Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
HET DICHTSTE BIJ DE ZUIDPOOL.
Luitenant Shackleton's eigen verhaal.
Wat de heele wereld vurig verlangd heeft te lezen, vertelt
luitenant Shackleton in het Septembernommer van "Pearson's
Magazine", het volledig verhaal uit zijn eigen pen van de
gedenkwaardige Zuidpoolexpeditie, die de Britsche vlag plantte
slechts 97 mijlen van de Zuidpool, na een sledereis van 800 mijlen
vol ongeëvenaarde moeilijkheden en gevaren door het meest verlaten
en onherbergzame land ter wereld. Wat hij geeft, is de eenvoudige
mededeeling van verbazingwekkende feiten, een record van menschelijk
uithoudingsvermogen en een heldenstuk, eenig in de historie der
ontdekkingsreizen.
Na mijn terugkomst van de Nationale Zuidpoolexpeditie, luidt het
verhaal, gevoelde ik, dat de roepstem van het Zuiden niet van mij liet.
Ik wist, dat er nog veel te ontdekken viel, en ook heden nog wacht
er een massa exploratiewerk, in dit minst bekende gedeelte van de
oppervlakte der aarde. Daarom besloot ik, een poging te wagen tot het
organizeeren van een nieuwe expeditie met het doel, onze algemeene
kennis der Antarctis uit te breiden en te trachten, de Zuidpool
te bereiken.
Ik hoopte, door aan de expeditie een flinken staf van wetenschappelijke
mannen te verbinden, aan het geografisch onderzoek ook belangrijk
werk toe te voegen in verschillende takken van wetenschap. Er
was gelegenheid voor een verbazende hoeveelheid nauwkeurige
onderzoekingen in verband met de biologische toestanden in het
Zuidpoolgebied en eveneens op de gebieden van geologie, meteorologie
en verwante wetenschappen. Wij wisten, dat de kust van Victorialand
zich verder uitstrekte dan tot 83 graden Z. B. en dat er land was
aan het oostelijk uiteinde van de Groote IJsbarrière, want bij de
Nationale Zuidpoolexpeditie hadden we de omtrekken van bergen en rotsen
flauw door de vallende sneeuw zien heenschemeren. Op Koning Edward
VII-land, dat van kapitein Scott dien naam had gekregen, had ik, eer
ik Lyttelton op Nieuw-Zeeland verliet, gehoopt, mijn winterkwartier
te kunnen opslaan. Zooals men later zal zien, werd ik genoodzaakt,
dat plan op te geven.
De eerste moeilijkheid, die zich aan mij voordeed, was die, om de
noodige geldmiddelen te krijgen, een zaak van het allergrootste
belang. Na herhaald uitstel kreeg ik steun genoeg, om te kunnen
bekend maken, dat er een nieuwe Antarctische expeditie zou worden
uitgerust. Dat was in Februari 1907, en op den 7den Augustus 1907
vertrok de "Nimrod" van Torquay, uitgerust op zoodanige wijze, als
de beschikbare geldmiddelen toelieten.
Ons scheepje was een walvischvaarder van veertig jaar oud, goed
geschikt voor het ruwe werk tusschen het ijs. De uitrusting voor een
Poolexpeditie vereischt veel zorg en nadenken, omdat, als eenmaal de
beschaving achter u ligt, het niet mogelijk is, het ontbrekende aan
te vullen en een geringe vergeetachtigheid de ernstigste gevolgen kan
hebben. Enkele woorden omtrent onze uitrusting zullen den lezer dus
belang inboezemen. Het eerste, waar het op aan kwam, was een hut, die
als winterkwartier kon dienen, daar het niet in het voornemen lag, de
"Nimrod" in het ijs te laten blijven. Het schip zou naar Nieuw-Zeeland
terugkeeren, na de expeditie en de voorraden te hebben afgezet.
De hut was van hout opgetrokken en werd in secties mee naar het Zuiden
genomen, alle zorgvuldig gemerkt, zoodat ze met spoed zou kunnen worden
in elkaar gezet bij aankomst in het winterkwartier. De buitenafmetingen
van de hut waren 19 bij 33 bij 12 voet, en ze was bekleed met kurk
en vilt ter bescherming tegen de koude. Het oorspronkelijk plan was
geweest, dat de aan wal gaande groep zou bestaan uit twaalf man;
maar ten slotte werd dit aantal verhoogd tot vijftien, waardoor wij
het in de winterkwartieren niet al te ruim hadden.
De vraag van het voedsel was er een van het allerhoogste belang. Wij
gingen naar de beste kantoren en kregen alles van uitstekende
hoedanigheid. De uiterste zorg werd ervoor gedragen, dat het eten
gezond en goed was, maar ook, dat het passend zou zijn voor de
behoeften in de Zuidpoolstreken, en het gevolg is geweest, dat we
de expeditie hebben voltooid zonder een enkel geval van ziekte, dat
aan onzen voorraad moest worden toegeschreven. Meel en zoetigheden,
als jams, heldere stroop, suiker, ingemaakte vruchten en gedroogd
fruit, speelden een hoofdrol in het door ons meegenomene, want bij de
felle kou in de Poolstreken heeft men een natuurlijk verlangen naar
zoetigheid en naar zulke gerechten als puddingen, van meel bereid. We
hadden ook voorraden van vleesch in bussen, visch enz., maar we
vervingen dikwijls die zaken door het gebruik van zeehondenvleesch
in den winter, daar het versche vleesch ertoe meewerkte, den vijand
van alle poolvaarders, de gevreesde scorbut, op een afstand te
houden. Het voornaamste voedingsartikel voor de slede-expedities was
pemmikan of gedroogd vleesch, dat we uit Kopenhagen hadden betrokken,
en bovendien hadden we veel preparaten van specialen aard, bestemd, om
een maximum aan voedingswaarde te geven bij een minimum gewicht. Daar
zal ik later nog op terugkomen.
We voorzagen ons van dikke Jaegerstoffen, en daarover heen droegen
we dun Burberrygoed, waar de wind niet door drong en dat inderdaad
uitstekend bleek te beschermen tegen de ijskoude stormen. We hadden ook
wel de zware pilokleeren, die door andere expedities werden gebruikt,
maar nadat we op de sledereizen in het voorjaar eenige proeven ermee
hadden gedaan, besloot ik, dat we die zware kleeding niet zouden
aantrekken op den tocht naar de Zuidpool. Het besparen of uitwinnen
van gewicht was immers een zaak van het allergrootste belang.
