Bob had den jongen Wessels nu verlaten, en zich neerzettend op
een harde bank in de wachtkamer, dacht Louis nog eens na over het
zonderling avontuur, dat hij in dezen nacht had beleefd. Hij had
goede hoop, dat Bob nooit tot het vak zou terugkeeren, dat hij
dezen nacht voor den eersten keer had uitgeoefend, doch met Jim
stond het anders. Waarschijnlijk zou hij, zoo er niets buitengewoons
tusschenbeide kwam, wel struikroover blijven. Het was dezen nacht niet
de eerste keer, dat hij zijn slag wilde slaan, en zelf vroeger verleid,
was hij tegenover Bob reeds als verleider opgetreden. Zoo was er dan
weinig hoop voor hem, en op een goeien keer zou hij worden opgepakt, en
zijn tien- of twintigjarige eenzame opsluiting met dwangarbeid wel niet
ontgaan. Natuurlijk--dan kreeg hij zijn verdiende loon; er was niets
op tegen. Voor de struikroovers de kerker, en worden zij moordenaars,
het schavot! Doch welke straf behoorden dan die groote struikroovers
en moordenaren niet te ontvangen, die er in hun onleschbaren gouddorst
niet voor terug deinsden, om een geheel volk uit te roeien?
"Jingo's," zeide de jonge Boer tusschen zijn tanden door--"o
Jingo's!" En de oude wond scheurde weer open met nieuwe pijn. Maar
hij had er geen berouw van, dat hij met Truida Uys had gebroken, want
hij kon den sterken en vrijen nek niet buigen onder het Engelsche
juk--hij wilde waarlijk liever sterven!
De naderende trein stoorde hem in zijn gedachten, en hij kreeg in
den hoek van de gevulde coupé een bescheiden plaatsje.
De trein was nu op het punt van te vertrekken. De magere spoorklerk
stootte nog even zijn chef aan, zeggend: "Heeft u dien Transvaalschen
boer wel gezien? Hij is met de kous op den kop naar huis gestuurd--mij
den deze af, als 't niet waar is!" en hij greep naar zijn nek, die
nog dunner en magerder scheen dan gister.
Doch de chef had nu geen tijd, om naar de praat te luisteren van zijn
ondergeschikte; hij gaf het sein tot het vertrek, de bel luidde af,
de stoomfluit antwoordde, en de trein zette zich in beweging.
Louis Wessels staarde weemoedig het raam uit naar het heuvelachtig
terrein, dat zich langs de spoorbaan uitstrekte, terwijl de gesprekken
der medereizigers om zijn ooren gonsden. Naast hem zat een grof
gebouwde koopvrouw met een mandje snuisterijen op haar schoot, terwijl
haar vierjarig dochterke naast haar zat. De vrouw, die tegenover
de koopvrouw zat, openbaarde zich als eene baker, die de koopvrouw
overstelpte door een buitensporigen voorraad bakerverhalen. Maar de
breedgeschouderde koopvrouw scheen zich alles toch maar niet zoo
te willen laten aanleunen, en het kwam werkelijk tot een ernstig
dispuut, toen de baker per se wilde volhouden, dat de eksteroogen op
den linkervoet een beteren barometer afgeven dan de eksteroogen op
den rechtervoet. Er werden scheidsrechters te hulp geroepen, die de
netelige kwestie moesten uitmaken, doch een zeeman op de aangrenzende
bank spuwde tegen den vloer, en zeide op verachtelijken toon: "Wat
een vervelend geklets!" waarop de vrouwen eenige oogenblikken hun
onderhoud staakten.
Nu echter hield het vierjarig dochterke den tijd rijp, om ook eens
een woordje te zeggen, trok haar moeder aan de mouw, en uit het raam
op een grooten vogel wijzend, die met langzame, groote stappen een
heuvel afklom, vraagde zij: "Wat is dat voor een vogel, Moeke?"
"Een struisvogel," zeide de koopvrouw, die haar snuisterijen
rangschikte.
"Waarom vliegt hij niet, Moeke?"
"Zijn vleugels zijn te kort om te vliegen, kind!"
