De jonge jager was 's morgens vroeg opgestaan, en met een
verkenningstroep van minstens honderd manschappen--hij was met
eenparigen wensch tot adsistent-veldkornet bevorderd--het veld
ingereden.
Onderweg naderde hem een man, gekleed in de Natalsche arbeidersdracht,
die den jongen jager klaarblijkelijk alleen wilde spreken.
Zoo ging hij dan met den onbekende achter een doornboschje.
"Kent gij mij niet meer?" vraagde de Nataller.
De jonge jager schudde het hoofd.
"U bent mijnheer Wessels, mijnheer Louis Wessels."