DE ASIPHONIDEN (Asiphonida).
Tot de Plaatkieuwigen zonder mantelbuizen (Asiphonida) en meer
bepaaldelijk tot de afdeeling der Eénspierigen (Monomyaria) behoort
o.a. de familie der Oesters (Ostreidae).
Met uitzondering van de Zee-pareloester, heeft geen enkel Schelpdier
zulk een belangrijke economische beteekenis, verschaft aan zoovele
menschen een middel van bestaan en brengt zooveel geld in omloop
als de Oester. In alle zeeën leven soorten van dit geslacht; de nu
volgende mededeelingen hebben echter uitsluitend betrekking op de
Gewone Oester (Ostrea edulis) der Europeesche kusten. Ieder die een
Oester met eenige aandacht bekijkt, zal aan de schelp van dit dier
verscheidene karakteristieke eigenschappen opmerken. Zij is meestal
eivormig, dikwijls echter zeer onregelmatig; hare kleppen zijn
ongelijk; de linker klep, die aan den bodem vastzit, is van onderen
bol en bevat een ondiepe holte, waarover de kleinere, plattere en
dunnere rechter klep als een deksel heen ligt. Beide hebben een
grauwe, schilferige oppervlakte en bestaan overigens uit een witte,
poreuze kalkmassa. Vooral geldt dit van de onderste en dikste klep,
die aan allerlei voorwerpen vastgroeit. De aanhechting gaat niet uit
van den rand, maar van nader bij 't midden gelegen deelen; men kan
haar niet anders verklaren dan door aan te nemen, dat een door het
dier gevormde, op cement gelijkende stof door de bolle schelpkalk
heendringt en haar aan het onderliggende voorwerp vastlijmt. Naarmate
de schelp aangroeit, wordt rondom de reeds vastgehechte plaats nieuw
"cement" uitgescheiden. Ook het slot vertoont eenige opmerkelijke
eigenaardigheden. De aanvankelijk gelijkvormige spitsen vertoonen later
een groot verschil, daar de bovenklep in ontwikkeling achterblijft. De
slotband is "inwendig", d. w. z. onder de spits gelegen, aan de
ongeopende schelp niet waarneembaar en kraakbeenig van aard.
Een belangrijke afwijking van den regel vertoont de Oester door het
ontbreken van den voet, die spoorloos verdwijnt, nadat het jonge dier
zich heeft vastgehecht. Met het gemis van den voet gaat de afwezigheid
gepaard van gehoorblaasjes, die bij andere Weekdieren in dit orgaan
voorkomen. Oogen zijn evenmin voorhanden. Het dikkere randgedeelte
van den mantelzoom is door een groeve in tweeën gesplitst en met
een groot aantal voelertjes bezet. Dat het zeer gevoelig is, blijkt,
wanneer men het aanraakt.
De Oesters zijn tweeslachtig, brengen zoowel eieren ("melk")
als spermatozoïden voort, doch doen dit niet terzelfder tijd. De
geslachtsklier levert aanvankelijk uitsluitend mannelijke, later, doch
bij jonge exemplaren dikwijls eerst in een volgend jaar, geen andere
dan vrouwelijke cellen. Reeds in het eerste of tweede jaar begint deze
verrichting. Bij oudere individuën treft men, nadat het eierenleggen
heeft opgehouden, nog in den loop van hetzelfde jaar spermatozoïden
aan. Een deel van de Oesters gedragen zich dus gedurende een zekeren
tijd geheel als mannetjes, terwijl de overige dan feitelijk wijfjes
zijn. Zelfbevruchting kan niet voorkomen; de eieren worden bevrucht
door spermatozoïden, die met het water in de mantelholte van de
moeder doordringen. De ontwikkeling van de kiem begint reeds in het
afvoerkanaal van het geslachtsorgaan, dat het "broed" uitstort in
de kloakkamer van de mantelholte, vanwaar het door het water wordt
medegevoerd; het verlaat echter de schelp niet, maar blijft achter in
de ruimte tusschen mantelzoom en kieuwen. Hier, in den "baard", vindt
men het reeds bij twee- en zelfs bij éénjarige, het talrijkst echter
bij vier- of vijfjarige individuën. In warme en vroege zomers begint
de voortplanting reeds in Mei, in late zomers duurt zij tot in het
begin van September voort. Aanvankelijk (bij de "melkoester") gelijkt
het broed op een witte, slijmerige vloeistof, die korreltjes (eieren)
van 0.1 mM. middellijn bevat. Deze komen uit en ontwikkelen zich ten
koste van de hem omgevende eiwitachtige stof, die vermoedelijk aan
de oppervlakte van de kieuwen der moeder uitgescheiden wordt. Later,
als het broed een blauwgrijze kleur heeft aangenomen, heeten de
Oesters, waarin het voorkomt, "zaadoesters". De oesterlarve bewoont
langer dan een maand de kieuwkamer van haar moeder en ontwikkelt
zich niet verder, wanneer haar vóór het einde van dit tijdperk een
andere woonplaats wordt verschaft. Zij is in het bezit van een met
trilharen bezet "kopscherm", dat hoofdzakelijk als bewegingsorgaan
dient, doch tevens bij de ademhaling en waarschijnlijk ook bij het
toevoeren van voedsel aan het spijskanaal een rol speelt. De larve
heeft bij het verlaten van de moederschelp een middellijn van 0.15 à
0.18 mM. bereikt, is omhuld door een schelpje, dat uit twee gelijke,
bolle kleppen bestaat en vertoont bij de aars een beginsel van een
voet. Met het kopscherm vrij rondzwemmend in de bovenste waterlaag,
wordt zij soms door stroomingen ver weggevoerd. Hoe lang dit vrije
leven duurt, is niet bekend, volgens sommigen niet langer dan 2 dagen,
volgens anderen wel een week. Gaandeweg neemt de larve meer kalk in
haar schelp op en verkrijgt een grooter soortelijk gewicht. Wanneer
haar middellijn tot minstens 0.24 mM. is toegenomen, zinkt zij naar den
bodem, hecht zich hier vast en begint het ware oesterleven, gesteld
n.l., dat zij het zeldzame geluk had aan te komen op een plaats, die
voor haar verdere ontwikkeling geschikt is. De meeste oesterlarven
zijn zoo gelukkig niet. Tegenover de ontzaglijk groote sterfte onder de
jongen, staat echter de verbazende vruchtbaarheid der volwassenen. Het
aantal nakomelingen, dat een groot exemplaar in één jaar voortbrengt,
werd door Davaine op 1¼ millioen begroot. (Leeuwenhoek sprak van 20
millioen.) Men houde hierbij in het oog, dat de jongere en oudere
Oesters aanmerkelijk minder vruchtbaar zijn dan die van 4- of
5-jarigen leeftijd, dat het aantal als wijfjes fungeerende Oesters
op de oesterbanken hoogstens 30 percent en dikwijls niet meer dan
10 percent van alle geslachtsrijpe exemplaren bedraagt. Ook het
kweeken op een niet door het dier zelf gezochte woonplaats schijnt
een nadeeligen invloed uit te oefenen op zijn vruchtbaarheid.
