HOOFDSTUK IX.

Moeder Wessels verschrok, toen zij opkijkend door de kleine ruiten van

het kookhuis, dat vlak bij het woonhuis stond, den hoogen voshengst van

Louis zag aankomen. Zij begreep onmiddellijk dat er iets ernstigs was

voorgevallen, doch voor den jongen man was het een groote verkwikking,

dat hij zijn leed en zijn gewonde ziel, door niemand bespied, aan

het trouwe moederhart kon uitstorten.

Hij zette zich bij haar neder in het kleine kookhuis, legde den arm

op de breede vensterbank, en deelde de treurige ontknooping van zijn

verloving mede.

Moeder Wessels luisterde met groote aandacht, schudde nu en dan met

het vriendelijke, verstandige gelaat, doch zeide niets. En eerst

toen haar zoon was uitgesproken, kwam er een stille glimlach om

haar lippen, terwijl zij zeide: "Ge hebt allebei als een paar domme

kinderen gehandeld."

"Moeder," zeide Louis ten hoogste verbaasd, "ik kon niet anders."

"Ge zijt allebei een paar onnoozele, domme kinderen," zeide tante

Sannie bedaard, "en ik geloof, dat gìj nog de domste van de beide

zijt. Maar ga nu naar binnen--John is er; John Walker."

John was een van Louis beste vrienden, en had vele jaren als een kind

des huizes verkeerd onder het gastvrije dak van Wonderfontein.

John's ouders waren Engelschen; zij waren in armoede gestorven, doch

aan haar sterfbed had de Afrikaansche Samaritaan aan de moeder, eene

besliste Christin, beloofd, dat hij voor haar eenig kind trouw zou

zorgen. Die belofte had haar sterven lichter gemaakt, en Gijs Wessels

had zijn belofte gestand gedaan. Zoo was de jonge John als klein kind

op Wonderfontein gekomen, had een klap om zijn ooren gehad, als hij

het verdiende, en had zich zeer voorspoedig ontwikkeld. Ook had hij

een vriendelijke inborst, voelde zich door banden van dankbaarheid en

eerbied aan zijn pleegouders verbonden en bewees door zijn gedrag, dat

hij hun met hartelijke toegenegenheid was toegedaan. Hij was van geen

Transvaler te onderscheiden, was een flink scherpschutter, al stond

hij daarin bij Louis Wessels ten achter--maar wie kon ook tegen dezen

jongen jager in het schieten op? en vond genade in de oogen der Boeren.

Maar het bleef toch jammer, dat hij geen geboren Afrikaander was, en

al had hij meer dan eens tot den ouden Wessels gezegd: "Uw God is mijn

God," dat andere woord, dat Wessels toch ook zoo gaarne gehoord had:

"Uw volk is mijn volk!" kwam niet over zijn lippen. De geheimzinnige

stem van het bloed dreef hem naar de zijde van Engeland, en hoe

ouder hij werd, hoe luider dat bloed begon te spreken. Misschien

was dit dan ook wel een der redenen, waarom hij, toen hij zijn

eigen brood kon verdienen, niet in de Transvaal wilde blijven,

maar een betrekking zocht in Natal. Die betrekking had hij dan ook

gemakkelijk gevonden, want hij was vlug, gevat en schrander. De band,

die hem aan Wonderfontein bond, was daarom echter niet verbroken,

neen, hij zou nooit verbroken worden, en John had er in het verborgen

tranen om geschreid, dat hij zijn pleegouders had moeten bedroeven,

toen hij aan den Engelschen kant was gaan staan.

Elk jaar bracht John Walker, als een gaarne geziene gast, verscheidene

dagen op Wonderfontein door, en het was altijd zijn stille hoop

geweest, dat Engelschman en Afrikaander elkander nog eens als oprechte

vrienden mochten ontmoeten. Maar zijn hoop scheen niet vervuld te

worden, en toen vier jaar geleden zware wolken den staatkundigen hemel

van Zuid-Afrika begonnen te verduisteren, was Jameson's rooftocht

als de bliksemstraal geweest, die den donkeren nacht verlichtte.

't Was voor den ouden Wessels intusschen wel een troost en een

verkwikking, dat John in de Uitlanderskwestie vierkant aan de zijde

der Boeren stond, en Chamberlain's Jingo-politiek goddeloos en

afschuwelijk noemde.

Toch ging hij niet met Louis mede, waar deze hoopte, dat de

Transvaalsche regeering als antwoord op de geduchte Engelsche

krijgstoerustingen zich zou dekken, aan Engeland den oorlog verklaren,

en Noord-Natal bezetten. Hij zag het gerechtvaardigde van zoo'n

optreden niet in, ja, hij veroordeelde het, en verklaarde onbewimpeld,

dat hij zich als vrijwilliger bij de Engelsche strijdmacht zou

aansluiten, zoolang de Natal-kolonie door de Boeren was bezet.

Doch het zou zoo'n vaart niet loopen; er was ontspanning gekomen;

de dreigende oorlog zou worden gekeerd. John had het te Pretoria

vernomen, en ofschoon hij een geduchten omweg moest maken, om het

afgelegen Wonderfontein te bezoeken, kon hem dit toch niet verhinderen,

om zijn oude vrienden met de laatste tijding te verrassen. Deze tijding

bestond hierin, dat Paul Kruger den oorspronkelijken eisch van Engeland

op de conferentie te Bloemfontein: "het vijfjarig kiesrecht" had

ingewilligd onder voorwaarde, dat Engeland zijn vermeende aanspraken

op de suzereiniteit geheel zou laten vallen, en voor het vervolg alle

geschillen met de Boeren door een scheidsgerecht zou laten vereffenen.

