Een groep Boeren zat om het wachtvuur.
Zij behoorden tot de voorhoede der kommando's van Lukas Meyer en
Erasmus, die na de inneming van Dundee op Zondag 22 October de
afgebeulde bataljons van generaal Yule voor zich uitjoegen.
"En vertel ons nu eens, Barend," zeide een jonge Boer, "hoe jij aan
die Rooinekken zijt ontsnapt."
Barend stopte zijn pijp, stak bedaard aan en begon.
"Ik heb je al gezegd, dat ik voorleden Zaterdag wat eigenzinnig
was. Het ging me toch aan mijn hart, dat we zouden verslagen worden,
en dat kon ik maar niet verkroppen. Ik nam me voor, tenminste twaalf
van die Rooiës neer te leggen. Goed, ik had er tien, Kees, toen je
broer Louis mij op den schouder klopte, en mij waarschuwde, dat het
tijd werd. Ik zeg: "Ik moet er nog twee hebben, dan ga ik." Enfin,
één kreeg ik er nog, al was het maar een magere, maar ik begreep toch,
dat ik den twaalfde voorloopig te goed moest houden, want mijn laatste
patroon was verschoten, en de Rooiës kwamen als paddestoelen uit den
grond opzetten. Ik zag ze overal: van voren, van achteren, terzijde,
en toen smeerde ik 'm. Ik zocht natuurlijk mijn hit te bereiken,
zoo'n echt koppig beest, maar wat blief je? Een bom vloog vlak voor
zijn neus in den grond, en ik zag den hit in mijn verbeelding al
in de lucht vliegen. Maar mis, hoor! De bom deed niks, en de hit
was waarschijnlijk in de meening, dat dit een nieuwe manier was van
paarden afvoeren. Tenminste hij kraste met zijn gele, lange tanden
tegen de bom, en wou ze waarschijnlijk voor roggebrood opeten. Ik
zeg: "Kom beestje, dat is geen vreten voor jou," maar op hetzelfde
oogenblik kwam er een tweede bom, een echte leelijkert, die mij tegen
den grond slingerde, en toen ik weer overeind was, had ik de teugels
van den voorhit om zoo te zeggen in mijn handen, maar de achterhit
was geblazen! Ik maakte echter, dat ik hier vandaan kwam, want zooveel
verstand had ik wel, dat ik begreep, dat het hier niet erg gezond was.
"Ik liep zoo hard als ik kon, maar de cavalerie zat mij op de hielen,
en kwam al nader. Nu, dat is zoo glad als een klontje, tegen zoo'n knol
kun je 't niet uithouden. Maar ik had toch nog geen zin, om mij over
te geven, en toen de huzaar schreeuwde: "Sta, vlegel, of ik schiet,"
toen werd ik heelemaal dwars. Daar nam hij echter zijn kogelspuit,
en een kogel floot mij dicht bij mijn ooren voorbij. Toen bleef ik
dan maar in vredesnaam staan, en stak mijn tien geboden omhoog.
"Hij was gauw bij mij, en ik keek hem verbaasd in 't gelaat, want ik
meende, dat mottige gezicht wel meer gezien te hebben.
"Geef op je wapens," schreeuwde hij met vervaarlijke stem, en toen
ik die stem hoorde, was al mijn twijfel verdwenen, want het was de
mottige Janus zoo zeker als een huis; de mottige Janus, weet je, met
wien ik volle tien maanden bij een paardekooper in Pieter-Maritsburg
had gediend.
"Ik zeg: "Janus, geef me de hand, kerel--hoe maak je 't?"
De jonge Boeren hadden wonder veel schik, en proestten het uit van
den lach, terwijl Barend een stuk droog hout wierp op het vuur,
zoodat de vlammen hoog uitsloegen.