In den regel vindt men de Oesters in grooten getale bijeen op
zoogenaamde "oesterbanken", op vele plaatsen ook wel sporadisch. Op
beide wijzen bewonen zij verschillende deelen van de Adriatische Zee,
van Venetië en Triëst tot Brindisi en de golf van Tarente. Minder
sterk schijnt haar verspreiding te zijn langs de kusten der
Middellandsche Zee, zoowel in het oostelijk als in het westelijk
gedeelte; sporadisch ontmoet men ze in de Zwarte Zee en bij de
zuidkust van de Krim. De oesters van Zuid-Europa en van Portugal
behooren niet tot de bij ons gewone soort (Ostrea edulis). Deze komt
voor in den Atlantischen Oceaan, van Vigo in Spanje tot Finistère in
Frankrijk, in het Kanaal en langs de Engelsche, Iersche en Schotsche
kusten tot bij de Shetlandsche eilanden. Dezelfde soort vertoont
zich op verschillende plaatsen in de Noordzee, gewoonlijk niet ver
van de kust, doch ook wel in de open zee. Te ver af, om als een
Nederlandsche oesterbank aangemerkt te worden, is die, welke zich
benoorden de eilanden Vlieland, Terschelling, enz. tot Helgoland
uitstrekt. Men vindt de Gewone Oester verder: langs de westkust van
Sleeswijk en Denemarken, in de Limfjord, de Aalbekbaai in het Kattegat
(bij Frederikshavn of Fladstrand) en langs de oostkust van Jutland tot
bij de Horsensfjord, van een punt ten zuiden van Götheborg, aan den
overkant van 't Kattegat, tot aan de Baai van Christiania en langs
de zuid- en westkust van Noorwegen tot de Thren-eilanden dicht bij
den poolcirkel. Het klimaat en de fauna worden in alle deelen van
het genoemde gebied beheerscht door den Golfstroom. De temperatuur
en het zoutgehalte zijn er hoog en onafhankelijk van plaatselijke
invloeden. Er komen geen Oesters voor bij de kusten van de Far-öer
en IJsland, daar deze bespoeld worden door een zeestroom, die direct
uit het Bahama-kanaal komt en dus geen oesterbroed bevat. Dat in het
zuidelijke deel van het Kattegat en in de Oostzee tegenwoordig geen
Oesters meer kunnen leven, hangt samen met het geringe zoutgehalte
van het water. In de Bothnische Golf kan het water nagenoeg zoet
heeten; in de Finsche Golf bevat het 6 per duizend, in de Kleine Belt
ongeveer 17 per duizend, in de open oceaan echter 35 à 36 per duizend
zout. Een duidelijk bewijs voor de stelling, dat het Oostzeewater
eertijds meer zout bevatte (en een grond voor het vermoeden, dat
er directe gemeenschap heeft bestaan tusschen de Bothnische Golf
en de Poolzee) is gelegen in de zoogenaamde "Kjökkenmöddinger"
("keukenafval"), uitgestrekte opeenhoopingen van schelpen (Oesters,
Mossels, Zandschelpen, Alikruiken, enz.), vischgraten, beenderen van
Vogels en Zoogdieren, gemengd met asch en houtskool, potscherven,
vuursteenen werktuigen en uit been of hertshoorn vervaardigde
voorwerpen. Een 50-tal van deze hoopen (dikwijls slechts 1 M. hoog,
bij een lengte van ongeveer 100 en een breedte van 50 M., soms echter
3 M. hoog en 300 M. lang) zijn langs de oostkust van Jutland en op
de Deensche eilanden gevonden en door Deensche geleerden nauwkeurig
onderzocht. Zij hebben het bewijs geleverd, dat duizenden van jaren
geleden de Oesters het Kattegat bewoonden (althans het zuidelijke
deel) en er talrijk genoeg waren om een hoofdbestanddeel te zijn van
het voedsel der oerbewoners dezer kusten.