"Wat doet een struisvogel toch eigenlijk, Moeke?"
"Hij loert altijd op de ondeugende kindjes."
"Ik ben toch niet ondeugend, Moeke?"
"Neen, gij zijt een zoet kind, maar ge moet me niet suf maken met
je vragen."
"Heeft een struisvogel ook kindjes, Moeke?"
"Natuurlijk."
"Zijn die kindjes ook door een ooievaar gebracht, Moeke?"
"Neen," zeide de moeder, die driftig begon te worden, "door een
nijlpaard."
"Wat doet een nijlpaard, Moeke?"
"Die kruipt in 't water," zeide de moeder met een krachtige poging
om niet onvriendelijk te zijn.
"Verschoont hij zich dan?"
"Ja, dan verschoont hij zich."
"Is hij erg dik?"
"Ja, hij is erg dik."
"Hoe dik is hij, Moeke?"
"Zoo dik als een toren, en als ge nu je snater niet houdt, zal ik je
een draai om de ooren geven, dat je tegen de wereld vliegt."
Het gevolg was natuurlijk, dat de kleine op een vreeselijke manier
begon te huilen, wat de baker aanleiding gaf tot de stekelige
opmerking: "U heeft zeker nog niet veel met kinderen omgegaan" waarop
de koopvrouw op hoogen toon antwoordde: "Ik heb er dertien in alle
eer en deugd mogen groot brengen--nu gegroet, menschen! Kom Betje,
kom lieveling we moeten er uit aan dit station! En er is er gelukkig
geen een bij met een te lange tong, baker! Nu adjuudjes hoor!"
De coupé werd nu wat ruimer, doch Louis Wessels zag tot zijn ergernis
weer die onvermijdelijke Engelsche uniform binnenkomen. Het waren
een korporaal, reeds een bejaard man, en drie minderen: jonge
recruten. Alle vier behoorden bij de infanterie; zij kwamen naast
den jongen jager te zitten.
Er viel op hun houding niets aan te merken. Zij gedroegen zich kalm
en waardig, en hadden vriendelijke, goedhartige gezichten. Een der
recruten haalde een brief uit zijn borstzak, een tweede zat met groote
aandacht in een Nieuw Testament te lezen, terwijl de korporaal en de
derde recruut met elkander over den waarschijnlijken oorlog spraken op
een toon, die voor den jongen Wessels niets kwetsends kon hebben. Zij
namen natuurlijk het Engelsche standpunt in, en betreurden de strakheid
en eigenzinnigheid der Boeren, doch overigens spraken zij meer op
een toon van deernis en medelijden dan van haat en hartstocht.
"Maar zij hèbben de Boeren nog niet," meende Louis, zich in hun
gesprek mengend.
"Bènt u een Transvaalsche Boer?" vraagde de korporaal.
"Ik denk het wel," meende Louis.
"Als u invloed hebt op uwe regeering, maan haar dan aan tot
inschikkelijkheid, want ònze regeering gaat niet meer terug."
"En de Transvaalsche regeering evenmin," zeide Louis.
"Arme Boeren!" meende de korporaal; "zij zullen hun bloed storten,
en er niets mee winnen!"
"Wij hebben God en het recht aan onze zijde," zeide Louis bedaard.
"Ja, dat beweert ge," zeide de korporaal, "maar wij beweren het ook."
"Wij zullen onze vijanden verslaan," zeide Louis.
"Ach, dat meent ge, maar ge hebt geen begrip van Engelands macht. Ge
zult duizend Engelschen gevangen nemen, en er zullen er tien duizend
voor in de plaats komen; ge zult vijf duizend Engelschen doodschieten,
en vijftig duizend zullen hun ledige plaatsen innemen."
"Als God ons sterkt, om de Engelsche keurtroepen te verslaan, dan
zijn we klaar. De rest is maar prulgoed."
"Gij kent de macht van Engeland niet," zeide de korporaal op warmer
toon. "Het zal uw kommando's door het overstelpende aantal van zijn
soldaten eenvoudig dooddrukken."
