De jonge jager keek even om.
Hij telde zijn manschappen--honderdtwintig vastberaden jonge mannen.
"Dit is de weg, dien die twee bataljons namen," zeide
hij--"voorwaarts!"
Het was een prachtig gezicht. De koppen der paarden raakten elkander;
de geweerloopen schitterden in het morgenlicht, en de ruiters stoven
voorbij: snel als de wervelwind, die over de Afrikaansche vlakten
giert.
Uit de verte hoorde men thans het knallen der geweren, en de jonge
jager liet halt houden.
Hij was de aanvoerder dezer dappere schaar, en het volle gewicht
zijner verantwoordelijkheid viel op zijn ziel.
Hij sprong uit het zaâl, sloeg den paardeteugel om zijn arm, ontblootte
het hoofd en knielde neder.
Allen volgden zijn voorbeeld; er ging een diepe ontroering door
de gelederen.
Toen bad hij met luide stem: "Almachtige God, God onzer vaderen! Ons
vertrouwen is op U, en op U alleen. Gij zijt ons geweest tot
een Toevlucht van geslacht tot geslachte. Leer onze vingeren ten
strijde! Gord ons, en wij zullen groote daden doen! Wij roepen niet
tot de stomme afgoden, maar tot U, den levenden God. Wees onze zielen
genadig, en wees ook de zielen onzer vijanden genadig, en schenk ons
op dezen dag de overwinning om Jezus' wil, Amen!"
Daar lag de heuvel Nicholsonsnek.
Hij was bezet door de twee ons bekende bataljons Engelsche infanterie:
Gloucesters en Iersche Fusiliers, die van eenige omringende heuvelen,
door Vrijstaters en Transvalers bezet, werden beschoten.
Louis liet nu snel afzadelen, de paarden in veiligheid brengen,
en zijn manschappen hun stellingen innemen.
Hij strekte de hand uit naar den top van Nicholsonsnek.
"Dat is ons doel," zeide hij bedaard--"neemt hem!"
Voorzichtig maar vastberaden gingen Wessels' manschappen nu voorwaarts,
en wonnen langzaam terrein. Zij gaven zich niet noodeloos bloot,
maar het waren allen scherpschutters, en zij schoten de Engelschen,
die over hun schansen keken, weg als boschduiven.
Louis keek even op zij uit. Zijn beide broeders lagen, gedekt door
klippen, in één lijn dicht bij hem.
De strijdlust vlamde uit hun blauwe oogen.
De jonge jager deed thans een grooten sprong voorwaarts, om een anderen
klipsteen te bereiken, doch Karel kwam met een waren pantersprong
vlak naast hem, achter dezelfde klip.
"Wat is dat?" vraagde Louis bezorgd, toen hij bloed zag op Karel's
handen.
"Niets, broertje," zeide Karel, "slechts een schram van de huid,"
en hij lachte hartelijk.
Doch in groote opwinding kwam Kees thans naderbij.
"Ik heb hem gezien," zeide hij.
"Wien?" vraagde de jonge jager, terwijl zijn hart sneller sloeg.
"Den verrader!"
"Blijvenstein?"
Kees knikte bevestigend; hij was bleek van ontroering, en wees in de
richting, waar hij den verrader meende gezien te hebben.
De jonge jager staarde over de klippen heen, maar zijn valkenoogen
konden den verrader niet ontdekken.
"Ik zie hem niet," zeide hij.
"Hij heeft zich verscholen achter dien zwaren boomstam daar boven--toe,
Louis, ga jij links, en ik zal rechts gaan. Jij beschiet den boom,
en de verrader zal, om betere dekking te zoeken, zich een oogenblik
moeten bloot geven. Dan leg ik hem neer."
"Jij moet hem verjagen," meende de jonge jager, "en ìk zal hem
neerleggen."
"Waarom?" zeide Kees, "vertrouw je mijn schot niet? Heb ik daar straks
op vierhonderd pas afstands niet dien onderofficier neergelegd?"
De jonge jager schudde het hoofd.
"Mijn hand zal hem neerleggen, Kees."
"Hij heeft den slag van Elandslaagte op zijn geweten, en daarom ook
den dood van vader en broeder--laat het mìj doen, Louis, ik smeek er
je om!"
Zijn stem was heesch, schor van hartstocht.
Doch de jonge jager legde de hand op zijn schouder, en men kon weer
zien, hoe scherp de Wesselstrek op beider gelaat was afgestempeld.