Niettegenstaande haar verre verbreiding in noordelijke richting moet
Ostrea edulis beschouwd worden als een zuidelijke soort, aangezien
zij het veelvuldigst is (zich het sterkst ontwikkelt en voortplant) in
het Kanaal en verder zuidwaarts. Bij de Engelsche en Fransche kusten
schijnen de rijkste, natuurlijke oesterbanken voor te komen. Die
van de Hollandsche en Sleeswijksche kusten komen eerst in de tweede
plaats in aanmerking. Het is niet zoozeer de lage wintertemperatuur,
die voor de Oesters in noordelijker streken nadeelig wordt, daar zij
een tamelijk lagen warmtegraad kunnen verdragen en zich in 't noorden
op grootere diepten vestigen dan in het zuiden. Meer schade doet haar
de te lage zomertemperatuur; deze moet eenige dagen achtereen 18 à 20°
C. bedragen, opdat er overvloedig broed worde voortgebracht.
Ook de gesteldheid van den zeebodem heeft een zeer grooten invloed
op de ligging der oesterbanken. De Oesters vestigen zich nooit op
plaatsen, die sterk begroeid zijn met planten, evenmin daar waar
een dikke laag slib of beweeglijk zand aan de oppervlakte ligt,
of waar de grond geheel uit rotsblokken of steenen bestaat. Daar
echter de slib aan deze dieren veel voedsel kan leveren, bewonen
zij gaarne een harden bodem, die met een dunne laag slijk bedekt
is. Om dezelfde reden gedijen zij op derrie (veengrond, die door de
zee overstroomd is en bedekt werd met een kleilaag, welke later weer
wegspoelde). Voor een deel is het hieraan toe te schrijven, dat zij
zoo veelvuldig gevonden worden (of werden) in de Oosterschelde, in het
noordelijke deel van de Zuiderzee, in de Lauwers en aan de monden van
de Eems (bij Borkum en Juist). Met uitzondering van de Oosterschelde,
zijn deze oestergronden thans grootendeels leeggevischt en zullen,
ondanks de thans geldende verordening, dat er van 1o April tot 1o
October geen Oesters mogen worden geraapt of gekord, niet licht hun
vroegeren rijkdom herkrijgen. Hierdoor vermaard was nog in de vorige
eeuw het terrein, dat zich van de lijn Medemblik-Stavoren tot de zachte
waardgronden ten zuidoosten van Terschelling uitstrekt. "Dit gebied,"
schrijft Dr. P. P. C. Hoek [1], "bestaat uit ondiepe vaak zeer vlakke
platen (men noemt ze "zand", "waard", "wal" of "plaat"), door geulen
van elkander gescheiden. Langs de meeste dezer geulen treft men nog
Oesters aan: zoo in den Balg, het Amsteldiep, den Texelstroom, de Pan,
enz. enz. Een der rijkste punten is nog het zoogenaamde Waardje op den
zuidwesthoek van Wieringen. Het is een vlakke bank, ongeveer 2 KM. in
doorsnede. Bij laag water komt het water op deze plaats niet hooger
dan de knie; de Oesters worden dan ook niet gekord, maar geraapt. Elke
raper is voorzien van een fleschje met olie, waarin een veertje, dat
aan de kurk bevestigd is; deze olie wordt met behulp van de veer op
het wateroppervlak gesprenkeld: de golfslag wordt hierdoor gestild en
de raper in staat gesteld de voorwerpen op den bodem behoorlijk waar
te nemen. Tot de rijkere plaatsen in de Zuiderzee schijnen vervolgens
ook de ten zuidoosten van Terschelling gelegen Riepel (of Reepel) en
het zoogenaamde Zuiderrak te behooren." "De Oester, die hier verzameld
werd, was groot van stuk en als Texelsche Oester bekend. Verreweg het
grootste deel er van werd uitgevoerd naar Hamburg, doch ook Amsterdam
werd van hieruit voorzien. Het is echter zeer de vraag, of niet als
zoogenaamde Texelsche Oesters ook zulke verkocht werden, die uit de
open Noordzee afkomstig waren. In het midden der vorige eeuw rustten
de Texelaars jaarlijks 60, de bewoners van Schiermonnikoog evenveel
en de bewoners van de Zoutkamp 25 schuiten ter oestervangst uit. Op
de zoogenaamde waarden vischte men al loopende, in de diepere geulen
werden de Oesters gekord. Het eerste was meer het werk der Texelaars;
vandaar dat deze den naam hadden van oesterzoekers; het laatste werd
voornamelijk door de visschers van Schiermonnikoog en de Zoutkamp
(de zoogenaamde oesterkorders) in praktijk gebracht." Slechts
bij uitzondering werden de Oesters direct naar de markt vervoerd;
in den regel werden zij tijdelijk op zoogenaamde "oesterbedden"
uitgestrooid, die met wilgenstokken werden afgetuind. De visschers
van Schiermonnikoog en de Zoutkamp brachten de gevonden Oesters naar
Terschelling en wierpen ze bij de reede van Midsland neder; die van
Texel stortten ze benoordoosten van Texel, bijzonder gaarne op de
plaat, genaamd het Middelzand. Eenig denkbeeld van den rijkdom der
banken geeft het bericht van Paludanus, dat iedere schuit 100000
Oesters aan de markt moest brengen om den eigenaar een bestaan op
te leveren. De meeste dezer eens zoo rijke oestergronden zijn thans
uitgeput. De pogingen om ze bij Wieringen, in het Noorden (tusschen
Eierland en Texel) en in de Lauwers (onder Oostmahorn, tusschen den
Babbelaar en het Dokkumer-diep) opnieuw te bevolken, zijn mislukt.
Bezuiden Texel ontbreken de Oesters langs de geheele Noordzeekust
van Holland. Wel worden op Zuidhollandsch gebied, onder Herkingen en
Goedereede, terreinen gebezigd voor het "planten" en vetmesten van
Fransche Oesters (afkomstig van Bretagne, Auray en Morbihan). Van
oudsher worden echter Oesters gevischt langs beide oevers van de
Oosterschelde. De vroeger zeer groote opbrengst is in de eerste
helft dezer eeuw allengs afgenomen; maar bedroeg toch, volgens een
waarschijnlijk te lage schatting, nog in 1850 een millioen stuks. In
1870 is men begonnen op deze toen nog niet geheel uitgeputte banken
de oestercultuur uit te oefenen. Onderzoekingen, die in de jaren
1882 en 1883 met behulp van duikertoestellen verricht zijn op de
steenbestortingen langs den voet der schaardijken, hebben geleerd,
dat ook buiten de min of meer kunstmatig bevolkte terreinen tal van
Oesters leven. Deze worden met rust gelaten en vermenigvuldigen zich
zoo sterk als de beschikbare ruimte en de aanwezige voedselvoorraad
toelaten; het korren is hier van wege de waterstaat verboden en zou
trouwens op de hier gestorte granietblokken gevaar opleveren voor
de vischtoestellen.
Op plaatsen waar, zooals in het Kanaal, de Oesters groot worden
en veel broed voortbrengen, verkrijgen zij echter niet de grootste
handelswaarde. Reeds voor lang heeft men opgemerkt, dat deze dieren
het vetst en smakelijkst worden na overbrenging op terreinen, die
door eilanden of banken tegen den onmiddellijken invloed van den
Oceaan beschut zijn, waar het zoutgehalte van 't water getemperd is,
hetzij door een groote rivier, die zich hier in de zee stort, of
door een aantal kleinere stroompjes, die in een golf uitmonden. In
ons vaderland heeft men reeds voor lange jaren putten ingericht,
waarin men naar verkiezing versch zout water kan doen stroomen;
het overbrengen van de in zee gekorde Oesters in deze putten heet
"spenen." Hierdoor is men tevens in staat om, voordat het ruwe seizoen
de vangst te zeer bemoeielijkt, de voorraad te verzamelen, die, naar
verwacht wordt, in den winter kan worden gesleten. Op groote schaal
geschiedt dit o.a. bij Londen door de "Whistable Free Dredgers Oyster
Company", welke aan niet minder dan 3000 personen (mannen, vrouwen
en kinderen) werk verschaft en zich uitsluitend bezighoudt met het
koopen van broed, van half of geheel volwassen Oesters uit de open zee
(natives), die, op hare oestergronden aan den zuidelijken oever van
den mond der Theems neergelegd, weldra de gewenschte grootte en vetheid
bereiken. Het verblijf in zulke inrichtingen, waaraan het zoetwater en
de vloedgolf afwisselend groote hoeveelheden organische stof toevoeren
als voedsel voor de Oesters, geeft aanleiding tot een sterkeren
groei dezer dieren. Ook de schelp wordt er door gewijzigd, neemt een
regelmatiger vorm aan en blijft, wegens het geringer zoutgehalte,
dunner. Daarentegen neemt het voortplantingsvermogen af: de voor 't
vetmesten bestemde oesterparken kunnen op den langen duur onmogelijk
zich zelf in stand houden. Reeds een vermindering van zoutgehalte
met 5 per duizend brengt een geringere vruchtbaarheid teweeg; in
dezelfde richting voortgaande, zal men eindelijk een watermengsel
verkrijgen, waarin de Oester nog wel kan leven, maar ophoudt zich
voort te planten. Zonder voortdurenden aanvoer van broed uit zee
kunnen dus de oesterparken op plaatsen, waar het zoutgehalte gering
is, niet blijven bestaan.--Een eigenaardig verschijnsel in sommige
van deze inrichtingen is de groene kleur, die de weeke deelen van de
Oester er verkrijgen; o.a. de Oesters van het park te Marennes aan
de Fransche kust zijn om deze reden beroemd. De kleur is te danken
aan Diatomeën (Kristalwieren) van het geslacht Navicula, die in het
bedoelde water voorkomen en tot voedsel voor de Oesters dienen.
