De dag was om. Elkeen was naar zijn kamer gegaan; de lichten in de
gangen waren uit. Het huis lag donker en rustig in de stilte van den
komenden nacht. Een enkel vaag geluidje van zacht gehoest, van langzaam
pantoffelgeslof, een paar maal onderbroken door een vinnigen tik van
laarzen, die buiten de deur werden gezet,—dan vulde weer een hoorbaar
zwijgen de ruimten van het tot slapen gereede huis.
Boven, in haar kamertje, zat Mieke nog op bij ’t helle gaslicht. Zij
voelde zich moe en dof en een zware hoofdpijn belemmerde haar zich
fluks te ontkleeden en behaaglijk onder de wol te kruipen.
Het hoofd gesteund op de hand zat ze bij de tafel, te óp van den
ongewonen, emotievollen dag om zich te verzetten tegen de vermoeidheid,
die haar beheerschte, er maar niet toe kunnende komen om naar bed te
gaan. Ze herdacht in herhaaldelijk weerkeerenden kringloop al ’tgeen
zij vandaag had beleefd, nog niet in staat tot samentrekking harer
ondervindingen om daardoor tot een zuiver begrip te geraken van haar
toestand, die nu nog als een chaos van allerlei gewaarwordingen voor
haar bleef.
Het eene moment vertrouwend en hoopvol, dan weer diep verslagen en
terneergedrukt, streed het jonge meisje daar alleen op haar nieuw
kamertje den grooten, eenzamen strijd met zichzelf en de
omstandigheden. Herinnerde zij zich met warmte en blijheid Loes’
spontane voorkomendheid en ongekunstelde hartelijkheid, tegelijkertijd
overschaduwde reeds weer de gedachte aan wat daarop volgde dit gouden
lichtpunt.
Oom Egbert had, na Loes’ thuiskomst, de damesfamilie aan elkaar
overgelaten. Was zijn wachten op de jongste geweest?... In elk geval
stond hij na haar binnentreden op om vóór den eten nog even een brief
op zijn kamer te gaan schrijven.
Loes met haar kwieke opmerkingsgave, geleid door haar goedhartige,
vriendelijke natuur, zelf steeds in strijd met mama’s en Olga’s
beginselen, begreep maar al te goed hoe Mieke zich als een kat op een
vreemd pakhuis moest gevoelen. Ook hadden de debatten vóór Mieke’s
komst haar doen inzien hoe ongeveer de opinie was der toekomstige
wederzijdsche verhouding. Moest „het buitenkind” niet tot dame
gefatsoeneerd worden?... En dat Olga bij dergelijke hervormingsplannen
niet overliep van takt was iets, waar Loes-zelf ruimschoots van mee kon
praten. Daarbij mama’s denkbeelden kennende op dit punt, voorzag zij
met haar „griezelige burgermansbegrippen” (volgens haar oudste zuster)
maar al te duidelijk het lang niet benijdenswaardig te ondergaan
proces, dat de nieuwe huisgenoote diende te metamorfozeeren.
Loes redeneerde daarom honderd-uit om aller aandacht wat af te leiden,
voelende hoe na vaders vertrek wel onmiddellijk een aanvang zou worden
gemaakt met de onvermijdelijke „opvoeding” der nieuw-aangekomene. Druk
en humoristisch spon zij een grappig schoolverhaal in den breede uit.
Mieke, geboeid, ging op in de interessante geschiedenis. Hoewel stil en
niet beweeglijk, had zij toch geen koele, flegmatische natuur. Haar
levendige, bezige geest hield van menschen, die zich vrij en
gemakkelijk uitten, al trok zijzelve zich altijd min-of-meer bedeesd
terug met een lichte vreesachtigheid belachelijk te worden bij
impulsiviteit. Zij had nog niet den durf—en misschien zou ze dien wel
nooit veroveren—om zich geheel te geven en onmiddellijk te handelen
naar de ingeving van haar warm gevoel, maar zij stond ook nog pas zoo
kort, nog zoo schuw en ongewapend tegenover het brutale, overbluffende,
onbekende leven. Loes’ ongedwongenheid, hoewel deze haar bevreemding
wekte, deed haar plezier, zag ze met groote, héél groote sympathie.
Doch de goed bedoelde pogingen der jongste nicht mochten al eenigen
tijd de aandacht afleiden, afdoende bleken zij niet.
„Nu raad ik je eindelijk eens uit te scheiden met je interessante
confidenties, Loes,” bracht Olga, na eenige malen tevergeefs haar
zuster in de rede te zijn gevallen, op scherpen, ongeduldigen toon in
’t midden.
„Ja,” beaamde mevrouw, maar al te gaarne de bal opvangend, „nu weten
wij het wel. Je moest je nu eens gaan klaarmaken voor de tafel, want er
komen twee gasten. En Mieke, jij ook.”
„Best, tante;” volgzaam stond de laatste op, weer tot de werkelijkheid
terugkeerend nu Loes haar levendig verhaal besloot. „Waar zal ik dan
mijn handen wasschen?”
„Niet alleen je handen wasschen,” sprak mevrouw wat afgetrokken. Zij
monsterde ’t meisje eens. „Louise zal je je kamertje wijzen, en dan had
ik graag, dat je je daar verkleedde.”
