DISCUSSIES.—MIEKE VERLIEST ZICHZELF, GELOOFT ZE.—GEERT HEEFT EEN
HALVEN DAG ’T LAND.
Ze kleedde zich vlug aan, maar weer in het gestreepte, simpele blousje,
omdat haar koffer nog niet aangekomen was. Ze trachtte heur haar op te
maken naar de manier, die Loes gisteren had aangegeven, wat haar
tamelijk gelukte, hoewel dit kapsel een beetje een los, vervelend
gevoel gaf aan haar hoofd, maar nu kon men toch tenminste zien, dat zij
haar best wilde doen om de wenschen der familie tegemoet te komen.
Mevrouw Van der Hoeve was niet aan ’t ontbijt. Ietwat vermoeid en met
wat hoofdpijn door de drukte van den vorigen dag bleef ze nog een
uurtje langer liggen.
Oom Egbert, verdiept in zijn courant, sloeg weinig acht op de anderen.
’s Morgens gewoonlijk niet zeer spraakzaam zei hij over zijn lektuur
heen, terloops: „Vanmiddag spreken wij nog wel eens samen over je
lessen, Mieke.”
Olga wenschte haar nichtje met een zwijgend knikje goeden morgen, even
daarna toch maar plichtmatig informeerend of de logée goed geslapen
had, onbelangstellend naar het antwoord, den blik in gepeins naar
buiten, waar, gedreven door een plotsen, schralen najaarswind de gele,
dorre bladeren neerdwarrelden in het kleine lapje grond, dat den
saaien, mistroostigen aanblik had eigen aan de met houten schuttingen
afgebakende vierkantjes, die in een dergelijk stadium meer doen denken
aan een slecht onderhouden graf dan aan den „lusthof” van den
stedeling.
Had bij aankomst, den vorigen dag, toen de gordijnen reeds gesloten
waren, het door ’t elektrisch licht vergulde vertrek een indruk op
Mieke gemaakt van ongekende weelde en glans, thans, in ’t grijs der
mistige najaarsatmosfeer met het belemmerd uitzicht in ’t kleine
vervelende tuintje met daarachter de drie verdiepingen hooge huizen,
drukte haar nu meer de engte en opgeslotenheid der groote stad dan dat
de overbluffing der in haar oogen gisteren zoo schitterende omgeving
zich herhaalde. Zij had vrij goed geslapen, wel zwaar van
oververmoeidheid, maar ononderbroken. Daarom frisch en helder in ’t
hoofd kon zij regelmatig en beheerscht denken en doen, beter dan den
vorigen dag. Zij bleef zich echter on-thuis gevoelen, en hoe anders ook
geneigd tot dankbaarheid, zij kon het thans niet verder brengen dan
hoogstens tot plichtmatigheid. Na al wat er gebeurde en wat haar nu een
onaangename, kwellende droom leek, evenwel vrij van de zenuwachtige
overspanning, welke haar gisteren zoo van haar stuk had gebracht, kon
zij thans koel aller onverschilligheid voor haar waarnemen, zonder het
schrijnende smartgevoel van eerst, dat voortkwam uit diepe
teleurstelling.
Eenigen tijd zaten oom Egbert, Olga en Mieke zonder spreken bijeen.
Erik, die buitenshuis woonde, gebruikte alleen het middagmaal thuis.
Het wachten was dus op Loes, die gemeenlijk ’t eerst beneden, nu ’t
laatst op ’t appèl verscheen. Zij excuseerde zich. Zij had slecht
geslapen, zei ze, en ze zag er dan ook niet zoo opgewekt uit als ze
placht. Wel wendde ze pogingen aan tot vroolijk-zijn, maar deze
mislukten in onmiskenbare opgeschroefdheid of in een scherp accentje
aan haar zusters adres, ongemotiveerd.
Olga haalde dan ook als eenig antwoord lichtelijk de schouders op. Zou
zij haar goede luim, want Olga was in een zéér goede luim vanmorgen,
door speldeprikken van zoo’n kind laten bederven?... Ze dàcht er niet
aan!... Zij voelde zich hoegenaamd niet gestemd op ’t oogenblik voor
discussies, met wie dan ook... Het was gisteren gelukkig boven
verwachting goed afgeloopen, ze had nog juist het gesprek van Mieke met
Bogaerts en Tilly op een zijspoor gebracht, en verder was de familie
dan ook voor blamage gespaard gebleven. Nu er geen direkt gevaar—of hoe
je ’t noemen wilde—was, noch aanleiding om je te ergeren (of
geneigdheid om je te ergeren), waarom zou ze het dan doen?... Hemel, ze
had heusch geen lust zich iederen dag druk te maken! Als ’t móést was
’t tijds genoeg!