Het verbruik van Oesters, dat b.v. te Parijs minstens 75 millioen stuks
en te Londen meer dan tweemaal zooveel bedraagt, zou geen merkbare
vermindering van den rijkdom der natuurlijke banken teweegbrengen,
indien niet andere oorzaken medewerkten. Een daarvan is het groot
aantal dieren, uit alle klassen, die op de door ons zoo hoog geschatte
Weekdieren belust zijn. Tallooze Visschen verslinden het jonge broed,
dat trouwens in ontzaglijke menigte de zee in de nabijheid van de
banken bevolkt. Krabben en Kreeften wachten het oogenblik af, waarop
de Oester haar schelp opent, om zich te vergasten aan haar smakelijk
vleesch; dit kunnen zij zonder bezwaar doen, daar de sterk gepantserde
schaar bestand is tegen de drukking, die de Oester er bij 't sluiten
van de schelp op uitoefent. De Zeesterren zien kans de inhoud van de
schelp op te zuigen. Verscheidene Slakken, vooral Murex tarentinus,
Murex erinaceus, Purpura lappillus en Nassa reticulata, in Frankrijk
"perceurs" genoemd, boren met de slurf gaten in de schelp en verslinden
op deze wijze den buit. Op andere plaatsen hebben Mossels (Mytilus
edulis) zich in zoo grooten getale op de oesterbanken gevestigd,
dat zij de oorspronkelijke bewoners uitroeiden. Voorts heeft men nog
een ander dier, in Frankrijk "Maërle" genaamd, waarschijnlijk een
Kokerworm uit het geslacht Sabellaria, als vijand van het kostelijke
Weekdier leeren kennen. Indien deze wezens geen verdelgingskrijg
tegen de Oesters voerden, indien niet milliarden van jongen door
de golven opgenomen en verbrijzeld, of onder zand en slijk verstikt
werden, zouden vele zeeën reeds sinds lang goed gevulde oesterbedden
geworden zijn. De grootste schade hebben de oesterbanken echter geleden
door de ondoelmatige wijze van inzameling hunner bewoners door den
mensch. Waar de banken te diep liggen om bij eb de Oesters te "rapen",
maakt men gebruik van een net, waarvan de opening gevormd wordt door
een zwaar ijzeren raam, welks over den bodem sleepende kant bij wijze
van een eg van tanden voorzien is. Dit net is met een touw aan een boot
bevestigd, die langzaam voortzeilt, zoodat het raam diep in den grond
doordringt en bij zijn beweging diepe gaten en groeven in de banken
scheurt. Daar deze kuilen zich binnen korten tijd met slib vullen,
kunnen zich hier geen Oesters meer vasthechten, terwijl bovendien
ook de omliggende dieren, die aan het net ontkomen zijn, bedolven
geraken. Op deze wijze wordt een oesterbank in korten tijd uitgeput.
Tallooze jonge Oesters bezwijken, omdat de bodem, waarop zij
neervallen, haar geen gelegenheid tot aanhechting biedt. De
oestercultuur heeft zich tot taak gesteld het grootst mogelijke
aantal van deze dieren in 't leven te behouden en op te kweeken tot
een handelsartikel. Met dit doel worden buiten de Oosterschelde van
half Juni tot begin Juli, of van Juli tot half Augustus zoogenaamde
"collecteurs" aangebracht op de door lange ervaring bekende terreinen,
waarover het van de oesterbanken afkomstige broed gewoonlijk
door de zeestroomingen wordt verspreid. Hiervoor dienen meestal
vorstpannen. Daar deze met een dikke laag metselkalk bestreken zijn,
kan men de jonge dieren er naderhand afsteken, zonder de nog brooze
schelp te beschadigen; te gelijk met deze geraakt n.l. een deel van de
kalklaag los. Indien men de Oester op de pan had laten blijven, zou
zij wegens haar platten vorm niet gewild zijn. Van de "panperceelen"
worden de collecteurs vóór 1 December naar de "oesterputten"
overgebracht om te overwinteren; het afsteken heeft aan den vasten
wal plaats, meestal in 't voorjaar; de afgestoken Oesters vinden
aanvankelijk een ligplaats in de "kweekbakken" of "hospitalen";
ondiepe bakken, bestaande uit een rand van hout of ijzer en een
bodem van metaalgaas of doorboord zink, die de vrije doorstrooming
van het water toelaat. Hier zijn de jonge dieren veilig tegen hunne
talrijke vijanden en tegen het gevaar van verstikking onder zand of
slib,--ook tegen de koude, bij tijdige overbrenging dezer bakken van
de ondiepe "zaaiperceelen" naar de "putten". De Oesters worden daarna
vrij op diepere "zaaiperceelen" neergelegd om er te blijven, tot zij
verkoopbaar zijn. Bovendien zijn voor den "broedval" nog zoogenaamde
"natuurperceelen" in gebruik, die men, voornamelijk door er schelpen
op te brengen, voor de aanhechting der oestertjes geschikt maakt. In
den regel laat men het op deze perceelen aangeslagen broed gedurende
den winter liggen en brengt het niet naar de putten over. De putten
zijn afgeperkte terreinen, die hun water bij eb behouden. Sommige
(de "vloeiputten") liggen op een deel van den oesterbank, dat bij eb
droog loopt en behouden dan hun water, daar zij door een laag walletje
omgeven zijn. Andere (de "overloopsche putten") zijn tegen den voet
van den dijk aangebracht en aan de openwaterzijde afgesloten door
een dijk, die bij vloed overstroomd wordt, hetgeen noodig is voor de
waterverversching. Door duikers kan men, zoo noodig, al het water er
bij eb uit laten wegvloeien en de put zorgvuldig reinigen. De diepte
is voldoende om de pannen met de jonge oesters te beschermen tegen de
nadeelige gevolgen van koude en stormweer. Sommige oesterondernemingen
hebben binnendijks groote putten, welker vloer geheel gemetseld is
en waarvan de wanden met sterke houten beschoeiingen bekleed zijn.