Mieke schrok.
„Je zult toch nog wel iets anders bij je hebben in je valies?”
„Neen, tante. Alleen mijn nachtjapon en kleinigheden. Is mijn koffer er
nog niet?” Mieke raakte in de war.
„Maar lieve kind, je kunt onmogelijk in dit blousje aan tafel
verschijnen,” zei tante gedecideerd, Olga een blik van verstandhouding
toewerpend.
„Je koffer is nog niet gekomen,” vulde Olga aan.
Mevrouws wenkbrauwen fronsten. Ze werd wat geagiteerd.
„Als ik alles vooruit geweten had...” ze bleef steken.
„U kon ’t immers toch wel nagaan,” kwam Olga vinnig uit den hoek. „Maar
u regelt altijd alles zoo gek, mama. Laat Mieke vandaag dan alléén
eten,—desnoods.”
„Is... is dit blousje dan niet netjes?” stamelde Mieke, met
verschrikten blik op het gestreepte flanellen overhemdje, dat, van een
krap en stijf modelletje, haar toch geenszins afkeurenswaardig leek.
Olga, achteloos leunend in haar grooten stoel, een boek in de hand,
keek over de bladzijden heen. Ze zei niets, maar om heur mond kwam weer
het ironisch trekje, dat Mieke zoo vreesde en dat haar zoo verwarde.
„O zeker,” antwoordde tante op ietwat langzamen, gerekten toon, die
steeds zeer duidelijk de belangrijkste zinsdeelen accentueerde, „ik heb
ook volstrekt niets tegen de nètheid van je blousje, kind. Maar ik wil
je toch even onder ’t oog brengen, dat je hier in een ander milieu
leeft dan op je dorpje. Onthoud wel, Mieke, ik moet je als mijn nichtje
presenteeren en niet als mijn dienstbode.”
„Tante!” riep Mieke onthutst, in de overtuiging iets zeer verkeerds te
hebben gedaan, toch ook duidelijk gevoelend in haar eer te zijn getast,
ofschoon nog niet recht vattend op welke manier. Doch zéér pijnlijk
trof haar tante’s manier-van-spreken, Olga’s spotlachje, bijna als een
smaad.
Daar stak Loes onverwachts haar arm door Mieke’s.
„Als ze eens een blouse van mij aandeed, mama?” vroeg ze levendig.
„Tja...” aarzelde mevrouw bedenkelijk. „Of anders... als Olga meent...
dat ’t misschien maar beter is...”
„Kom gauw mee, Mieke,” dreef Loes het ontstelde meisje fluks buiten de
kamer. „Ik zal je een van mijn blouses passen.” En vóór mevrouw Van der
Hoeve nader kon weerleggen, stonden beiden reeds in de gang.
Nauwelijks sloot de deur zich achter de meisjes of Olga kwam met een
ruk in haar stoel overeind, smeet ’t boek over tafel.
„U bedenkt nu ook nooit eens iets vooruit,” verweet zij op bitsen toon
haar moeder. „Voor Tilly kan ’t me nog minder schelen, maar voor Erik’s
vriend! Iemand, die voor ’t eerst hier komt dineeren, dadelijk met
zóó’n kind aan tafel te zetten, ’t is wat moois, Erik ergert zich
dood.”
„Ik zei toch nog...” bracht mama in ’t midden.
„U zéí, maar natuurlijk zoo onhandig mogelijk.”
„Had jij ’t dan gezegd,” vervolgde mama op den kibbeltoon, die beiden
zoovaak tegen elkander aansloegen.
„Nu nog mooier,” werd Olga heftiger. „Als u iets verkeerds hebt gedaan
zegt u altijd, dat ik u dan maar had moeten verbeteren.”
„Precies dan jouw taktiek! Buitendien had ik er wel meer op ingegaan,
dat ze alleen zou eten vandaag, als Loes er niet bij was geweest.
Zoodra papa hoorde...”
„Hóéfde vader ’t te weten?”
„Loes is in staat er midden onder ’t tafelen over te beginnen.”
„Dan had u haar mond gesnoerd.”
„Maar ik kan nog...”
„Nog! Nog!” viel Olga weer uit. „Waarom kwam u er dan toch ook mee voor
den dag op het meest ongelegen moment?”
„Maar als ze nu netjes eet,” begon mevrouw te laveeren.
„Good gracious, netjes eet! Zelfs dàt erbij! De mogelijkheid, dat ze
misschien toch wel netjes eet!” Olga stampvoette.
„Als we haar nu tusschen Loes en vader zetten?” stelde mevrouw
aarzelend voor.
Toen, zonder dat men erop verdacht was, trad meneer Van der Hoeve weer
binnen, op den voet gevolgd door Betje, die kwam dekken.
En tegelijkertijd werd er gescheld door Tilly Mertens, de eerste gast.
„Wat is er?... Is er iets?” informeerde vader, van de een naar de ander
kijkend met ietwat onrust.
„Niets, niets,” zei mevrouw kortaf.
Olga, haastig opstaande, verschikte gauw nog iets aan haar japon. Toen
ging ze juffrouw Mertens tegemoet om even daarna bevallig en
vriendelijk Bogaerts, Erik’s vriend, te begroeten in het salon, aan de
eetkamer grenzend, waar meneer Van der Hoeve inmiddels het elektrisch
licht had aangeknipt.
