HOOFDSTUK VII.

DISCUSSIES.—MIEKE VERLIEST ZICHZELF, GELOOFT ZE.—GEERT HEEFT EEN

HALVEN DAG ’T LAND.

Ze kleedde zich vlug aan, maar weer in het gestreepte, simpele blousje,

omdat haar koffer nog niet aangekomen was. Ze trachtte heur haar op te

maken naar de manier, die Loes gisteren had aangegeven, wat haar

tamelijk gelukte, hoewel dit kapsel een beetje een los, vervelend

gevoel gaf aan haar hoofd, maar nu kon men toch tenminste zien, dat zij

haar best wilde doen om de wenschen der familie tegemoet te komen.

Mevrouw Van der Hoeve was niet aan ’t ontbijt. Ietwat vermoeid en met

wat hoofdpijn door de drukte van den vorigen dag bleef ze nog een

uurtje langer liggen.

Oom Egbert, verdiept in zijn courant, sloeg weinig acht op de anderen.

’s Morgens gewoonlijk niet zeer spraakzaam zei hij over zijn lektuur

heen, terloops: „Vanmiddag spreken wij nog wel eens samen over je

lessen, Mieke.”

Olga wenschte haar nichtje met een zwijgend knikje goeden morgen, even

daarna toch maar plichtmatig informeerend of de logée goed geslapen

had, onbelangstellend naar het antwoord, den blik in gepeins naar

buiten, waar, gedreven door een plotsen, schralen najaarswind de gele,

dorre bladeren neerdwarrelden in het kleine lapje grond, dat den

saaien, mistroostigen aanblik had eigen aan de met houten schuttingen

afgebakende vierkantjes, die in een dergelijk stadium meer doen denken

aan een slecht onderhouden graf dan aan den „lusthof” van den

stedeling.

Had bij aankomst, den vorigen dag, toen de gordijnen reeds gesloten

waren, het door ’t elektrisch licht vergulde vertrek een indruk op

Mieke gemaakt van ongekende weelde en glans, thans, in ’t grijs der

mistige najaarsatmosfeer met het belemmerd uitzicht in ’t kleine

vervelende tuintje met daarachter de drie verdiepingen hooge huizen,

drukte haar nu meer de engte en opgeslotenheid der groote stad dan dat

de overbluffing der in haar oogen gisteren zoo schitterende omgeving

zich herhaalde. Zij had vrij goed geslapen, wel zwaar van

oververmoeidheid, maar ononderbroken. Daarom frisch en helder in ’t

hoofd kon zij regelmatig en beheerscht denken en doen, beter dan den

vorigen dag. Zij bleef zich echter on-thuis gevoelen, en hoe anders ook

geneigd tot dankbaarheid, zij kon het thans niet verder brengen dan

hoogstens tot plichtmatigheid. Na al wat er gebeurde en wat haar nu een

onaangename, kwellende droom leek, evenwel vrij van de zenuwachtige

overspanning, welke haar gisteren zoo van haar stuk had gebracht, kon

zij thans koel aller onverschilligheid voor haar waarnemen, zonder het

schrijnende smartgevoel van eerst, dat voortkwam uit diepe

teleurstelling.

Eenigen tijd zaten oom Egbert, Olga en Mieke zonder spreken bijeen.

Erik, die buitenshuis woonde, gebruikte alleen het middagmaal thuis.

Het wachten was dus op Loes, die gemeenlijk ’t eerst beneden, nu ’t

laatst op ’t appèl verscheen. Zij excuseerde zich. Zij had slecht

geslapen, zei ze, en ze zag er dan ook niet zoo opgewekt uit als ze

placht. Wel wendde ze pogingen aan tot vroolijk-zijn, maar deze

mislukten in onmiskenbare opgeschroefdheid of in een scherp accentje

aan haar zusters adres, ongemotiveerd.

Olga haalde dan ook als eenig antwoord lichtelijk de schouders op. Zou

zij haar goede luim, want Olga was in een zéér goede luim vanmorgen,

door speldeprikken van zoo’n kind laten bederven?... Ze dàcht er niet

aan!... Zij voelde zich hoegenaamd niet gestemd op ’t oogenblik voor

discussies, met wie dan ook... Het was gisteren gelukkig boven

verwachting goed afgeloopen, ze had nog juist het gesprek van Mieke met

Bogaerts en Tilly op een zijspoor gebracht, en verder was de familie

dan ook voor blamage gespaard gebleven. Nu er geen direkt gevaar—of hoe

je ’t noemen wilde—was, noch aanleiding om je te ergeren (of

geneigdheid om je te ergeren), waarom zou ze het dan doen?... Hemel, ze

had heusch geen lust zich iederen dag druk te maken! Als ’t móést was

’t tijds genoeg!

