HOOFDSTUK XX.

De jonge jager was 's morgens vroeg opgestaan, en met een

verkenningstroep van minstens honderd manschappen--hij was met

eenparigen wensch tot adsistent-veldkornet bevorderd--het veld

ingereden.

Onderweg naderde hem een man, gekleed in de Natalsche arbeidersdracht,

die den jongen jager klaarblijkelijk alleen wilde spreken.

Zoo ging hij dan met den onbekende achter een doornboschje.

"Kent gij mij niet meer?" vraagde de Nataller.

De jonge jager schudde het hoofd.

"U bent mijnheer Wessels, mijnheer Louis Wessels."

De Leeuw van Modderspruit Een verhaal uit den Engelsch-Zuid-Afrikaanschen Oorlog 1899-1900 · 第 23 / 30 题