Toen Mieke en Loes uit de verlichte kamer zoo eensklaps in de half
duistere gang waren aangeland, bleef de eerste één oogenblik als
versufd staan. Dan brak plotseling een groote drift zich baan in
Mieke’s oproerig hartje, een drift, die haar deed trillen van het hoofd
tot de voeten. En met bevend mondje vroeg zij schor: „of tante Sophie
en Olga zich soms voor haar scháámden?”
Loes trachtte door besliste tegenspraak en hartelijkheid deze
veronderstelling te verzachten, haar ongemerkt zoetjes de trap
opduwend. En langzaam vloeide bij deze heelende vriendelijkheid en
kalmeerende woorden die ongekende drift van haar weg.
Daar opende Loes een deur op het portaal van de bovenste verdieping en
reeds verdrong alweer een nieuwe indruk de door Mieke zoo juist
ondervonden geringschatting. Zij stond op den drempel van haar
kamertje, dat Loes aan haar nieuwe eigenares met veel zwier, zij ’t wat
geforceerden zwier, voorstelde.
Het vertrekje had, doordat ’t onmiddellijk onder ’t dak lag, één
schuine muur. Ook was het niet hoog van verdieping en had het geen
raam, slechts een dakluik, ’twelk op een ijzeren pen open en dicht kon
worden gezet. Maar het herinnerde Mieke zóó sterk aan haar
slaapkamertje thuis, dat ook zoo weelderig niet geweest was, dat een
kreet van blijde verrassing haar ontsnapte. Het weerzien van
grootmoeders oude meubelen op een moment, waarop ze er niet in ’t minst
aan dacht, brachten haar na de ondervonden pijnlijke „les” tot zóó
groote blijdschap, dat deze haar even het spreken belette.
Loes keek haar wat angstig aan.
„Wij hadden werkelijk geen ander kamertje,” trachtte ze te
verontschuldigen.
Maar Mieke zei, hoe best ze ’t hier vond... Zag Loes die oude
chiffonière? Wist ze wat grootmoeder altijd in die laden bergde? En wat
er gewoonlijk op dat ronde tafeltje stond en hoe oud de stoelen
waren?... Ach, de vreugde van ’t meisje nam heelemaal ’t unheimische en
kille van ’t kamertje weg!... Loes vond ’t er nu opeens ook volstrekt
niet akelig meer, zooals gisteren, toen ze er stilletjes inspektie
hield en het had vergeleken bij haar eigen gezellig hokje, maar ze zag
nu, dat ’t kamertje heusch heel vroolijk was! „En zoo dicht bij de
lucht en de zon,” zei Mieke verheugd, en daarin had ze gelijk. ’t Was
er veel, véél dichter bij de lucht en de zon dan beneden, waar je zoo
tusschen de huizen in de straat keek of in de nauwe tuintjes van de
overburen... En wat zouden zij er samen gezellig kunnen zitten
studeeren!
Loes begon zich reeds in plannen te verdiepen, zóó zelfs, dat ze bijna
het doel vergat waarom zij beiden daar stonden. Tot eensklaps zij ’t
zich herinnerde.
„Wij moeten voortmaken,” begon ze te reppen. „Ik zal mijn
blouse-patrouille even gaan inspekteeren. Je mag mijn mooiste aan
vanavond.” En weg was zij om in een ommezien terug te keeren met een
heele bezending.
Hoewel in ’t eerst ietwat onaangenaam verrast bij ’t begrijpen van
Loes’ bedoeling, kwam gaandeweg Mieke’s meisjeshart ook een woordje
meespreken. Het wat stugge idee liever te blijven als zij was, het
volstrekt niet noodig vindend mooier te schijnen dan te zijn,
redeneerde Loes al spoedig grootendeels weg. Wat praatte Mieke van
„afleggers!” Wist ze wel, dat de meeste van deze nu zoo bewonderde
kleeren afkomstig waren van Olga? O, Loes vond ’t vervelend genoeg zoo
dikwijls de japonnen harer zuster te moeten afdragen, ze keek
gewoonlijk niet eens naar den goeden kant van de stof als Olga een
nieuwe japon kocht, alleen maar vanbinnen, omdat ze em toch altijd
„gekeerd” moest verslijten.
Komisch en verontwaardigd klonk Loes’ verzuchting, zoodat Mieke ondanks
zichzelf om haar lachen moest. Maar Loes’ boosheid luwde spoedig... Ze
wou alleen maar zeggen, besloot ze, dat ze Mieke’s ergernis voor
„tweedehandsjes” uitstekend plaatsen kon,—maar je ervoor geneeren?
Dwaasheid!... En ze paste, rood als een pioen door ’t krachtig
pleidooi, Mieke onderwijl met geestdriftige belangstelling heur mooiste
blouse, die ’t meisje flatteerde... Zij riep dit, Loes, klappend in de
handen.
Ook op Mieke’s wangen verschenen nu hooge blosjes. Ze stonden daar
beiden in het kleine, scheeve kamertje met een emotie op de jonge
gezichtjes, zooals je dat alleen maar kunt waarnemen, bij héél jonge
meisjes.
