't Is donker; 't is nacht.
Op een eenzamen, hoogen kliprand, daar staat de jonge jager. Zijn
handen rusten op den blanken loop van zijn Mausergeweer.
Er brandt geen lagervuur in zijn nabijheid; zelfs de pijp is
weggeborgen. Geen vonk, die hem verraden kan.
Aan zijn voeten, lang uitgestrekt, ligt zijn groote jachthond.
Hij staat onbewegelijk tegen den stam van een eikenboom; hij schijnt
één met dien stam.
Het is stil, zeer stil, maar een nachtvogel nadert met langzame
vleugelslagen, en strijkt neer in de kroon van den eik, vlak boven
den jongen jager.
De hond laat een zacht gebrom hooren.
"Koest, Pluto," zegt de jager, "koest!"
De hond is weer stil.
De nachtwind gaat klagend door het dorre, spichtige gras van
den klippenheuvel, en uit de verte komt het geluid van naderend
paardegetrappel. Maar het geluid verwijdert zich weer, en sterft weg
in de verte.
Hoor, wat is dat?
Dat is het gebrul van een wild dier, dat honger heeft, en Pluto
springt overeind. Maar zijn jonge meester tikt hem even op den kop,
en hij gaat weer liggen.
Daar weerklinkt een schel, scherp gekrijsch; de hond slaat aan,
luid en driftig.
"Koest, Pluto!" zegt de jager; "'t is de nachtvogel maar, daar
boven ons."
De roofvogel slaat de zware vleugels uit, en de twijgen brekend,
verdwijnt hij in de duisternis.
Stil, onbewegelijk houdt de jonge Wessels stand. Hij is werkelijk een
geboren jager, want hij bezit geduld, volharding en kracht. Twee uren
lang heeft hij reeds op dezen post gestaan, en hij zou er geduldig
twaalf maal twee uren staan, als het noodig was.
Doch plotseling gaat er een eigenaardige rilling door zijn leden. Zijn
hooge gestalte wordt nog grooter; zijn neusvleugels bewogen zich;
er gaat een bliksemsnelle tinteling door zijn oogen.
De jager heeft het wild geroken.
De hond spitst zijn ooren, en springt overeind.
"Koest Pluto!" zegt zijn meester zacht maar met klem--"lig!" De hond
legt zich weer neder, maar zijn staart beweegt zich, en zijn neus
snuffelt in de lucht.
Er komt een geluid van krakende wagenassen en stommelende
wielen. Langzaam maar gestadig komt dat geluid nader. Nu kan men het
getrappel van paarden en het loeien der trekossen hooren.
Honderden soldaten naderen; men kan hun stap reeds onderscheiden.
Zij loopen onregelmatig, in groote groepen; de officieren voorop en
ter zijde.
"Wat is dat hier?" vraagt een gedempte stem.
"Een holle weg," antwoordt een tweede.
"'t Is hier een Egyptische duisternis," zegt de eerste.
"Maar de whiskey maakt het licht," zegt de tweede, een flinken slok
uit zijn veldflesch nemend.
Nu komen de muilezels; de jonge jager hoort het schuren der lichte
bergkanonnen, die langs de zijden der dieren aan stevige riemen
zijn vastgesjord.
Hij stoot met den voet tegen den grond--er liggen een aantal
groote, losse klipsteenen, en een plotseling plan komt bij hem tot
rijpheid. Hij zet het geweer tegen den stam van den eik, en rolt
een aantal van die steenen naar den bijna loodrechten wand. Dan legt
hij zich plat op den grond, en tracht met de oogen de duisternis te
peilen onder hem, maar zelfs zijn valkenoogen kunnen niets anders
onderscheiden dan vage omtrekken. Zijn ooren echter zijn wijd open,
en hij legt zijn sterke handen op den eersten steen.
Maar hij trekt de handen weer terug--het juiste oogenblik is nog
niet gekomen.
't Is een kleine afdeeling cavalerie, die beneden hem voorbij trekt.
Maar nu--hij stoot den eersten steen met kracht naar beneden. De steen
ploft in een doornstruik, die langs de steile helling een armoedig
bestaan vindt, breekt de takken, en bonst voor de hoeven van een
viervoeter tegen den grond.
De drijver grijpt het schichtig wordend muildier nog bijtijds, en
houdt het vast aan den teugel. Doch daar komt de tweede klipsteen--de
derde--de vierde--; de vijfde valt midden in een ammunitiewagen,
en de muildieren-bespanning gaat er van door. De drijvers springen
vloekend voor de beesten, om hen te keeren, doch maken door hun dwaas
geschreeuw de dieren nog schichtiger. Zij hollen midden onder andere
muildierenspannen en planten den schrik en de verwarring voort.
De officieren doen bovenmenschelijke pogingen, om de kanonnen en de
ammunitiewagens nog te redden, maar aldoor hagelen de klipsteenen
naar beneden, en de razend geworden muildieren, de officieren onder
den voet loopend, vluchten links uit.
"Grijpt dan toch die muilezels, stommerikken!" schreeuwen de
officieren, maar de drijvers en de soldaten zijn eigenlijk zelven
niet op hun gemak, en staren met verschrikte oogen tegen dien
donkeren, somberen heuvelrand op, van waar onzichtbare handen de
zware klipsteenen naar beneden slingeren.
Met strak gelaat ligt de jonge jager voorover gebogen over den
kliprand, maar als de verwarring beneden hem haar toppunt bereikt, en
de muildieren met angstige geluiden en razend geworden door het gebons
der achter hen aanrammelende ammunitiewagens, in een onweerstaanbare
paniek voorthollen, achtervolgd door het machtelooze geschreeuw van
opgewonden soldaten, komt er een heldere glimlach op zijn gelaat.
Het is de eerste glimlach na Elandslaagte.
Hij springt op van zijn harde ligplaats, en aan de andere zijde van
den kliprand afklouterend, fluit hij zijn klepper.
Geen twintig seconden later zit hij in het zadel; de hengst slaat
zijn met ijzer beslagen hoeven uit, dat de vonken opspatten uit de in
het veld verspreid liggende klippen, en vertraagt eerst zijn galop,
als geheimzinnige seinlichten de nabijheid der Boerenbrandwachten
aanduiden.