redding was van onzen
spoed afhankelijk. Na dus ons zuidelijkste punt te hebben bereikt,
haastten we ons naar de tent, die door den sneeuwstorm geheel was
overdekt, en na een sober ontbijt begonnen we den terugtocht dadelijk
ondanks onze vermoeienis en een koud, hongerig gevoel. Om vijf uur in
den namiddag kampeerden we, daar de behoefte aan rust zich dringend
deed gevoelen.
De blizzard had de vlaggen afgerukt van de stokken, die wij op onze
heenreis naar het Zuiden hadden geplant, maar gelukkig waren de
sporen van onze sleden nog terug te vinden. De zuidenwind, die heen
een zoo lastig beletsel was geweest om vooruit te komen, bleek thans
een hulp van beteekenis. Op de slede heschen we bij wijze van zeil
het vloerkleed van doek, dat in de tent was uitgespreid geweest,
en door den wind voortgestuwd, gleden we snel voort in noordelijke
richting. Door deze inrichting gelukte het ons in de eerstvolgende
dagen etappen af te leggen van 32 tot 48 kilometer per dag, twintig
tot dertig engelsche mijlen.
Nadat we het dépôt hadden teruggevonden, dat we op het groote
sneeuwveld hadden aangelegd, zetten we snel onzen tocht voort naar het
tweede, boven op den gletscher. We wisten, dat daar slechts voedsel
aanwezig was voor vier dagen, en het dan volgende dépôt lag negentig
mijlen, 145 kilometer verder!
In verbazende vaart vlogen we over spleten en hooge ijsrichels,
een waaghalzerij, die alleen kon worden verontschuldigd door onze
buitengewone omstandigheden. Er moest alles gewaagd, om zoo spoedig
mogelijk het doel te halen. De hoogere gedeelten van den gletscher
boden groote moeilijkheden aan, want de wind en de zon hadden
er de sneeuw doen verdwijnen, en overal was er een blauwe, gladde
oppervlakte, glibberig als glas! Op de hellingen moesten we de slede
als een baal goed laten zakken aan het groote Alpentouw.
Van dag tot dag werd de weg slechter; de randen der spleten waren soms
zoo scherp, dat de onderstellen van de slede erdoor werden beschadigd,
en door al het schokken uit haar verband gerukt, liep de slede niet
meer recht en had de helft van haar onderkant verloren. Dichtbij den
voet van den gletscher werd het anders. Daar lag nog een dikke laag
sneeuw, die helaas de spleten onzichtbaar maakte en daardoor gevaar
meebracht, terwijl ze natuurlijk ook onzen gang vertraagde.
.... Wij moesten het nu doen met vier beschuiten
per dag ieder en met twee pannetjes zeer dunne
soep. Op 26 Januari om vijf uur in den morgen
kregen we een ontbijt van half geweekte maïs, ons
laatste vaste voedsel. Den geheelen dag liepen we
met moeite over zachte sneeuw en raakten vaak in
verborgen spleten. Het kostte ons de grootste moeite,
om op te passen, dat de slede niet in een spleet
kwam en dat wijzelf geen gevaarlijke buiteling maakten.
Van tijd tot tijd hielden we een korte rust, om
een kop thee te gebruiken; met zout en peper was
dat het eenige, wat we nog van onze voorraden over
hadden. We hielden halt om twee uur in den morgen
en vertrokken al weer 's morgens om negen uur,
want we wisten, dat het den dood beteekende, als
we langer ons ophielden.
We bleven doorgaan tot één uur in den namiddag op den 27sten en kwamen
tot op een halve mijl afstands van het dépôt. Twee-en-dertig uren lang
hadden wij geworsteld, om vooruit te komen, zoo snel we konden. Eer
we het bivak hadden bereikt, was Adams flauw gevallen....
Terwijl ik de tent opsloeg, was Marshall naar het dépôt
vooruitgeloopen, om wat ponyvleesch en beschuit te brengen, en toen
genoten we het eerste voedsel na 32 uren marscheerens en dat meestal
met grooten spoed. Geen vaste stof hadden we tot ons genomen sedert
vijf uur den vorigen morgen.
Na dezen maaltijd kregen we een goeden slaap, en den volgenden morgen
namen we ons dépôt mee en gingen door de "Poort van het Zuiden",
om vervolgens weer op de Groote Barrière te komen met een gevoel,
van eindelijk weer in bekende streken te zijn aangeland. Nu lag
dan de bezwaarlijke gletscher achter ons, waarop we sedert meer dan
vijftig dagen zooveel van onze krachten hadden gevergd. Het plateau
lag achter ons en we waren nu op weg naar voedsel, een schuilplaats
en de kameraden.
Pas op de Barrière aangekomen, hadden we een sneeuwstorm te
doorstaan. De geringe hoeveelheid van onze voedingsmiddelen
verhinderde ons, op verbetering in het weder te wachten; ondanks den
storm moesten we voort en, door het kompas geholpen, sloegen we ons
door de sneeuwvlagen heen naar het Noorden. We liepen over ijs vol
gaten en spleten, zooals we wisten van onze reis naar het Zuiden,
maar nu we geen vijf el van ons af konden zien, bleven we door een
wonderlijk geluk vrij van eenig ongeval, ofschoon we zeker veel in
de sneeuw verborgen spleten passeerden. Zelfs geen sneeuwbrug stortte
onder ons in!
