Louis Wessels voelt zich wonderlijk verkwikt. Hij rekt de gespierde
leden, gaat in de vermolmde deur der Kafferhut staan, en ademt de
frissche morgenlucht met volle teugen in.
De Vrijstater slaapt nog; Louis spreidt een schapenvacht, die opgerold
in een hoek der woning lag, over hem heen.
Hij gaat nu naar buiten, zoekt een spruit op, die in de nabijheid
tusschen steile oevers voorbijstroomt, drinkt het koele water en
verfrischt zich.
Hij kijkt nu rond. De morgenzon schittert aan den blauwen hemel,
en kust de kelken der kleine, lieve veldbloemen. In de verte hoedt
een Kaffer zijn schapen, en uit de bergkloven stijgen de witte
dampen omhoog.
Daar--in het zuidwesten--moet Elandslaagte zijn. Er schijnt een
eeuwigheid te liggen tusschen den slag van Elandslaagte en dezen
morgen, en toch liggen er maar enkele uren tusschen. De buitengewone,
geweldige gebeurtenissen hebben aan de minuten de beteekenis van
jaren gegeven, en het dunkt Louis, dat hij in éénen nacht tien jaar
ouder is geworden.
Hij moet zich bedenken, welke dag het heden eigenlijk is--ach, het
is Zondag! Anders las zijn vader op dezen dag een stichtelijke preek,
en Danie speelde op het mooie harmoniumorgel, en het psalmgezang rees
op boven Wonderfontein.
Hij kijkt opnieuw in 't rond, en verwondert zich. Het schijnt hem toe,
dat hij hier meer is geweest. Werkelijk--dáár slingert zich de breede,
stoffige transportweg heen met zijn diepe kuilen en steile hoogten;
de transportweg, die de spoorlijn met de woning van Arend Uys verbindt.
Links van den weg ziet hij een klein huisje staan; daar is hij eens
geweest met Truida Uys. Neen, dit huisje is het toch niet, want hij had
uit den tuin vóór het huisje een bloem geplukt en aan Truida gegeven,
en vóór dit huisje is geen tuin.
Hij neemt den verrekijker; werkelijk--nu ontdekt hij het huisje,
dat hij bedoelde. Het staat vlak bij een hoogen heuvel, en de bloemen
bloeien weer in den tuin, vóór het huisje.
Een half uur verder rijst het zwaar geboomte op, waartusschen de
woning van Arend Uys verscholen ligt, en tusschen die woning van
Arend Uys en het kleine huisje staat de nieuwe woning, gebouwd voor
het jonge paar....
De jonge jager laat den verrekijker schielijk zakken, en kijkt den
anderen kant uit.
De Vrijstater staat nu naast hem.
"Hoe gaat het vanmorgen?" vraagt Louis met vriendelijke belangstelling.
"Het zal wel gaan, Neef," meent de Vrijstater trouwhartig; "ik heb
maar twee dumdumkogeltjes gehad: één in mijn rechterschouder, en één
in mijn linkerarm. 't Zal wel gaan, Neef--maar ik zou graag een kop
koffie lusten, Neef!"
Louis is gaarne bereid om zijn kameraad te helpen.
"Wij zijn een eindje van den weg afgedwaald, Neef?"
"Wij zitten hier midden in het veld," antwoordt Louis; "ginds is
de transportweg."
Zij keeren nu terug naar de hut, maar plotseling blijft de jonge
jager even staan.
"Hebt gij menschen gezien in de buurt?" vraagt hij, maar de Vrijstater
schudt het hoofd.
"Ik meende, dat daar net iemand achter de hut verdween."
"'t Zijn onze paarden geweest, Neef,--die grazen achter de hut,"
antwoordt de Vrijstater geruststellend.
Beiden treden nu de hut binnen. Het zadel ligt dicht bij den haard;
aan een leeren riem is het koffieketeltje en een leeren buidel met
gemalen koffie bevestigd. De jonge jager legt snel vuur aan, vult het
keteltje met water, en de koffie is gauw gezet. Een blikken bekertje
doet als kopje dienst, en bij beurte nemen de Boeren een slok van de
zwarte, heete koffie. Broederlijk deelt Louis eveneens het harde brood
met zijn nieuwen vriend, en onze Vrijstater voelt zich "banjer lekker."
Doch thans wil hij weg, en de jonge jager helpt hem met het zadelen,
terwijl de Vrijstater hartelijk dankzegt voor de genoten hulp.