"Wij zijn voor 80000 man Engelsche troepen niet bang."
"Welnu, dan zal Engeland er tweemaal en driemaal zooveel sturen."
De jonge Boer haalde zijn schouders op.
"Ik zou niet weten, waar Engeland ze vandaan moet halen."
"Dat zal je tot je schrik gewaar worden, man; Engeland heeft een
grooten buil en een onbeperkt crediet."
"Natuurlijk, Engeland zal wel zoo'n zoodje bij malkaar trommelen,"
spotte Louis--"allemaal huurlingen, die voor hun dapperheid per schoft
worden uitbetaald."
Doch het speet Louis, dat hij van huurlingen had gesproken; de
korporaal scheen beleedigd, en wilde blijkbaar het gesprek niet verder
voortzetten. Hij zweeg bot stil.
Op dit oogenblik sloeg een rukwind den tegenover den jongen Boer
zittenden recruut de veldmuts van het hoofd, en in de haast, ze nog
op te vangen, zou hij door het slechts aangeleunde portier uit den
in vollen gang zijnden trein zijn gestort, indien Louis hem niet had
vast gegrepen.
Het geheele geval had slechts een paar seconden geduurd, en was door
de meeste reizigers niet eens opgemerkt. Doch de geredde soldaat wilde
zijn dankbaarheid toonen, en bood den jongen Boer de laatste sigaar
aan, die hij had. Louis echter weigerde, daar het de laatste was,
en nam ze eerst aan, toen hij begreep, er den recruut een plezier
mee te doen.
Maar hij stak ze niet aan.
Zijn hart, reeds zoo diep gewond door hetgeen er nog geen dag
geleden was gebeurd, was vol droefheid, en weemoedig staarde hij het
portierraam uit naar buiten.
"Steek dan toch aan," zeide de jonge soldaat, de derde lucifer
aanschrappend; "ik denk, dat gij erger geschrokken zijt dan ik."
Nu stak de jonge jager dan toch aan.
"Weet gij, waaraan ik zooeven dacht?" zeide hij, en zijn stem werd
warm en innig; "daaraan, dat wij elkander, zoo wij elkander ontmoeten
op het oorlogsveld, zullen vermoorden als wilde beesten! Is het niet
ontzettend en vreeselijk? En ware het voor den misdadiger, die dezen
verschrikkelijken oorlog op zijn geweten heeft, niet beter geweest,
zoo er een molensteen om zijn hals ware gebonden, en hij in de zee
geworpen, waar zij het diepste is?"
De jonge soldaat knikte bevestigend.
"'t Is maar de vraag, wìe de misdadiger is," zeide hij.
"Die vraag is reeds beantwoord," zeide Louis.
"Door wien?"
"Door de volksconscientie van de geheele wereld," zeide Louis met
nadruk.
De soldaat, die in het Nieuwe Testament had zitten lezen, sloeg nu
zijn bijbeltje dicht.
"'t Is mogelijk, dat het recht aan de zijde der Boeren is," zeide
hij ernstig, "ik weet het niet."
"En durft gij bij die mogelijkheid toch nog tegen ons vechten?" vraagde
de jonge Wessels met smartelijke verwondering.
"Ik ben aan mijn officieren blinde gehoorzaamheid schuldig,"
antwoordde de soldaat; "ik zwoer trouw aan de vlag, en mag geen
meineedige worden."
Wessels wilde nog iets antwoorden, maar hij bedacht zich --wat
hielp het?
Het volgende station was nu bereikt. De trein stopte, en de vier
soldaten stapten uit. Zij reikten den jongen Boer tot afscheid de hand,
die hij hartelijk drukte. En morgen of overmorgen zouden zij tegenover
elkander staan als grimmige vijanden, en als de Boer geen kans kreeg,
om hun een doodelijken kogel door het hoofd te jagen, dan beliep hij
de kans, aan de vlijmendscherpe bajonet geregen te worden.
De jonge jager schudde zich alsof hij de koorts had, en staarde
zwijgend naar het heuvelachtige landschap, dat zich rustig en vredig
uitstrekte voor zijn blik.