Zij zat zeer rechtop en groot en voelde zich zoo heerlijk zelfbewust,

majestueus en boven allen en alles uit. Zoo onbeduidend en klein leek

het, dat gehaspel met die kinderen tegenover haar. Ha, zij, een zoo

gevierd meisje, had zij het niet duidelijk ervaren hoe men haar

bewonderde, hoe men haar zocht, hoe zelfs jongelui als Bogaerts, rijk,

aanzienlijk, haar vriendelijkheid als een gunst beschouwden?... Moest

zij zich dan aan nesterijen ergeren als die, waarmede Loes haar nu kwam

prikken? Om uur aan uur met Loes te vechten ter wille van ’t

boerenmeisje, ze bedankte er feestelijk voor! Zoodra ze ’t noodig

oordeelde zou ze Mieke wel op de vingers tikken, al ging Loes ook op

haar hoofd staan, maar zich daarom ’t leven zuur te maken? Nonsens.

Zoowel ’t stille, verzwegen verzet van ’t nieuwe kind—je las dit in

haar oogen—als Loes’ hatelijkheden, ze gleden làngs haar. Olga had wel

wat anders om over te denken dan dat.

Nadat men ontbeten had stond vader op om naar kantoor te gaan. Loes,

innerlijk ontstemd, volgde om hem als naar gewoonte uit te laten. Maar

in de gang gekomen liet zij den gemaakt vroolijken toon, dien ze

tegenover Mieke had aangeslagen, varen. Zij hielp hem zijn jas aandoen,

hem wekkend uit een lichte verstrooidheid.

„Vader,” zei ze, haar stem klonk onderdrukt van ingehouden ergernis,

„ik moet u toch eens wat zeggen.”

„Zoo, kind,” hij deed wat luchtig, hoewel onmiddellijk begrijpend, dat

er beklag dreigde. „Wat wil je? Ik denk,” en nu probeerde hij

diplomatiek te wezen, meenende te begrijpen, waar de schoen wrong,

opziende tegen een der weer opduikende meeningsverschillen in z’n

gezin, waartegen hij steeds zoo ontzettend opzag, die hem afmatten en

altijd eindigden met toegeven zijnerzijds, „ik denk, dat je me voor

wilt stellen Mieke een paar nieuwe japonnetjes of dergelijks te koopen?

Goed, goed. Vraag maar of mama eens met haar naar een magazijn gaat. Ik

heb Mieke’s rekening nagezien en dat kan er nog wel af. Ja, ja,” en hij

dacht weer buitengewoon slim te wezen, ofschoon hij in dergelijke

gevallen nooit slim was, vaak kwesties bedervend met de beste

bedoelingen, „ja, ja, ik heb gisteravond heel goed gezien, hoe mijn

lieve, kleine dochtertje haar mooiste blouse had geleend.”

Loes schudde ’t hoofd. „Neen, vader,” zei ze met nadruk, „dat is ’t

niet. Ik wil natuurlijk met plezier Mieke mijn kleeren leenen en ik

vind ’t ook heel best, dat ze nieuwe mag koopen, maar ik wou u over

iets anders spreken... Het kàn niet, papa, dat Olga Mieke zoo

aanmatigend behandelen blijft! Dat is ’t wat ik u zeggen wilde, zeggen

móést. Den heelen nacht heb ik er niet van kunnen slapen... U moet het

Olga verbieden, vader. Ik kan het niet aanzien.”

Deze uitbarsting op den vroegen morgen trof den heer Van der Hoeve

alles behalve aangenaam.

„Maar kind, maar kind,” suste hij, met kort, kalmeerend gebaar, „nu

niet zoo bruusk. Wat is er dan voorgevallen? Ik heb niets gemerkt van

die aanmatiging. Je overdrijft sterk, geloof ik... Het was immers heel

gezellig gisteravond.” En nogmaals, verwonderd en daarbij geïrriteerd

nu: „Wat is er dan gebeurd?” Er lag onrust in die woorden, ook onrust

in z’n oogen, die onafgewend op ’t ontroerde gezichtje gevestigd

bleven.

