De jonge jager verwonderde zich. "Hoe ken je mij, en wie ben jij?"

"Ik ben Bob," zeide de Nataller--"Bob!"

Nu herkende Louis hem toch, maar zijn gelaat betrok, want zijn geheele

ziel was met den oorlog vervuld, en nu kwam deze man, om met een mooi

praatje een fooi los te maken.

Hij voelde in zijn zakken, doch de Nataller raadde zijn gedachten,

en zeide bedaard: "Ik kom niet bedelen, mijnheer; God heeft mij

gezegend, mijn vrouw is hersteld, en ik verdien voor mij en mijn

gezin tegenwoordig rijk mijn brood."

Louis voelde zich eenigszins beschaamd, maar was tevens aangenaam

verrast.

"Ik ben er recht blijde om, Bob," zeide hij vriendelijk.

"En nu wil ik u mijn dankbaarheid toonen," zeide de Nataller, "door

u te waarschuwen, want er schuilt verraad onder uw kommando's."

"Verraad?" zeide de jonge jager ongeloovig; "ge vergist je, Bob!"

"Uw vijand werkt met staal en goud," meende Bob, "maar zijn goud is

gevaarlijker dan zijn staal."

"Noem mij de verraders," zeide Louis met eenig ongeduld.

"Eén weet ik er," zeide de Nataller.

"Noem hem dan, Bob!" zeide Wessels iets vriendelijker.

"Ik ben den naam vergeten, mijnheer Wessels!"

De jonge jager lachte.

"'t Begint kinderwerk te worden, Bobbie!"

"Als ik den naam hoor, dan weet ik hem."

De jonge jager noemde wel vijftien namen, maar telkens schudde de

Nataller met het hoofd.

"Kent gij hem, Bob?"

"Ja--ik heb hem gezien."

"Kijk dan, of hij onder mijn manschappen schuilt."

De Nataller ging met den jongen jager mee.

De oudere Boeren zaten in kleine groepen te rooken, en druk over de

oorlogskansen te spreken; de jongeren gooiden elkander met aardkluiten,

en hadden veel plezier.

De Nataller schudde het hoofd.

"Ik zie hem niet," zeide hij.

De jonge jager begon driftig te worden--was deze Nataller gekomen,

om een loopje met hem te nemen?

Hij keek hem aan met een langen, vorschenden blik.

Maar de Nataller doorstond den speurenden jagersblik. Zijn vereelte

handen rustten bedaard op den langen herderstaf, dien hij bij zich

had, en op dat breed maar door vroegere zorgen te snel gerimpeld

gelaat lag eerlijkheid en goede, blanke trouw.

"Heet de verrader soms Blijvenstein?" vraagde Louis plotseling.

"Dat is hij," antwoordde de Nataller; "ja, dat is

hij--Blijvenstein!" en er kwam een trek van voldoening op zijn

breed gelaat.

De jonge jager lachte weer ongeloovig.

"Blijvenstein--hij is veel te bang voor zijn corpus, Bob."

"Toch is het waar, mijnheer. Hij staat in verbinding met een Kaffer

uit deze streken, die geregeld de boodschappen overbrengt, welke

gewisseld worden tusschen Blijvenstein en een Engelschen officier."

"Wat is de verrader van plan, Bob?"

"Dat weet ik niet, mijnheer! Ik wilde u slechts waarschuwen."

"Ik dank je, Bob--wij moeten nu weg--komt gij soms nog bij baas Arend

Uys van de week?"

"Morgen, denk ik."

"Doe de familie de groete, en zeg, dat ik nog goed gezond ben."

Zoo scheidden zij.

De Boeren hadden weer opgezadeld, en reden nu snel door. Het doel

was het onderscheppen van een Engelsch convooi, en bij de kromming

van den hollen weg liet de jonge jager halt houden.

Hij beklom een hoogen heuvel, en nam den verrekijker.

Hoog in de lucht zwierf een troep aasvogels voorbij. Zij kwamen

op den reuk aan van het bloed, dat opdampte van de heuvelen van

Rietfontein. En toen die vlucht aasvogels verdween in de heldere,

ijle lucht, was het weer stil--maar daar--wijd in de verte--werd een

klein stofwolkje zichtbaar.

De jonge jager richtte al zijn aandacht op dat wolkje. Het werd

grooter--men kon het reeds zien met het bloote oog.

"Het convooi!" riep hij met een triumfeerenden klank in zijn. stem,

snelde naar beneden, en gaf met de vaardigheid van een grijs geworden

aanvoerder zijn bevelen.