De hoofdbedekking was altijd een punt van veel zorg, en ieder
Poolonderzoeker tracht weer een methode te bedenken, om te beletten,
dat zijn gezicht bevriest. Het is niet doenlijk, het voorste gedeelte
van het gezicht te bedekken, want het vocht van den adem zou tegen de
bedekking bevriezen, en dan zou het kwaad al gebeurd zijn. Om in de
hut te dragen in het winterkwartier hadden we dikke russische vilten
laarzen en voor het gebruik op den tocht Laplandsch schoeisel, groote
laarzen van rendiervel met de harige zij naar buiten. Daarin legden we
droog gras, dat de vochtigheid der voeten moest absorbeeren, en dan was
er nog ruimte voor de voeten en drie of vier paar dikke sokken. Die
groote laarzen waren met zacht band om het been vastgebonden, om ze
op hun plaats te houden.
Slaapzakken van Jaegerwol en dekens werden in de hut gebruikt, terwijl
we voor gebruik onderweg slaapzakken hadden van rendiervel met het
bont van binnen. Onze tenten waren gemaakt van licht Willesdensch
zeildoek en waren over vijf palen heengetrokken van bamboes, aan den
top te zamen gebonden. Drie palen werden naar de windzijde en twee
naar de lijzij geplaatst, waar de deur was, een ronde opening, die van
binnen kon worden dichtgebonden. Sneeuw werd opgestapeld rondom het
sneeuwtapijt op den vloer van de tent, om alles behagelijk te houden.
De sleden waren gewijzigde modellen van de Discovery-sleden. Ze
waren elf voet lang, gemaakt in Noorwegen van een daarvoor speciaal
uitgezocht hout, en ze wogen omstreeks zestig pond ieder, met de touwen
en de blikken met olie. De wijze, waarop ze het ruwe werk op het ijs
verrichtten, was boven allen lof verheven. Petroleumlampen van het
Frimusmodel en petroleum waren meegenomen voor de slede-expedities,
en het kookgereedschap was van aluminium. Dat belangrijk deel van
de uitrusting bleek goed te voldoen, want bij een temperatuur ver
beneden nul konden wij sneeuw in twintig minuten in kokend water
veranderen. Een kachel voor kolen en een acetyleengaskachel werden
in het winterkwartier gebruikt, en een voorraad steenkool was uit de
"Nimrod" ontscheept.
Iets nieuws was het gebruik van mantsjoerijsche paardjes en van
een automobiel. Die ponies zijn waarschijnlijk de gehardste dieren
in de wereld. Ze waren er aan gewend, te leven en te werken onder
omstandigheden van buitengewone koude en te reizen over sneeuw en ijs,
en hun geneigdheid, om alles maar te verslinden, waar ze hun tanden in
konden zetten, bracht ons dikwijls in verlegenheid. Ze aten hun tuig
op of elkaars staarten, als hun daar maar de gelegenheid voor werd
gegeven. Ik had vijftien van die paardjes uit een mantsjoerijsch
dorp gekregen, en na een lange reis werden ze te Port Lyttelton
aan wal gezet in Nieuw-Zeeland. Toen moesten ze gedresseerd worden,
en dit werk stelde aan de bekwaamheid en de wilskracht van een paar
nieuw-zeelandsche paardenkoopers hooge eischen.
Ten slotte koos ik de beste tien ponies en scheepte ze in op de
"Nimrod" voor de reis naar het antarctisch gebied. De automobiel
was een nieuwe Arroll Johnston, bijzonder geschikt gemaakt voor de
beproeving der lastigste wegen bij zeer lage temperaturen, en hoewel
ze niet kon worden gebezigd op de zachte sneeuw van de IJsbarrière,
deed ze goede diensten bij het trekken van de sleden over het
zee-ijs. De wetenschappelijke uitrusting was zoo volledig, als we
haar maar eenigszins maken konden, maar gebrek aan fondsen maakte
het onmogelijk, alles te erlangen, wat we zouden hebben gewenscht.
De leden van de groep, die in het Zuidland aan wal ging, waren
buiten mijzelven: J. Murray, bioloog; Dr. E. Marshall, geneesheer
en landmeter; R. Priestley, geoloog; Dr. Forbes Mackay, geneesheer;
luitenant J. E. Adams van de koninklijke marine, meteoroloog; Sir
Philip Brocklehurst voor het voorkomende werk en de photografie;
Ernest Joyce en Frank Wild, belast met de zorg voor de honden en de
sleden; B. Day, chauffeur en electricien; G. E. Marston, artiest;
W. C. Roberts, kok en zoöloog; professor T. W. David, geoloog;
Douglas Mawson, physicus, geoloog en magneticien, en E. Armytage voor
de paardjes.
Hunne Majesteiten, koning Edward en koningin Alexandra, waren zoo
vriendelijk, den 4den Augustus 1907 een bezoek te komen brengen aan
boord van de "Nimrod", een eer, die op hoogen prijs werd gesteld door
de expeditie, en Hare Majesteit de koningin gaf ons een Union Jack
ten geschenke, die op de reis naar het Zuiden werd meegevoerd. De
reis heen naar Nieuw-Zeeland had niets bijzonders, en op 1 Januari
1908 verlieten we Port Lyttelton voor de zuidelijker streken.
Wij hadden van de menschen op Nieuw-Zeeland en uit Australië zooveel
sympathie en hulp gekregen, dat ik er niet dankbaar genoeg voor
kan zijn, en de welgemeende hartelijkheid bij het afscheid te Port
Lyttelton is een der gelukkigste herinneringen van de expeditie. Meer
dan dertig duizend menschen juichten ons van de heuvels toe en van
de vergezellende stoombooten, toen we de haven uitvoeren.
Wij werden gesleept tot aan den Poolcirkel door een stoomboot, de
"Koonya", opdat we onze kolen zouden kunnen sparen, en dit gedeelte
van de reis was ver van aangenaam. Het weêr was zeer ruw, en de kleine
"Nimrod" lag diep in het water, terwijl ze, gehinderd door de lange
lijn, zwaar werkte. Herhaaldelijk was het noodig, bij te draaien,
omdat we het er niet op konden laten aankomen, dat een zee overboord
zou slaan en de deklading zou meesleepen, waar de paarden, de honden,
de automobiel en de petroleum toe behoorden. Het verschrikkelijke
stooten maakte ons schip lek en eischte onophoudelijk veel werk aan
de pompen. We verloren slechts een enkel paard, dat omviel op zijn
rug in een storm en doodgeschoten moest worden.
Eindelijk klaarde het weêr op, en we kregen het pakijs in het gezicht
omstreeks 1500 mijlen van Lyttelton, nadat we veertien dagen gesleept
waren. Ons schip had wat geleden, maar we hadden geen ernstige
schade te betreuren, en nadat we de lijn hadden afgeworpen en de
laatste boodschappen met de stoomboot hadden meegegeven, zetten we
de reis zuidwaarts voort, en met eigen stoom. We volgden den 178sten
meridiaan W. L., een nieuwen weg, die gekozen was, om de "Nimrod" zoo
weinig mogelijk last te bezorgen van het pakijs; en varend tusschen
honderden tafelvormige ijsbergen door nauwe doorgangen, kwamen we ten
slotte in de Ross-zee en voeren om den hoek van de groote IJsbarrière,
de reusachtige ijsklip, die hoog boven het kraaiennest van de "Nimrod"
uitstak.
