HOOFDSTUK XXII.

't Is donker; 't is nacht.

Op een eenzamen, hoogen kliprand, daar staat de jonge jager. Zijn

handen rusten op den blanken loop van zijn Mausergeweer.

Er brandt geen lagervuur in zijn nabijheid; zelfs de pijp is

weggeborgen. Geen vonk, die hem verraden kan.

Aan zijn voeten, lang uitgestrekt, ligt zijn groote jachthond.

Hij staat onbewegelijk tegen den stam van een eikenboom; hij schijnt

één met dien stam.

Het is stil, zeer stil, maar een nachtvogel nadert met langzame

vleugelslagen, en strijkt neer in de kroon van den eik, vlak boven

den jongen jager.

De hond laat een zacht gebrom hooren.

"Koest, Pluto," zegt de jager, "koest!"

De hond is weer stil.

De nachtwind gaat klagend door het dorre, spichtige gras van

den klippenheuvel, en uit de verte komt het geluid van naderend

paardegetrappel. Maar het geluid verwijdert zich weer, en sterft weg

in de verte.

Hoor, wat is dat?

Dat is het gebrul van een wild dier, dat honger heeft, en Pluto

springt overeind. Maar zijn jonge meester tikt hem even op den kop,

en hij gaat weer liggen.

Daar weerklinkt een schel, scherp gekrijsch; de hond slaat aan,

luid en driftig.

"Koest, Pluto!" zegt de jager; "'t is de nachtvogel maar, daar

boven ons."

De roofvogel slaat de zware vleugels uit, en de twijgen brekend,

verdwijnt hij in de duisternis.

Stil, onbewegelijk houdt de jonge Wessels stand. Hij is werkelijk een

geboren jager, want hij bezit geduld, volharding en kracht. Twee uren

lang heeft hij reeds op dezen post gestaan, en hij zou er geduldig

twaalf maal twee uren staan, als het noodig was.

Doch plotseling gaat er een eigenaardige rilling door zijn leden. Zijn

hooge gestalte wordt nog grooter; zijn neusvleugels bewogen zich;

er gaat een bliksemsnelle tinteling door zijn oogen.

De jager heeft het wild geroken.

De hond spitst zijn ooren, en springt overeind.

"Koest Pluto!" zegt zijn meester zacht maar met klem--"lig!" De hond

legt zich weer neder, maar zijn staart beweegt zich, en zijn neus

snuffelt in de lucht.

Er komt een geluid van krakende wagenassen en stommelende

wielen. Langzaam maar gestadig komt dat geluid nader. Nu kan men het

getrappel van paarden en het loeien der trekossen hooren.

Honderden soldaten naderen; men kan hun stap reeds onderscheiden.

Zij loopen onregelmatig, in groote groepen; de officieren voorop en

ter zijde.

"Wat is dat hier?" vraagt een gedempte stem.

"Een holle weg," antwoordt een tweede.

"'t Is hier een Egyptische duisternis," zegt de eerste.

"Maar de whiskey maakt het licht," zegt de tweede, een flinken slok

uit zijn veldflesch nemend.

Nu komen de muilezels; de jonge jager hoort het schuren der lichte

bergkanonnen, die langs de zijden der dieren aan stevige riemen

zijn vastgesjord.

Hij stoot met den voet tegen den grond--er liggen een aantal

groote, losse klipsteenen, en een plotseling plan komt bij hem tot

rijpheid. Hij zet het geweer tegen den stam van den eik, en rolt

een aantal van die steenen naar den bijna loodrechten wand. Dan legt

hij zich plat op den grond, en tracht met de oogen de duisternis te

peilen onder hem, maar zelfs zijn valkenoogen kunnen niets anders

onderscheiden dan vage omtrekken. Zijn ooren echter zijn wijd open,

en hij legt zijn sterke handen op den eersten steen.

Maar hij trekt de handen weer terug--het juiste oogenblik is nog

niet gekomen.

't Is een kleine afdeeling cavalerie, die beneden hem voorbij trekt.

Maar nu--hij stoot den eersten steen met kracht naar beneden. De steen

ploft in een doornstruik, die langs de steile helling een armoedig

bestaan vindt, breekt de takken, en bonst voor de hoeven van een

viervoeter tegen den grond.

De drijver grijpt het schichtig wordend muildier nog bijtijds, en

houdt het vast aan den teugel. Doch daar komt de tweede klipsteen--de

derde--de vierde--; de vijfde valt midden in een ammunitiewagen,

en de muildieren-bespanning gaat er van door. De drijvers springen

vloekend voor de beesten, om hen te keeren, doch maken door hun dwaas

geschreeuw de dieren nog schichtiger. Zij hollen midden onder andere

muildierenspannen en planten den schrik en de verwarring voort.

De officieren doen bovenmenschelijke pogingen, om de kanonnen en de

ammunitiewagens nog te redden, maar aldoor hagelen de klipsteenen

naar beneden, en de razend geworden muildieren, de officieren onder

den voet loopend, vluchten links uit.

"Grijpt dan toch die muilezels, stommerikken!" schreeuwen de

officieren, maar de drijvers en de soldaten zijn eigenlijk zelven

niet op hun gemak, en staren met verschrikte oogen tegen dien

donkeren, somberen heuvelrand op, van waar onzichtbare handen de

zware klipsteenen naar beneden slingeren.

Met strak gelaat ligt de jonge jager voorover gebogen over den

kliprand, maar als de verwarring beneden hem haar toppunt bereikt, en

de muildieren met angstige geluiden en razend geworden door het gebons

der achter hen aanrammelende ammunitiewagens, in een onweerstaanbare

paniek voorthollen, achtervolgd door het machtelooze geschreeuw van

opgewonden soldaten, komt er een heldere glimlach op zijn gelaat.

Het is de eerste glimlach na Elandslaagte.

Hij springt op van zijn harde ligplaats, en aan de andere zijde van

den kliprand afklouterend, fluit hij zijn klepper.

Geen twintig seconden later zit hij in het zadel; de hengst slaat

zijn met ijzer beslagen hoeven uit, dat de vonken opspatten uit de in

het veld verspreid liggende klippen, en vertraagt eerst zijn galop,

als geheimzinnige seinlichten de nabijheid der Boerenbrandwachten

aanduiden.

De Leeuw van Modderspruit Een verhaal uit den Engelsch-Zuid-Afrikaanschen Oorlog 1899-1900 · 第 26 / 30 题