„Prachtig staat-ie je!” juichte Loes. „Och, toe, houd em aan?”
Dat op- en neergedraaf van Mieke’s willen en niet willen!... Waarom
moest ze pronken met een andermans veeren?... Maar ook: nog nooit droeg
zij zoo’n fijne, zachte blouse, en hoe dikwijls had zij iets dergelijks
niet in stilte begeerd?
„Kom, doe em dan alleen aan voor mijn plezier?” bleef Loes aandringen.
„En mag ik dan ook eventjes je haar opmaken?”
Vóór de ander wist wat er nu weer met haar gebeurde, zat ze reeds op
een stoel, behoorde de stijve vlecht tot het verleden en golfde aardig,
blond haar over een handdoek, die Loes Mieke had omgeslagen bij de
kapperij... En zij genoot opnieuw, de kamenier. Ze werkte bij de ooren
het strak getrokkene wat weg en bracht daardoor Mieke’s blank,
eenvoudig gezichtje in een gansch andere omlijsting. Het natuurlijke,
ietwat devote in haar type bleef, maar het scheen minder opgesloten,
kreeg iets vrijers, het werd bevalliger.
„Kijk toch eens!” riep Loes weer verrukt. „Ik herken je niet. Nu je
rok; wacht,—zóó. Die rok van je staat er niet heel mooi bij, maar de
mijne zijn je te kort.” Zij pauseerde nu even, bedacht zich. „Dit moet
dan maar,” zuchtte ze. „Maar stil, ik heb nog een breed ceintuur voor
je. Ga even mee naar mijn kamertje. Ik gooi daar meteen m’n blauwe jurk
over.” Reeds was Loes de trap afgedraafd, Mieke achterlatend opgewonden
en in verwarring.
Nog steeds voor den spiegel toevend, zichzelve langzaam-aan ziende,
werd Mieke getroffen door de plotse omzetting harer uiterlijke
persoonlijkheid. Zelden had zij zich zoo oplettend bekeken, althans
nooit met zooveel zelfkritiek, als nu. Zij schrok van de meerdere
bekoring, die zij van zich uit zag stralen, een vleug van bewondering
schoot door haar voor ijdelheid ontwakend hartje, maar tegelijkertijd
zonk in haar een verwijt de oude Mieke zóó gauw ontrouw te zijn
geworden. Zij gevoelde, hoe met die veranderde kleeding heel haar wezen
veranderen ging. Machteloos stond ze ertegenover. Haar oude zelf was
haar zoo dierbaar en toch móést ze het vervormen, ze zag het duidelijk,
ze wist, dat het moest, omdat het niet anders kon. Ze wist het
plotseling glashelder.
En toen, bij dit zeker weten, daalde langzaam in haar een zekere
berusting bij de gedachte aan het onvermijdelijke, dat nog zou
gebeuren... Zij moest niet meer omzien! Slechts vooruit den blik!...
Zeker, menigmalen zou ze nog terug verlangen naar den eenvoud van haar
kalm bestaantje van vroeger, maar zij diende zich los te maken—in den
goeden zin—van het verleden, zich niet meer zoo vast te klampen aan het
oude.
Dit alles, begonnen met een uiterlijk zelfbeschouwen voor grootmoeders
verweerden spiegel, ging gaandeweg over in een innerlijk. Beraadde zij
zich zooeven of die uiterlijke nieuwheid haar wel paste, de bezwaren
der innerlijke werden nog grooter. Altijd een klein zwaarhoofdje had ze
nu, die korte oogenblikken, met zichzelf gevochten als nooit tevoren.
En zij overwon. Zij besloot slechts datgene te weigeren om te doen wat
haar beslist vernederde of onrechtvaardig toescheen. Had ze eens
gevoeld den strijd met de toekomst te durven aanvaarden, nu stonden de
moeilijkheden ervan tegenover haar van aangezicht tot aangezicht. En
zij besloot ze het hoofd te bieden, vastberaden en dapper. Heur handjes
werden vuisten, en tusschen heur oogen kwam een rimpeltje van ernst.
Nog een laatsten blik in den spiegel werpend, ging ze langzaam de
steile trap af, nu niet zenuwachtig meer. Alleen was er een strak,
gespannen gevoel in haar hoofd.
Het elektrisch licht van Loes’ kamertje overstraalde hel de gang en
luid klonk Loes’ stem: „Och toe, maak even mijn jurk dicht, wil je?”
Het groote verschil in gezelligheid van dit vertrekje en ’t hare trof
Mieke bij ’t binnentreden onmiddellijk. Maar zij was te moe om
hieromtrent groote vergelijkingen te maken. Ook was zij tevreden met
„het bescheiden deel” in deze richting. Zij hielp Loes handig, die,
geen oogenblik stil staande, een lint uit een vóór haar staande doos
opdiepte.
„Je ceintuur, Mieke; asjeblieft... Hoe zit mijn haar?”
„Een beetje slordig,” waagde deze.
Met een vluchtige streek van de kam vond Loes ’t echter reeds in orde.
„Voor mij komt ’t er niet zoo op aan. Ze weten wel, dat er aan mij toch
geen eer te behalen is. Maar jij bent nog een proefkonijn.” Toen zweeg
ze, als zoekende naar de rechte woorden om nog iets te zeggen.