„Gebeurd?... Och, gebeurd is er eigenlijk niets,” en Loes, in haar

enthusiasme gesteund hebbende op vaders bijval, verslapte opeens,

„maar...”

„Dan moet je je niet zoo opwinden, Loes.”

„Maar vanmorgen...” wilde zij voortgaan.

„Kom, kom,” vervolgde vader, blijvend bij ’t eerste thema, „om daar

niet van te kunnen slapen. Gekheid... Wat dééd Olga in vredesnaam?...

Wat zou ik haar onder ’t oog moeten brengen?” Dan, zwaar z’n hand op

haar schouder leggend: „Mieke zal ’t hier best hebben.”

„Och!”

„Geloof je dat niet?”

„Ik weet ’t niet,” ’t klonk néér... Waarom schoot vader toch niet

dadelijk te hulp? Zàg hij dan werkelijk niet Olga’s... Olga’s,—ja

wat?... Hoon?—Neen, zóóver was ’t nog niet... Minachting?—Niet

bepaald... Maar wat dan wèl? Ze wist ’t niet precies; ze zou er geen

naam aan kunnen geven.

Doch vader begon ondertusschen boos te worden. Hij noemde haar

sentimenteel... Zoo’n eerste dag, zei hij, zou voor iedereen moeilijk

wezen in een totaal vreemde omgeving. Hij had geen onvertogen woord van

zijn oudste dochter gehoord. Den heelen avond was er geschertst en

gezongen, en aan tafel,—klonk er één dissonantje?

„Neen, Loes, je gaat te ver,” vader weersprak zelden zóó krachtig z’n

benjaminnetje, „je bent een lief, goed meisje, maar je gaat beslist te

ver.” En toch, terwijl hij dit zoo onbetwistbaar zeker zei, beheerschte

hem als zoovaak die groote tweespalt van willen en niet-willen, van

geloof en ongeloof in ’tgeen juist en goed was.

„Maar Olga...” en Loes’ onderbroken zin klonk als een noodkreet.

„Olga, Olga!” riep hij schouderophalend, nerveus. „Maar zeg dan toch

wat ze gedáán heeft?”

„Och,” mat klonk ’t, onverschillig bijna. Waarom begreep vader haar

toch niet? Of wilde hij haar niet begrijpen? Hij vroeg feiten. En er

waren immers geen feiten? Olga had alleen maar gekeken en soms even

gelachen, slechts èven. Was dat laakbaar in vaders oogen?

„Heeft Mieke soms geklaagd?” ging hij voort, onderzoekend, niet zeker

van die zaak, maar steeds niet duidelijk willende begrijpen dàt er toch

iets haperde.

„O neen, volstrekt niet,” kwam Loes levendiger, zeer uitdrukkelijk.

„Mieke treft geen enkel verwijt.”

„Nu dan? Wat wil je dan eigenlijk? Als Mieke zelf het zoo goed vindt?

Plus royaliste que le roi, m’n kind?”

Weer weifelde zij; langzaam-aan begon ze ’t overdreven te vinden zich

zoo te beijveren voor Mieke’s heil, waar deze gisteravond zelve zich

noch boos noch haatdragend noch ongelukkig had getoond. Integendeel.

Zij, Loes, zag de dingen misschien te zwaar in vanmorgen, omdat ze zoo

akelig geslapen had. Beschouwde zij het gebeurde werkelijk uit het

oogpunt van „plus royaliste?”... Mieke scheen daarstraks immers ook

reeds onbevangener en minder down dan den vorigen dag?

„Geef me maar een zoen. Dag, Loes. Haal je nu maar geen muizenesten in

je hoofd. Denk erom, je moet je vader blijven opvroolijken, hoor. Hij

heeft al genoeg zorgen; schep er asjeblieft geen nieuwe bij,” en hoewel

schertsend klonk dit zeggen niet ongedwongen, de zucht, die hem

ontsnapte, niet uit de grap.