Zij zat zeer rechtop en groot en voelde zich zoo heerlijk zelfbewust,
majestueus en boven allen en alles uit. Zoo onbeduidend en klein leek
het, dat gehaspel met die kinderen tegenover haar. Ha, zij, een zoo
gevierd meisje, had zij het niet duidelijk ervaren hoe men haar
bewonderde, hoe men haar zocht, hoe zelfs jongelui als Bogaerts, rijk,
aanzienlijk, haar vriendelijkheid als een gunst beschouwden?... Moest
zij zich dan aan nesterijen ergeren als die, waarmede Loes haar nu kwam
prikken? Om uur aan uur met Loes te vechten ter wille van ’t
boerenmeisje, ze bedankte er feestelijk voor! Zoodra ze ’t noodig
oordeelde zou ze Mieke wel op de vingers tikken, al ging Loes ook op
haar hoofd staan, maar zich daarom ’t leven zuur te maken? Nonsens.
Zoowel ’t stille, verzwegen verzet van ’t nieuwe kind—je las dit in
haar oogen—als Loes’ hatelijkheden, ze gleden làngs haar. Olga had wel
wat anders om over te denken dan dat.
Nadat men ontbeten had stond vader op om naar kantoor te gaan. Loes,
innerlijk ontstemd, volgde om hem als naar gewoonte uit te laten. Maar
in de gang gekomen liet zij den gemaakt vroolijken toon, dien ze
tegenover Mieke had aangeslagen, varen. Zij hielp hem zijn jas aandoen,
hem wekkend uit een lichte verstrooidheid.
„Vader,” zei ze, haar stem klonk onderdrukt van ingehouden ergernis,
„ik moet u toch eens wat zeggen.”
„Zoo, kind,” hij deed wat luchtig, hoewel onmiddellijk begrijpend, dat
er beklag dreigde. „Wat wil je? Ik denk,” en nu probeerde hij
diplomatiek te wezen, meenende te begrijpen, waar de schoen wrong,
opziende tegen een der weer opduikende meeningsverschillen in z’n
gezin, waartegen hij steeds zoo ontzettend opzag, die hem afmatten en
altijd eindigden met toegeven zijnerzijds, „ik denk, dat je me voor
wilt stellen Mieke een paar nieuwe japonnetjes of dergelijks te koopen?
Goed, goed. Vraag maar of mama eens met haar naar een magazijn gaat. Ik
heb Mieke’s rekening nagezien en dat kan er nog wel af. Ja, ja,” en hij
dacht weer buitengewoon slim te wezen, ofschoon hij in dergelijke
gevallen nooit slim was, vaak kwesties bedervend met de beste
bedoelingen, „ja, ja, ik heb gisteravond heel goed gezien, hoe mijn
lieve, kleine dochtertje haar mooiste blouse had geleend.”
Loes schudde ’t hoofd. „Neen, vader,” zei ze met nadruk, „dat is ’t
niet. Ik wil natuurlijk met plezier Mieke mijn kleeren leenen en ik
vind ’t ook heel best, dat ze nieuwe mag koopen, maar ik wou u over
iets anders spreken... Het kàn niet, papa, dat Olga Mieke zoo
aanmatigend behandelen blijft! Dat is ’t wat ik u zeggen wilde, zeggen
móést. Den heelen nacht heb ik er niet van kunnen slapen... U moet het
Olga verbieden, vader. Ik kan het niet aanzien.”
Deze uitbarsting op den vroegen morgen trof den heer Van der Hoeve
alles behalve aangenaam.
„Maar kind, maar kind,” suste hij, met kort, kalmeerend gebaar, „nu
niet zoo bruusk. Wat is er dan voorgevallen? Ik heb niets gemerkt van
die aanmatiging. Je overdrijft sterk, geloof ik... Het was immers heel
gezellig gisteravond.” En nogmaals, verwonderd en daarbij geïrriteerd
nu: „Wat is er dan gebeurd?” Er lag onrust in die woorden, ook onrust
in z’n oogen, die onafgewend op ’t ontroerde gezichtje gevestigd
bleven.
