HOOFDSTUK XXIII.

De jonge jager keek even om.

Hij telde zijn manschappen--honderdtwintig vastberaden jonge mannen.

"Dit is de weg, dien die twee bataljons namen," zeide

hij--"voorwaarts!"

Het was een prachtig gezicht. De koppen der paarden raakten elkander;

de geweerloopen schitterden in het morgenlicht, en de ruiters stoven

voorbij: snel als de wervelwind, die over de Afrikaansche vlakten

giert.

Uit de verte hoorde men thans het knallen der geweren, en de jonge

jager liet halt houden.

Hij was de aanvoerder dezer dappere schaar, en het volle gewicht

zijner verantwoordelijkheid viel op zijn ziel.

Hij sprong uit het zaâl, sloeg den paardeteugel om zijn arm, ontblootte

het hoofd en knielde neder.

Allen volgden zijn voorbeeld; er ging een diepe ontroering door

de gelederen.

Toen bad hij met luide stem: "Almachtige God, God onzer vaderen! Ons

vertrouwen is op U, en op U alleen. Gij zijt ons geweest tot

een Toevlucht van geslacht tot geslachte. Leer onze vingeren ten

strijde! Gord ons, en wij zullen groote daden doen! Wij roepen niet

tot de stomme afgoden, maar tot U, den levenden God. Wees onze zielen

genadig, en wees ook de zielen onzer vijanden genadig, en schenk ons

op dezen dag de overwinning om Jezus' wil, Amen!"

Daar lag de heuvel Nicholsonsnek.

Hij was bezet door de twee ons bekende bataljons Engelsche infanterie:

Gloucesters en Iersche Fusiliers, die van eenige omringende heuvelen,

door Vrijstaters en Transvalers bezet, werden beschoten.

Louis liet nu snel afzadelen, de paarden in veiligheid brengen,

en zijn manschappen hun stellingen innemen.

Hij strekte de hand uit naar den top van Nicholsonsnek.

"Dat is ons doel," zeide hij bedaard--"neemt hem!"

Voorzichtig maar vastberaden gingen Wessels' manschappen nu voorwaarts,

en wonnen langzaam terrein. Zij gaven zich niet noodeloos bloot,

maar het waren allen scherpschutters, en zij schoten de Engelschen,

die over hun schansen keken, weg als boschduiven.

Louis keek even op zij uit. Zijn beide broeders lagen, gedekt door

klippen, in één lijn dicht bij hem.

De strijdlust vlamde uit hun blauwe oogen.

De jonge jager deed thans een grooten sprong voorwaarts, om een anderen

klipsteen te bereiken, doch Karel kwam met een waren pantersprong

vlak naast hem, achter dezelfde klip.

"Wat is dat?" vraagde Louis bezorgd, toen hij bloed zag op Karel's

handen.

"Niets, broertje," zeide Karel, "slechts een schram van de huid,"

en hij lachte hartelijk.

Doch in groote opwinding kwam Kees thans naderbij.

"Ik heb hem gezien," zeide hij.

"Wien?" vraagde de jonge jager, terwijl zijn hart sneller sloeg.

"Den verrader!"

"Blijvenstein?"

Kees knikte bevestigend; hij was bleek van ontroering, en wees in de

richting, waar hij den verrader meende gezien te hebben.

De jonge jager staarde over de klippen heen, maar zijn valkenoogen

konden den verrader niet ontdekken.

"Ik zie hem niet," zeide hij.

"Hij heeft zich verscholen achter dien zwaren boomstam daar boven--toe,

Louis, ga jij links, en ik zal rechts gaan. Jij beschiet den boom,

en de verrader zal, om betere dekking te zoeken, zich een oogenblik

moeten bloot geven. Dan leg ik hem neer."

"Jij moet hem verjagen," meende de jonge jager, "en ìk zal hem

neerleggen."

"Waarom?" zeide Kees, "vertrouw je mijn schot niet? Heb ik daar straks

op vierhonderd pas afstands niet dien onderofficier neergelegd?"

De jonge jager schudde het hoofd.

"Mijn hand zal hem neerleggen, Kees."

"Hij heeft den slag van Elandslaagte op zijn geweten, en daarom ook

den dood van vader en broeder--laat het mìj doen, Louis, ik smeek er

je om!"

Zijn stem was heesch, schor van hartstocht.

Doch de jonge jager legde de hand op zijn schouder, en men kon weer

zien, hoe scherp de Wesselstrek op beider gelaat was afgestempeld.