In 1886 schreef Dr. Hoek: "Thans is het geheele oestergebied van
de Oosterschelde voor een gezamenlijk bedrag van ruim f 500000 aan
verschillende pachters afgestaan. Het rijkste gedeelte is echter
ongetwijfeld de ongeveer 1000 bunders groote bank, die men de Yersche
oesterbank noemt. Deze is oorspronkelijk voor 10 jaren verpacht
geweest; in 1880 werd den pachters vergund de pacht met 5 jaren te
verlengen. Van 1870 tot 1885 heeft deze oesterbank ruim f 2000 's jaars
aan pacht opgebracht. In 1883 heeft de nieuwe publieke verpachting,
die met 1 April 1885 zou ingaan, plaats gehad. Hoewel het mogelijk,
en voor sommige perceelen zelfs zeker is, dat grootere sommen besteed
zijn, dan in alle opzichten door de opbrengst gebillijkt wordt, zoo
mag het toch ongetwijfeld als een welsprekend bewijs voor den bloei
van dezen tak van nijverheid gelden, dat diezelfde bank voortaan
niet minder dan f 379000 aan jaarlijksche pacht opbrengt." Het
vervoer van Oesters langs de spoorwegen naar verschillende binnen- en
buitenlandsche markten, dat in 1890 tot ruim 4.5 millioen KG. gestegen
was, is sedert dien tijd aanmerkelijk afgenomen en bedroeg in 1892
weinig meer dan 1 millioen. Hoewel het in 1896 weer tot nagenoeg
2 millioen KG. vermeerderde, waren de financieele resultaten ook
in 't laatstgenoemde jaar ongunstig. Het Verslag van de Kamer van
Koophandel en Fabrieken te Bergen op Zoom over 1896 bevat hierover
de volgende mededeeling: "De concurrentie met Fransche en Engelsche
Oesters nam belangrijk toe. Daar deze, vooral door de aanzienlijke
mindere pachtsommen der gronden, voordeeliger gekweekt kunnen worden,
vonden zij, behalve in hun eigen land, in België en Duitschland grooten
aftrek. Dit had ten gevolge, dat het Zeeuwsche product slechts tot
veel te lagen prijs van de hand te doen was. Daarbij kwam, dat vele
kweekers, door concurrentiezucht en geldbehoefte gedreven, inferieure
soorten naar verschillende vischmarkten in consignatie afzonden,
waardoor gevaar voor vermindering van de renommée en de waarde der
Zeeuwsche Oesters kan ontstaan. Deze tak van nijverheid verkeert in
staat van verval; zoo niet spoedig zeer ingrijpende hervormingen
plaats hebben, is het te vreezen, dat de tijd weldra zal komen,
waarin deze industrie met ondergang wordt bedreigd."
De Mantelschelpdieren (Pectinidae) hebben, evenals de Oesters,
slechts één sluitspier en een geheel open mantel. Zij bezitten echter
steeds een kleinen voet, die bij vele soorten in verband staat met
een eigenaardigen, voor 't spinnen van draden geschikten toestel,
het byssusorgaan. Aan den bovenachterrand van den voet bevindt
zich n.l. een kleine verhevenheid met een kuiltje er in, dat den
"byssusstam" bevat; een van hier uitgaande, gootvormige groeve zet
zich voort over de achterzijde van den voet tot dicht bij de spits,
waar zich de "byssusklier" bevindt, die een kleverige, onder water
spoedig verhardende stof afscheidt. Om een draad te spinnen, buigt
het dier den voet achterover naar de "byssusholte" en raakt den hier
reeds aanwezigen "byssusstam" aan met de kleverige vloeistof, die door
de afvoeropening van de klier naar buiten treedt. Door vervolgens
den voet te strekken, wordt in diens overlangsche groeve een draad
gevormd, welks uiteinde, vastgehecht aan het een of ander voorwerp,
zich tot een schijfje afplat of tot een bolletje verdikt. De op deze
wijze gevormde bundel van draden wordt byssus of baard genoemd.
"Toen ik," verhaalt Oscar Schmidt, "gedurende de maanden Mei en Juni
van 1850 in de Bergener-fjord zeedieren verzamelde met het sleepnet,
vond ik hierin eens een 12 cM. dikke kluit van zeer onregelmatigen
vorm, welks bestanddeelen, steentjes en schelpgruis, door een
groot aantal in allerlei richtingen dooreengewarde, geelachtige en
bruine draden bijeen gehouden werden. "Een mosselnest!" riepen mijne
roeiers, en werkelijk, toen ik de kluit omdraaide, blonk mij uit een
tamelijk nauwe spleet de schitterend witte schelp van de Vijlmossel
(Lima hians) te gemoet. Deze is langwerpig en gelijkkleppig; zij
gaapt aan beide einden, het meest echter van voren. De talrijke
oranjekleurige randdraden van den mantel, die door de openingen naar
buiten treden, maken, zelfs wanneer het dier overigens rustig is,
allerlei wormvormige bewegingen en worden, als het dier op zijn hoogst
zonderlinge wijze zwemt, als een vurige staart medegesleept. Zoodra
men n.l. de Mossel uit haar omhulsel verwijderd en in 't water gezet
heeft, opent en sluit zij hare schelpkleppen beurtelings met kracht en
zwemt op deze wijze bij rukken in elke richting. Bij haar bevrijding
uit het nest zijn enkele van de fraaie randdraden losgescheurd;
deze schijnen hierdoor eerst recht levendig geworden te zijn,
kronkelen zich op den bodem van den waterbak als Aardwormen en kunnen,
wanneer men het water frisch houdt, zich een paar uren achtereen als
levende wezens gedragen. Terwijl het dier zich in 't nest bevindt,
steken de draden--die van den naar binnen gekeerden rand van den
(bijna overal open) mantel uitgaan en hieraan een dichte franje
vormen--buiten de opening van 't nest uit, zoodat er bijna niets van
de schelp te zien is. De manteldraden zijn aan haar oppervlakte met
wimpers bezet, die door haar aanhoudende beweging aan de mondopening
kleine microscopische dieren en aan de kieuwen ademhalingswater
toevoeren. Waarom een Schelpdier, dat zich zoo flink kan bewegen,
een nest bewoont, waaruit het blijkbaar nooit te voorschijn komt, is
niet recht duidelijk. Wanneer men het nest van nabij beschouwt, kan
men zich een voorstelling vormen van de wijze, waarop het vervaardigd
wordt. Het dier maakt allerlei voorwerpen, die het in zijn nabijheid
vindt, door grove byssusdraden aan elkander vast, totdat de ruwe
buitenwanden van de woning zijn opgebouwd; de hierbinnen overblijvende
holte wordt bekleed met fijnere draden; ook in dit opzicht gelijkt
dit bouwwerk op een kunstig en gemakkelijk vogelnest, dat van buiten
weinig de aandacht trekt. De Mossel, die door haar gapende schelp
onvoldoende beschut wordt, omgeeft haar woning met een vesting, die
zelfs de vraatzuchtigste roofvisschen niet graag zullen verzwelgen. De
draden, die de bouwstoffen van het nest verbinden, worden door het
drogen zeer broos; daarom kan dit merkwaardige en volstrekt niet
zeldzame gebouw moeielijk in een naturaliën-kabinet bewaard worden."