John hield zich overtuigd, dat het grootste oorlogsgevaar nu

geweken was, en Gijs Wessels had het nieuws met groote blijdschap

vernomen. "Gij zijt een Ahimaäs, een brenger van goede tijdingen,"

zeide hij vroolijk, een versche pijp stoppend.

Op dit oogenblik trad Louis de woonkamer binnen, en de ontmoeting

tusschen de beide vrienden was recht hartelijk.

Zij waren bijna even oud, en beide kloek en krachtig gebouwd, in den

glans hunner eerste mannelijke kracht. Doch hun stemmingen liepen

thans wijd uiteen, en zelfs de goede tijding, door John gebracht,

kon het neergedrukt gemoed van den jongen jager niet opbeuren.

"'t Geeft allemaal niets," zeide hij, "niemendal. Chamberlain zal

Kruger's voorstellen verwerpen, en de oorlog wordt onvermijdelijk."

"De liberale partij in Engeland is er ook nog," zeide John; "zij zal

geen onrechtvaardigen oorlog goedkeuren."

"De liberale Engelsche partij!" spotte Louis; "stop ze op, en breng

ze in een museum van oudheden; daar behoort ze thuis!"

Hij lachte, terwijl hij dit zeide: het was een lach vol bitterheid.

Intusschen kwam moeder Wessels nu ook binnen; zij bracht den zieken

onderwijzer mede. Louis had in de weinige dagen, waarin hij hem niet

had gezien, veel aan hem verloren.

Hij drukte de vermagerde hand van den kranke.

"Hoe gaat het?" vraagde hij medelijdend.

"Goed," zeide de zieke, "goed," zich in een krankenstoel nedervlijend,

die tante Sannie met moederlijke teederheid voor hem had recht

geschoven.

Louis echter schudde het hoofd.

"Begrijpt ge dat niet?" vraagde de teringlijder, "de reis kort op;

ik ben spoedig thuis."

"Zijt ge dan niet bang voor den duisteren kuil?" vraagde Louis.

"De duistere kuil wordt verlicht door het morgenrood der opstanding;

ontbonden te worden en met Christus te zijn--ach, 't is zeer verre

het beste."

Hij kreeg een hoestbui, en zijn lichaam schudde als een vermolmd huis,

als er de storm over heen gaat.

"Ach, moeder Wessels," zeide hij na een pauze; "ik krijg het koud--ik

zou naar bed willen."

Zoo hielp tante Sannie hem dan, en bracht hem naar het kleine

logeerkamertje.

De zieke leefde nog vijf dagen; toen is hij zacht uitgegaan. Moeder

Wessels, Louis en Danie waren bij zijn sterven tegenwoordig.

"Zijt gij nu in 't geheel niet bang om te sterven, Willem?" vraagde

Danie.

"Neen, mijn jongen," zeide de stervende; "ik heb de laatste dagen

veel aanvechtingen van den Booze gehad, maar ik weet nù zeker, dat

mijn zonden mij vergeven zijn. Jezus is mijn Heiland."

"En zijt gij blij om te sterven, Willem?"

"Ja, Danie."

"Waarom, Willem?"

"Nu bereik ik mijn bestemming, om God eeuwig te dienen zonder zonde."

Hij sloot de oogen om te bidden; de bevende handen sloten zich in

elkander voor den laatsten keer.

"Gedenk in uw gebed ook het arme Afrikaansche volk," fluisterde Danie.

De kranke sloeg de groote oogen wijd op.

"'t Is een stervende, Danie," meende Louis met een zacht verwijt in

zijn stem, doch de levenslamp van dezen stervende flikkerde nog eenmaal

op, en terwijl Danie de priesterlijk opgeheven handen ondersteunde,

bad de kranke met verrassend heldere stem voor het arme Afrikaansche

volk tot zijn God.

Doch plotseling brak zijn stem af, en zijn handen rustten zwaar in

Danie's handen.

"Hij is heengegaan," zeide moeder Wessels vol droefheid.

Danie boog zich over hem heen, en schudde het hoofd. Hij voelde

opnieuw den adem van den stervende.

En zijn mond bewoog zich nog; er scheen een psalmlied te zweven op

zijn veege lippen..... Maar het geluid stierf langzaam weg, als het

geluid van de wegstervende zomerluwte in de toppen van het woud....

Allen waren diep bewogen, en Danie snikte zijn jonge smart

hartstochtelijk uit.

De avondzon kuste het ingezonken, marmerbleek gelaat.

"Zoudt gij zijn handen niet uit elkander nemen?" vraagde moeder

Wessels.

"Neen," zeide Danie; "hij is met gevouwen handen en biddend voor ons

volk gestorven--met gevouwen handen ruste hij in zijn laatste woning!"

In die houding is hij dan ook begraven; de in elkander gestrengelde

handen rustten op het witte doodslaken.

De Leeuw van Modderspruit Een verhaal uit den Engelsch-Zuid-Afrikaanschen Oorlog 1899-1900 · 第 11 / 30 题