„Gebeurd?... Och, gebeurd is er eigenlijk niets,” en Loes, in haar
enthusiasme gesteund hebbende op vaders bijval, verslapte opeens,
„maar...”
„Dan moet je je niet zoo opwinden, Loes.”
„Maar vanmorgen...” wilde zij voortgaan.
„Kom, kom,” vervolgde vader, blijvend bij ’t eerste thema, „om daar
niet van te kunnen slapen. Gekheid... Wat dééd Olga in vredesnaam?...
Wat zou ik haar onder ’t oog moeten brengen?” Dan, zwaar z’n hand op
haar schouder leggend: „Mieke zal ’t hier best hebben.”
„Och!”
„Geloof je dat niet?”
„Ik weet ’t niet,” ’t klonk néér... Waarom schoot vader toch niet
dadelijk te hulp? Zàg hij dan werkelijk niet Olga’s... Olga’s,—ja
wat?... Hoon?—Neen, zóóver was ’t nog niet... Minachting?—Niet
bepaald... Maar wat dan wèl? Ze wist ’t niet precies; ze zou er geen
naam aan kunnen geven.
Doch vader begon ondertusschen boos te worden. Hij noemde haar
sentimenteel... Zoo’n eerste dag, zei hij, zou voor iedereen moeilijk
wezen in een totaal vreemde omgeving. Hij had geen onvertogen woord van
zijn oudste dochter gehoord. Den heelen avond was er geschertst en
gezongen, en aan tafel,—klonk er één dissonantje?
„Neen, Loes, je gaat te ver,” vader weersprak zelden zóó krachtig z’n
benjaminnetje, „je bent een lief, goed meisje, maar je gaat beslist te
ver.” En toch, terwijl hij dit zoo onbetwistbaar zeker zei, beheerschte
hem als zoovaak die groote tweespalt van willen en niet-willen, van
geloof en ongeloof in ’tgeen juist en goed was.
„Maar Olga...” en Loes’ onderbroken zin klonk als een noodkreet.
„Olga, Olga!” riep hij schouderophalend, nerveus. „Maar zeg dan toch
wat ze gedáán heeft?”
„Och,” mat klonk ’t, onverschillig bijna. Waarom begreep vader haar
toch niet? Of wilde hij haar niet begrijpen? Hij vroeg feiten. En er
waren immers geen feiten? Olga had alleen maar gekeken en soms even
gelachen, slechts èven. Was dat laakbaar in vaders oogen?
„Heeft Mieke soms geklaagd?” ging hij voort, onderzoekend, niet zeker
van die zaak, maar steeds niet duidelijk willende begrijpen dàt er toch
iets haperde.
„O neen, volstrekt niet,” kwam Loes levendiger, zeer uitdrukkelijk.
„Mieke treft geen enkel verwijt.”
„Nu dan? Wat wil je dan eigenlijk? Als Mieke zelf het zoo goed vindt?
Plus royaliste que le roi, m’n kind?”
Weer weifelde zij; langzaam-aan begon ze ’t overdreven te vinden zich
zoo te beijveren voor Mieke’s heil, waar deze gisteravond zelve zich
noch boos noch haatdragend noch ongelukkig had getoond. Integendeel.
Zij, Loes, zag de dingen misschien te zwaar in vanmorgen, omdat ze zoo
akelig geslapen had. Beschouwde zij het gebeurde werkelijk uit het
oogpunt van „plus royaliste?”... Mieke scheen daarstraks immers ook
reeds onbevangener en minder down dan den vorigen dag?
„Geef me maar een zoen. Dag, Loes. Haal je nu maar geen muizenesten in
je hoofd. Denk erom, je moet je vader blijven opvroolijken, hoor. Hij
heeft al genoeg zorgen; schep er asjeblieft geen nieuwe bij,” en hoewel
schertsend klonk dit zeggen niet ongedwongen, de zucht, die hem
ontsnapte, niet uit de grap.
