Moeder Wessels verschrok, toen zij opkijkend door de kleine ruiten van
het kookhuis, dat vlak bij het woonhuis stond, den hoogen voshengst van
Louis zag aankomen. Zij begreep onmiddellijk dat er iets ernstigs was
voorgevallen, doch voor den jongen man was het een groote verkwikking,
dat hij zijn leed en zijn gewonde ziel, door niemand bespied, aan
het trouwe moederhart kon uitstorten.
Hij zette zich bij haar neder in het kleine kookhuis, legde den arm
op de breede vensterbank, en deelde de treurige ontknooping van zijn
verloving mede.
Moeder Wessels luisterde met groote aandacht, schudde nu en dan met
het vriendelijke, verstandige gelaat, doch zeide niets. En eerst
toen haar zoon was uitgesproken, kwam er een stille glimlach om
haar lippen, terwijl zij zeide: "Ge hebt allebei als een paar domme
kinderen gehandeld."
"Moeder," zeide Louis ten hoogste verbaasd, "ik kon niet anders."
"Ge zijt allebei een paar onnoozele, domme kinderen," zeide tante
Sannie bedaard, "en ik geloof, dat gìj nog de domste van de beide
zijt. Maar ga nu naar binnen--John is er; John Walker."
John was een van Louis beste vrienden, en had vele jaren als een kind
des huizes verkeerd onder het gastvrije dak van Wonderfontein.
John's ouders waren Engelschen; zij waren in armoede gestorven, doch
aan haar sterfbed had de Afrikaansche Samaritaan aan de moeder, eene
besliste Christin, beloofd, dat hij voor haar eenig kind trouw zou
zorgen. Die belofte had haar sterven lichter gemaakt, en Gijs Wessels
had zijn belofte gestand gedaan. Zoo was de jonge John als klein kind
op Wonderfontein gekomen, had een klap om zijn ooren gehad, als hij
het verdiende, en had zich zeer voorspoedig ontwikkeld. Ook had hij
een vriendelijke inborst, voelde zich door banden van dankbaarheid en
eerbied aan zijn pleegouders verbonden en bewees door zijn gedrag, dat
hij hun met hartelijke toegenegenheid was toegedaan. Hij was van geen
Transvaler te onderscheiden, was een flink scherpschutter, al stond
hij daarin bij Louis Wessels ten achter--maar wie kon ook tegen dezen
jongen jager in het schieten op? en vond genade in de oogen der Boeren.
Maar het bleef toch jammer, dat hij geen geboren Afrikaander was, en
al had hij meer dan eens tot den ouden Wessels gezegd: "Uw God is mijn
God," dat andere woord, dat Wessels toch ook zoo gaarne gehoord had:
"Uw volk is mijn volk!" kwam niet over zijn lippen. De geheimzinnige
stem van het bloed dreef hem naar de zijde van Engeland, en hoe
ouder hij werd, hoe luider dat bloed begon te spreken. Misschien
was dit dan ook wel een der redenen, waarom hij, toen hij zijn
eigen brood kon verdienen, niet in de Transvaal wilde blijven,
maar een betrekking zocht in Natal. Die betrekking had hij dan ook
gemakkelijk gevonden, want hij was vlug, gevat en schrander. De band,
die hem aan Wonderfontein bond, was daarom echter niet verbroken,
neen, hij zou nooit verbroken worden, en John had er in het verborgen
tranen om geschreid, dat hij zijn pleegouders had moeten bedroeven,
toen hij aan den Engelschen kant was gaan staan.
Elk jaar bracht John Walker, als een gaarne geziene gast, verscheidene
dagen op Wonderfontein door, en het was altijd zijn stille hoop
geweest, dat Engelschman en Afrikaander elkander nog eens als oprechte
vrienden mochten ontmoeten. Maar zijn hoop scheen niet vervuld te
worden, en toen vier jaar geleden zware wolken den staatkundigen hemel
van Zuid-Afrika begonnen te verduisteren, was Jameson's rooftocht
als de bliksemstraal geweest, die den donkeren nacht verlichtte.
't Was voor den ouden Wessels intusschen wel een troost en een
verkwikking, dat John in de Uitlanderskwestie vierkant aan de zijde
der Boeren stond, en Chamberlain's Jingo-politiek goddeloos en
afschuwelijk noemde.
Toch ging hij niet met Louis mede, waar deze hoopte, dat de
Transvaalsche regeering als antwoord op de geduchte Engelsche
krijgstoerustingen zich zou dekken, aan Engeland den oorlog verklaren,
en Noord-Natal bezetten. Hij zag het gerechtvaardigde van zoo'n
optreden niet in, ja, hij veroordeelde het, en verklaarde onbewimpeld,
dat hij zich als vrijwilliger bij de Engelsche strijdmacht zou
aansluiten, zoolang de Natal-kolonie door de Boeren was bezet.