Wij bespeurden, dat ondoordringbaar pakijs den weg versperde naar
Koning Edward VII-land. Pakijs is ijs, gevormd op de oppervlakte van
de zee in den winter, dat opgebroken wordt in den zomer, wanneer het
noordwaarts drijft naar warmer streken en langzamerhand wegsmelt. Onze
oorspronkelijke bedoeling, om te overwinteren op het in 1902 ontdekte
land, moest daarom worden opgegeven en we stoomden naar Mac-Murdosont
en vestigden onze winterkwartieren op een plek, twintig mijlen ten
noorden van het punt, waar de Discovery-expeditie overwinterde.
De volgende maatregel was het lossen van de voorraden en de uitrusting;
maar het duurde eenigen tijd, eer het ons gelukte, het schip in den
juisten stand te brengen, dat wij het werk gemakkelijk konden doen;
de toestand van het ijs werkte storend. In den tusschentijd bracht
een troepje van ons met sleden een bezoek aan de baai, waarin de
"Discovery" had overwinterd; ze vond de hut, die de vorige expeditie
had gebruikt, vrij van sneeuw en geheel onbeschadigd. Ten laatste
kregen we de "Nimrod" dicht bij den wal in de onmiddellijke nabijheid
van het punt, voor de hut uitgekozen op kaap Royds, en we gingen
ertoe over, ons boeltje te ontschepen, waarvan reeds een groot deel
aan dek was gebracht. De motorwagen werd het eerst aan wal geheschen,
en daarna de paarden, want er was kans, dat het ijs zou opbreken,
en het zou zoo goed als onmogelijk geweest zijn, om die met booten
aan land te brengen. Er volgde een periode van hard werk. De hut
moest worden opgezet in een klein dal dicht bij het strand, en ieder
lid der expeditie moest meehelpen aan het vervoer der voorraden en
der uitrusting.
Toen het weêr slechter werd, moest de "Nimrod" worden overgebracht
naar een veiliger ankerplaats, hetgeen tijdverlies meebracht, en bij
verschillende gelegenheden hadden we een nieuwe landingsplaats te
zoeken ten gevolge der bewegingen van het ijs. Eens brak een ijsschol,
waarop we aan het werk waren, plotseling op, en we verloren bijna
een onzer ponies; als niet de leden der expeditie in die dagen zich
zoo prachtig veel moeite hadden gegeven, dan zouden we zeker het
verlies hebben te betreuren gehad van een deel van onzen voorraad,
of onze bezittingen zouden ernstig schade hebben geleden.
Een hevige storm, die drie dagen aanhield, was een onzer
beproevingen. Ik was op zee met de "Nimrod" gedurende die drie dagen,
en toen ik naar het strand terugkeerde, zag ik, dat het zeeschuim wel
een kwartmijl landinwaarts was gevlogen en dat onze kostbare voorraden
begraven waren in een massa bevroren zeewater, op sommige plaatsen
vijf of zes voet diep. Onze hoop kolen was in 't ijs opgesloten,
een feit, dat waarschijnlijk de kleinere stukken ervoor had behoed,
heinde en ver verspreid te zijn geworden. We hadden toen geen tijd,
om naar de voorraden te kijken. Het was volstrekt noodig, dat de
"Nimrod" wegkwam, eer het seizoen verder was gevorderd, en na een
flinke inspanning, om kolen aan land te brengen, stoomde ons schip
naar het Noorden op den 22sten Februari en liet het aan ons klein
troepje over, het werk af te maken.
Het meest in het oog vallende punt in de nabijheid van onze
winterkwartieren was in het landschap de berg Erebus, Mount Erebus,
en toen we het grootste deel van onze bagage hadden bevrijd uit het
ijs, met behulp van houweelen en stangen, en ons hadden ingericht
op een antarctisch leven, waren we in staat, dien grooten vulkaan te
bestudeeren en de andere eigenaardigheden van de streek.
De wetenschappelijke leden der expeditie begonnen hun aandacht
te wijden aan hun eigen speciale vakken, en de belangwekkendste
ontdekkingen werden weldra gerapporteerd. De meteoroloog was gelukkig
in de buurt van den Erebus, want de wolk van damp, die steeds boven
de kruin hing, was een natuurlijke aanwijzing van bewegingen en
toestanden in de hoogere lagen van den dampkring.
Er was nog genoeg werk te doen van algemeenen aard. We gebruikten
de kisten, die onze goederen bevatten, om de lucht af te sluiten
van den onderkant van onze hut, daar de ervaring ons had geleerd,
dat de vloer het zwakke punt was, wat het toetreden van de koude
betrof. Een ruw berglokaaltje werd opgericht aan één kant van den
ingang voor het bewaren van voedingsmiddelen, en aan de andere zij
bouwde Mawson een bepaald subliem bouwsel, dat dienen moest voor
chemisch en physisch laboratorium. Natuurlijk werd het enkel gebruikt
als magazijn, omdat de temperatuur daarbinnen ongeveer precies gelijk
was aan de buitentemperatuur, en de warme, vochtige lucht, die uit
de deur van de hut kwam, bedekte alles in het kleine vertrek met
fantastische ijskristallen.
Aan de lijzijde der hut was een schuilplaats opgericht voor de paarden,
de kisten maïs, de balen voeder, waarbij voor dat doel planken en
geteerde kleeden werden gebruikt. De geharde dieren schenen niet veel
behagen te scheppen in dezen maatregel, die hun welzijn op het oog
had, en gedurende hun eersten nacht in de beschutting braken enkele
van hen, na een geweld van belang te hebben gemaakt, los en keerden
naar het dal terug, waar ze eerst waren vastgebonden geweest. Kort
daarna stak Grisi, de wakkerste van hen allen, zijn hoofd door een
der ramen van de hut. Een bergplaats, die aan de zuidzijde van de hut
was gebouwd, bezweek bij den eersten storm, en toen het weêr bedaard
was, moesten we een dienst organizeeren voor het zoeken van verloren
goederen. Ik vond een russisch lederen laars, die meer dan drie pond
woog, liggen op driekwart mijl afstands van het krat, waarin ze was
geborgen geweest, en het ding moet door de lucht hebben gereisd, want
het was niet geschaafd door de rotsen, waar het overheen was gegaan.