„Daarom,” begon ze te hakkelen, „wil ik je ook nog waarschuwen voor...”
„Waarvoor?”
„Wij... zie je... wij eten met mes en vork...”
„Ja.”
„En Erik...”
„Wat zei Erik?” ’t klonk kortaf. Mieke beet zich op de lip.
„Och niets. Heusch niets... Maar ze houden hier nooit hun bord vast.
Ze...” Loes zag, hoe heftig zij Mieke weer bezeerde.
„Het is goed, Loes,” sprak ze stroef.
„Ik wilde je zooveel mogelijk helpen,” zei Loes met tranen in de oogen.
„Ja zeker, ik begrijp je heel goed. Dank je wel.”
Eén oogenblik van stilte. Toen voelde Mieke zich gevangen in twee
sterke armen.
„Mij ben je goed genoeg zoo,” hoorde ze fluisteren in een zoen, met een
stemmetje, dat oversloeg van ontroering.
„Ja, ik weet ’t immers,” suste Mieke, „ik weet ’t immers, dat ik nog
een heel ongemanierd meisje ben, al heeft grootmoeder me toch werkelijk
wel beleefdheid en vriendelijkheid geleerd.”
„O,” viel Loes in, zich oprichtend, „maar dat heeft meestal niets met
gemanierdheid te maken. Ze zeggen juist dat ik veel te vriendelijk
tegen iedereen ben om welgemanierd te zijn. En toen ik je zei van dat
bord...”
„Ja, ja,” legde Mieke haar gejaagd het zwijgen op, „ik zal wel afkijken
hoe de anderen doen.”
„Asjeblieft,” zei Loes op smeekenden toon. „En ben je niet boos op me?”
„Ik ben je dankbaar,” antwoordde Mieke hartelijk.
Gearmd begaven de meisjes zich naar beneden.
Meneer Van der Hoeve, die met de jongelui in de vóórsuite zat te
praten, had nu-en-dan al eens onrustig naar de deur gekeken, en op zijn
vraag: „Waar blijven de kinderen?” een vaag en onverschillig antwoord
bekomen, daar niet veel wijzer van wordend.
Ook Olga’s innerlijke geagiteerdheid nam toe, vooral toen de
vormelijkheid van Bogaerts haar meer-en-meer deed vreezen, dat ’t
dorpsche nichtje straks in staat zou wezen met „uilskuikenachtige
oprechtheid” de familie te blameeren. En al was zij, Mieke, nu ook
tamelijk meegevallen, al was ze niet zóó ongecultiveerd als Erik’s spot
had doen vermoeden, het bleef toch nog een gesloten boek de manier hoe
ze zich met een gezelschap als dit aan tafel zou gedragen. En hoe
grooter Bogaerts’ onverholen belangstelling en bewondering werd, hoe
meer zij in hem aantrof—wat haar behaagde—den complaisanten man van
geboorte, hoe zenuwachtiger zij opzag tegen ’t oogenblik, dat zij met
’t onpresentabele nichtje (want in haar onrust degradeerde zij Mieke
reeds weer tot onpresentabelheid) voor den dag moest komen... Had zij
’t niet altijd voorzien, dat dit kind hier in huis een sta-in-den-weg
zou worden? Afschuwelijk!... O, dat onmogelijke, gestreept flanellen
blousje met de te korte mouwen, ’t strak gevlochten knoedeltje tegen ’t
achterhoofd!... Wat deed zoo’n kind ook juist nú te komen?... Had mama
alles toch beter geregeld!
Ze kon niet meer kalm luisteren naar ’tgeen Bogaerts tot haar zei, noch
naar Tilly Mertens’ mededeelingen over ’t laatste rechtkundig college.
Tilly, evenals Olga, studeerde rechten, ofschoon Olga’s vooraan-staan
op velerlei gebied in de studentenwereld hoofdzakelijk betrekking had
op de vermakelijkheden, meer dan op de studie. Want twee malen was haar
candidaats nu reeds uitgesteld, en hàrd voortmaken met werken deed ze
nog niet.
Tilly’s relaas interesseerde haar dan ook maar matig. Zij zat op heete
kolen. Zeldzaam onrustig was zij, al maskeerde zij ook voorbeeldig haar
gejaagdheid. Hoe hautaine ook gewoonlijk tegenover de haar ’t hof
makende jongelui, hoe vaak spelend met hun dikwijls innige gevoelens,
spottend en minachtend zich uitlatend over hun „onuitstaanbare
gewoonheid”, Erik’s vriend scheen ’t vermogen te bezitten haar te
boeien, al geschiedde dit waarschijnlijk minder door zijn niet onedel
type dan wel door zijn lichtelijk geaffekteerden toon van
supérioriteit, die haar blijkbaar, wat anderen niet hadden gewaagd,
áándurfde. Of was de vesting thans niet zóó gepantserd met
ongenaakbaarheid en koelen spot als anders? Werd de wetenschap zijner
zeer „deftige” familierelaties en van z’n vrij groot vermogen „het”
wapen, dat stormloopen overbodig maakte? Hoevelen reeds hadden met
hooge idealen, schitterend propaedeutisch- of candidaats-examen (hoewel
ook met ledige beurzen en in kale confektiepakjes) zoo’n aanval
beproefd? Nutteloos natuurlijk!... Olga, hooghartig en met zéér
konservatieve standsbegrippen, was de hulde van Bogaerts echter lang
niet onverschillig; begrijpelijkerwijs bleef daarom in deze situatie
het presenteeren van ’t nichtje nog een leelijke kink in den kabel.