Ja, waarlijk, zij moest niet zoo zeuren, verweet zij zich. Had vader al
niet genoeg aan z’n hoofd met zijn drukke zaken? Wat kostten Erik’s en
Olga’s studie en amusementen hem niet handenvol geld! Hij moest ’t toch
maar allemaal heel-alleen verdienen. Loes, zuinig en praktisch van
aard, had bijwijlen zoo op haar eigen houtje haar zaken-bespiegelingen
en opmerkingen... Wat had zij niet dikwijls met vader te doen, als hij
tot ’s avonds laat, terwijl al ’t personeel reeds naar huis was, nog
zat te werken. En niemand thuis, die hem daar eens liefjes om beklaagde
dan zij... En hem dan nu zoo lastig te vallen! Zoo vroeg al!... Hij zag
er vermoeid uit, ’t viel haar op, plotseling... Arme, lieve man. Hem
zoo aan ’t hoofd te malen met al die onbeteekenende dingen. Want, ja,
onbeteekenend kwamen haar, achteraf, nu haar grieven voor. Was de heele
zaak niet eigenlijk reeds verloopen, toen gisteravond Mieke haar
verklaarde Olga’s gedrag te kunnen plaatsen? Het was niets dan gepieker
en gezeur van haarzelve. Om daar vader z’n dag mede te bederven!...
Zij herstelde zich, probeerde te glimlachen.
„Kijk eens aan,” er viel vader een pak van ’t hart bij ’t doorbreken
van het zonnetje, „nu is de bui alweer overgedreven. Des te beter.”
Toen maakte hij, dat hij wegkwam, als bevreesd voor een hervatting van
’t onderwerp, gaf Loes vluchtig een zoen, en vóór zij gelegenheid had
te antwoorden werd de deur reeds dichtgetrokken en stond ze met een
vrij onvoldaan gevoel alleen in de vestibule.
Hoe ’t kwam wist later noch Olga noch Mieke, maar gaandeweg had zich,
na vaders vertrek, een gesprek ontwikkeld tusschen haar beiden, en,
terugkomend uit de gang, bleef Loes verwonderd bij de deur staan, toen
ze haar zuster op voor haar tamelijk levendigen toon hoorde zeggen:
„Ieder z’n genoegen, maar mij lijkt schooljuffrouw-spelen iets
afschuwelijks.”
Mieke, een kleurtje op de wangen, verdedigde haar gekozen richting. „Ik
houd zooveel van kinderen,” zei ze zacht en als verontschuldigend.
„Je bent dan ook een geboren frik, neem me niet kwalijk,” Olga’s lachje
klonk kort en spottend. „Hoe is ’t in de wereld mogelijk!”
„Iedereen zal toch wel het beroep kiezen, waar hij van houdt,” meende
Mieke; hoewel het bloed haar bij Olga’s geringschattende wijze van
uitdrukken sneller door de polsen joeg, dwong zij zich tot vriendelijk
antwoorden.
„Nonsens,” bleef Olga kras bestrijden, schamper, weder Mieke
eenigermate overbluffend.
„Maar waarom studeer jij dan?” vroeg Mieke zich herstellend, met
zooveel oprechte verbazing, dat de ander onwillekeurig haar ironie een
oogenblik moest afleggen, ondanks zichzelf.
„Heilige onnoozelheid! Wel óm de studie natuurlijk,” antwoordde zij op
nadrukkelijken toon, waarmede zij Mieke nog meer van de wijs bracht.
„De studie? Alleen om de studie?” zei deze als tot zichzelf. En weer
tot Olga: „Niet om ’t vak dus?”
„’t Vak?” Olga trok den neus op. „’t Vak, hoe burgerlijk en banaal.”
Zij lachte wederom.
Mieke begreep er niemendal van. En terwijl zij zich inspande Olga te
volgen, vergat ze geheel haar verhouding tot deze.
„Als ik,” vervolgde zij, en steeds kleuriger werden haar wangen, steeds
schitterender haar oogen, „als ik, zooals jij, in de rechten studeerde,
zou ik dit doen omdat ik verongelijkten in ’t gelijk wilde stellen,
omdat ik bestudeeren wilde, hoe ik in ’t openbaar rechtvaardig en naar
waarheid oordeelen en verdedigen moest. Ik zou mede willen werken tot
verbetering van wetten,” Mieke’s stem klonk vast en vaster, met steeds
sterker nadruk, en heur eerlijke kijkers zagen recht in Olga’s, zonder
een zweem van die bedeesdheid en schroom als waarmede zij tot-nu-toe
haar nichtje beschouwden. Geheel onvoorbereid op deze als uit de lucht
gevallen gedachtenwisseling stond zij, voor ’t eerst hier geheel-en-al
zichzelf zijnde, tegenover de ander, omdat zij voor ’t eerst zichzelve
en Olga vergat ter wille van het diepe gevoel van rechtvaardigheid en
liefde, dat haar bezielde bij deze onbekommerde uiting aangaande alles
wat in haar jonge leven en denken waarde had. „Ik zou onrecht willen
ontmaskeren.”