Om den terugweg te vinden, hadden we een sneeuwhoogte gemaakt op
de plek van ieder kamp in de hoop, dat we op den terugweg erdoor
zouden worden geholpen, om in het goede spoor te blijven. Die hoop
bleek niet ijdel, want op 31 Januari vonden we den eersten van
die sneeuwheuvels. Er was toen weer een nieuwe moeilijkheid bij
gekomen. Er moest iets verkeerds geweest zijn in het vleesch, dat
uit een der dépôts was genomen, waardoor Wild hevige dysenterie had
gekregen, al kon hij nog wel marscheeren ondanks zijn zwakte. Kort
daarna kwam mijn beurt, en weldra kregen Adams en Marshall de ziekte
ook. Al onze geneesmiddelen waren opgebruikt en er viel niets te doen
dan onze porties beschuit te verminderen en op te houden met het eten
van vleesch.
De oppervlakte van de sneeuw was gruwelijk week, en ofschoon we
tien of elf uur per dag reisden, konden we slechts met de grootste
moeite, anderhalve mijl per dag vorderen; 2400 meter in een uur was
een maximum. De eerste dagen van Februari vonden ons bezig met die
worsteling naar het Noorden, en eindelijk hadden we dan het dépôt
bereikt op 82 graden, 45 minuten Zuiderbreedte.
Mijn dagboek zei heel weinig in die dagen. De volgende passages, die
ik eraan ontleen, zullen een denkbeeld geven van de omstandigheden,
waaronder we voortzwoegden en den ernst van den toestand, waarin
wij verkeerden.
We verlieten het dépôt op 3 Februari en namen de slede mee, die er
op de heenreis was achtergelaten.
"Vertrokken met de nieuwe slede en 150 engelsche ponden meer gewicht om
veertig minuten over acht," schreef ik. "Gekampeerd om half zes. Niet
meer dan vijf mijlen; akelig weeke oppervlakte van de sneeuw. Allen
acute dysenterie door het gebruik van vleesch. Vertrouwen, dat de slaap
ons herstellen zal; kunnen van avond niet verder gaan, Wild er slecht
aan toe, zelf ook zwakker, en de anderen ook aangetast. Slecht licht,
weinig voedsel, sneeuw erger dan ooit. Ze ligt een voet diep. Opgestaan
om half vijf in den morgen, na om elf uur naar bed te zijn gegaan. Niet
meer van avond. Temperatuur vijf boven het vriespunt. Somber".
De nacht bracht ons niet de gehoopte verkwikking; hij herstelde onze
krachten niet, zooals ik had verwacht.
Den volgenden dag, 4 Februari, schreef ik: "Ik kan niet meer
schrijven. Allen lijden we aan acute dysenterie. Vreeselijke dag. Niet
mogelijk verder te gaan. Het vooruitzicht is dreigend. Mooi weêr."
Den volgenden dag slaagden we erin, op weg te gaan; maar in die dagen
was ons leven iets als een nachtmerrie, tot werkelijkheid geworden.
Den 7den Februari schreef ik: "Er waait een hevige storm. Volgehouden
tot zes uur na den middag. Adams en Marshall weer dysenterie. We zijn
uitgeput; onze levensmiddelen zijn zoo goed als op. Allen zeer zwak."
De storm, die in gewone omstandigheden beschouwd zou zijn geworden
als een beletsel om verder te gaan, was in deze periode voor ons een
helper, omdat hij ons gauwer deed vorderen naar het Noorden.
"Alle denken en praten is over eten," schreef ik op den 9den Februari
in het dagboek, en het gezegde werd den volgenden dag herhaald. De
sneeuwhoopen, die wij hadden opgericht op de heenreis, waren een heele
troost, want we troffen ze geregeld en zoo gaven ze ons de zekerheid,
dat onze afstandsmeter voor de sleden de afstanden juist aangaf, en
dat we inderdaad met betrekkelijke snelheid naar het Noorden vorderden.
We waren nu gekomen tot een half pannetje warme soep en vijf beschuiten
per dag en per man.
Op 13 Februari bereikten we het Chineesdépôt, waar we den pony
hadden geslacht, die den naam van Chinees droeg, den eerste, die
op de heenreis was opgeofferd. Onze heele voorraad was uitgeput. Ik
schreef in het dagboek: "Met de lever van onzen Chinaman hadden we
een uitgezocht maal. We zochten overal naar resten van vleesch, die
mogelijk achtergebleven waren, toen de pony werd geslacht. Ik vond
een blok harde, roode sneeuw, niets anders dan het bloed van Chinaman,
door de vorst in een hard blok veranderd. Dadelijk groef ik het op en
maakte er een bouillon van, die door ons allen lekker werd gevonden. We
legden vandaag 19.5 kilometer af met een niet sterken wind."
Op de plaats van het dépôt laadden we het ponyvleesch op de sleden
en de beschuit. Die zullen ons naar het dépôt A. moeten brengen,
dat 144 kilometer meer naar het Noorden is gelegen.
Trots kou en honger en zwakte legden wij toch menigen dag meer dan
twintig mijlen af. In die periode bestond ons rantsoen uit twee
pannetjes thee, een pannetje slappe cacao, drie vierden van een
pannetje soep en gekookt vleesch en vier beschuiten. Wij bemerkten,
dat het paardevleesch zachter bleef, als we het eenvoudig wat warm
maakten, dan wanneer we het kookten, en onze voorraad brandstof was
niet groot genoeg, om het te laten stoven.
Het eenige vleesch, dat we stoofden, was een voorraadje, dat we hadden
afgeschraapt van de beenderen van den pony Grisi, en die weelde
veroorloofden we ons, omdat dit vleesch maanden lang in de zon had
gelegen en later schimmelig was geworden.
Wij vorderden intusschen, en den 20sten Februari hadden we het gevoel,
ons thuis te naderen.