Zij zat op den sprong, Olga, een gelegenheid af te wachten waarop ze
nog eens mama op ’t hart kon drukken de meisjes toch boven te laten,
desnoods dan maar op háár kamer te laten eten. Werkelijk, het ging
niet, Mieke dezen eersten keer onvoorbereid aan tafel te doen komen.
Doch weer werd haar plan verijdeld: daar ging de deur reeds open,
verscheen ’t meisje op den drempel, gevolgd door Loes, die zegevierend
over haar schouder keek.
In minder dan geen tijd had Olga de binnentredenden gemonsterd. Met een
ruk ging haar hoofd op zij. Mieke voelde hoe er schrik lag en
geringschatting in die plotselinge, heftige en korte beweging. En ’t
werd haar onder dien ongenadig kritiseerenden blik alsof zij slechts
een dìng was, naar anderer believen opgetakeld, in plaats van een
levend mensch met een eigen wil.
Olga’s mooi gezichtje ontspande zich evenwel oogenblikkelijk na dat
eerste moment. Opgelucht ging zij zelfs zóó ver, om, wat ze niet graag
openlijk zou hebben bekend, Loes „een handig nest” te noemen. Hoe had
ze ’t in een half uur klaar gespeeld het ongeciviliseerde kind er
plotseling tamelijk dragelijk te doen uitzien? Zeker, ook zij had
geloofd haar op den duur wel te kunnen fatsoeneeren tot iets
behoorlijks; zoo dankbaar evenwel als thans bleek had zij die taak niet
verwacht. ’t Viel haar op hoe ’t nichtje toch wel een heel verstandig
gezichtje had... En een blik wisselend met mama, sprak deze van
verwondering, bijna van een zeker soort bevrediging.
En nu de angst om een gek figuur te slaan, zich te moeten geneeren
tegenover haar gasten voor een familielid, eenigszins week, en Loes met
onovertroffen gemakkelijkheid de voorstelling tot hoogstens dertig
seconden beperkte, Mieke veilig loodsend op een stoel tusschen vader en
haarzelve, besloot Olga om in vredesnaam maar van den nood een deugd te
maken: hoe minder aandacht er aan ’t kind geschonken werd des te beter.
En zóó onderhoudend en levendig werd zij, dat Mieke’s begrip erbij
stilstond. Was dàt dezelfde Olga, die even te voren nog zoo bits haar
meening had gezegd, zoo koel en uit de hoogte iemand geen stap tegemoet
kwam met vriendelijkheid of een warm welkom?... Zóó lief en minzaam had
zij haar nichtje nog nooit gezien, zóó stralend mooi en bekoorlijk had
zij niet geloofd, dat ooit een meisje wezen kon.
Stil en zwijgend zat Mieke maar op haar afgelegen plaatsje, zich bijna
niet bewegend, zich voelend in een gansch vreemde, onbekende wereld,
ingespannen luisterend naar al wat er gesproken werd.
Dan, onverwachts, sprak Bogaerts haar aan. Zij schrok licht, als
ontwakend uit een droom, dien ze langs zich zag trekken, geheel in de
beschouwing verdiept van wat ze daarin gebeuren zag. Zij verloor een
korte wijle de aan zichzelf toebedeelde rol van toeschouwster. Dit
verwarde haar even. Tot ze zich haar voornemen van straks herinnerde:
’t hoofd op. Zij antwoordde nu bescheiden en beleefd, zich met uiterste
inspanning verdedigend tegen aansluipende verlegenheid. Doch het viel
haar minder moeilijk Bogaerts gepast te antwoordden dan Erik of Olga.
Zijn wat overdreven, gekunstelde beleefdheidsvormen mochten haar al
zeer intimideeren, hij gaf haar niet dat bijna beleedigende kleine
gevoel van zichzelve, dat somtijds, op ’t randje af, haar zelfrespekt
aan ’t wankelen bracht. Ook Tilly Mertens’ vragen naar haar leven
buiten en naar haar plannen werden niet benauwend, al sprak dit meisje
niettemin op rappen gezelschapstoon met gemakkelijkheid, welke het
eenvoudige kind ten eenen male ontbrak.
Maar toen op een vraag van Bogaerts zij argeloos inlichtte: „Wij hadden
maar een heel klein huisje, grootmoeder en ik,” vond Olga ’t rijkelijk
welletjes.
„Ja,” definieerde zij, Mieke het woord ontnemend, „’t was er altijd zoo
knusjes bij grootmama. Een echt gezellig nestje. Ik kan me best
begrijpen, dat ze het niet grooter wenschte... Vooral den tuin vond ik
altijd beeldig.”
„Ik heb toch nooit gehoord, dat je er logeerde,” meende Tilly, en in de
manier waarop ze dit zei lag een uitdrukking van onvoorwaardelijke
goedgeloovigheid. Haar leelijk gezicht kreeg iets zeer sympathieks.