Een donkere kamer werd ingericht in een hoek van de hut, terwijl de
kisten met vruchten in flesschen voor het doel dienden, om de ruimte
af te zetten, en in den tegenoverliggenden hoek had ik een klein
eigen hutje, gebouwd van planken en met een dakje.
Het leven in ons winterhuis was niet onbelangrijk. Elke twee personen
hadden een vakje voor zichzelven van zeven bij zes voet, afgesloten
van de rest onzer kleine wereld door middel van staaldraad en
zeildoek. De smaak en handigheid van de leden der expeditie konden
worden beoordeeld naar de manier, waarop deze vertrekjes in orde
gemaakt en versierd waren.
Een groot gordijn in de kamer was beschilderd en stelde een vuurhaard
voor met een vroolijk vuur, dat erin brandde, en een bouquet op den
schoorsteenmantel, een opwekkend tooneeltje, als het erg koud was. Een
tweede gordijn liet zien levensgroote teekeningen van Napoleon en van
Jeanne d'Arc. Jeanne was vastgebonden op den brandstapel en de vlammen
speelden om haar heen op een manier, die waarschijnlijk warmte moest
suggereeren. Om zooveel mogelijk ruimte te hebben in het midden,
hadden we het zóó ingericht, dat de tafel kon worden opgetrokken
naar de zoldering, als ze niet werd gebruikt, en zoo bleef er ruimte
voor de verschillende werkzaamheden van de leden der expeditie. De
kachel liet in het begin te wenschen over, maar een onderzoek toonde
aan, dat de oorzaak school bij het feit der afwezigheid van enkele
belangrijke onderdeelen, die niet waren aangebracht, toen de kachel
werd geplaatst in de hut, en nadat het gebrek was verholpen, hadden
we er niets meer op aan te merken. Die kachel werd op zware proeven
gesteld, want ze moest negen maanden aan één stuk branden, met nu en
dan een poosje rust van hoogstens tien minuten, als ze moest worden
schoongemaakt. Een weerkundig station was dicht bij de hut opgericht,
waar iedere twee uren waarnemingen werden gedaan, soms tijdens stormen,
die het werken buitenshuis al bijzonder onaangenaam maakten.
Toen we ons in de hut hadden gevestigd, begonnen we vragende blikken
te werpen in de richting van den Erebus. De bestijging van den berg
was als zeer bezwaarlijk beschouwd, zoo niet als onmogelijk; maar er
was geen twijfel aan, of, als de berg beklommen kon worden, zouden de
wetenschappelijke resultaten hoogst waardevol wezen, en zoo besloten
we, dat er een poging zou worden gewaagd.
Ik koos professor David, Mawson en Mackay, om de bestijging van den
top te beproeven. Ze moesten voor tien dagen van levensmiddelen worden
voorzien, en een hulpgezelschap, bestaande uit Adams, Marshall en
Brocklehurst, zou de hoofdgroep zooveel mogelijk ter zijde staan. Het
gebeurde, dat alle zes den top van den berg bereikten. Het gezelschap
sloeg zijn eerste kamp op omstreeks zeven mijlen verwijderd van
het winterkwartier en 2750 voeten boven de oppervlakte der zee. Ze
vertrokken den volgenden morgen bij een temperatuur van tien graden
onder nul, en na een inspannend klimmen over de sneeuw, die door
den wind zwaar gegroefd was, bereikten ze een hoogte van ongeveer
5550 voet.
De aard van de vulkanische brokken, die rondom het kamp lagen, gaf
aan, dat de Erebus nog kort geleden eenige lava had uitgestooten. Er
werd bij dit kamp een dépôt aangelegd, en proviand voor drie dagen
werd verderop meegenomen, terwijl het derde kamp opgeslagen werd ter
hoogte van 8750 voet bij een temperatuur van 20 graden onder nul. Dien
nacht werd het gezelschap door een sneeuwstorm overvallen, die nog
in woede toenam gedurende den volgenden dag. Het was onmogelijk,
om vooruit te komen, en de mannen bleven in hun slaapzakken.
In den namiddag kwam Brocklehurst te voorschijn uit den slaapzak voor
drie personen, gebruikt door de leden van de hulpexpeditie, en dadelijk
sleurde de wind een van zijn handschoenen van wolfsvel mee weg. Hij
vloog er achterna en werd een eind meegesleurd in het ravijn. Adams,
die met Brocklehurst te voorschijn was gekomen, werd door den wind
naar beneden gesleurd, en Marshall, die in den slaapzak bleef,
moest krachtig zich inspannen, om niet met zak en al naar beneden te
tuimelen. Adams en Brocklehurst slaagden er in, naar den zak terug
te kruipen, de laatste bijna uitgeput, en beiden verstijfd van koude.
Het gezelschap kon den volgenden dag verder komen, en na nog veel
moeilijk en gevaarlijk klimmen, waarbij Mackay aan een groot gevaar
ontsnapte, bereikten ze den rand van den ouden krater, boven welks
zuideinde de werkzame kegel zich verheft. Ze waren toen aan den zoom
van een afgrond van zwart rotsgesteente, gescheiden van de sneeuw,
die den krater vulde door een diepe gracht, die uitgehold was door
de stormwinden.
Er werd een kamp opgeslagen in een holte op de noordwestelijke
helling van den hoofdkegel omstreeks vijftig voet onder den rand van
den ouden krater, en hier werd er een onderzoek ingesteld naar de
voeten van Brocklehurst, daar hij zei, dat hij al eenigen tijd er in
het geheel geen gevoel meer in had. Er moest geconstateerd, dat zijn
groote teenen zwart waren, en dat nog vier andere teenen bevroren
waren, ofschoon niet zoo erg. Het moet hem veel zelfoverwinning en
vastberadenheid hebben gekost, om maar voortdurend, wel negen uren
lang, te hebben geklommen met zijn voeten in zulk een toestand. Nadat
de circulatie van het bloed bij hem was hersteld, werd hij in een
slaapzak achtergelaten, terwijl de andere vijf man verder gingen,
om den bodem van den ouden krater te onderzoeken.
Hun aandacht was getrokken door eenige merkwaardige heuvels, die
verspreid waren over de sneeuwvlakte binnen den krater, en daarheen
richtten ze hun schreden. Ze bevonden, dat de heuvels fumarolen waren,
die in een gewoon klimaat worden herkend aan de rookwolkjes, die er
boven hangen. De fumarolen van den Mount Erebus vertoonen een in ijs
veranderd rookzuiltje, waarin de damp dadelijk overgaat, zoodra hij
de oppervlakte van de sneeuwvlakte bereikt, en het gevolg is geweest
het ontstaan van die eigenaardige heuveltjes. Enkele plekken van geel
gekleurd ijs bleken zwavel te bevatten.