"Neen, mijn broeder," zeide hij vriendelijk maar beslist; "die taak

rust op mij als oudsten zoon. Maar zie--zonder ù kan ik het ook weer

niet doen--zoo ga dan, Kees, en verjaag den verrader!"

Zoo ging dan Kees, en beiden zochten nieuwe posities: Kees links en

Louis rechts.

Stil lag de jonge jager achter den harden klipsteen, het valkenoog

vast op den boom gericht. Zijn gelaat scheen uit erts gegoten;

onbewegelijk rustte de geweerloop in zijn linkerhand; langzaam,

bijna onmerkbaar ging de vinger der rechterhand naar den trekker.

"Toe Kees," zeide hij als tot zich zelf, "verjaag hem!"

En daar kwam het, in eens--een bliksemsnelle flikkering in die blauwe

oogen--! een donkere, dreigende rimpel tusschen de wenkbrauwen--! een

korte vuurstraal uit het geweer--!...

Op twee pas afstands van den boom, dien Blijvenstein verliet, om

betere dekking te zoeken, legde de kogel van den jongen jager den

verrader neer!

De Boeren rukten langzaam voorwaarts; de ring van vuur en staal begon

zich te sluiten om Nicholsonsnek.

Nu en dan keek een Engelschman over de verschansing heen, om voor

den laatsten keer het Afrikaansche landschap en de Afrikaansche

zon te zien. De Engelsche officieren staarden naar den horizon,

of generaal White geen hulp zou zenden, maar uit de verte kwam het

gejuich der Boeren, die den vijand op andere punten van het slagveld

hadden verslagen. Want deze slag, door de Boeren genoemd de slag van

Modderspruit, breidde zich mijlenver uit, en was de grootste slag, die

nog ooit tusschen de twee blanke rassen in Zuid-Afrika was geleverd.

Van de veertienhonderd soldaten op Nicholsonsnek lagen er reeds meer

dan tweehonderd dood of gewond op den heuvel.

Slechts aan éénen kant was nog een opening om te ontvluchten, maar

plotseling werd die opening gevuld door Boeren, die uit de diepte

oprezen--tien, twintig, zestig man--en een jonge, krachtige man

sprong vooruit.

Zijn wangen gloeiden; zijn oogen vlamden. "Voor vrijheid en

recht!" riep hij met vèr schallende stem--"voorwaarts!"

Ja, dat was de jager, de groote jager, en wie was tegen dien jager

bestand?

De officieren kommandeerden: "Vuur!" doch de soldaten wierpen hun

geweren weg, en trachtten te vluchten. Van alle kanten echter waren

zij nu ingesloten, en zij zagen, dat zij gevangen waren als het wild

in het slagnet.

"De wapens omlaag!" riep de jonge jager, en zij gingen omlaag.

"De handen omhoog!" riep hij nog eens, en zij gingen omhoog.

Op een klipsteen zat een officier.

"Uw degen!" zeide de jonge jager.

De officier staarde zijn overwinnaar een oogenblik in het gelaat,

en reikte hem zwijgend den degen over.

Toen herkende Louis den kleinen majoor van Elandslaagte.

"Behoud uw degen," zeide hij vriendelijk,--"kan ik nog iets voor u

doen, majoor?"

"Ik heb grooten dorst," klaagde de majoor.

De jonge jager had zelf grooten dorst, daar hij zich nog geen tijd

had gegund, om zijn veldflesch te gebruiken. Maar hij bedacht zich

geen oogenblik, ja hij dankte God, dat hij dezen uitnemenden man een

wederdienst kon bewijzen.

"Hier, majoor," zeide hij, "drink, zooveel als ge lust!"

En de majoor dronk in lange, gulzige teugen de veldflesch leeg.

Nu schreed de jonge jager over het gevechtsveld heen; zijn beide

broeders en Barend sloten zich bij hem aan.

Hij zocht den hoogen boom en vond den verrader. De gelaatstrekken

waren verwrongen; de hand lag op de rechter borst.

"Daar zit zijn geld," zeide Barend, op die hand wijzend.

Er kwamen eenige mannen voorbij met draagbaren. Zij wilden den doode

opnemen, en wegbrengen naar den grooten kuil, die reeds gegraven werd.

Maar de jonge jager schudde het hoofd.

"Laat hem liggen!" zeide hij, "als een afschrikwekkend voorbeeld voor

alle verraders!"

Zoo bleef de verrader dan liggen.

De Leeuw van Modderspruit Een verhaal uit den Engelsch-Zuid-Afrikaanschen Oorlog 1899-1900 · 第 27 / 30 题