Het typische geslacht der Mantelschelpen of Kamoesters (Pecten) is
den lezer misschien bekend door het gebruik dat van de schelpen der
grootste soorten gemaakt wordt als schotel voor fijne ragouts (ragout
fin en coquilles). Met dezelfde schelpen zijn de pelgrims, die uit
het Oosten terugkeeren, gewoon hoed en kleederen te versieren. Bij
alle soorten is de schelp regelmatig en niet aan andere voorwerpen
vastgegroeid; vele zijn ongelijkkleppig, daar de eene klep als een plat
deksel op de andere ligt en deze schotelvormig is. Opmerkelijk zijn
ook de ooren, die aan weerszijden van den top voorkomen, en de ribben,
die zich bij de meeste soorten straalsgewijs van den top naar den rand
uitstrekken. De mantel is aan den rand verdikt en met verscheidene
rijen van vleezige tasters bezet, waartusschen een groot aantal
oogen geplaatst zijn. Deze trekken bij de Mantelschelpdieren door hun
diamant- of smaragdachtigen glans meer dan bij andere Plaatkieuwigen
de aandacht. Zij zijn in de buurt van het slot (en meer bepaaldelijk er
achter) het dichtst bijeen gezeten en worden op de convexe of onderste
mantelhelft minder talrijk gevonden dan op de platte, bovenste. Bij
de grootste soorten bereiken zij een middellijn van 1 mM.; tusschen
deze groote oogen zijn kleinere gezeten; alle vertoonen echter een
merkwaardigen glans, veroorzaakt door een eigenaardige gesteldheid
van het regenboogsvlies, dat de lichtstralen terugkaatst. Het dier
kan met deze oogen geen verafgelegen voorwerpen zien; zij dienen
voor het doel, waarvoor wij kleine lenzen gebruiken en zijn alleen
voor het waarnemen van voorwerpen in de onmiddellijke nabijheid
geschikt. Als schildwachten hebben zij aan den rand van den mantel
een geschikte plaats. Verkeerd zou het zijn, het gezichtsvermogen van
de Mantelschelpdieren met hun geschiktheid tot springen en zwemmen
in verband te brengen. Evenals bij de Vijlmossels, geschiedt de
laatstgenoemde beweging door het plotseling sluiten van de schelp
met behulp van de krachtige sluitspier.
Dat er geen reden bestaat om verband te zoeken tusschen de bedoelde
bewegingen en het gezichtsvermogen, blijkt ook uit de aanwezigheid
van oogen bij de nauw verwante Klepoesters (Spondylus). Deze groeien
n.l. met de bolle schelpklep aan onderzeesche voorwerpen vast. Zij
onderscheiden zich door het bezit van lange stekels op de ribben der
schelp. In de Middellandsche Zee vindt men op betrekkelijk groote
diepte veelvuldig de Lazarusklep (Spondylus gaederopus), die een
purperkleurige bovenste klep heeft.
Verscheidene Mantelschelpdieren worden gegeten en munten uit door
fijnheid van smaak.
Twee sluitspieren, waarvan de achterste groot, de voorste
daarentegen zeer klein en onder het slot gelegen is, vindt men bij
de Ongelijkspierige Asiphoniden (Asiphonida Heteromyaria); zij hebben
den voet weinig, het byssusorgaan meestal krachtig ontwikkeld.
De Vleugelschelpdieren (Aviculidae) heeten zoo wegens de oor- of
vleugelvormige uitbreiding, die in den regel naar voren en naar
achteren (of althans in een van deze beide richtingen) van het slot
uitgaan en den slotrand rechtlijnig maken. De schelp is dikwijls
eenigszins ongelijkkleppig; de (in dit geval meer uitgeholde) rechter
klep is naar den bodem gekeerd; voor vasthechting dienen byssusdraden,
die door een insnijding onder het voorste oor van de rechter klep
(of door een haar vervangende opening onder den top) naar buiten
treden. De slottanden zijn klein of ontbreken. De schelp bestaat uit
een binnenste parelmoerglanzige en een buitenste, soms bladerige,
prismatische kalklaag; haar opperhuid is onbeduidend. Het indruksel
van de achterste (grootste) sluitspier is op korten afstand boven het
midden der schelp gelegen. Het voorste spierindruksel bevindt zich
gewoonlijk bij de basis van het voorste oor. Het ontbreekt geheel
bij de Hamerschelpen (Malleus), welke dezen naam ontleenen aan het
ruggedeelte van de schelp, langs den rechtlijnigen slotrand. Dit
gelijkt op een hamerkop en bestaat uit een vóór en een achter den
top gelegen, lang en smal uitsteeksel; de steel van den hamer wordt
dan voorgesteld door het zeer korte, lepelvormige buikgedeelte van de
schelp, dat onder den top aanvangt en loodrecht naar beneden gericht
is. Soorten van dit geslacht vindt men bij de kusten van Ceylon,
China en Australië.
Van de levenswijze der Aviculiden valt niets bijzonders op te
merken. Sommige, vooral de Pareloesters (Meleagrina) spelen echter een
belangrijke rol wegens de kostbare producten (parels en parelmoer), die
zij aan den handel leveren. De slotrand is bij alle Meleagrina-soorten
naar voren, bij vele ook naar achteren oorvormig verlengd. Het slot
is volkomen tandeloos, of heeft in elke klep een stompen tand. De
rechter klep is vóór het voorste oor uitgesneden tot het doorlaten
van den baard. Men kent een 30-tal soorten van dit geslacht, die
alle de keerkringszeeën bewonen, met uitzondering van één in de
Middellandsche Zee levende soort. Gewoonlijk zijn alle exemplaren, die
op een bepaalde standplaats voorkomen, leden van dezelfde soort. Haar
uitzicht verschilt zeer in verband met de gesteldheid van den tamelijk
diepen zeebodem, waarop zij wonen, en met de planten en dieren, die
zich op hare schelpen vestigen; hiernaar worden zij met verschillende
namen aangeduid. De dikte van de laag schelpen, die den bodem bedekt,
is ongelijk; volgens de verzekering van betrouwbare duikers bedraagt
zij niet meer dan 1.5 à 2 voet; de banken zijn op een diepte van 3
à 15, gewoonlijk 5 à 8 vademen gelegen.
De belangrijkste en verst verbreide soort is de Echte Pareloester
(Meleagrina meleagris). Zij wordt gevonden in den Perzischen zeeboezem,
aan de kusten van Ceylon, bij de eilanden van den Grooten Oceaan, in de
Roode Zee, in de Golf van Panama en van Mexico en aan de Californische
kust. Verscheidene variëteiten komen voor, die vooral door de
grootte en de dikte van de parelmoerlaag van elkander verschillen:
de Ceylonsche heeft een kleine, voor den handel onbruikbare schelp;
de Soendaneesche wordt 0.5 à 1 KG. zwaar en bevat een dikke, prachtig
glinsterende parelmoerlaag.
"De kostbaarste parels," schrijft Von Heszling, "worden gewoonlijk
gevonden in het gespierde deel van den mantel dicht bij het slot;
in alle andere lichaamsdeelen, aan de binnenste oppervlakte van
de schelp en in de sluitspier kunnen echter parels voorkomen. Zij
verschillen zeer in omvang; zelden overtreft haar grootte die van
een kers; die welke een kleinen speldeknop evenaren, zijn zeer
talrijk en heeten "seedpearls". Kapitein Stuart vond 67, Cordiner
150 parels in één Oester; niet zelden komt het echter voor, dat men
honderden schelpen achtereenvolgens opent, zonder een enkele parel
te vinden. Opmerkelijkerwijze hebben de visschers van Pareloesters
dezelfde ervaring opgedaan als die van Zoetwaterparelmossels: zij
verwachten n.l. nooit fraaie parels in volkomen ontwikkelde, gladde
schelpen, maar rekenen er vast op, ze te zullen vinden in dieren
met verdraaide en misvormde schelpen en in die, welke op de diepste
gedeelten van den zeebodem liggen."