De ossen sleepten het convooi langzaam voort over den zanderigen,

hollen weg; de bedekking bestond uit een veertigtal Natalsche

vrijwilligers, die als een bijenzwerm om het convooi heenzwierven. Zij

hadden nu den vijand ontdekt, die hen wilde òmtrekken, sprongen van

hun paarden, en opklauterend tegen de heuvelen, die den hollen weg

insloten, openden zij het vuur.

"Als ik den bevelhebber maar had!" dacht Louis, en hij lag, uitstekend

gedekt door een zwaren klipsteen, op de loer als de jager op het

wild. Hij was de beste scherpschutter van het geheele kommando; zelfs

Barend, die op honderd meter afstands met bijna onfeilbare zekerheid

het wit raakte in de roos, kon niet tegen Louis Wessels op.

Daar rees langzaam een hoed op achter een klipje; een struisvogelveer,

er boven op bevestigd, wapperde in den wind.

"Dat zal hij zijn," dacht de jonge jager, en de rimpel werd diep en

dreigend op zijn voorhoofd.

"Kom dan op," mompelde hij--"kom dan toch op!"

En langzaam rees de hoed op, en nu waren de oogen--nu was het gelaat

zichtbaar--vuur!

Neen, de jager vuurde niet. Het was de eerste keer in zijn leven,

dat de prooi hem ontsnapte. Hij liet het geweer vallen, en de laatste

bloeddrup week uit zijn gelaat.

Hij sprong op, zwaaide met den hoed als een razende, om het gevecht

te staken, en snelde ongewapend den vijand te gemoet.

"John," riep hij, den Natalschen bevelhebber de hand reikend--"John

Walker, vriend, broeder! dat heeft God niet willen gedoogen, dat ik

u zou doodschieten!"

"Louis," zeide John--"'t is de oorlog, mijn vriend!"

"Ja, de ware burgeroorlog," steunde Louis.

"Hoe is het met uw vader?" vraagde John vriendelijk.

"Dood!" zeide Louis.

"En Danie, dat teêre ventje?"

"Dood!" zeide Louis.

"Dood!" herhaalde de Natalsche Vrijwilliger.

Zijn oogen werden vochtig, en er ging een groote droefheid door

zijn ziel.

"Dat gij tegen ons kunt vechten!" klaagde Louis, en er lag een ernstig

verwijt in zijn stem.

"Ik heb het u vooraf gezegd, Louis, dat ik deze kolonie zou verdedigen,

als gijlieden een inval deedt. Als de kommando's teruggetrokken zijn

uit Natal, hang ik het geweer aan den wand."

"Wij konden niet anders, John!"

"En ik kon ook niet anders, Louis--bedenk, dat ik uit Engelsche ouders

ben geboren. Ik kan mijn bloed niet verloochenen, en ik sta op dit

standpunt, dat gij Boeren niet hadt moeten beginnen met den oorlog."

"Ik zal mijn manschappen laten terugtrekken," zeide Louis; "ik meende

dit convooi te onderscheppen, maar ik kan het dezen keer niet doen--ga

in vrede!"

Er ging een aarzeling over het gelaat van den Natalschen bevelhebber,

maar die aarzeling verdween, en terwijl hij de linkerhand legde op den

schouder van zijn vriend, wees hij met de rechterhand naar den horizon.

"Ik mag het niet zeggen, Louis, maar om al de liefde, die ik op

Wonderfontein heb genoten, kan ik het niet zwijgen--ginds is generaal

French met 3000 man cavalerie."

De jonge jager keek hem aan met groote, verbaasde oogen.

"Binnen een uur zijt gij met uw manschappen gedood of gevangen,

als ge niet onmiddellijk terugtrekt."

In de schrandere oogen van den Transvaler werd een lichtstraal

zichtbaar.

"Is dat convooi maar een lokaas?" vraagde hij.

"Vraag mij niets!" zeide John langzaam; "jullie Transvalers en

Vrijstaters zult nog veel, heel veel moeten leeren--wacht je voor

de verraders!"

Hij boog zich dicht voor de ooren van den jongen jager:--"Wacht je

voor dien Blijvenstein!"

Louis antwoordde niets. Hij drukte de hand van zijn vriend tot

afscheid, en hij drukte ze innig.

Dan gaf hij bevel om op te zadelen.

De Leeuw van Modderspruit Een verhaal uit den Engelsch-Zuid-Afrikaanschen Oorlog 1899-1900 · 第 24 / 30 题