"Houd altijd noordwaarts aan," waarschuwt Louis, "opdat gij den
Rooinek niet in handen valt."
Hij zadelt eveneens zijn paard, fluit zijn hond en wendt zich naar
de Waschbank.
Van uit het kreupelbosch, dicht bij de hut, komt thans een zes man
sterke lancierspatrouille te voorschijn. Een Zoeloe-Kaffer vergezelt
hen.
"Daar gaat hij--de vogel is gevlogen!" schreeuwt een lancier.
"Wees maar gerust," zegt de wachtmeester; "ik wou, dat ik zoo zeker
was van het Victoriakruis als van dezen Boer."
"Hij is het toch?" vraagt hij aan den zwarten Zoeloe, die naast
hem rijdt.
"Hij is het, baas," zegt de Kaffer op beslisten toon. "Ik ben hem
gisteravond nageslopen in de duisternis, en heb hem bespied in zijn
slaap. Ik was zóó dicht bij hem, dat ik zijn adem voelde, en ik kwam
in verzoeking, om hem den deze"--hij wijst in de richting van het
groote, breede mes, dat hij in een lederen scheede in zijn broekzak
draagt--"tusschen de ribben te stooten."
"Dan hadt ge de beloofde premie niet gehad," zegt de wachtmeester
kalmpjes, "want wij moeten hem levend hebben--vooruit, jongens!"
De jonge jager heeft zijn vervolgers nu ook in het oog gekregen. Hij
maakt er zich niet bijzonder ongerust over, en laat zijn voshengst
even de sporen voelen, terwijl de afstand, die hem van de vijanden
scheidt, merkelijk grooter wordt.
"Hij zal ons ontsnappen," roepen de lanciers, hun paarden tot de
uiterste krachtsinspanning aansporend. Maar de vos van den jongen
jager is een harddraver; hij werpt den prachtigen nek hoog op, en
laat de vervolgers ver achter zich.
Van de rechterzijde echter nadert thans een nieuwe patrouille, die
den jager tracht om te trekken. Nu begint het meenens te worden, en
Louis drukt zijn paard de sporen diep in de flanken. Het vliegt over
de vlakte; zijn vlugge hoeven schijnen den grond nauwlijks te raken.
"Hij zal nòg ontsnappen," zegt een lancier.
"Toch niet," meent een tweede, op een bult gekomen, "tegen die breede
kloof ginds rent hij vast."
"Ik wed, dat hij den sprong over de klove waagt," zegt de eerste
lancier.
"Hij breekt den nek, als hij 't doet," zegt de tweede, terwijl hij
een stuk pruimtabak tusschen zijn bruine tanden schuift.
"Hij breekt liever den nek dan in jouw lieve handjes te vallen,"
herneemt de eerste, doch de wachtmeester zegt bedaard: "Hij zal ons
niet ontsnappen, kindertjes; de val staat gereed."
De jonge jager heeft de vervolgers thans aan zijn rechterkant en
achter zich. Hij heeft de kloof reeds lang gezien, en wendt zich links,
waar de kloof smaller is.
De eerste patrouille zet hem dwars door het veld na, en daar hij een
omweg moet maken, om het punt te bereiken, waar de kloof op haar smalst
is, krimpt de afstand tusschen hem en de eerste patrouille merkbaar in.
Doch thans heeft hij het gewenschte punt bereikt, dringt den hengst
achterwaarts, geeft hem een ruk in de teugels, en in een majestueuzen,
koninklijken sprong gaat het edele dier over de klove heen.
"Daar gaat hij," schreeuwen de lanciers met een Engelschen vloek--"tòch
nog ontsnapt!"
"Gered," roept de jonge jager--"gered!"
Doch het woord besterft op zijn lippen, want twintig gespierde
Kafferhanden grijpen hem, en sleuren hem van zijn paard.
"Wat zeg jullui nou, kindertjes?" vraagt de wachtmeester lachend.
"Jij bent een drommelsche kerel," lachen de lanciers en wrijven zich
vergenoegd de handen.