Even ontroerde Mieke ervan. Zij voelde Tilly wáár.
Vooral na wat Olga antwoordde, nonchalant: „Niet? Ik ben er toch vaak
geweest.”
Mieke’s oogen vergrootten. Zij opende den mond reeds om verbaasd aan te
merken, dat Olga zich vergiste; ook wat ’t tuintje vóór ’t huisje
betrof en ’t moestuintje erachter. Doch verdere uitweidingen bleken
overbodig en ongewenscht.
„En avant, dames en heeren!” riep Olga vroolijk. „Mama popelt al om ons
aan tafel te drijven!”
Het werd nu heel geanimeerd. De gesprekken gingen vlot en gezellig,
vooral in ’t hoekje, waar Bogaerts tusschen Olga en Tilly zat, en Erik
naast de laatste. Dan volgden Loes, Mieke, vader en mama. Maar aan dit
tafeleinde was de geest niet zóó vaardig! De aanhoudende angst voor
flaters, het ongewoon hanteeren van mes en vork, heel de toon van het
vroolijk gezelschap droeg bij tot Mieke’s enerveering. Olga’s blikken
in haar richting waren daarbij ook niet van dien aard om een wat
bedeesd schepseltje op haar gemak te stellen, al was Olga voor haar
doen zelfs vrij tevreden over Mieke’s gedrag. Maar die aanhoudende
contrôle werkte doodelijk vermoeiend op ’t logéetje, wie de eetlust
verging. Zij geraakte zóó afgemat, ook door de kleine zijdelingsche
wenken van tante, door haar inspanning zich niet te vergissen, zelfs
door het hartelijk uit-den-weg-nemen van allerhande moeilijkheden door
Loes, dat zij, toen ze van tafel opstond, een gezichtje had zóó kleurig
en opgewonden, dat oom Egbert haar aanraadde toch vooral vandaag wat
vroeg naar bed te gaan na dezen voor haar zoo vreemden dag.
Tegen half negen verschenen er nog een paar jongelui en gingen allen in
’t salon wat musiceeren, waar Olga, wonderlijk goed geluimd, brillant
en geestig, allen betooverde door haar innemendheid met die
ongeëvenaarde „Schwung”, waarmede zij zoovele meisjes overschaduwde. O,
zij was zeer, zéér in haar schik, en zich haar macht bewust.
Stil verliet Mieke, na een tersluiks „goedennacht” aan oom en tante, de
kamer, gevolgd door Loes; maar daar lette niemand op.
Olga zong met meer overbluffende, vrije voordracht dan musikaliteit
eenige Fransche liedjes, die zeer werden toegejuicht.
En boven, op’t scheeve kamertje, praatten de beide jonge meisjes nog
wat na, of liever trachtten zij wat na te praten, want dit gelukte niet
al te best. Mieke was niet spraakzaam; ze was óp.
Tot Loes besloot haar eindelijk maar aan zichzelve over te laten. Ook
zij voelde zich moe en niet vroolijk meer na de opgeschroefdheid,
waartoe ze zich vandaag zoo dikwijls had genoodzaakt gezien.
„Ga nu maar lekker slapen, Mieke,” zei ze hartelijk. „Je moet me
beloven er gauw onder te kruipen, zoodat je morgen flink bent
uitgerust.” En na eenige aarzeling, die vraag niet vóór zich kunnende
houden: „Vond je ’t èrg vervelend vandaag,—en aan tafel?” Zoo gaarne,
zoo innig gaarne, had ze haar een andere ontvangst bereid.
„O, neen,” zei Mieke, heldhaftig pogende opgeruimd te schijnen. „Het
was niet zoo vrééselijk naar. Alleen nog ongewoon, maar dat zal wel
wennen.”
„Denk je heusch, dat je wel wennen zult?” vroeg Loes blij verrast, maar
niet heel stellig geloovend. „Ook aan—Olga?”
Mieke dacht lang na vóór ze antwoordde.
„Ja,” sprak ze toen, duidelijk en niet weifelend meer, „ook aan Olga.
Ik denk, dat ik ook aan Olga wennen zal... Ik zal nooit van haar
houden, dat weet ik zeker; en zij zal nooit van mij houden, omdat we nu
eenmaal heel, héél anders zijn. Ik begrijp ook niets van haar. Maar wèl
begrijp ik, nu ik haar gezien heb als vanavond, dat ik haar hinderen
moet, sóms.. Ik zal nooit zoo worden als zij; ik zou ook nooit zoo
willen worden, het zou me ziek maken,—maar Olga kan óók niet wezen als
ik. Dat is even onmogelijk... Ik heb zooveel geleerd, Loes, dezen éénen
dag, zooveel als ik nooit geloofde, dat er bestond.” Zij streek met de
hand over ’t voorhoofd, als wilde zij haar toenemende opgewondenheid
kalmeeren. Zij wist zelve niet wat ze zei, die momenten. Haar gedachten
waren verward en vermoeid, schoon gaaf en onbesmeurd. Alleen: zij kon
ze niet ordenen. Zij sprak ze uit, ongebonden, zooals ze haar door ’t
hoofd woelden. Zij kon zich geen rekenschap geven van de woorden, die
zij onbeheerscht uitte, maar toch waren deze volkomen zuiver en kwamen
uit den grond van haar hart.