Ja, waarlijk, zij moest niet zoo zeuren, verweet zij zich. Had vader al

niet genoeg aan z’n hoofd met zijn drukke zaken? Wat kostten Erik’s en

Olga’s studie en amusementen hem niet handenvol geld! Hij moest ’t toch

maar allemaal heel-alleen verdienen. Loes, zuinig en praktisch van

aard, had bijwijlen zoo op haar eigen houtje haar zaken-bespiegelingen

en opmerkingen... Wat had zij niet dikwijls met vader te doen, als hij

tot ’s avonds laat, terwijl al ’t personeel reeds naar huis was, nog

zat te werken. En niemand thuis, die hem daar eens liefjes om beklaagde

dan zij... En hem dan nu zoo lastig te vallen! Zoo vroeg al!... Hij zag

er vermoeid uit, ’t viel haar op, plotseling... Arme, lieve man. Hem

zoo aan ’t hoofd te malen met al die onbeteekenende dingen. Want, ja,

onbeteekenend kwamen haar, achteraf, nu haar grieven voor. Was de heele

zaak niet eigenlijk reeds verloopen, toen gisteravond Mieke haar

verklaarde Olga’s gedrag te kunnen plaatsen? Het was niets dan gepieker

en gezeur van haarzelve. Om daar vader z’n dag mede te bederven!...

Zij herstelde zich, probeerde te glimlachen.

„Kijk eens aan,” er viel vader een pak van ’t hart bij ’t doorbreken

van het zonnetje, „nu is de bui alweer overgedreven. Des te beter.”

Toen maakte hij, dat hij wegkwam, als bevreesd voor een hervatting van

’t onderwerp, gaf Loes vluchtig een zoen, en vóór zij gelegenheid had

te antwoorden werd de deur reeds dichtgetrokken en stond ze met een

vrij onvoldaan gevoel alleen in de vestibule.

Hoe ’t kwam wist later noch Olga noch Mieke, maar gaandeweg had zich,

na vaders vertrek, een gesprek ontwikkeld tusschen haar beiden, en,

terugkomend uit de gang, bleef Loes verwonderd bij de deur staan, toen

ze haar zuster op voor haar tamelijk levendigen toon hoorde zeggen:

„Ieder z’n genoegen, maar mij lijkt schooljuffrouw-spelen iets

afschuwelijks.”

Mieke, een kleurtje op de wangen, verdedigde haar gekozen richting. „Ik

houd zooveel van kinderen,” zei ze zacht en als verontschuldigend.

„Je bent dan ook een geboren frik, neem me niet kwalijk,” Olga’s lachje

klonk kort en spottend. „Hoe is ’t in de wereld mogelijk!”

„Iedereen zal toch wel het beroep kiezen, waar hij van houdt,” meende

Mieke; hoewel het bloed haar bij Olga’s geringschattende wijze van

uitdrukken sneller door de polsen joeg, dwong zij zich tot vriendelijk

antwoorden.

„Nonsens,” bleef Olga kras bestrijden, schamper, weder Mieke

eenigermate overbluffend.

„Maar waarom studeer jij dan?” vroeg Mieke zich herstellend, met

zooveel oprechte verbazing, dat de ander onwillekeurig haar ironie een

oogenblik moest afleggen, ondanks zichzelf.

„Heilige onnoozelheid! Wel óm de studie natuurlijk,” antwoordde zij op

nadrukkelijken toon, waarmede zij Mieke nog meer van de wijs bracht.

„De studie? Alleen om de studie?” zei deze als tot zichzelf. En weer

tot Olga: „Niet om ’t vak dus?”

„’t Vak?” Olga trok den neus op. „’t Vak, hoe burgerlijk en banaal.”

Zij lachte wederom.

Mieke begreep er niemendal van. En terwijl zij zich inspande Olga te

volgen, vergat ze geheel haar verhouding tot deze.

„Als ik,” vervolgde zij, en steeds kleuriger werden haar wangen, steeds

schitterender haar oogen, „als ik, zooals jij, in de rechten studeerde,

zou ik dit doen omdat ik verongelijkten in ’t gelijk wilde stellen,

omdat ik bestudeeren wilde, hoe ik in ’t openbaar rechtvaardig en naar

waarheid oordeelen en verdedigen moest. Ik zou mede willen werken tot

verbetering van wetten,” Mieke’s stem klonk vast en vaster, met steeds

sterker nadruk, en heur eerlijke kijkers zagen recht in Olga’s, zonder

een zweem van die bedeesdheid en schroom als waarmede zij tot-nu-toe

haar nichtje beschouwden. Geheel onvoorbereid op deze als uit de lucht

gevallen gedachtenwisseling stond zij, voor ’t eerst hier geheel-en-al

zichzelf zijnde, tegenover de ander, omdat zij voor ’t eerst zichzelve

en Olga vergat ter wille van het diepe gevoel van rechtvaardigheid en

liefde, dat haar bezielde bij deze onbekommerde uiting aangaande alles

wat in haar jonge leven en denken waarde had. „Ik zou onrecht willen

ontmaskeren.”