"Janus' gezicht was onbetaalbaar; hij had nooit tot de vlugsten
behoord, en keek mij aan, alsof hij het te Keulen hoorde donderen. En
een oogenblik kwam bij mij de gedachte op, om bij hem in 't zaâl
te springen, en den mottigen Janus met zijn mageren bok over
te transporteeren naar de zijde, waar recht en vrijheid zijn te
vinden. Maar ik durfde het toch niet aan, want het zwermde overal
van die moordlustige lanciers en dragonders, en ik gaf hem het geweer
over. "Janus, ken je me nu nòg niet?" vraagde ik, en jawel--nu kende
hij mij dan toch. "Jij bent Barend Blikoortje," zeide hij lachend. "En
waarom heb je mij zoo buiten adem gejaagd, Janus?" vraagde ik;
"ik zal 't aan je moeder zeggen bij gelegenheid, maat!" "Kan ik dat
helpen?" zeide hij ietwat driftig; "'t is oorlog, man!" "Maar die heele
oorlog is toch maar apekool," zeide ik, "en wij verdienden eigenlijk
allemaal in een krankzinnigengesticht te worden opgesloten, Janus,
omdat wij elkander zoo maar goedsmoeds gaan doodschieten--waarom heb
jij op mij geschoten, Janus?"
"Hij haalde de schouders op. "Dat deed ik zoo maar eens voor de
variatie, Barend!" "Maar jij hadt mij licht kunnen doodschieten,
Janus!" "Toch niet, Barend--ik schoot den anderen kant uit; ik wou
je niet raken."
"Maar dat loog hij. "Zoo moet jij niet praten, Janus," zeide ik met
nadruk; "ik heb gezien, hoe jij met je kogelspuit op mij miktet, en
dat is dan de dank voor al de lekkere kopjes koffie met suiker, die
jij bij mijn moeder hebt opgelept--het menschdom wordt tegenwoordig
slecht, Janus, echt miserabel slecht."
"Hij kwam heelemaal onder den indruk, en ik had al de stille hoop,
dat de mottige Janus mij uit oude vriendschap zou laten loopen, toen
daar net om den hoek van een heuvel een patrouille infanterie kwam
aanzetten. Enfin, toen werd het gekker. Zij namen mij mee, bonden mij,
toen ik eenige verdachte pogingen maakte, om weg te komen, stevig vast,
en gooiden mij in een ossewagen.
"Nadat wij een eind waren gereden, en mijn leden waren geradbraakt
door het hotsen van dien ellendigen wagen, werd halt gehouden, en ik
werd in een kleine tent gebracht: in het aangename gezelschap van een
korporaal, twee Hooglanders en een emmertje whiskey. 't Was nu nacht,
en de eene Hooglander zeide: "Ik heb pijn in mijn lijf--ik moet een
pierenverschrikkertje hebben," en hij nam een slok. De andere zeide:
"Is dat hier een klimaat--ik ga dood, als ik ook niet een slokje
krijg!" en hij deed van 't zelfde. Zoo dronken zij dan tegen elkander
op--neen, laat me de waarheid zeggen, 't was zùipen, en zij rolden om,
zoo dronken als een kanon.
"Ik dacht: Barend, als het geluk je nu dienen wil, dan begint de
korporaal ook te drinken, maar dat liep mis. 't Was er een van de
blauwe knoop, weet je. Enfin, 't was tamelijk donker in de tent;
we hadden niets dan het licht van een gloeiënden spijker in een
gedeukte lantaarn. Ik ontdekte echter een scherpe, ijzeren pin, die
in den grond was bevestigd, en veilde daarop de kluisters van mijn
handen langzaam door.
"Wat krast daar toch allemaal?" vraagde de korporaal, die afschuwelijk
wantrouwend was.
"Dat zijn de muizen, die het tentlinnen ruiken," antwoordde ik bedaard.
"Muizen," zeide hij op verachtelijken. maar eenigszins stotterenden
toon, want hij kon niet vlug spreken--"muizen! maak dat aan je
grootje wijs!"
"Daar begint het al weer," zeide hij na een pauze, maar ik
had den laatsten draad nu af geveild, en sprong op als een
razende. "Ha!" schreeuwde ik met een vervaarlijke stem, en de kerel
werd zoo wit als een lijk. Hij dacht zeker, dat ik aan vlagen van
tijdelijke verstandsverbijstering onderhevig was, maar toen ik hem een
stevigen prop in den mond had gestopt, den revolver had weggepakt,
waarnaar hij greep, en zijn handen stevig had gebonden, zal hij
denkelijk wel betere gedachten van mij hebben gekregen."
"Dat zal waar zijn," grinnikten de toehoorders.