Ze zei dit ook.
„Ik praat nu alles door elkaar, Loes. Ik ben vreeselijk zwaar en vreemd
in mijn hoofd,” haar stem klonk schor en mat, „maar ik ben niet
ongelukkig, werkelijk niet,—dat moet je niet denken.”
Ze bleef lang zitten met gesloten oogen, Mieke, ’t hoofd geleund op de
hand, den elleboog op tafel. Ze vergat heelemaal, dat de ander nog
naast haar stond.
Er heerschte een eigenaardige rust in het onooglijke, kleine kamertje.
Slechts de klank der piano en die eener hooge zangstem drongen
getemperd tot boven door. Een heele poos bleef ’t stil. Tot Loes
zuchtte en haar hand op Mieke’s schouder legde.
„Nu ga ik maar,” zei ze zacht.
Toen beurde Mieke heur hoofd op. „Och,” en een snik ontsnapte haar, „ik
heb eigenlijk zoo’n medelijden met je zuster.”
Loes stond eenig oogenblikken onthutst. Dan ontleedde zij Mieke’s
gezegde; het scheen haar dwaas en misplaatst... Was Olga iemand om
medelijden mee te hebben? En toch, zij antwoordde niet weerleggend.
Ook in haar steeg langzaam een ietwat pijnlijke gewaarwording als in
Mieke. Het schrijnde ook haar eensklaps als zij terugdacht aan het
kleed van bevalligheid, schoonheid en geest, dat zoo sierlijk Olga’s
onbeteugelde trots omhulde, haar gevoellooze aanmatiging, haar pijnlijk
gemis aan liefde. Bezeerde, na Mieke’s woorden, ook Loes het snijdend
onechte, dat Olga’s innerlijk beheerschen moest en waarmede zij anderen
zoo flijmend kon kwetsen?... De jonge meisjes wisten ’t niet... Doch
Mieke’s zuiver zieltje reageerde, schoon onbewust, nauw op de
onzuiverheden in het gemoed van anderen, al kon zij deze niet steeds
duidelijk verklaren. En ook Loes, suggestief en warm voelend,
ondervond, door haar snel groeiende sympathie voor de ander, mede de
weerpijn der Mieke geslagen kwetsuren.
Toch, hoe moe ook en afgetobd, hoe weinig hoopvol en opgewekt nu,
ongelukkig, neen, voelde Mieke zich niet.
„Wel te rusten,” wenschte Loes met een verdwaalden zoen op ’t
losgeraakte kapsel van ’t achterblijvend nichtje. „Slaap maar lekker.”
Behoedzaam verliet zij de kamer en ongewoon bedaard liep zij de trap
af.
Niet bij machte op te staan, bleef Mieke nog langen tijd roerloos aan
de tafel zitten. Nevelig hoorde zij hoe van lieverlede de muziekklanken
beneden verstomden, de stemmen verklonken, tot, buiten op straat, de
voetstappen der bezoekers wegstierven in de stilte van den nacht...
Vaag dacht zij terug aan de najaarsavonden op het dorp, waar om deze
klok elkeen reeds geruimen tijd ter ruste was. Zij dacht aan juffrouw
Wije, aan Geert, aan dominee Rensen, aan mevrouw Bos, en zooveel
anderen. Het leek haar jaren geleden, dat zij hen kende, met hen sprak.
Als behoorende bij een heel, héél ver verleden doemden die
herinneringen op. En nochtans scheidden slechts enkele uren haar van
het tijdstip, waarop zij afscheid van hen nam. Maar wàt had zij sedert
dit niet allemaal doorleefd!... Wat een gansch ander meisje was zij nu
dan het meisje, dat vanmorgen een laatst vaarwel wuifde naar de
vriendelijke boerin, dat, bedeesd naast Geert Wije gezeten in het gele
wagentje, luisterde naar zijn lessen over in- en uitstappen... Had zij
dit toen reeds een ding van gewicht gevonden?... Ach, dit alles leek nu
zoo eindeloos ver.
Zij verlangde zoo naar haar goede buurvrouw, naar Geert’s hartelijken
handdruk. Zoo eenzaam, zoo diep verlaten gevoelde zij zich. De vreemde
geluiden van de straat en bij de buren naast-an verschrikten haar
herhaaldelijk. Zij werd angstig en óp van zenuwachtigheid. Het hoofd op
de armen kreunde zij zachtjes, schreien kon ze niet meer. „O,
grootmoeder, lieve, lieve grootmoeder,” smachtte haar afgetobd zieltje.
Tot eindelijk zelfs de onophoudelijk weerkeerende gedachten halt
hielden in haar kringloop en Mieke zich vermande bij de galmende twaalf
slagen der torenklok. Zij ontkleedde zich, draaide het licht uit en
kroop in bed, huiverend tusschen de koude lakens. Zwaar en droomloos
viel ze kort daarop in een vasten slaap, niet eerder ontwakend vóór
Betje haar wekte door een tik op haar kamerdeur met de waarschuwing:
„Half acht, jongejuffrouw.”