Olga schouderschokte. Zij lachte niet meer.

„Om ’t vak,” herhaalde zij minachtend, „dacht je dus dat één van de

studenten, die rechten studeerde, of medicijnen of wat anders, dit deed

uit een oogpunt van rechtvaardigheid, menschenliefde of iets

dergelijks?... Ja, misschien een enkele dweepende theoloog! Maar

overigens? Je bent heusch vermakelijk naïef, Mieke, voor je leeftijd.”

„Zeker geloof ik dat,” met bevende geestdrift sprak ze, „neen, ik weet

het zèker. Want wat zou studie zijn zonder een liefderijk doel?”

„Het doel is de wetenschap,” antwoordde Olga gedecideerd. Heur blik,

koud en kleurloos, zonder eenige schittering, bijna zonder leven,

hoewel met op heur mooi gezicht een onmiskenbaar verstandige

uitdrukking, richtte zich onafgebroken op ’t gloeiend, enthusiaste

gezichtje tegenover haar. Verbaasde ook zij zich daarnet, toen ze

lachte om Mieke’s geprononceerde meening, die ze achter dit kind

heelemaal niet gezocht had, thàns vergat zij evenzeer als de ander tot

wie ze sprak. Zij maten elkaars geestelijke waarde, de meisjes,

toevallig en zonder eenig opzet, maar daarom misschien des te

zuiverder.

„Maar als het doel enkel de wetenschap is, wat helpt dit doel dan als

’t niet wordt aangewend tot nut en bestwil van de menschen?” vroeg

Mieke verwonderd.

Nu lachte Olga toch weer flauwtjes. Als ze op die manier kon lachen,

voelde zij zich altijd sterker dan wanneer zij als zooeven, ontdaan van

’t wapen der ironie, zich slechts kon verdedigen met de kracht harer

niet zoo vaste beginselen. Spot verslaat spoediger, maakt anderen

gauwer weerloos en heeft den schijn, meer dan wàt ook, van scherpen

geest. En Olga riep schamper: „Aha, begint nu de schooljuffrouw met ’t

overhooren van de les? Dat jij voelt voor je vak en niet voor de studie

geloof ik graag.”

„Ik houd wel degelijk ook van studie,” verdedigde Mieke haar inderdaad

groote liefde voor deze. „En wat je daar allemaal zei bewijst nog

volstrekt niet, dat je gelijk hebt.”

Olga stond op; ongeduldig. „Och kom, kind, wat zou jij eigenlijk weten

van studeeren? Best, mij best, hoor, ik geef je grif toe, dat misschien

de een-of-andere broodstudent denkt aan zijn vak, terwijl hij blokt,

èn—aan ’t geld, wat hij ermee zal verdienen.”

„Dat ’s heel wat anders...” wilde Mieke voortgaan. Doch Olga verveelde

’t dispuut gruwelijk. Of liever, wat overvallen erdoor, beviel haar

heur houding hierin absoluut niet. Zij wenschte allerminst op haar

plaats te worden gezet, evenmin als zij wenschte zoo op den man af

uitgevraagd te worden over haar „bijna” idealen! ’t Was, goed

beschouwd, brutaal opeens zoo te beginnen,—onbeschaafd. Zij, dat kind,

moest niet denken, dat een aanstaande schoolmamsel gelijk stond met een

aspirant-candidaat in de rechten, een toekomstig advocaat, een meisje

als zij!... Nam zij zich niet voor ’t nichtje te negeeren, haar slechts

waar ’t noodig bleek te vervormen en te zeggen waar ze staan moest?

Zèker had ze niet op zoo’n heftig dispuut gerekend. Disputen gaven

ergernis en van ergernis werd je leelijk. En alles liever dan dàt

wenschte zij.

Daarom coupeerde zij verdere uitbreiding. „’t Wordt mij te machtig,

zeg, op den vroegen ochtend,” gaapte ze, voor ’t raam in de serre

uitkijkend in ’t kleine tuintje. „Maar één ding moet ik je toch nog

verzoeken: houd dergelijke beweringen nooit in een behoorlijk

gezelschap, tegen menschen als Bogaerts of andere studenten, die je

hier mocht ontmoeten. Zelfs niet tegen Tilly Mertens, al is ze de

goedigheid en meegaandheid in persoon. Ze zouden je uitlachen. Ze

klinken onwetenschappelijk, snap je. Vooral dat „nut” en „bestwil,”

waar je je over uitliet. Dat is dorpsch, denk ik, geschikt bij die

boerenmenschen.”