Den volgenden dag drong het gezelschap door tot den rand van den in
werking zijnden krater, gaande over beddingen van harde sneeuw en
groote hoeveelheden puimsteen, en langzaam en met moeite klimmend,
omdat de hoogte en de felle koude de ademhaling belemmerden. Toen ze
den kraterrand bereikten als de eerste menschen, die den top van den
Erebus vermeesterden, zagen ze zichzelven staan aan den zoom van een
diepen afgrond, gevuld met een opstijgende wolk van stoom.
Na een aanhoudend hard sissend geluid, dat eenige minuten aanhield,
kwam er van beneden een zwaar dof gebrom, en dan vlogen onmiddellijk
groote, bolvormige massa's damp omhoog, die het volume deden toenemen
van de wolk, die boven den krater zweefde. De lucht was gevuld
met brandende zwaveldampen. Dan deed op eens een licht windje de
dampwolk wegdrijven, en ze zagen den krater vóór zich in zijn geheele
uitgestrektheid en diepte. Hij was tusschen 800 en 900 voet diep en
de grootste breedte was een halve mijl, terwijl in de diepte drie aan
elkander gelijke openingen te zien waren, waaruit de damp opsteeg. Aan
den wand van den krater, die tegenover de plaats van ons gezelschap
lag, wisselden lagen van donker puimsteen af met witte plekken sneeuw,
en op één plaats wees het voorkomen van dampzuiltjes erop, dat de
sneeuw op warm rotsgesteente lag.
De afdaling ging vlug in haar werk, want het gezelschap daalde 5000
voet naar beneden in vier uren, door te glijden langs de lange
ijshellingen, wat niet weinig schade toebracht aan hun kleeding
en hun uitrusting. Ze bereikten het dépôt, dat ze bij het stijgen
hadden aangelegd, maar bevonden, dat de storm hun bezittingen her-
en derwaarts had verspreid, en de laatste einden van den tocht
terug naar het winterkwartier werden afgelegd onder zeer bezwarende
omstandigheden. Het had er allen schijn van, of er weer een sneeuwstorm
ophanden was; de mannen waren doodvermoeid; de petroleum was bijna op;
een der tenten had een groot gat, dat er in gebrand was, en een der
kachels was gebroken op den glijtocht.
Ze lieten hun slede en hun uitrusting in den steek op de plek,
waar ze hun eerste kamp hadden opgeslagen, en deden een laatsten
geforceerden marsch, die hen in de winterkwartieren bracht in
uitgeputten toestand. Ze hadden hun werk gedaan, dat was echter de
hoofdzaak, en binnen enkele minuten vergaten ze hun leed onder het
genot van een overvloedigen maaltijd. Ik wil hier niet uitweiden
over de resultaten van de bestijging uit wetenschappelijk oogpunt
of trachten, dat te doen, maar even wil ik toch meedeelen, dat het
gezelschap de hoogte van den berg vaststelde op 13.350 voet, en dat
ze de morenen, achtergelaten door den een of anderen voorvader van
den Grooten IJsmuur, op de westelijke hellingen van den berg zagen
opklimmen tot een hoogte van duizend voet boven zeepeil. Daar de
aangrenzende zee ten minste 300 vademen diep is, moet de ijsbedekking,
toen ze op haar maximum was, ten minste een dikte van niet minder
dan 2800 voet hebben gehad.
De lange wintermaanden waren druk, maar niet afwisselend. Ieder man had
zijn deel aan het werk te verrichten, en enkele van de onderzoekingen
en ontdekkingen, door de geleerden gedaan, waren hoogst interessant.
Wij leefden een geregeld leven onder gestadige routine, alleen
afgebroken, als er een sneeuwstorm uit het ijzige Zuiden kwam
opdagen, die allerlei bezwaren en onaangenaamheden verbond aan de
werkzaamheden van het voederen der paarden en honden, het halen van
kolen en voorraden van buiten en het doen van de waarnemingen op ons
weerkundig station.
Wij speelden hockey en voetbal in de open lucht, als er voldoende
licht was, en in de hut vermaakten sommigen van ons zich met bridge,
poker en domino. Het Kerstfeest en de verjaardagen waren gelukkige
feestdagen, die er toe bijdroegen, om ons troepje te beveiligen tegen
de kwellingen van een aanval van Poolverveling.
Verscheiden leden van de expeditie werkten mee aan het schrijven van de
"Aurora australis", een boek, dat geschreven, gedrukt en geïllustreerd
werd in ons winterkwartier. De omslagen der deelen werden gemaakt van
hout, dat behoord had tot de kisten, waarin onze voorraden verpakt
waren geweest, en de liefhebberij-drukkerij gaf bezigheid en afleiding
gedurende de maanden van duisternis.
Langzaam gingen die maanden toch voorbij, en toen de lente naderde,
begonnen we ongeduldig te verlangen naar den dag, waarop we in
staat zouden zijn, met de slede-expedities te beginnen naar de beide
eindpunten, waarheen onze eerzucht zich uitstrekte, de magnetische
Zuidpool en de aardrijkskundige Zuidpool zelve.
De top van den Erebus werd van dag tot dag duidelijker voor ons
zichtbaar, naarmate het daglicht in kracht won. De winternacht,
die vier maanden had geduurd, begon te wijken. Zoodra het daglicht
voldoende zal wezen, beginnen wij aan de toebereidselen voor de
expeditie naar de Zuidpool.
Van het uithoudingsvermogen onzer pony's hangt het slagen onzer
onderneming af, en in den winter hebben we het hun dan ook aan
geen enkele zorg doen ontbreken. Dank zij dat stelsel van verwende
lievelingen, zijn ze nu in zeer goeden staat. Om ze te wennen aan het
trekken der sleden, lieten we hen van de stapelplaats van de kolen
den voorraad dagelijks naar ons huis brengen, of wel we lieten ze
blokken ijs halen, bestemd voor de voorziening in onze behoefte aan
zoet water. De blokken werden geklopt uit een meer, dat 1200 meter
van de woning was verwijderd. Toen ze eenmaal aan het trekken gewend
waren, bleef er te beslissen, hoeveel gewicht ze konden vervoeren. Na
een lange reeks van proeven kwamen we tot het resultaat, dat het
maximum gewicht, dat een pony in staat was, in goede omstandigheden
te vervoeren, 295 kilo bedroeg, met inbegrip van de zwaarte van de
slede, die 27 kilo was.
