Truida Uys had den ganschen nacht niet geslapen; zij was zelfs niet
naar bed geweest.
Zij had gister, Zaterdag, het eerst in de meening verkeerd, dat er
een onweer woedde in het westen, doch zij had later van voorbijgaande
Kaffers vernomen, dat er zwaar gevochten werd bij Elandslaagte. Toen
had zij Christiaan, haar jongen, schranderen Zoeloeknecht, op kondschap
uitgezonden, en hij had het snelste paard van den stal moeten nemen.
Midden in den nacht was hij teruggekomen, en had in zijn eenvoudige,
beeldrijke taal een aangrijpend tooneel geschilderd van de
verschrikkingen van het gevecht. Hij had, om goed op de hoogte te
komen, na den slag zijn diensten aangeboden als drager, en had,
zooals hij aan Truida mededeelde, van een anderen Kaffer gehoord,
hoe een Boer met een langen, grijzen baard en zijn zoon in hetzelfde
graf waren neergelegd.
"Zij lagen bij elkander als het lam bij het schaap," zeide de Zoeloe.
"Weet ge niet, hoe hij heette, Christiaan?"
De Kaffer keek zijn gebiedster met droevige oogen aan en zeide:
"Hij heette Wessels."
"Wessels," zeide ze, "het is toch Gijs Wessels niet?"
Hij aarzelde om te antwoorden.
"En zijn zoon--was het zijn oudste zoon, Christiaan?"
"Neen," antwoordde hij beslist, "die was het niet."
"Hoe weet gij dat?" vraagde zij snel.
"Ik heb hem zelf mee begraven, Miss--den ouden baas en den kleinen
baas Danie."
"En zooeven zeidet gij, dat ge 't van andere Kaffers wist?" vorschte
Truida.
"Ik wilde u sparen," zeide de Zoeloe, "maar ik kan niets voor u
verborgen houden, want uw oogen zijn als de zonnestralen, die de
duisternis licht maken."
"En hebt gij u niet vergist?" vraagde Truida; "'t was toch donker,
en het motregende, zooals gij zeidet."
"Zóó donker was het toch niet, Miss, of ik kon hun gelaatstrekken
onderscheiden--Danie lag dood in den arm van zijn vader."
"Dood!" steunde Truida--"dood!"
Maar zij beheerschte zich door haar ijzeren wil.
"Waren er nog bekenden bij?"
"Niemand dan majoor Courtney en een groote, rijzige lancier."
"Majoor Courtney, die zoo dikwijls hier komt?"
"Dezelfde, Miss--hij keek even strak als altijd."
"Wat deed die lancier er bij, Christiaan?"
"Hij nam een hanenveer van den hoed van den kleinen baas, en stak
hem bij zich."
"Stil nu even," zeide ze; "dat begrijp ik niet."
Zij wreef zich nadenkend over het voorhoofd.
"Hebt gij hem niet gezien?" vraagde zij--"hèm?"
De Zoeloe keek haar aan met zijn zwarte, schrandere oogen.
"Miss, bedoelt den jongen baas Louis Wessels?"
"Ja, dien bedoel ik," zeide ze langzaam.
"Ik heb hem niet gezien," antwoordde Christiaan.
"Dan kunt ge gaan," zeide ze met matte stem; "ge hebt je goed van je
taak gekweten, Christiaan."
Zoo bleef zij dan alleen zitten, het moede hoofd door de hand gestut.
Zij peinsde en peinsde, en duizend gissingen martelden haar arm brein.
De haan kondigde met luide keel den morgen aan, doch zij verroerde
zich niet; de Kaffers liepen over het erf heen, om de beesten uit de
kralen te jagen, maar zij hoorde het niet eens.
Zij wierp de blinden open--de zon stond reeds hoog aan den hemel. Zij
blies de lamp uit, en sloot voor een oogenblik haar oogen, want zij
deden pijn.
De oude huishoudster naderde met haar sleependen gang, stak haar
gezicht door de kamerdeur, en vraagde, of nicht Truida niet kwam
ontbijten.
Het jonge meisje schudde het hoofd.
"Ik ben ziek," zeide ze, "ik bid je, laat mij met rust!"
Om tien uur verscheen de huishoudster nog eens, maar de groote
jachthond van Louis Wessels stormde haar voorbij, en vloog in groote,
wilde sprongen recht op Truida aan.
"Dáár--ik weet geen raad met dat leelijke mormel," riep de huishoudster
uit; "hij is dol, nicht, stapeldol, vliegt met de vieze, smerige
pooten tegen al de deuren op--nou, kijk me maar niet zoo vreemd
aan--ik geloof, dat we hier nog allemaal gek zullen worden."