De parelvisscherijen aan de Perzische Golf zijn tegenwoordig in
het bezit van den Sultan van Maskate; de parelhandel wordt bijna
uitsluitend gedreven door Banianer groothandelaars, die in Maskate een
eigen handelsgilde vormen. Het belangrijkste parelgebied strekt zich
van de havenplaats Sjardsja westwaarts tot aan Biddulph's eiland uit;
langs deze kust mag ieder vrij visschen. In het gunstigste jaargetijde,
van Juni tot het midden van September, houden zich hier ruim 30000
menschen in 4000 à 5000 vaartuigen, van gemiddeld 10 à 18 ton inhoud,
met de parelvisscherij bezig. Geen hunner werkt voor een vast loon,
alle krijgen een zeker aandeel in de winst. De visschers verdeelen
zich vooraf in twee groepen: sommige blijven in de booten om de
overige, die onderduiken, weer op te trekken. Iedere duiker heeft
een kleinen korf bij zich, springt over boord en zet de voeten op
een steen, die aan een touw bevestigd is. Op een door hem gegeven
teeken laat de visscher, die in de boot zit, het touw los, waarna
het met den duiker naar den zeebodem zinkt. Indien hij aankomt op
een plaats, waar de Pareloesters dicht opeengepakt zijn, is het hem
mogelijk er in éénmaal 8 à 10 los te scheuren. Door een ruk aan het
touw noodigt hij de lieden in de boot uit om hem zoo snel mogelijk
weer op te trekken. Gemiddeld vertoeft hij 40 seconden achtereen
onder water. Ongelukken door Haaien komen niet dikwijls voor; meer
vrees boezemt de Zaagvisch in: het is wel eens voorgekomen, dat dit
gevaarlijke dier een duiker letterlijk doormiddensneed. Om beter
den adem te kunnen inhouden, zet de duiker zich een hoornen knijper
op den neus. Hij acht het niet noodig, bij iedere verschijning aan
de oppervlakte aan boord te gaan, maar rust uit, terwijl hij zich
vasthoudt aan de touwen, die van de boot afhangen; meestal zijn 3
minuten verpoozing voldoende om hem van de vermoeienis van 't duiken
te doen bekomen, waarna hij zich opnieuw in de diepte stort.
De parels worden in den regel door rotting van de weeke deelen uit de
schelpen te voorschijn gebracht. Dit geschiedt te Aripo op Ceylon in
vierhoekige, door hooge muren omgeven ruimten, welker hellende bodem
van groeven is voorzien voor het laten wegvloeien van het vocht uit
de met water gevulde reservoirs, waarin de Pareloesters liggen te
rotten. De parels, die door het met rottingsproducten beladen water
worden medegevoerd, blijven achter voor schotten van gaas, die in de
geulen zijn aangebracht.
In 1889 bedroeg de opbrengst van de parelvisscherijen aan den
Perzischen zeeboezem f 3600000. Op Ceylon, waar de Engelsche regeering
het monopolie van de vangst heeft, worden ieder jaar bepaalde banken
bevischt, die vervolgens 6 à 7 jaar achtereen onaangeroerd blijven
liggen. Hierdoor is de jaarlijksche opbrengst aan groote afwisseling
onderhevig; zij bedraagt soms niet meer dan f 300000 en stijgt in
andere jaren tot f 2400000.--De parelvisscherij in Mexico leverde
in 1889 een bedrag van 85000 dollars op.--Bij scheepsladingen worden
van verschillende oorden de parelmoerschelpen naar Europa vervoerd.
De schelp van de Steekmossels (Pinnidae) is, in tegenstelling met
die der Pareloesters, nagenoeg geheel door de dunne prismatische
kalklaag gevormd en slechts aan haar voorste en oudste gedeelte met
een nauwelijks waarneembare parelmoerlaag bekleed. Hare gelijke,
van buiten meestal geschubde kleppen zijn langwerpig, driezijdig:
aan het scherphoekige vooreinde bevindt zich de rechte spits; het
achtereinde is breed en gapend. De voorste helft van de langste rechte
zijde wordt door den smallen, inwendigen slotband ingenomen. Onder de
spits treft men de kleine, voorste, op korten afstand van het midden de
groote, achterste sluitspier aan. De mantel is geheel open. De slanke,
wormvormige voet heeft den dichten bundel van byssusdraden gesponnen,
die aan de buikzijde op korten afstand van den top uit de schelp
te voorschijn komt. De Steekmossels bewonen de zeeën van de heete
en gematigde aardgordels; vooral in stille zeeboezems met slikgrond
leven zij, op een diepte van eenige voeten, meestal in grooten getale
bijeen. De grootste soort is de (soms wel 80 cM. lange) Geschubde
Steekmossel (Pinna squamosa) der Middellandsche Zee. Evenals de 20
à 30 cM. lange Edele Steekmossel (Pinna nobilis), wordt zij, vooral
in de golf van Tarente, veelvuldig gevischt. Haar vleesch levert een
niet bijzonder smakelijk gerecht. De 10 à 25 cM. lange, geelachtig
bruine byssus wordt o.a. in Tarente, Reggio en Cagliari (al of niet
met zijde gemengd) tot draden versponnen en vervolgens tot allerlei
fraaie en duurzame voorwerpen (handschoenen, beurzen, enz.) verwerkt,
die echter niet als artikelen voor dagelijksch gebruik, maar veeleer
als curiositeiten beschouwd worden. In de schelpen van Pinna-soorten
worden dikwijls zoogenaamde Mosselkrabbetjes (Pinnotheres), gevonden.
