HOOFDSTUK XVIII.

"Wachtmeester," zegt Charles, en hij strekt zijn hand uit naar het

belendende bosch, "daar--daar--"

"Nu, wat zou dat?" zegt de wachtmeester bedaard--"geef acht, zeg

ik je!"

De wachtmeester richt den revolver en drukt af.

't Is werkelijk geen slecht schot; drie duim beneden de ingesneden

kerf, rakelings over het hoofd van den jongen jager, dringt de kogel

in den stam.

"'t Schot had nog beter kunnen zijn, kindertjes, maar de knol is

wat lastig van de vliegen vandaag, en wil niet stil staan --hallo,

wat beteekent dàt daar?"

Ja, wat beteekent dàt daar? In het belendende bosch rechts begint

het te kraken in de takken, alsof er een hert doorheen breekt met

machtige sprongen, en in het volgende oogenblik komt er een groote

jachthond uitzetten, onmiddellijk gevolgd door een rijdster te paard.

Zij moet hard hebben gereden; den hond hangt de tong uit den breeden

muil, en de poney staat daar met rillende flanken.

Met één blik heeft Truida Uys den toestand overzien en begrepen.

"Op, Louis!" roept ze, "op!" en een mes nemend, snijdt zij de touwen

door, die zijn voeten kluisteren.

In het volgende oogenblik drukt zij hem zijn geweer in de hand, maar de

wachtmeester richt den revolver snel en dreigend op het moedige meisje.

"Ik waarschuw je," roept hij.

Als eenig antwoord richt zij zelf den karabijn.

Hij drukt af, en zijn kogel schramt haar oor.

Doch thans is het haàr beurt, en zij aarzelt niet.

Hoe zou zij ook kunnen aarzelen, deze ware dochter der oude

Voortrekkers!

Een korte vuurstraal glipt uit den blanken loop van haar karabijn,

en de wachtmeester zou uit het zaâl zijn getuimeld, indien twee

lanciers hem niet hadden opgevangen.

Dit alles is in weinige seconden afgespeeld, en door het hart van den

jongen jager gaat een wondere, diepe tinteling van moed en kracht,

nu hij het Mausergeweer omklemt met zijn sterke handen.

Maar zijn eerste blik geldt niet den vijand, maar de heldendochter

van Arend Uys.

Zij staat hoog opgericht, de rookende karabijn in haar hand, de

wangen bleek, en de flikkerende oogen naar den vijand gekeerd, haar

leven wagend en voor niets tellend, om het dierbaarste te redden,

wat zij op deze aarde kent.

De voorste lancier grijpt naar de scherpe lans.

"Weg met de lans," roept ze, terwijl zij opnieuw den karabijn richt.

Ook de jonge jager legt aan.

Langzaam daalt de lans....

"Gaat heen!" zegt Louis, "en uw leven is verzekerd--maar gauw, gauw!"

De lanciers leggen den dooden wachtmeester op den grond; de Kaffer

zal hem begraven. Dan wenden zij hun paarden, en rijden weg, eerst

stapvoets, nu en dan vol wantrouwen omkijkend, maar later in snellen,

vollen galop.

"Wat zeg je er van?" vraagt de eerste lancier.

"We komen van een koude kermis thuis," zegt de tweede.

"Die meid is door den duivel bezeten," meent de derde.

"Onze wachtmeester kon zijn lot niet ontloopen," troost de vierde. "Ik

heb er zelf bijgestaan, dat te Durban een kaartlegster uit zijn hand

heeft gelezen, en zij zeide, dat een meid zijn ongeluk zou worden."

"Wijvengeleuter," zegt Charles, "niets dan wijvengeleuter. Ik heb

den wachtmeester nog gewaarschuwd, maar hij werd opgevreten door zijn

eigenzinnigheid--enfin, nu heeft hij er het hachje bij ingeschoten!"

"Ik wou, dat mijn moeder in Engeland haar veelbelovend jongste zoontje

maar thuis had," meent de eerste lancier--"is me dat hier een land! 't

Is een varken van een meid--vooruit dan, knol, of ik steek je dood!"

De Kaffer heeft het lijk op het paard gelegd, en zal het ginds

begraven, achter dien heuvel, en Louis en Truida zijn nu alleen.

Zij spreken niet over de breuke, die tusschen hen was ontstaan.

Het was immers ook geen breuke, maar slechts een treurig misverstand.

Truida zet zich neder op den afgeknotten stam van een wilgenboom;

Louis vleit zich neder op den harden grond; Pluto ligt hijgend in hun

nabijheid, kijkt nu den een en dan de andere aan met zijn verstandige

oogen, en hapt naar de vliegen, die hem plagen.

De zon gloeit aan den blauwen hemel, maar zij hindert niet, want het

jonge paar is in de schaduw van het geboomte, en een kleine, grijze

wolk drijft langzaam voorbij.

Het is toch een weemoedig wederzien.

"Weet gij 't, Truida?" vraagt hij, "van mijn vader en Danie?"

"Ik weet het," zegt zij; "zij rusten in het zelfde graf."

"Waart gij de lancier, die bij hun groeve stond?" vraagt zij

plotseling.

Hij knikt met het hoofd.

"Arme jongen," zegt zij, en een overstroomend gevoel van medelijden

gaat door haar ziel.

Zij buigt zich over hem heen, neemt zijn gelaat tusschen haar handen,

en zegt met omfloerste stem: "Gij hebt veel geleden. Arme jongen--zoek

uw troost bij God!"

"Doet gij dat ook?" vraagt hij zacht.

"Als ik dat niet had gedaan, Louis, dan was ik reeds lang bezweken

onder den last!"

Om den hoek van het bosch nadert thans het getrappel van vele paarden,

en een afdeeling Boeren van een der zuidelijke kommando's galoppeert

voorbij.

De veldkornet heeft de jonge menschen snel ontdekt; ook kent hij

hen. Hij zwaait den breed geranden hoed, en roept met luide stem:

"Dat geeft dit jaar nog een vroolijk bruiloftsfeest--hoerah!"

Maar Truida Uys schudt het hoofd, en een edele, hooge geestdrift

teekent haar wonderschoon gelaat.

"Een bruiloftsfeest?" zegt zij, "een bruiloftsfeest? Louis Wessels

noch ik begeeren een bruiloftsfeest, zoolang het arme Afrikaansche

volk uit duizend wonden bloedt!"

"Amen!" zegt de jonge jager.

"O Truida!" roept hij uit, "nu verstaan wij elkander. Gij behoort tot

die kleine schaar der onzen, bij wie de liefde tot ons volk uitslaat

als een vlam. God heeft zelf dat vuur ontstoken in uw hart--gij zult

er al de zoetheid maar ook al de smart van proeven."

"En mijne liefde behoudt gij," zegt zij teeder, "en mijne liefde gaat

met u mede naar de loeiende slagvelden."

"O Louis," zegt ze in uitbarstende aandoening, "mijn held en mijn

ridder! Ach, kon ik met u meegaan in den strijd, om uw wonden te

verbinden, en u bij te staan, als de kogel uw borst doorboort!"

"Niet zoo angstvallig, Truida," troost hij. "Zie ik er uit, alsof ik

reeds door den dood ben geteekend?"

Hij rekt zijn krachtige spieren--een beeld van jonge, mannelijke

kracht.

Maar uit de verte komt thans de donder van het kanon, dat om voedsel

brult, en het geknetter van het geweervuur.

De Leeuw van Modderspruit Een verhaal uit den Engelsch-Zuid-Afrikaanschen Oorlog 1899-1900 · 第 21 / 30 题