De wachtmeester weet nu zeker, dat hij den rechte heeft; een lancier
bevestigt de bewering van den Zoeloe-Kaffer, dat deze Boer een
sluipmoord heeft gepleegd op twee Engelsche soldaten: een korporaal
en een gewoon lancier. Dat hij daarvoor den kogel heeft verdiend,
is duidelijk genoeg, doch voordat dit vonnis wordt voltrokken,
moet men toch vooraf zijn plezier hebben met den gevangene. De
lanciers hebben zich immers buitensporige moeite getroost, om dezen
gevaarlijken en geslepen Boer, die een lanciersrok had aangetrokken,
om de Engelsche waakzaamheid te verschalken, in handen te krijgen,
en zij mogen er wel iets voor hebben. Zoo oordeelt de wachtmeester,
en de wachtmeester weet het wel.
Hij neemt den gevangene van zijn zwarte bondgenooten over, en laat
hem vervoeren naar den omtrek van een bosch, waar hij met de voeten
stevig aan een zwaren boom wordt vastgebonden.
Zijn geweer laat de wachtmeester met berekenende wreedheid bij hem
neerleggen, op geen vijf pas afstands.
"Wat heb je met mij voor?" vraagt de jonge jager.
"Dat zullen we je straks wel vertellen," lacht de wachtmeester;
"komt, kindertjes, wij zullen eerst wat naar binnen werken."
Er wordt een soort ontbijt gereed gemaakt, en in plaats van koffie
wordt whiskey gedronken. De lanciers zijn recht in hun nopjes, en
bij elken slok, dien zij doen uit de veldvlesch, verzuimen zij niet,
de Boeren te verwenschen.
De jonge jager kijkt naar zijn geweer.
Daar ligt het--op vier pas afstands, en dat geweer beteekent voor
hem leven, vrijheid en kracht.
Er komt een soort razende woede over hem--op vier pas afstands ligt
de redding. Er zijn nog vijf scherpe patronen in het slot van het
geweer--zij zijn voldoende om vijf man neer te leggen. En den zesde,
den laatste--hij zal hem met de kolf de hersens inslaan!
Hij buigt zijn lichaam voorwaarts en strekt de handen uit --hij
maakt een wanhopige maar machtelooze poging om zijn voeten vrij te
krijgen, en onder den luiden schaterlach van zijn vijanden staakt
hij de vruchtelooze poging.
En nu, terwijl de razende woede hem verlaat, wordt zijn ziel
aangegrepen door een groote, diepe droefheid, en hij beseft het
groote ongeluk, dat over het bloeiend huisgezin van Wonderfontein
zoo plotseling is gekomen. Zijn vader en zijn broeder rusten in het
koele graf, en hij, de oudste zoon van het geslacht, is een weerloos
mikpunt geworden van spot en hoon. Hij zet zich neder bij den boom,
aan welks stam zijn voeten zijn vastgekluisterd, en bedekt het gelaat.
"Laat je tronie eens zien!" roept een lancier.
"Hij begint te huilen," spot de Kaffer.
"Stil, hij bidt, kindertjes!" hoont de wachtmeester.
De Kaffer spreekt de waarheid--Louis weent, en de wachtmeester spreekt
ook de waarheid, als hij zegt: "Stil, hij bidt!"
De lanciers zijn nu opgerezen van den grond.
"In 't zaâl, kindertjes," kommandeert de wachtmeester, "we gaan nu
schijfschieten."
Hij wendt zich tot den gevangene.
"Sta op, Boer, en maak je testament maar!"
Louis verroert zich niet; hij houdt de handen voor het gezicht. Hij
kan aan zijn vijanden den triumf niet gunnen van een diep bewogen hart.
De wachtmeester doet geen verdere moeite, om hem overeind te
krijgen. Hij maakt met zijn zakmes een kerf in den boom, vijf duim
boven het hoofd van den gevangene.
"Dat is nu je mikpunt, kindertjes--die kerf in den boom. Voorzichtig,
en raakt den Boer niet--'t zou zonde zijn, als hij stierf vóór
zijn tijd."
De lanciers nemen hun revolvers, maar de boom wordt niet eens geraakt.
"Ge schiet toch erbarmelijk slecht vandaag, kindertjes!"
"Met de lans zou 't beter gaan, wachtmeester!"
"Natuurlijk, zooals gister avond--een paardelengte vooruit!"
De patrouille kort den afstand tot den gevangene een paardelengte in.
"Nu zal ik het je voordoen, kindertjes, hoe je schieten moet--geeft
acht! Charles, geef acht, zeg ik je!"
"Wachtmeester," zegt Charles, en hij strekt zijn hand uit naar het
belendende bosch, "daar--daar--."
"Nu, wat zou dat?" zegt de wachtmeester bedaard--"geef acht, zeg
ik je!"