„Die boerenmenschen zijn verstandig en goed,” interpelleerde Mieke

kortaf, ongewoon scherp. O, zij was duizendmaal meer dan gisteren tot

haar natuurlijkheid teruggebracht, meer dan toen al die groote

voornemens haar bezielden. En toch, toch kwamen zij na haar stuursch,

kort gezegde beschaamd teruggeslopen. Toch kende zij zichzelve niet zóó

als zij zich thans openbaarde. Zij schrok van den harden klank harer

eigen stem en zij wankelde eensklaps in haar beweringen; zij kreeg

spijt,—evenals Loes daarnet tegenover vader... Ging zij niet te ver?...

Paste haar deze toon van hatelijke tegenweer, die haar opwond tot

nauwelijks te beteugelen drift?

„Ik twijfel volstrekt niet aan je meening,” vervolgde Olga, en ze snoof

eens, „maar ook deze uitlating van je is hier niet op z’n plaats. Je

maakt je heusch bespottelijk. Wij zijn,” nu sprak ze langzamer dan

zooeven en meer geaccentueerd dan tot-nu-toe, „wij zijn, ik zou het

willen noemen, wetenschappelijke idealisten. Jouw „nut” en je heele, in

dit geval eenigszins ridicule, braverige leerzaamheid, zijn nog een

beetje uit de oude doos, zie je. Allicht heeft je grootmoeder je wat

ouderwetsch gehouden, of misschien...”

„Grootmoeder!”—ach, waar bleven toch in ’s hemelsnaam weer al de

herinneringen aan den strijd van den vorigen avond, wat hielp het nu of

ze zooeven voor de zooveelste maal zichzelve verwijten

deed?—„Grootmoeder?” barstte zij uit. „Grootmoeder heeft me geleerd

iets wat ik nóóit zal vergeten en ook nooit wil vergeten: te houden van

alles wat ik in het leven zal te doen hebben, omdat het een van God

opgelegde roeping is! Je mag me er vrijweg bespottelijk om noemen! En

lach me er ook maar gerust om uit, dat ik schooljuffrouw wil worden en

dat ik ’t heerlijk vind omdat ik dol op kinderen ben en omdat ik ze een

heeleboel hoop te leeren van wat goed en edel is. Als ik een ander vak

zou hebben gekozen, zou ik me dááraan willen wijden met m’n heele

hart!”

Olga staarde haar aan, perplex. Het lachje bestierf op haar koel

gezichtje. Ook Loes, die in stomme verbazing, nog vol van wat zij

daarginds in de gang doormaakte, ’t gesprek volgde, zag onthutst naar

het opgewonden meisje.

Evenmin als Olga verwachtte ook zij in de schijnbaar zoo eenvoudige

Mieke deze krachtige persoonlijkheid, deze sterke, eigen kracht.

Ja, Mieke-zèlf herkende zichzelve niet. Nooit voor dezen, had zij

geweten zóó hartstochtelijk, zóó driftig te kunnen zijn. Maar nimmer

ook was zij zoo persoonlijk aangevallen geworden, noch was grootmoeders

waarde ook maar met één woord in twijfel getrokken. De reactie kwam dan

ook onmiddellijk na haar uitbarsting. Ze voelde zich inzinken, omdat

haar geen triomf doch schuldbewustzijn overmeesterde toen zij zoo

onverhoeds maar voor-’t-vaderland-weg de ander in ’t gezicht smeet wat

ze kwijt wilde zijn... Olga had haar zeer zeker niet lief behandeld,

doch hoe was de manier waarop zij reageerde? Oom Egbert kon moeilijk

blij zijn een meisje te herbergen, dat zóó z’n gastvrijheid schond

tegenover z’n eigen dochter.—Mieke schaamde zich.

Olga zag het. En dit werd haar victorie.

Zelfs Loes, die ’t begreep, kon hieraan niets veranderen. Ze raakte

totaal van streek.

„Mieke,” Loes greep angstig Mieke’s arm, „wat is dat nu?” riep ze.

Neen, nooit had ze haar beschermeling tot zulk een gloeiende uiting in

staat geacht.