"Maar de mooiste grap komt nog," ging Barend voort. "Ik had mijn
handen nu vrij, trok den korporaal de sabel uit de scheede, en sneed
het dikke kabeltouw door, waarmee mijn voeten waren gekluisterd. Ik
had nu wel heen kunnen gaan, maar het was toch gevaarlijk in mijn
Boerenbaaijtje, en ik dacht: zoo'n korporaalsjas zal je ook wel staan."
"Louis is er voorleden Zaterdag op dezelfde manier doorgekomen,"
zeide Karel Wessels.
"Ik zeg dus," ging Barend voort, "tot het korporaaltje: ik heb je
jas noodig, vrindschap, en als ik je later ook een genoegen kan doen,
dan vraag je maar naar Barend Blikoortje."
"Hij vond het zeker erg plezierig, dat gij hem den jas
uittrokt?" vraagden de jonge Boeren met een schaterlach.
"Dat kan ik juist niet zeggen," meende de leuke verteller; "zijn
oogen rolden als van een wild geworden stier. Dat speet mij echter,
want ik was aangenaam gestemd, en hem op den schouder tikkend, zeide
ik heel vriendelijk: "Niet kwaad worden, maat--je weet ook wel,
ik ben eenigszins gepresseerd."
"Maar dat vriendschappelijk woord had mij bijna in de klem gebracht,
want ik was de tent nog niet uit, of een officier trad binnen. "Waar
is de gevangene?" riep hij op barschen toon. "Dáár," zeide ik
doodbedaard--"ik heb hem een stevigen prop in den mond moeten steken,
luitenant, want hij zou al de kleine kinderen wakker schreeuwen."
"Goed zoo--dat tuig!" zeide de luitenant, "maar ik durfde van de
goedheid van den officier niet te veel te vergen, sprong de tent uit,
en tuimelde bijna tegen het officierspaard aan."
"Jouw tegenwoordige klepper?" vraagde een Boer.
Barend knikte bevestigend en ging voort: "De verzoeking was mij te
machtig, jongens; ik sprong er op. Het was een fijn paard--enfin,
ge hebt het gezien--zuiver ras, volbloed, en ik voelde me in mijn
korporaalsjas en op dien mooien schimmel den koning te rijk. Ik had
dien luitenant en dien korporaal allebei wel om den hals willen vallen;
zoo'n plezier had ik. Enfin, ik reed naar den achterkant der tent,
want ik was toch nieuwsgierig, hoe dat zou afloopen, en ik had in
mijn ziel te doen met dien ongelukkigen ridder van de blauwe knoop."
"Ja, dat gelooven we," lachten de Boeren.
"Ik hoorde in het eerst niets dan een vreeselijk lawaai van den
officier. Toen werd het stil. Ik dacht: Nu haalt hij dien ongelukkigen
korporaal de prop uit den mond. Dat klopte, want even later hoorde
ik de stem van den laatste. Hij scheen erg opgewonden, en stotterde
natuurlijk vreeselijk. Het was hem onmogelijk om te zeggen, wat er
gebeurd was. "Zing het dan maar," brulde de luitenant, "zing het dan
toch, stomme ezel!" Toen begon de korporaal zijn laatste ondervindingen
te zingen."
De Boeren schaterden van plezier. "Hier Barend, steek een sigaar
op," zeide de zoon van een landdrost, "een fijne--Havannadekblad,
hoor!" Barend beet er de punt af, en stak ze als een geboren heer
tusschen zijn sterke tanden.
"Ja, 't was een miserabel gezang," lachte Barend, "en de luitenant
en ik hadden er gauw genoeg van. Hij vloog de tent uit, om misschien
tusschen vier oogen nog een hartelijk woordje met mij te spreken, maar
ik gaf mijn schimmel de sporen. Enfin, 't werd een heele herrie. De
officier maakte een buitensporige drukte, en de Roodbaatjes kwamen
aanzetten als een opgeschrikte bijenzwerm.
"Daar gaat hij!" schreeuwde de officier, "daar!" "Waar dan
toch--waar?" schreeuwden de Roodbaatjes. "Daar--wel daar!" bulderde
de luitenant, maar hij wist het zelf niet meer, want de duisternis en
de motregen hadden mij en mijn schimmel snel aan zijn oogen onttrokken.
Op dit oogenblik naderde de jonge jager de groep.
"Barend," zeide hij, "sta op--ik moet je spreken!"