Bij het poolonderzoek hangt het succes voor een groot deel af van
de hoedanigheid der uitrustingsvoorwerpen. De rol, die de sleden
daarbij spelen, is hoogst gewichtig. Goede voertuigen moeten twee
hoofdeigenschappen hebben, die elkaâr schijnen uit te sluiten; ze
moeten vast en sterk zijn in hun verticale en horizontale verbindingen
en tegelijk moeten ze een groote buigzaamheid bezitten, zoodat ze over
uitstekende punten kunnen worden heen getrokken, zonder aan een te
groote spanning te worden blootgesteld, die op den duur tot scheuren
aanleiding zou kunnen geven. Om die onmisbare soepelheid te verkrijgen,
waren onze sleden in de verschillende onderdeelen door leêren riemen
verbonden, terwijl de dwarshouten met schroeven en moeren waren
gevoegd. Die voertuigen, die in Noorwegen waren vervaardigd, gaven
ons veel voldoening. Ze waren 3.30 meter lang, een zeer practische
afmeting. Om ze te kunnen trekken, deden de manschappen breede linnen
gordels om het lijf, door bretels vastgehouden, waaraan de trekzeelen
of strengen waren vastgemaakt. Die uitrusting, die eenvoudig en licht
was, had het voordeel, de trekkers te behoeden tegen de noodlottige
gevolgen van een val in de spleten.
Terwijl ik de pony's dresseerde, hield dokter Marshall zich ermee
bezig, onze verschillende voedingsmiddelen te onderzoeken op de
hoeveelheid koolhydraten en vet, die ze bevatten, ten einde onzen
mee te nemen voorraad te kiezen naar wetenschappelijke eischen. Ten
gevolge van dat onderzoek werd de dagelijksche portie voor ieder
persoon vastgesteld op 963 gram en samengesteld uit suiker, pemmikan,
beschuit, kaas, plasmon of melkpoeder, chocolade, thee, cacao en
porties van een gerecht, dat wij emergency noemden en dat uit ham,
erwten en wortels bestond, of emergency oxo, waarbij de ham vervangen
was door rundvleesch.
In onze voeding was aan de suiker een groote plaats ingeruimd, als een
voedingsmiddel van den eersten rang. Onze beschuit was gebakken van
ongebuild tarwemeel, waaraan 25 procent plasmon was toegevoegd. Ons
pemmikan bestond uit het allerbeste rundvleesch met 60 procent vet
eraan toegevoegd. Er komen veel merken van dat voedingsmiddel aan
de markt; dat wat wij gebruiken en dat van de beste qualiteit was,
kwam uit Kopenhagen. Aan de thee voegden we melkpoeder toe, om ze
versterkend te maken. Onderweg namen we drie maaltijden dagelijks. Het
was geen afwisselend menu; 's morgens en 's avonds bestond het uit
"hoosh", dat was het emergency-gerecht met pemmikan en gekruimelde
beschuit tot soep gekookt, beschuiten en cacao. Bij het tweede ontbijt
werd thee gedronken met chocolade en kaas.
We namen levensmiddelen voor één-en-negentig dagen mee. De pony's
waren bestemd, om ons in geval van nood tot voedsel te dienen. Op den
dag, dat wij geen eten meer voor hen zouden hebben of als ze uitgeput
zouden wezen, zouden wij ze slachten en opeten. Om in de ijswereld de
dieren te kunnen voeden, hadden wij maïs meegenomen en een preparaat,
dat uit gedroogde wortels, suiker en vleesch bestond.
De kleeding der mannen bestond uit twee pyjama-Jaegerpantalons,
die bestemd waren om bij hevige kou over elkander te worden
aangetrokken, een hemd, een borstrok, een buis van burberry, zeer
lichte, ondoordringbare stof, tien paar sokken, drie paar mocassins,
een balaclavamuts met burberry-kap en bonthandschoenen, aan een riem om
den hals hangend, om ze niet te verliezen, als we ze uittrokken. Die
kleêren droegen we vier maanden lang, en daar we al dien tijd ons
niet konden wasschen, om de eenvoudige reden dat er geen water was,
of ten minste dat het niet was te krijgen dan ten koste van een
groote uitgaaf aan brandstof, kan men begrijpen, hoe vuil wij waren
bij onze terugkomst!
De slaapgelegenheid bestond uit een slaapzak voor ieder man. Die was,
om zoo te zeggen, onze slaapkamer, waar wij, als de dag ten einde was,
de individueele vrijheid vonden, om te lezen, te schrijven en te doen
wat ons goed dacht.
Het wetenschappelijk materiaal bestond uit een kleine theodoliet,
kompassen, hypsometers en aneroïde-barometers om de hoogte te
bepalen; dan alcohol-thermometers in graden verdeeld tot 100 graden
Fahrenheit onder nul, en tafels voor de berekening der waarnemingen;
alles besloten in een kist met een goeden voorraad aanteekenboekjes,
wegend 18 kilogram.
Die bagage was op vier sleden geladen, elk door één pony getrokken.
Eer we op onzen tocht naar de pool uitgingen, deed ik twee voorloopige
uitstapjes op de Groote IJsbarrière, den reusachtigen gletscher,
die ons naar het Uiterste Zuiden zou brengen.
Het eerste had ten doel, den toestand van het ijsdek te onderzoeken
met het oog op het gebruik van de automobiel. Ik vertrok daartoe den
12den Augustus, tien dagen vóór de terugkomst der zon, met professor
David en Armytage. Tijdens dat tochtje doorstonden we felle koude en
een hevigen sneeuwstorm. Herhaaldelijk daalde de thermometer tot 45.5
en zelfs tot 48.8 graden onder nul! Bovendien konden we nog zoo goed
als niets zien. Wat leek ons in die omstandigheden ons warm en goed
verlicht huisje prettig en gezellig en wat kwamen we na zeven dagen
uitgehongerd thuis! Daar in het winterkwartier waren onze kameraden
verbluft van onze gulzigheid, vooral zij, die nooit aan dergelijke
tochten hadden deelgenomen. Zij konden hun oogen niet gelooven
bij het zien van de hoeveelheden soep, brood, boter en gebakken
zeehondenvleesch, die wij naar binnen werkten.
Het resultaat van den tocht was niet bepaald aanmoedigend. De gletscher
was bedekt met een dikke laag sneeuw, en het was zeer twijfelachtig,
of eenige weken later, als wij naar het Zuiden zouden vertrekken,
de auto er zou kunnen rijden.
De tweede voorjaarstocht had plaats op het eind van September. Ons
doel was toen het aanleggen van een dépôt op een ver zuidelijk gelegen
punt, opdat we, daar aangekomen, onzen voorraad levensmiddelen zouden
kunnen aanvullen.
Op den grooten gletscher nam ik, daar September zeer koud was, de
pony's op dezen voorbereidingstocht niet mee. Ik wou de kostbare
dieren niet aan een verkenningsexpeditie wagen. Ook werden er geen
honden meegevoerd, want die weigeren te trekken, als de wind hun dikke
vlokken sneeuw in den neus jaagt. Ik ben er trouwens van overtuigd,
dat vaak de menschen nog kunnen vooruitkomen, als de honden het
zouden opgeven. Naar mijn meening kan een troep van zes krachtige
mannen vooruitkomen in onverschillig welk weêr, behalve in geval van
hevige blizzards, sneeuw- en hagelstormen.
