Mieke.
„Nou,” zei juffrouw Wije tot haar zoon, aan ’t eind der lezing, „als
dat kind ’t daar plezierig heeft dan heet ik geen Wije. Alle eerbied
voor de oude juffrouw, die haar zoons goed genoeg voorging en aan wie
’t ook niet gelegen heeft dat die oudste werd wat hij nou is,—maar ik
heb ’t al geweten, toen de goede vrouw nog boven aarde stond en ook den
dag na de begrafenis, toen hij die mooie beloften uitsprak: dat is een
man van fraaie woorden, niet kwaad, maar zonder zedelijken moed. ’t
Arme, lieve kind!... Maar ’t zal de weg zijn, dien ze gaan moet... Je
moet haar bij gelegenheid eens opzoeken, jongen.”
„Ja, moeder,” stemde Geert toe, „dat zal ik.” En den heelen dag liep
hij te piekeren over het nichtje, „dat zoo trotsch was”. Wel verdraaid,
als ze een even groot nest zou zijn als haar broer een kwast, dan
beklaagde hij Mieke uit den grond van z’n hart. Geert had werkelijk een
halven dag ’t land.