Maar Truida kon het niet langer uithouden.
Zij nam de huishoudster bij de hand, en wees haar de deur.
"Ik geloof, dat een van ons beiden het reeds is," zeide de
huishoudster, haar nicht met groote oogen aankijkend.
"Gij zijt nog nooit goed geweest," antwoordde Truida met ongewone
scherpte--"ga nu!"
En daar zat zij nu, terwijl Pluto zijn voorpooten op haar schoot,
legde, en haar aankeek met een blik, die een steen zou roeren.
De hond wist, waar Louis Wessels was. Leefde hij nog? Of lag hij
reeds onder de harde klippen?
Ach, zoo die hond maar spreken kon!
Truida hield haar kloppende slapen vast tusschen haar handen, want
zij vreesde werkelijk, krankzinnig te worden.
Zij had veel geleden de laatste weken, hedenmorgen niet het minst,
en de mededeeling van den jongen Zoeloe-Kaffer, dat de lanciers
weerlooze gewonden in koelen bloede hadden vermoord, hadden haar jonge
ziel vervuld met onbeschrijfelijken afschuw. Maar reeds lang geleden,
kort na den noodlottigen dag, waarop Louis haar in toorn den rug had
gekeerd, had zij leeren verstaan de huichelarij en de God tergende
laagheid der Chamberlainsche staatkunde, en had er zich met afgrijzen
van afgewend.
Hoe kon het ook anders!
De dag moest toch eenmaal aanbreken, waarop de blinddoek zou scheuren
voor de oogen van deze ware dochter der oude Voortrekkers, en die
dag was gekomen!
't Is waar: Louis had verkeerd gedaan, door zijn liefde tot haar vast
te snoeren aan zijn liefde tot het vaderland, en zoo hij milder en
zachter was opgetreden, zou de breuke waarschijnlijk nooit gekomen
zijn. Maar verweet zij hem dat? Toornde zij daarom op hem?
Ach, hoe zou zij op hem kunnen toornen....
En dáár stond zijn hond; hij sloeg met de slanke pooten tegen haar
knieën aan.
En plotseling, als bij ingeving, stond zij op, en staarde hem in de
groote, bruine oogen.
"Waar is je baas, Pluto?" vraagde zij met luide, dringende stem;
"je baas, Pluto? Spreek dan toch!"
Hij sprak werkelijk. Niet in de geluiden der menschelijke taal,
doch in duidelijke en begrijpelijke gebaren.
Hij nam de plooien van haar zomerkleed in zijn breeden muil, en trok
haar mee met zacht geweld naar de kamerdeur--de gang door--naar buiten.
De oude Manasse kwam juist de staldeur uit.
"Zadel mijn Basutoponey, Manasse," beval zij--"onmiddellijk!"
Zij snelde terug naar binnen; haar geheele optreden verraadde moed,
vastberadenheid en nieuwe hoop. Boven de kamerdeur hing haar geweer:
een fijne, prachtige karabijn. Zij nam hem en onderzocht het slot--het
gepolijste staal van den loop flikkerde in de zonnestralen.
In de gang kwam de huishoudster haar tegen. Zij viel het oude mensch
met onstuimigheid om den hals, en kuste haar.
"Vergeef het mij, dat ik zoo onvriendelijk ben geweest," zeide Truida.
Het oude mensch begreep er niets van, en raakte geheel van stuur.
"Gaat ge uit, Truida? Eet dan toch eerst wat, Nicht Truida--uw ontbijt
staat er nog!"
Eten--eten? Wie kon thans aan eten denken! Met de vlugheid der
gazelle liep het jonge meisje de gang door, wierp den karabijn over
den schouder en sprong in 't zaâl.
Pluto keek haar aan met zijn verstandige oogen.
"Nu Pluto," zeide ze, "wijs mij den weg! Op, naar je baas! En ik zal
je volgen door vuur en door water!"
Zij was reeds uit het gezicht verdwenen, toen de oude baas Uys,
die van een Kafferkraal kwam, het huis binnentrad.
"O Neef," barstte de huishoudster uit, "welke vreeselijke tijden
beleven wij toch! Ik heb Truida nog nooit zoo gezien! Zij is als een
razende weggereden--en dat op Zondag--ik begrijp het niet meer!"
"Stil maar, Nicht!" zeide Arend Uys, "stil maar--alles zal recht
komen," en hij nam den ouden Statenbijbel.