Den 22sten September begaven Adams, Wild, Marshall, Joyce, Marston,
Day en ik ons op weg met een last van ongeveer 462 kilo. Op 79 graden
36 minuten, dus op 222 kilometer van het winterkwartier, werd het
dépôt gevestigd, het dépôt A, zooals het voortaan werd genoemd.
Na ernstig nadenken lieten we in dit dépôt niets anders achter dan
een voorraad maïs voor de pony's, uit vrees dat we het later niet
zouden kunnen terugvinden. Mocht dat het geval wezen, dan zou het
verlies van de maïs zeker zeer ernstig zijn, maar het zou ons niet
op een totale mislukking van den tocht naar de pool te staan komen.
Gedurende den tocht noodzaakten blizzards ons verscheiden malen om
in de tent te blijven in onze slaapzakken; in het geheel waren we
zeven en een halven dag tot gedwongen werkeloosheid gedoemd. Daarbij
was de kou zoo hevig, dat meermalen de petroleum in onze veldkachels
bevroor of tot een strooperig vocht werd, dat op gecondenseerde melk
geleek. Met dergelijk weer was het voorzichtiger binnen te blijven. Den
13den October waren we na zware dagen terug. Als altijd arriveerden
we met een formidabelen honger.
Toen we waren uitgerust van de vermoeienis, die alle gletschertochten
geven, werkten we ijveriger dan ooit aan de toebereidselen voor den
tocht naar het Uiterste Zuiden en begonnen met het overbrengen van het
meeste van onzen voorraad naar Hutpunt, een plaats op 20 mijlen ten
zuiden van ons kwartier, het oude winterkwartier van de Discovery. Het
huis, dat daar op Hut Point door die expeditie opgericht was, bevond
zich nog in goeden staat en diende ons als centraal magazijn in de
buurt van de Barrière en dikwijls ook tot schuilplaats bij slecht weêr.
Op den Grooten Gletscher.--Den 28sten October kwam eindelijk de
groote dag, het oogenblik van het vertrek voor de groote onderneming,
waarvan de voorbereiding al mijn gedachten en al mijn tijd sinds meer
dan drie jaren had vervuld.
Ik vertrok in het gezelschap van dokter Marshall, Adams en Wild. Een
hulpexpeditie volgde ons op de eerste dagmarschen.
Op het drijfijs, dat den fjord bedekte, die aan den Grooten Gletscher
uitkwam, was een pony begonnen te hinken, wat ons tot 3 November bij
Hut Point deed blijven. Dadelijk daarna begonnen de moeilijkheden;
de sneeuw was zacht en het ijs vol spleten; dan nam een blizzard ons
op in zijn ijzige kilheid. Vier dagen van een dergelijk marcheeren,
en we waren nog maar 48 kilometer verwijderd van het punt van uitgang
te midden van een doolhof van scheuren en spleten. Daar namen wij
afscheid van de hulpexpeditie. In krachtige handdrukken lieten onze
kameraden ons voelen, hoe warm de wenschen waren, die ze koesterden
voor ons succes. Niet zonder een gevoel van weemoed zagen we hen
zich verwijderen, om terug te keeren naar den overvloed en naar een
betrekkelijk comfortabele omgeving.
Dien dag overkwam ons een ernstig ongeluk. Plotseling vielen Adams en
zijn pony in een spleet, waarvan de opening door een dun laagje sneeuw
verborgen werd. Gelukkig werden ze in hun val tegengehouden door een
sneeuwbrug; maar hun positie bleef nog buitengewoon gevaarlijk. Ieder
oogenblik kon de sneeuwbrug bezwijken en man en paard meesleuren in
een bodemloozen afgrond. Wild, die achter Adams liep, was dadelijk
zijn vriend ter hulp gesneld en hielp hem uit de spleet, waarna
ze den pony optrokken. Juist op het oogenblik, toen het dier weer
boven was gebracht, stortte de sneeuwbrug in. Het ongeluk had ons
kunnen kosten een man, een paard en de helft van onze proviand. Na dat
avontuur bleven we dagen in de tent, om helderder lucht af te wachten,
waarbij men op den gletscher goed kon zien.
Toen we ons weer op weg begaven, werd de marsch verschrikkelijk
moeilijk. De oppervlakte, die schijnbaar effen was, waar wij ons
op bewogen, was nu eens gescheurd in tal van gevaarlijke spleten,
dikwijls onder een sneeuwlaag verborgen, dan weer bedekt met die golven
van sneeuw, die door den wind op de oppervlakte van gletschers worden
gevormd, en die op de Groote Barrière een hoogte bereiken van meer dan
een meter. Op een dergelijk terrein is de allergrootste voorzichtigheid
noodig, om ongelukken te voorkomen.
Den 15den November bereikten we het dépôt A, waar we maïs innamen
voor de paarden.
De dagen volgden elkaar en geleken veel op elkander. Iederen morgen
om 4.40 stonden we op en om zes uur werd er ontbeten; dan braken
we de tenten af, maakten de pony's klaar en deden alles weer netjes
in de zakken. De kou doet al die preparatieven langzaam en moeilijk
gaan, en het sein van vertrek kon niet vroeger dan acht uur worden
gegeven. We gingen achter elkaâr, ieder met zijn paard aan de hand
en om beurten liepen we vooraan, om het spoor te banen. Elk uur
hielden we vijf minuten rust. Om één uur in den namiddag werd de
groote rust gehouden voor het tweede ontbijt, en om zes uur werd het
kamp in gereedheid gebracht na een étappe van negen uren. Dadelijk
als we in het bivak waren aangekomen, hielden we ons met de pony's
bezig. Ze werden geroskamd en nadat ze dekens hadden overgekregen en
vastgemaakt waren aan een tusschen de sleden gespannen staaldraad,
werden ze gevoederd. Hun portie bestond uit vier en een halve kilo per
dag. Als een pony na het eten nog honger scheen te hebben, gaven we
dien een extraatje. We moesten inderdaad de paarden rijkelijk voeden,
om te maken dat ze hun krachten zoo lang mogelijk behielden.
Waren eenmaal de paarden verzorgd en de tenten opgeslagen, dan ging
de kok van de week aan het bereiden van het avondeten. Verwarmd
door het fornuis, vormde de tent, die eerst voor keuken had gediend,
daarna een slaapkamer, een bijzonder warme en daarom zeer gezochte.
In de tent gezeten om het fornuis, nuttigden we ons avondeten, en
dan legden we ons in onze zakken, om te schrijven aan onze bladen en
onze aanteekeningen te maken, eer we in dien diepen slaap vielen, die
volgt op langdurige lichamelijke inspanning. Dat zijn de aangenaamste
oogenblikken van den dag.
