HOOFDSTUK XXIV.

In den namiddag van dezen gedenkwaardigen dag, nadat de Engelsche

soldaten door de Boerenkommando's zegevierend zijn teruggejaagd in

Ladysmith, melden zich drie personen aan bij één der Transvaalsche

kommandanten.

Zij zijn alle drie in rouwgewaad.

"Wat wenscht gij te weten?" vraagt de zwaargebaarde bevelhebber

vriendelijk.

"Ik en mijn dochter," zegt de oudste, een vrouw van middelbaren

leeftijd, "zijn met den trein uit de Transvaal gekomen, want wij hadden

het vreeselijk bericht ontvangen, dat mijn man en mijn jongste zoon

bij Elandslaagte waren gesneuveld. Nu heb ik nog drie zonen in dezen

vreeselijken oorlog, en ge zult kunnen verstaan, dat mijn moederhart

geen rust heeft."

"Zijt gij de weduwe van Gijs Wessels?" vraagt de kommandant met

hartelijke deelneming.

"Die ben ik," zegt ze.

"Uw man is gevallen voor zijn volk."

"Dat is hij," antwoordt ze.

"Dan is Louis Wessels ook uw zoon?" vraagt hij nu.

"Ja," zegt ze, en het is, alsof zij een steek in haar hart krijgt.

Maar hij glimlacht geruststellend.

"Maak u maar niet ongerust," troost hij; "Louis Wessels is de held

van dezen dag--de leeuw van Modderspruit!"

"En mijn beide andere zonen?" vraagt zij vol moederlijke vreeze.

"Zij leven en zijn gezond--ik zal zien, dat ik hen opspoor."

Hij roept een adjudant, en geeft hem de noodige orders.

't Is een vlugge kerel, die adjudant, dat moet gezegd worden.

Binnen veertig minuten is hij terug, en hij komt niet alleen.

Drie jonge Boeren vergezellen hem, springen van hun paarden, en vallen

hun moeder om den hals.

Ach, dat is toch een treffend wederzien!

De kommandant keert zich om, en wischt met de ruige hand een paar

tranen weg.

Het is een onuitsprekelijk oogenblik.

"Wij hebben het brullen der kanonnen op dezen dag wel gehoord,"

zegt moeder Wessels, "en wij hebben tot God geroepen, wij alle drie,

voor uw dierbaar leven!"

"En zoo is dat gebed verhoord," vervolgt zij, diep bewogen, "de naam

des Heeren zij geloofd!"

Op den laten avond van dezen dag zien wij de familiegroep nog eens,

nu niet op het slagveld van Modderspruit, maar op het slagveld van

Elandslaagte.

Het terrein vertoont nog de veelvuldige sporen en verwoestingen van den

slag. In de nabijheid van een gebroken ossenwagen, waarvan het zeil

door de kanonskogels tot flarden werd geschoten, en een vernageld

kanon, dat omver is gekanteld, ligt de klipheuvel, waaronder Gijs

Wessels en zijn zoon Danie slapen den langen slaap des doods.

Dicht bij het graf, op een stil, vredig plekje, daar zetten zij

zich neder.

De jonge jager zit vlak naast zijn moeder; tegenover hem zitten Truida

en Janske. Truida draagt het stemmig kleed eener liefdezuster bij

het Roode Kruis.

Hij houdt de handen zijner moeder vast tusschen zijn sterke handen;

Kees en Karel zitten neergehurkt aan haar schoot.

Het zwaar en diep smartelijk verlies, dat hen heeft getroffen, heeft

de achterblijvenden nog inniger aan elkander verbonden.

Dat doet de gemeenschappelijke smart; zij bindt sterker dan de vreugde.

En nu vertelt Louis zijn wedervaren. Ook Truida wordt daarbij

genoemd--hoe kan het anders?

Moeder Wessels' hand gaat langzaam en liefkozend over Truida's gelaat.

"Ik heb niet aan u getwijfeld, mijn dochterke," zegt ze teeder;

"ik wist wel, dat de Heere op Zijn tijd den blinddoek zou scheuren,

en u laten zien, aan welke zijde het recht en de waarheid zijn."

In dat antwoord komt de ware Afrikaansche vrouw weer boven, wier hart

klopt voor recht, vrijheid en vaderland.

Ook Kees vertelt zijn wedervaren--dat moorddadige gevecht bij

Talanaheuvel, waar hij acht uur lang pal stond onder een bommenregen,

die de Natalsche heuvels deed beven.

De maan is nu opgegaan aan den lichtenden horizon, en een diepe,

wonderbare vrede daalt neder op het landschap. En niets wordt gehoord

in den stillen zomeravond dan het gefluister van deze menschen,

die elkander zoo innig liefhebben.

"Maar gìj hebt mij nog niets verteld," zegt moeder Wessels tot Karel,

die thans haar jongste zoon is.

Hij vleit zich dichter aan het moederhart en zegt: "In den slag van

Talanaheuvel zag een onzer burgers een Engelschen huzaar zwaar gewond

op het veld liggen. Toen de burger den zwaargewonde voorbij reed,

smeekte de huzaar om water, want hij versmachtte van dorst. Zoo reikte

de burger--Botha was zijn naam--den gewonde de veldflesch. Maar de man

was te zwak om de flesch aan te nemen, en Botha steeg van zijn paard,

richtte het hoofd van den stervende op en laafde hem. Hij keek den

burger aan met een dankbaren blik, en vraagde naar die twee dappere

veldheeren, die daar rechts en links van het Transvaalsche leger op

en neer reden, de strijdenden bemoedigende en aanvurende. Zij waren

in witte kleeding en zaten op witte paarden, en hadden ieder een vlag

in de hand.