"Neen, mijn broeder," zeide hij vriendelijk maar beslist; "die taak
rust op mij als oudsten zoon. Maar zie--zonder ù kan ik het ook weer
niet doen--zoo ga dan, Kees, en verjaag den verrader!"
Zoo ging dan Kees, en beiden zochten nieuwe posities: Kees links en
Louis rechts.
Stil lag de jonge jager achter den harden klipsteen, het valkenoog
vast op den boom gericht. Zijn gelaat scheen uit erts gegoten;
onbewegelijk rustte de geweerloop in zijn linkerhand; langzaam,
bijna onmerkbaar ging de vinger der rechterhand naar den trekker.
"Toe Kees," zeide hij als tot zich zelf, "verjaag hem!"
En daar kwam het, in eens--een bliksemsnelle flikkering in die blauwe
oogen--! een donkere, dreigende rimpel tusschen de wenkbrauwen--! een
korte vuurstraal uit het geweer--!...
Op twee pas afstands van den boom, dien Blijvenstein verliet, om
betere dekking te zoeken, legde de kogel van den jongen jager den
verrader neer!
De Boeren rukten langzaam voorwaarts; de ring van vuur en staal begon
zich te sluiten om Nicholsonsnek.
Nu en dan keek een Engelschman over de verschansing heen, om voor
den laatsten keer het Afrikaansche landschap en de Afrikaansche
zon te zien. De Engelsche officieren staarden naar den horizon,
of generaal White geen hulp zou zenden, maar uit de verte kwam het
gejuich der Boeren, die den vijand op andere punten van het slagveld
hadden verslagen. Want deze slag, door de Boeren genoemd de slag van
Modderspruit, breidde zich mijlenver uit, en was de grootste slag, die
nog ooit tusschen de twee blanke rassen in Zuid-Afrika was geleverd.
Van de veertienhonderd soldaten op Nicholsonsnek lagen er reeds meer
dan tweehonderd dood of gewond op den heuvel.
Slechts aan éénen kant was nog een opening om te ontvluchten, maar
plotseling werd die opening gevuld door Boeren, die uit de diepte
oprezen--tien, twintig, zestig man--en een jonge, krachtige man
sprong vooruit.
Zijn wangen gloeiden; zijn oogen vlamden. "Voor vrijheid en
recht!" riep hij met vèr schallende stem--"voorwaarts!"
Ja, dat was de jager, de groote jager, en wie was tegen dien jager
bestand?
De officieren kommandeerden: "Vuur!" doch de soldaten wierpen hun
geweren weg, en trachtten te vluchten. Van alle kanten echter waren
zij nu ingesloten, en zij zagen, dat zij gevangen waren als het wild
in het slagnet.
"De wapens omlaag!" riep de jonge jager, en zij gingen omlaag.
"De handen omhoog!" riep hij nog eens, en zij gingen omhoog.
Op een klipsteen zat een officier.
"Uw degen!" zeide de jonge jager.
De officier staarde zijn overwinnaar een oogenblik in het gelaat,
en reikte hem zwijgend den degen over.
Toen herkende Louis den kleinen majoor van Elandslaagte.
"Behoud uw degen," zeide hij vriendelijk,--"kan ik nog iets voor u
doen, majoor?"
"Ik heb grooten dorst," klaagde de majoor.
De jonge jager had zelf grooten dorst, daar hij zich nog geen tijd
had gegund, om zijn veldflesch te gebruiken. Maar hij bedacht zich
geen oogenblik, ja hij dankte God, dat hij dezen uitnemenden man een
wederdienst kon bewijzen.
"Hier, majoor," zeide hij, "drink, zooveel als ge lust!"
En de majoor dronk in lange, gulzige teugen de veldflesch leeg.
Nu schreed de jonge jager over het gevechtsveld heen; zijn beide
broeders en Barend sloten zich bij hem aan.
Hij zocht den hoogen boom en vond den verrader. De gelaatstrekken
waren verwrongen; de hand lag op de rechter borst.
"Daar zit zijn geld," zeide Barend, op die hand wijzend.
Er kwamen eenige mannen voorbij met draagbaren. Zij wilden den doode
opnemen, en wegbrengen naar den grooten kuil, die reeds gegraven werd.
Maar de jonge jager schudde het hoofd.
"Laat hem liggen!" zeide hij, "als een afschrikwekkend voorbeeld voor
alle verraders!"
Zoo bleef de verrader dan liggen.