„Niets, Loes. ’t Is al over,” zenuwachtig streek Mieke’s hand over de

hare. „Ik bedoelde ’t ook zóó niet, werkelijk niet.—Olga,” en martelend

overviel haar weer dat wanhopend makende, kleine gevoel van zichzelf,

’t klonk schuchter schier, terwijl Olga’s hoofdje zich hooger en hooger

richtte; „ik... ik... vergeef me... ik was wat driftig.”

Olga lachte. Ze lachte weer geheel zooals ze placht.

„O, natuurlijk,” antwoordde ze, zich niet in ’t minst gepikeerd

toonend, „ik excuseer je natuurlijk. Alleen verzoek ik je in ’t vervolg

dergelijke onverkwikkelijke onderwerpen tegen mij te laten rusten... En

als je me nog een groot plezier wilt doen, draag dan niet meer dat

monsterlijke, gestreepte blousje?”

Patsch! daar kletste de aangezichtslag: Olga had glansrijk overwonnen:

het blóusje!—Mieke was weer klein, min onooglijk, onbeteekenend. En

toch sprak ze vriendelijk, Olga, héél vriendelijk zelfs. Ze gaf zich

niet eens de moeite zich boos te toonen. Verbeeld je: bóós, om iets zóó

onbenulligs als dit gehaspel!—Zei ik niet dat ze in een goede luim was

vanmorgen? Die bleek dus wèl onverstoorbaar.

Loes probeerde woorden te vinden om iets te antwoorden, doch Mieke

wenkte haar te zwijgen, uit vrees voor nieuwe onaangenaamheden.

Toen sloeg de klok negen, brak de gespannenheid. Olga nam bedaard haar

portefeuille, die naast haar stoel stond. Ze had om tien uur college,

zei ze rustig.

„Adieu. ’t Wordt mijn tijd. Misschien,” en ze toefde even aan de deur,

„misschien wil je, Mieke, nu mama nog boven blijft, wel haar werk doen

en den ontbijtboel omwasschen? Dat zal ze zeker prettig vinden.”

„Heel graag... Ik wil graag den ontbijtboel omwasschen,” stotterde ’t

meisje, rondkijkend, verward, naar ingrediënten zoekend voor deze

expeditie.

En kalm vertrok Olga.

Loes jachte nu verschrikkelijk. „Ik kom te laat! Ik bèn al te laat!”

schreeuwde zij wanhopend, nauwelijks tijd vindend Mieke te groeten, met

lossen mantel ’t huis uitvliegend, haar zuster voorbij, naar school.

Alleen achtergebleven staarde Mieke eenige oogenblikken als versuft

vóór zich uit, in een toestand van zóó ontredderden gedachtengang en

verward begrip omtrent menschen en toestanden, dat ze een heele poos

noodig had om tot zichzelf te komen, voor ze duidelijker besefte wat ze

eigenlijk weer had beleefd... Was zij het geweest, die Olga daarnet zoo

kras bestreed? Zij, Mieke van der Hoeve, degene, die zoo

hartstochtelijk gesproken had over zichzelve en haar doodgewone lessen,

alsof zij altijd ik-weet-niet-wat voor idealistische plannen opbouwde,

meenende eens een „roeping” te zullen vervullen? Nog nooit van haar

leven had ze over deze „roeping” of over haarzelve zoo nagedacht als

zij in hevige ontroering zoojuist de ander had doen gelooven door felle

woorden. Kwam het, omdat men haar nog nooit zoo had getart?... Zij wist

’t niet! Zij wist ’t niet!... Ze wist slechts, dat zij thans voor

zichzelve vreesde; dat zij zichzelve nog niet kende; dat zij zichzelve

vroeger nooit rekenschap had gegeven van haar denken en willen. Dan zat

zij in hopelooze zelfbeschouwing zichzelve onderzoekend, gansch anders

belicht dan gisteravond voor grootmoeders ouden spiegel... Wat moest er

toch van haar worden, schip zonder roer, dat zij bleek te zijn? Ach,

als grootmoeder haar eens zóó gezien had, zou zij niet lijden om een

kleinkind, zóó opstandig, zóó ondankbaar en brutaal?... En Mieke wilde

zich wederom iets goeds voornemen, doch zij durfde niet... Wat vermocht

zij? Wie wàs zij?—Zij zuchtte, zwaar en bedroefd.

Toen stond zij op. Wat hielp het je te verdiepen in onmogelijkheden?

Zij moest vooruit!... Had Olga haar niet heur werk gezegd?... Zij zou

maar met opruimen beginnen.

Eenige dagen na haar aankomst schreef zij den volgenden brief:

Amsterdam, 15 Oct. 19...