"Ik ken die vlag niet," ging de stervende als droomend voort. "Ach,

wat hebben wij op hen geschoten, maar het was alles voor niet; onze

beste scherpschutters konden hen niet raken."

Doch onze burger schudde het hoofd, want hij kende die generaals

niet, en de stervende zeide: "Dan moeten het engelen zijn geweest;"

en hij stierf.....

Er begint een zacht windje te luwen; de grashalmen ritselen; de toppen

van het geboomte bewegen zich als in een droom.

Het is nu laat geworden.

Uit de verte komt een ossewagen aanhotsen, die door Truida is besteld,

en hen naar de woning van Arend Uys zal brengen. Morgen zullen moeder

Wessels en Janske weer vertrekken naar Wonderfontein.

Zoo staat moeder Wessels dan op. De maan beschijnt haar edel, door

smart gewijd gelaat, doch een wondere veerkracht tintelt uit haar

blauwe oogen.

Haar jonge sterke zonen staan vlak voor haar.

"Mijn kinderen," zegt ze, "mijn geliefde kinderen! Wij gaan u nu

verlaten, maar God zal u niet verlaten. Uw vader en uw broeder zijn

gevallen als helden voor een rechtvaardige zaak, en zij hebben niet

voor zichzelven gestreden, maar voor het behoud van het heilig pand,

dat de almachtige God aan ons volk heeft toevertrouwd. En zij zullen

blinken en schitteren als sterren eeuwiglijk en altoos, omdat zij

getrouw zijn geweest tot den dood."

Zij zwijgt een oogenblik.

Hare oogen staren naar de verte als de oogen eener profetes, doch

Louis kan zich niet langer bedwingen.

"Mijn moeder, mijn moeder!" barst hij luid en snikkend uit, "nu zijt

gij niets dan een arme, zwakke weduwe!"

"Beklaag mij niet, mijn jongen," zegt zij met langzame, plechtige stem,

"want ik beklaag immers ook ù niet. Uw vader rust hier onder de harde

klippen--nu zal de almachtige God uw Vader zijn; ik ben een weduwe,

maar Hij zal mijn Rechter zijn--mijn Rèchter tegenover Engeland!"

"Beklaagt mij niet, mijne kinderen," vervolgt zij teeder en innig,

"maar beklaagt die arme, arme koningin van Engeland, wier grijze

haren, zoo zij straks in de doodskist zal liggen, bespat zullen zijn

met het onschuldig hartebloed van twee kleine volken."

"Zullen wij overwinnen?" vraagt Karel met zachte stem.

"Ja, mijn jongen," zegt ze op vasten toon, "ons volk zal overwinnen."

"Spoedig, moeder?" vraagt hij.

"Mijn kind," zegt ze terechtwijzend, en zij geeft de gedachten van

haar gesneuvelden echtgenoot weer, "hoe kunt gij dat vragen! De

worsteling van het Afrikaansche volk tegen het machtige Engeland is

begonnen met den moord van Slachtersnek, en deze oorlog is slechts

een nieuwe, scherpe en bloedige vorm in de lange worsteling. Ons volk

heeft nu vijf en tachtig jaar gestreden, en wij weten niet, wanneer

de worsteling zal eindigen. Misschien met dezen oorlog--misschien

over vijftien jaar--wie zal het zeggen? Ja, ons volk kan tijdelijk

ondergaan, en tòch zal de worsteling eindigen in de zegepraal! De

groote Smelter heeft zich neergezet, en het goud wordt gelouterd. En

als het goud gelouterd is in den gloedoven, dan bluscht Hij het vuur!"

Zij legt de handen op de hoofden van haar zonen.

Zij knielen voor haar neder.

"Mijn gebed, geliefde kinderen," zegt zij langzaam, en er nokken

tranen door haar stem, "gaat voor u op dag en nacht! De God uwer

vaderen zegene u, en vervulle uwe harten met kracht en heldenmoed!"

Het drietal rijst nu overeind.

Moeder Wessels omhelst hen en kust hen; dan nemen zij afscheid van

Janske en Truida.

"God zij met u, Louis," zegt Truida nog.

"God zegene u in het werk der menschenliefde," zegt Louis hartelijk.

Toen scheidden zij.

En Gijs Wessels en zijn zoon Danie zijn eenzaam achtergebleven op

het doodenveld van Elandslaagte.

Daar slapen zij, onder de harde klippen van Natal. En misschien zullen

zij nog lang moeten slapen, voordat zij ontwaken. Maar ontwaken zullen

zij--zij zullen vroolijk ontwaken!

Want de nacht gaat voorbij en de duisternis en het geweld van den

onrechtvaardige--en de morgen komt, de blijde morgen, dien onze harten

biddend verbeiden!

De Leeuw van Modderspruit Een verhaal uit den Engelsch-Zuid-Afrikaanschen Oorlog 1899-1900 · 第 28 / 30 题