Olga schouderschokte. Zij lachte niet meer.
„Om ’t vak,” herhaalde zij minachtend, „dacht je dus dat één van de
studenten, die rechten studeerde, of medicijnen of wat anders, dit deed
uit een oogpunt van rechtvaardigheid, menschenliefde of iets
dergelijks?... Ja, misschien een enkele dweepende theoloog! Maar
overigens? Je bent heusch vermakelijk naïef, Mieke, voor je leeftijd.”
„Zeker geloof ik dat,” met bevende geestdrift sprak ze, „neen, ik weet
het zèker. Want wat zou studie zijn zonder een liefderijk doel?”
„Het doel is de wetenschap,” antwoordde Olga gedecideerd. Heur blik,
koud en kleurloos, zonder eenige schittering, bijna zonder leven,
hoewel met op heur mooi gezicht een onmiskenbaar verstandige
uitdrukking, richtte zich onafgebroken op ’t gloeiend, enthusiaste
gezichtje tegenover haar. Verbaasde ook zij zich daarnet, toen ze
lachte om Mieke’s geprononceerde meening, die ze achter dit kind
heelemaal niet gezocht had, thàns vergat zij evenzeer als de ander tot
wie ze sprak. Zij maten elkaars geestelijke waarde, de meisjes,
toevallig en zonder eenig opzet, maar daarom misschien des te
zuiverder.
„Maar als het doel enkel de wetenschap is, wat helpt dit doel dan als
’t niet wordt aangewend tot nut en bestwil van de menschen?” vroeg
Mieke verwonderd.
Nu lachte Olga toch weer flauwtjes. Als ze op die manier kon lachen,
voelde zij zich altijd sterker dan wanneer zij als zooeven, ontdaan van
’t wapen der ironie, zich slechts kon verdedigen met de kracht harer
niet zoo vaste beginselen. Spot verslaat spoediger, maakt anderen
gauwer weerloos en heeft den schijn, meer dan wàt ook, van scherpen
geest. En Olga riep schamper: „Aha, begint nu de schooljuffrouw met ’t
overhooren van de les? Dat jij voelt voor je vak en niet voor de studie
geloof ik graag.”
„Ik houd wel degelijk ook van studie,” verdedigde Mieke haar inderdaad
groote liefde voor deze. „En wat je daar allemaal zei bewijst nog
volstrekt niet, dat je gelijk hebt.”
Olga stond op; ongeduldig. „Och kom, kind, wat zou jij eigenlijk weten
van studeeren? Best, mij best, hoor, ik geef je grif toe, dat misschien
de een-of-andere broodstudent denkt aan zijn vak, terwijl hij blokt,
èn—aan ’t geld, wat hij ermee zal verdienen.”
„Dat ’s heel wat anders...” wilde Mieke voortgaan. Doch Olga verveelde
’t dispuut gruwelijk. Of liever, wat overvallen erdoor, beviel haar
heur houding hierin absoluut niet. Zij wenschte allerminst op haar
plaats te worden gezet, evenmin als zij wenschte zoo op den man af
uitgevraagd te worden over haar „bijna” idealen! ’t Was, goed
beschouwd, brutaal opeens zoo te beginnen,—onbeschaafd. Zij, dat kind,
moest niet denken, dat een aanstaande schoolmamsel gelijk stond met een
aspirant-candidaat in de rechten, een toekomstig advocaat, een meisje
als zij!... Nam zij zich niet voor ’t nichtje te negeeren, haar slechts
waar ’t noodig bleek te vervormen en te zeggen waar ze staan moest?
Zèker had ze niet op zoo’n heftig dispuut gerekend. Disputen gaven
ergernis en van ergernis werd je leelijk. En alles liever dan dàt
wenschte zij.
Daarom coupeerde zij verdere uitbreiding. „’t Wordt mij te machtig,
zeg, op den vroegen ochtend,” gaapte ze, voor ’t raam in de serre
uitkijkend in ’t kleine tuintje. „Maar één ding moet ik je toch nog
verzoeken: houd dergelijke beweringen nooit in een behoorlijk
gezelschap, tegen menschen als Bogaerts of andere studenten, die je
hier mocht ontmoeten. Zelfs niet tegen Tilly Mertens, al is ze de
goedigheid en meegaandheid in persoon. Ze zouden je uitlachen. Ze
klinken onwetenschappelijk, snap je. Vooral dat „nut” en „bestwil,”
waar je je over uitliet. Dat is dorpsch, denk ik, geschikt bij die
boerenmenschen.”