Een tweede dépôt B werd opgericht op 81.4 Z.B., ongeveer 140 kilometers
van het eerste verwijderd. Daar we nog maar een kleine hoeveelheid
voedsel voor de pony's hadden, en daar we behoefte hadden aan versch
vleesch voor onze voeding en om het dépôt aan te leggen, maakten wij
een paard af.
De plaats van die reserve-levensmiddelen werd aangewezen door een
slede, die rechtop in de sneeuw werd gestoken, zoodat ze er 2.40
meter boven uitstak, en door een stok met een zwarte vlag. De vlag
en de slede waren maar op korten afstand zichtbaar. Om het dépôt
terug te vinden, moesten wij vooral vertrouwen op onze waarneming
van de omgeving. We lieten er nu een deel van den pony achter, een
blik petroleum en een voorraad beschuit. Elke 140 kilometer stelden
wij ons voor, zoo'n dépôt aan te leggen.
Den 22sten November was voor de eerste maal nieuw land in het gezicht:
een ontoegankelijke, verijsde keten met een paar van sneeuw ontdane
toppen. Er zijn slechts weinige gelukkigen, wien het gegeven is,
land te aanschouwen, waarop nog geen menschelijk oog heeft gerust;
dus laat het zich begrijpen, dat onze voldoening groot was bij het
zien van die verwijderde toppen.
Maar als die bergen dezelfde richting blijven houden, zullen wij de
effen vlakte van den Grooten Gletscher moeten verlaten en de bergen
gaan beklimmen, wat onze voldoening in hooge mate verkleint.
Dien dag legden wij nog een afstand af van 24 kilometer in spijt van
veel wind en den slechten toestand van de sneeuw. Die was nog nooit
zoo week geweest; hier en daar zakten de paarden er tot den buik in.
Op den Gletscher.--Mij ontbreekt de ruimte, om alle incidenten
van onzen tocht te beschrijven, hoe het land al hooger werd en wij
kronkelwegen aflegden door een doolhof van spleten, tot eindelijk de
berg was beklommen, waaraan wij den gerechtvaardigden naam gaven van
den Berg der Hoop! Van dien top ontdekten wij inderdaad den gletscher,
die ons naar de pool zelve zou moeten voeren.
De onmetelijke ijsstroom, de eenige weg, waarlangs wij over de bergen
konden komen en verder zuidwaarts reizen, was overal gespleten door
breede scheuren en stond vol ijstorens of seracs.
Wij kwamen erbij door een inzinking tusschen de bergen, door ons de
Poort van het Zuiden genoemd.
Al dadelijk bij het begin der bergbeklimming deden zich
verschrikkelijke moeilijkheden voor; voortaan kunnen de étappen
niet meer zoo lang wezen als op de Barrière. Den 6den December waren
niet minder dan zes uren noodig, om 550 meter af te leggen. Het ijs
was vol spleten, sommige met een laag sneeuw bedekt, andere wijd
gapend. En wat waren ze diep! Als het oog in de diepten blikte van
die blauwe kloven, zag het geen bodem. Te midden van die afgronden
zou de minste misstap doodelijk kunnen zijn. Op zulk een terrein
was het onmogelijk, de sleden te trekken met hun volle lading, en
om alle bagage naar hetzelfde punt te vervoeren, waren veel reizen
heen en terug noodig. Bovendien staken overal scherpe kanten op,
waartegen de sledeijzers spoedig beschadigd werden. De eenige pony,
die ons nog was overgebleven, Socks, durfde zich niet wagen op het
gebrekkige ijs en werd aan de hand langs den rand gevoerd.
De volgende uittreksels van mijn dagboek kunnen den lezer een
denkbeeld geven van de gevaren en moeilijkheden der bestijging: "Den
7den December viel er een ramp voor. Om acht uur 's morgens vertrokken
wij, Adams, Marshall en ik, en trokken een slede, die beladen was met
157 kilo, terwijl Wild achter ons den pony leidde, die vóór de tweede
slede was gespannen. Op de met sneeuw bedekte hellingen drongen onze
laarzen diep in de sneeuw, en de pony zakte nu en dan er tot den buik
in weg. Dan kwam een terrein vol spleten. Voeg daarbij, dat het licht
minder werd, en dat er een vreemd, wit, diffuus schijnsel heerschte,
dat het moeilijk maakte de scheuren in het ijs te zien, dan kan men
zich een voorstelling maken van de moeilijkheden.
Na het tweede ontbijt werd het licht wat beter en we gingen weer op
weg. Plotseling weerklonk een wanhopig gegil van Wild. Wij keerden
ons om, en wat zagen we? De tweede slede met den neus in een spleet
en Wild, zich krampachtig vasthoudend aan de slede boven den afgrond;
van het paard geen spoor. Een oogenblik later waren we bij onzen
kameraad en hielpen hem uit zijn benarde positie. Wat den armen
Socks betrof, die was verzonken en verzwolgen! Wild was ternauwernood
ontsnapt! Onder het gewicht van het paard was een sneeuwbrug, waar de
eerste groep zonder bezwaar overheen was gekomen, ingestort en had de
slede meegesleurd met het paard. Wild had een hevigen stoot gevoeld,
toen de teugel van den pony hem was ontrukt; de armen uitspreidend,
had hij snel den rand der spleet kunnen grijpen. Bij geluk had de
val van Socks den disselboom afgebroken, een omstandigheid, die onzen
vriend en de slede behouden had doen blijven. Op onzen buik liggend
op den rand van den afgrond, onderzochten we de diepte, maar kwamen
tot geen resultaat; we zagen niets dan een groote, zwarte holte, en
geen enkel geluid was te hooren. Hoe dankbaar moesten wij nog wezen,
dat Wild behouden was gebleven, en welke verschrikkelijke gevolgen
zou het verlies van de slede na zich hebben gesleept! Beroofd van de
beide slaapzakken, die erop waren gebonden, zouden wij niet alleen
niet verder hebben kunnen gaan, maar bovendien zou het ons hoogst
waarschijnlijk onmogelijk zijn geweest, onze winterkwartieren weer
te bereiken.
Gelukkig was door dit accident het vorderen op den gletscher niet veel
bemoeilijkt, want die weg was zoo slecht, dat de pony toch haast niet
verder had kunnen worden meegenomen, en dat wij hem nog denzelfden
avond zouden hebben afgemaakt. Het is intusschen een feit, dat zijn
verdwijning ons van een kostbare bron van voedsel beroofde. Het
restant van zijn voorraad maïs zal in onze magen verdwijnen.
Na de slede te hebben opgetrokken, gingen we weer op weg. Thans hadden
we met ons vieren 450 kilogram te trekken.