Beste juffrouw Wije,

Nu zal ik U eens van allerlei vertellen, zooals U mij hebt

verzocht. En wilt U dan dezen brief ook laten lezen aan dominee

Rensen? Hem zal ik den volgenden keer schrijven.

Beste juffrouw Wije, natuurlijk heb ik soms nog vreeselijk

verlangst naar grootmoeder en alle oude kennissen, naar het dorp en

de frissche lucht, en er zijn hier heelemaal geen boomen en

beesten, en je zit altijd bekneld tusschen de huizen, maar het is

hier toch werkelijk niet naar. U moet dan ook volstrekt niet

denken, dat ik mij beklaag. De huizen zijn ontzettend hoog, soms

vier verdiepingen. Ofschoon, dat zult U wel allemaal weten. U heeft

immers vroeger in uw meisjesjaren eenigen tijd in Amsterdam

gewoond, naar U mij vertelde.

Ik zal dus liever over mijzelf schrijven.

Ik help mijn tante heel veel in de huishouding. Het is een nogal

drukke huishouding met veel aanloop. Het huis is groot met heel

veel kamers. Eerst vond ik ze bijzonder prachtig, maar nu ik hier

ongeveer een week ben, begin ik een beetje aan het mooie te wennen.

Toch houd ik meer van een buitenhuis of van een boerderij. Mijn

kamertje is heel boven, wat ik niets akelig vind. Nu kijk ik over

de daken en zie een groot stuk lucht, wat je niet kunt als je meer

in de laagte woont.

Ik ga nu ook naar school, weer een normaalschool, gisteren voor ’t

eerst. Ik ken de meisjes natuurlijk nog heelemaal niet en voel mij

nog erg vreemd tusschen ze. Zij durven alles. De lessen zijn heel

prettig, en altijd na de gewone schooltijden. Van de leeraars zijn

de meeste nogal streng. Ik ben dadelijk in de derde klasse gekomen,

wat oom heel mooi vond.

Mijn nichtje Olga zal advocaat worden. Zij is buitengewoon knap,

zegt tante Sophie, en dat zij niet door haar examen is gekomen was

heelemaal buiten haar schuld. Zij zingt ook en speelt piano. Ik

hoor haar niet graag zingen, zij zingt zoo hoog, maar dat is

moeilijk naar ik hoorde, en haar vingers vliegen over de toetsen.

Zij zal wel gauw trouwen, omdat zij zoo mooi is, denkt tante, met

een heel deftigen, rijken mijnheer, die hier dikwijls komt en een

vriend is van mijn neef Erik.

Nu vergat ik nog te schrijven over mijn jongste nichtje Loes. O,

beste juffrouw Wije, ik houd zooveel van haar. Ze is zoo lief en

trouw, en niets trotsch zooals haar zuster. Ze beurt me soms

heerlijk op en trekt altijd mijn partij wanneer er eens iets is. Ik

vergis mij natuurlijk herhaaldelijk, omdat het bij grootmoeder maar

gewoon was en hier verschrikkelijk deftig. Het is soms wel moeilijk

dit te onthouden, want telkens moet je iets doen of nalaten wat je

juist graag andersom had gedaan.

Ik verlang dikwijls naar U, beste juffrouw Wije, evenals naar

Dominee Rensen, en ik denk ook somtijds aan Uw zoon Geert. Hoe gaat

het met Trijn en Jans en de anderen? Ik mis het vooral, dat ik des

Zondags niet naar de kerk ga. Dat is mij zoo vreemd. Het is nu net

of het geen Zondag is. Is de straatweg nog altijd zoo proper des

Zondags? Het leek altijd alsof de weg dien dag veel mooier en

keuriger was dan door de week. Is het huisje van grootmoeder al

weer verhuurd?

Wat een lange brief! Maar nu eindig ik, want ik ben heel moe. Het

was zoo’n drukke dag vandaag, want er zijn hier in huis

verschrikkelijk hooge trappen, dat is zoo vermoeiend, en er viel

zooveel te doen. Ik had ’t er echter op gezet U te schrijven,

anders mocht U denken, dat ik U vergat. Dat moet U nooit van mij

denken.

Doet U wel mijn hartelijke groeten aan Uw zoon Geert en den

dominee, ook aan Dr. Bos en mevrouw en alle andere bekenden, die U

spreken mocht. En schrijft U als het u blieft spoedig eens terug

aan

Mieke · 第 13 / 36 题