„Die boerenmenschen zijn verstandig en goed,” interpelleerde Mieke
kortaf, ongewoon scherp. O, zij was duizendmaal meer dan gisteren tot
haar natuurlijkheid teruggebracht, meer dan toen al die groote
voornemens haar bezielden. En toch, toch kwamen zij na haar stuursch,
kort gezegde beschaamd teruggeslopen. Toch kende zij zichzelve niet zóó
als zij zich thans openbaarde. Zij schrok van den harden klank harer
eigen stem en zij wankelde eensklaps in haar beweringen; zij kreeg
spijt,—evenals Loes daarnet tegenover vader... Ging zij niet te ver?...
Paste haar deze toon van hatelijke tegenweer, die haar opwond tot
nauwelijks te beteugelen drift?
„Ik twijfel volstrekt niet aan je meening,” vervolgde Olga, en ze snoof
eens, „maar ook deze uitlating van je is hier niet op z’n plaats. Je
maakt je heusch bespottelijk. Wij zijn,” nu sprak ze langzamer dan
zooeven en meer geaccentueerd dan tot-nu-toe, „wij zijn, ik zou het
willen noemen, wetenschappelijke idealisten. Jouw „nut” en je heele, in
dit geval eenigszins ridicule, braverige leerzaamheid, zijn nog een
beetje uit de oude doos, zie je. Allicht heeft je grootmoeder je wat
ouderwetsch gehouden, of misschien...”
„Grootmoeder!”—ach, waar bleven toch in ’s hemelsnaam weer al de
herinneringen aan den strijd van den vorigen avond, wat hielp het nu of
ze zooeven voor de zooveelste maal zichzelve verwijten
deed?—„Grootmoeder?” barstte zij uit. „Grootmoeder heeft me geleerd
iets wat ik nóóit zal vergeten en ook nooit wil vergeten: te houden van
alles wat ik in het leven zal te doen hebben, omdat het een van God
opgelegde roeping is! Je mag me er vrijweg bespottelijk om noemen! En
lach me er ook maar gerust om uit, dat ik schooljuffrouw wil worden en
dat ik ’t heerlijk vind omdat ik dol op kinderen ben en omdat ik ze een
heeleboel hoop te leeren van wat goed en edel is. Als ik een ander vak
zou hebben gekozen, zou ik me dááraan willen wijden met m’n heele
hart!”
Olga staarde haar aan, perplex. Het lachje bestierf op haar koel
gezichtje. Ook Loes, die in stomme verbazing, nog vol van wat zij
daarginds in de gang doormaakte, ’t gesprek volgde, zag onthutst naar
het opgewonden meisje.
Evenmin als Olga verwachtte ook zij in de schijnbaar zoo eenvoudige
Mieke deze krachtige persoonlijkheid, deze sterke, eigen kracht.
Ja, Mieke-zèlf herkende zichzelve niet. Nooit voor dezen, had zij
geweten zóó hartstochtelijk, zóó driftig te kunnen zijn. Maar nimmer
ook was zij zoo persoonlijk aangevallen geworden, noch was grootmoeders
waarde ook maar met één woord in twijfel getrokken. De reactie kwam dan
ook onmiddellijk na haar uitbarsting. Ze voelde zich inzinken, omdat
haar geen triomf doch schuldbewustzijn overmeesterde toen zij zoo
onverhoeds maar voor-’t-vaderland-weg de ander in ’t gezicht smeet wat
ze kwijt wilde zijn... Olga had haar zeer zeker niet lief behandeld,
doch hoe was de manier waarop zij reageerde? Oom Egbert kon moeilijk
blij zijn een meisje te herbergen, dat zóó z’n gastvrijheid schond
tegenover z’n eigen dochter.—Mieke schaamde zich.
Olga zag het. En dit werd haar victorie.
Zelfs Loes, die ’t begreep, kon hieraan niets veranderen. Ze raakte
totaal van streek.
„Mieke,” Loes greep angstig Mieke’s arm, „wat is dat nu?” riep ze.
Neen, nooit had ze haar beschermeling tot zulk een gloeiende uiting in
staat geacht.