Doch het zou zoo'n vaart niet loopen; er was ontspanning gekomen;
de dreigende oorlog zou worden gekeerd. John had het te Pretoria
vernomen, en ofschoon hij een geduchten omweg moest maken, om het
afgelegen Wonderfontein te bezoeken, kon hem dit toch niet verhinderen,
om zijn oude vrienden met de laatste tijding te verrassen. Deze tijding
bestond hierin, dat Paul Kruger den oorspronkelijken eisch van Engeland
op de conferentie te Bloemfontein: "het vijfjarig kiesrecht" had
ingewilligd onder voorwaarde, dat Engeland zijn vermeende aanspraken
op de suzereiniteit geheel zou laten vallen, en voor het vervolg alle
geschillen met de Boeren door een scheidsgerecht zou laten vereffenen.
John hield zich overtuigd, dat het grootste oorlogsgevaar nu
geweken was, en Gijs Wessels had het nieuws met groote blijdschap
vernomen. "Gij zijt een Ahimaäs, een brenger van goede tijdingen,"
zeide hij vroolijk, een versche pijp stoppend.
Op dit oogenblik trad Louis de woonkamer binnen, en de ontmoeting
tusschen de beide vrienden was recht hartelijk.
Zij waren bijna even oud, en beide kloek en krachtig gebouwd, in den
glans hunner eerste mannelijke kracht. Doch hun stemmingen liepen
thans wijd uiteen, en zelfs de goede tijding, door John gebracht,
kon het neergedrukt gemoed van den jongen jager niet opbeuren.
"'t Geeft allemaal niets," zeide hij, "niemendal. Chamberlain zal
Kruger's voorstellen verwerpen, en de oorlog wordt onvermijdelijk."
"De liberale partij in Engeland is er ook nog," zeide John; "zij zal
geen onrechtvaardigen oorlog goedkeuren."
"De liberale Engelsche partij!" spotte Louis; "stop ze op, en breng
ze in een museum van oudheden; daar behoort ze thuis!"
Hij lachte, terwijl hij dit zeide: het was een lach vol bitterheid.
Intusschen kwam moeder Wessels nu ook binnen; zij bracht den zieken
onderwijzer mede. Louis had in de weinige dagen, waarin hij hem niet
had gezien, veel aan hem verloren.
Hij drukte de vermagerde hand van den kranke.
"Hoe gaat het?" vraagde hij medelijdend.
"Goed," zeide de zieke, "goed," zich in een krankenstoel nedervlijend,
die tante Sannie met moederlijke teederheid voor hem had recht
geschoven.
Louis echter schudde het hoofd.
"Begrijpt ge dat niet?" vraagde de teringlijder, "de reis kort op;
ik ben spoedig thuis."
"Zijt ge dan niet bang voor den duisteren kuil?" vraagde Louis.
"De duistere kuil wordt verlicht door het morgenrood der opstanding;
ontbonden te worden en met Christus te zijn--ach, 't is zeer verre
het beste."
Hij kreeg een hoestbui, en zijn lichaam schudde als een vermolmd huis,
als er de storm over heen gaat.
"Ach, moeder Wessels," zeide hij na een pauze; "ik krijg het koud--ik
zou naar bed willen."
Zoo hielp tante Sannie hem dan, en bracht hem naar het kleine
logeerkamertje.
De zieke leefde nog vijf dagen; toen is hij zacht uitgegaan. Moeder
Wessels, Louis en Danie waren bij zijn sterven tegenwoordig.
"Zijt gij nu in 't geheel niet bang om te sterven, Willem?" vraagde
Danie.
"Neen, mijn jongen," zeide de stervende; "ik heb de laatste dagen
veel aanvechtingen van den Booze gehad, maar ik weet nù zeker, dat
mijn zonden mij vergeven zijn. Jezus is mijn Heiland."
"En zijt gij blij om te sterven, Willem?"
"Ja, Danie."
"Waarom, Willem?"
"Nu bereik ik mijn bestemming, om God eeuwig te dienen zonder zonde."
Hij sloot de oogen om te bidden; de bevende handen sloten zich in
elkander voor den laatsten keer.
"Gedenk in uw gebed ook het arme Afrikaansche volk," fluisterde Danie.
De kranke sloeg de groote oogen wijd op.
"'t Is een stervende, Danie," meende Louis met een zacht verwijt in
zijn stem, doch de levenslamp van dezen stervende flikkerde nog eenmaal
op, en terwijl Danie de priesterlijk opgeheven handen ondersteunde,
bad de kranke met verrassend heldere stem voor het arme Afrikaansche
volk tot zijn God.
Doch plotseling brak zijn stem af, en zijn handen rustten zwaar in
Danie's handen.
"Hij is heengegaan," zeide moeder Wessels vol droefheid.
Danie boog zich over hem heen, en schudde het hoofd. Hij voelde
opnieuw den adem van den stervende.
En zijn mond bewoog zich nog; er scheen een psalmlied te zweven op
zijn veege lippen..... Maar het geluid stierf langzaam weg, als het
geluid van de wegstervende zomerluwte in de toppen van het woud....
Allen waren diep bewogen, en Danie snikte zijn jonge smart
hartstochtelijk uit.
De avondzon kuste het ingezonken, marmerbleek gelaat.
"Zoudt gij zijn handen niet uit elkander nemen?" vraagde moeder
Wessels.
"Neen," zeide Danie; "hij is met gevouwen handen en biddend voor ons
volk gestorven--met gevouwen handen ruste hij in zijn laatste woning!"
In die houding is hij dan ook begraven; de in elkander gestrengelde
handen rustten op het witte doodslaken.