„Niets, Loes. ’t Is al over,” zenuwachtig streek Mieke’s hand over de
hare. „Ik bedoelde ’t ook zóó niet, werkelijk niet.—Olga,” en martelend
overviel haar weer dat wanhopend makende, kleine gevoel van zichzelf,
’t klonk schuchter schier, terwijl Olga’s hoofdje zich hooger en hooger
richtte; „ik... ik... vergeef me... ik was wat driftig.”
Olga lachte. Ze lachte weer geheel zooals ze placht.
„O, natuurlijk,” antwoordde ze, zich niet in ’t minst gepikeerd
toonend, „ik excuseer je natuurlijk. Alleen verzoek ik je in ’t vervolg
dergelijke onverkwikkelijke onderwerpen tegen mij te laten rusten... En
als je me nog een groot plezier wilt doen, draag dan niet meer dat
monsterlijke, gestreepte blousje?”
Patsch! daar kletste de aangezichtslag: Olga had glansrijk overwonnen:
het blóusje!—Mieke was weer klein, min onooglijk, onbeteekenend. En
toch sprak ze vriendelijk, Olga, héél vriendelijk zelfs. Ze gaf zich
niet eens de moeite zich boos te toonen. Verbeeld je: bóós, om iets zóó
onbenulligs als dit gehaspel!—Zei ik niet dat ze in een goede luim was
vanmorgen? Die bleek dus wèl onverstoorbaar.
Loes probeerde woorden te vinden om iets te antwoorden, doch Mieke
wenkte haar te zwijgen, uit vrees voor nieuwe onaangenaamheden.
Toen sloeg de klok negen, brak de gespannenheid. Olga nam bedaard haar
portefeuille, die naast haar stoel stond. Ze had om tien uur college,
zei ze rustig.
„Adieu. ’t Wordt mijn tijd. Misschien,” en ze toefde even aan de deur,
„misschien wil je, Mieke, nu mama nog boven blijft, wel haar werk doen
en den ontbijtboel omwasschen? Dat zal ze zeker prettig vinden.”
„Heel graag... Ik wil graag den ontbijtboel omwasschen,” stotterde ’t
meisje, rondkijkend, verward, naar ingrediënten zoekend voor deze
expeditie.
En kalm vertrok Olga.
Loes jachte nu verschrikkelijk. „Ik kom te laat! Ik bèn al te laat!”
schreeuwde zij wanhopend, nauwelijks tijd vindend Mieke te groeten, met
lossen mantel ’t huis uitvliegend, haar zuster voorbij, naar school.
Alleen achtergebleven staarde Mieke eenige oogenblikken als versuft
vóór zich uit, in een toestand van zóó ontredderden gedachtengang en
verward begrip omtrent menschen en toestanden, dat ze een heele poos
noodig had om tot zichzelf te komen, voor ze duidelijker besefte wat ze
eigenlijk weer had beleefd... Was zij het geweest, die Olga daarnet zoo
kras bestreed? Zij, Mieke van der Hoeve, degene, die zoo
hartstochtelijk gesproken had over zichzelve en haar doodgewone lessen,
alsof zij altijd ik-weet-niet-wat voor idealistische plannen opbouwde,
meenende eens een „roeping” te zullen vervullen? Nog nooit van haar
leven had ze over deze „roeping” of over haarzelve zoo nagedacht als
zij in hevige ontroering zoojuist de ander had doen gelooven door felle
woorden. Kwam het, omdat men haar nog nooit zoo had getart?... Zij wist
’t niet! Zij wist ’t niet!... Ze wist slechts, dat zij thans voor
zichzelve vreesde; dat zij zichzelve nog niet kende; dat zij zichzelve
vroeger nooit rekenschap had gegeven van haar denken en willen. Dan zat
zij in hopelooze zelfbeschouwing zichzelve onderzoekend, gansch anders
belicht dan gisteravond voor grootmoeders ouden spiegel... Wat moest er
toch van haar worden, schip zonder roer, dat zij bleek te zijn? Ach,
als grootmoeder haar eens zóó gezien had, zou zij niet lijden om een
kleinkind, zóó opstandig, zóó ondankbaar en brutaal?... En Mieke wilde
zich wederom iets goeds voornemen, doch zij durfde niet... Wat vermocht
zij? Wie wàs zij?—Zij zuchtte, zwaar en bedroefd.
Toen stond zij op. Wat hielp het je te verdiepen in onmogelijkheden?
Zij moest vooruit!... Had Olga haar niet heur werk gezegd?... Zij zou
maar met opruimen beginnen.
Eenige dagen na haar aankomst schreef zij den volgenden brief:
Amsterdam, 15 Oct. 19...
Beste juffrouw Wije,
Nu zal ik U eens van allerlei vertellen, zooals U mij hebt
verzocht. En wilt U dan dezen brief ook laten lezen aan dominee
Rensen? Hem zal ik den volgenden keer schrijven.
Beste juffrouw Wije, natuurlijk heb ik soms nog vreeselijk
verlangst naar grootmoeder en alle oude kennissen, naar het dorp en
de frissche lucht, en er zijn hier heelemaal geen boomen en
beesten, en je zit altijd bekneld tusschen de huizen, maar het is
hier toch werkelijk niet naar. U moet dan ook volstrekt niet
denken, dat ik mij beklaag. De huizen zijn ontzettend hoog, soms
vier verdiepingen. Ofschoon, dat zult U wel allemaal weten. U heeft
immers vroeger in uw meisjesjaren eenigen tijd in Amsterdam
gewoond, naar U mij vertelde.
Ik zal dus liever over mijzelf schrijven.
Ik help mijn tante heel veel in de huishouding. Het is een nogal
drukke huishouding met veel aanloop. Het huis is groot met heel
veel kamers. Eerst vond ik ze bijzonder prachtig, maar nu ik hier
ongeveer een week ben, begin ik een beetje aan het mooie te wennen.
Toch houd ik meer van een buitenhuis of van een boerderij. Mijn
kamertje is heel boven, wat ik niets akelig vind. Nu kijk ik over
de daken en zie een groot stuk lucht, wat je niet kunt als je meer
in de laagte woont.
Ik ga nu ook naar school, weer een normaalschool, gisteren voor ’t
eerst. Ik ken de meisjes natuurlijk nog heelemaal niet en voel mij
nog erg vreemd tusschen ze. Zij durven alles. De lessen zijn heel
prettig, en altijd na de gewone schooltijden. Van de leeraars zijn
de meeste nogal streng. Ik ben dadelijk in de derde klasse gekomen,
wat oom heel mooi vond.
Mijn nichtje Olga zal advocaat worden. Zij is buitengewoon knap,
zegt tante Sophie, en dat zij niet door haar examen is gekomen was
heelemaal buiten haar schuld. Zij zingt ook en speelt piano. Ik
hoor haar niet graag zingen, zij zingt zoo hoog, maar dat is
moeilijk naar ik hoorde, en haar vingers vliegen over de toetsen.
Zij zal wel gauw trouwen, omdat zij zoo mooi is, denkt tante, met
een heel deftigen, rijken mijnheer, die hier dikwijls komt en een
vriend is van mijn neef Erik.
Nu vergat ik nog te schrijven over mijn jongste nichtje Loes. O,
beste juffrouw Wije, ik houd zooveel van haar. Ze is zoo lief en
trouw, en niets trotsch zooals haar zuster. Ze beurt me soms
heerlijk op en trekt altijd mijn partij wanneer er eens iets is. Ik
vergis mij natuurlijk herhaaldelijk, omdat het bij grootmoeder maar
gewoon was en hier verschrikkelijk deftig. Het is soms wel moeilijk
dit te onthouden, want telkens moet je iets doen of nalaten wat je
juist graag andersom had gedaan.
Ik verlang dikwijls naar U, beste juffrouw Wije, evenals naar
Dominee Rensen, en ik denk ook somtijds aan Uw zoon Geert. Hoe gaat
het met Trijn en Jans en de anderen? Ik mis het vooral, dat ik des
Zondags niet naar de kerk ga. Dat is mij zoo vreemd. Het is nu net
of het geen Zondag is. Is de straatweg nog altijd zoo proper des
Zondags? Het leek altijd alsof de weg dien dag veel mooier en
keuriger was dan door de week. Is het huisje van grootmoeder al
weer verhuurd?
Wat een lange brief! Maar nu eindig ik, want ik ben heel moe. Het
was zoo’n drukke dag vandaag, want er zijn hier in huis
verschrikkelijk hooge trappen, dat is zoo vermoeiend, en er viel
zooveel te doen. Ik had ’t er echter op gezet U te schrijven,
anders mocht U denken, dat ik U vergat. Dat moet U nooit van mij
denken.
Doet U wel mijn hartelijke groeten aan Uw zoon Geert en den
dominee, ook aan Dr. Bos en mevrouw en alle andere bekenden, die U
spreken mocht. En schrijft U als het u blieft spoedig eens terug
aan