De Mossels i.e.z. (Mytilidae) hebben, evenals de leden der vorige
familie, een gelijkkleppige, meestal dunwandige schelp met een aan
(of dicht bij) het vooreind gelegen spits en een langen, smallen,
min of meer inwendigen slotband. De schelp is bij sommige geslachten
driehoekig, bij andere langwerpig eivormig, steeds van buiten met een
dikke, hoornachtige opperhuid bekleed, van binnen parelmoerglanzig. Het
slot is tandeloos, of heeft een nauwelijks merkbaar tandje. De
kloak is steeds door een strookje, dat de mantelranden van achteren
verbindt, van de aanvoer-opening der mantelholte gescheiden. Soms
zijn beide openingen tot een korte buis verlengd. De voet is in den
regel cilindervormig, de byssus of baard sterk ontwikkeld. De beide
laatstgenoemde deelen kan men bij de Gewone Mossel (Mytilus edulis)
onzer zeeën gemakkelijk nagaan. Ieder die Mossels plukt, zal zich
over de stevigheid der baarddraden verwonderen; zij zijn tegen de
sterkste strooming en branding bestand. Met deze draden kan de Mossel
echter ook nog iets anders doen dan zich vasthechten; zij wordt er
door in staat gesteld van plaats te veranderen. Door samentrekking
van de spieren voor het terugtrekken van den voet vermindert zij zoo
veel mogelijk den afstand die haar van de plaats van aanhechting van
den byssus scheidt, zendt met den voet eenige draden uit naar een
punt, gelegen op den weg, dien zij wil volgen, schuift, zoodra deze
vastzitten, den voet tusschen de oude draden en scheurt ze met een
plotselingen ruk een voor een, los. Zij hangt nu aan de pas gesponnen
draden en gaat hiermede op dezelfde wijze te werk, na zich vooraf op
nieuw voor anker te hebben gelegd.
Deze Mossel gedijt het best in de Noordzee en in de zeeën van
Noord-Europa, doch ook in de Middellandsche Zee overal, waar zij
geschikte plaatsen vindt om zich vast te hechten. Zij is een van
de weinige Schelpdieren (of liever Zeedieren in 't algemeen), die
uit de zeeën met normaal zoutgehalte, zooals de Noordzee, in de
zeeën en binnenzeeën met geringer zoutgehalte, zooals de Oostzee,
overgaan. Ook in de Kaspische Zee treft men haar en eenige andere
soorten van Plaatkieuwigen aan, hoewel zij zich in dit minder zoute
water niet zoo krachtig ontwikkelen.
Overal waar de Gewone Mossel voorkomt, gebruikt men haar hetzij als
lokaas bij de vischvangst, hetzij als spijs voor den mensch; met het
oog op het laatstgenoemde doel heeft men op vele plaatsen maatregelen
genomen om geregeld aan de vraag naar dit artikel te kunnen voldoen,
door inrichtingen voor mosselteelt. De bewoners van Ellerbeck, een
oud, schilderachtig gelegen visschersdorp, tegenover Kiel, hebben op
perceelen, die bij hunne woningen behooren, mosselpalen onder water
in den zeebodem geplant. Hiervoor worden bij voorkeur elzen gebruikt,
omdat zij goedkooper zijn dan eiken en beuken, die echter ook wel
voor genoemd doel dienen. De visschers nemen de dunste twijgen weg,
snijden het jaartal in den stam, hakken er van onderen een punt
aan en bevestigen hem met behulp van een touw en een in een gaffel
eindigenden stok op 2 of 3 vademen diepte in het met levend of dood
zeegras bedekte deel van den zeebodem in den grond. Het "zetten"
van de mosselboomen heeft plaats in ieder jaargetijde; "getrokken"
worden zij uitsluitend in den winter, omdat in dezen tijd, vooral
als de zee met ijs bedekt is, de Mossels het smakelijkst zijn en
haar gebruik dan geen nadeelige gevolgen heeft. De visschers vinden
hunne mosselboomen terug door merkteekens op de kust, die van uit
de zee zichtbaar zijn. Ter rechter plaatse aangekomen, maken zij de
schuit vast aan een in den grond gestoken staak en trekken vervolgens
den mosselboom boven water aan een touw met een haak, dat zij om den
stam slingeren. Bij bundels en klompen hangen er groote Mossels aan,
die door middel van de byssusdraden aan het hout of aan de schelpen
harer buren vastgehecht zijn; tusschen en op de schelpen wemelt het
van allerlei zeedieren.
In de Bocht van Kiel worden ieder jaar ongeveer 1000 mosselpalen
gezet en een even groot aantal getrokken, nadat zij 3 à 5 jaren
gestaan hebben. Op de markt te Kiel komen per jaar ongeveer 800
ton Mossels, die ieder gemiddeld 42000 stuks bevatten; in 't geheel
worden dus in iederen winter bijna 3.5 millioen van deze Weekdieren
verzameld. Het eene jaar is voordeeliger dan het andere, niet slechts
wat de hoeveelheid, maar ook wat de kwaliteit van het product betreft.
Op onze kusten, doch vooral in de Westerschelde, wordt de
mosselkweekerij uitgeoefend door op hiervoor bestemde perceelen
de van elders aangevoerde jonge Mossels (zoogenaamd "mosselzaad")
uit te strooien (te "planten"). Het van ondiepe plaatsen verkregen
mosselzaad verdient de voorkeur boven dat, hetwelk van diepe plaatsen
(b.v. uit de Grevelingen) afkomstig is, daar zich hierbij meer "zaad"
van Vijfhoeken (Zeesterren) bevindt, waarmede dan de kunstmatige
mosselbanken worden aangestoken. Van deze dieren en ook van de felle
ooste- en noordoostewinden hebben de banken veel te lijden.
De mosselvisscherij wordt vooral uitgeoefend te Philippine, vanwaar
in 1896, vooral naar België, uitgevoerd werden 800 000 ton (à 90
KG.) mosselen; de gemiddelde opbrengst per ton was f 2. Van Bruinisse
bedroeg de uitvoer 108 000 ton. In sommige provinciën worden Mossels
gebruikt ter bemesting van het land; o.a. door Wieringer visschers
worden zij met dit doel gekord en voor f 0.30 per HL. verkocht.
Het eten van Mossels schijnt niet ieder goed te bekomen; bij sommigen
veroorzaakt deze spijs een soort van huiduitslag (ook Kreeften brengen
soms een dergelijk verschijnsel teweeg). Soms heeft het gebruik van
Mossels, evenals dat van vele andere Schelpdieren (Oesters, Kokkels,
Kreukels, Wijngaardslakken, enz.) ernstiger ziekteverschijnselen
en zelfs sterfgevallen ten gevolge. Volgens de onderzoekingen van
Salkowski en Brieger behoort het "mosselgif" (mytilotoxin), evenals het
"lijkengif" en het "worstgif", tot de zoogenaamde ptomaïnen, die een
op curare (Indiaansch pijlgif) gelijkende werking op het organisme
uitoefenen. Het ontstaat echter niet door rotting, maar komt reeds
in de levende Mossel voor, vooral in de lever, en wel bij dieren,
die uit onzuiver, stilstaand water opgehaald zijn, niet bij die,
welke op zuiveren zandgrond in de open zee leefden.
Tot de Mytilaceën behooren ook de Steendadels (Lithodomus), welker
bijna cilindervormige, aan beide einden afgeronde schelp met een
zeer dikke opperhuid bedekt is. Alle soorten van dit geslacht leven
en zitten onbeweeglijk vast in zelf gemaakte gaten in steenen,
steenkoralen en dikwandige schelpen. Gedurende haar jeugd zijn zij
door byssusdraden vastgehecht. Door korte siphonen aan het achtereinde
hebben de aanvoer en de afvoer van het water plaats.
Het meest bekend is de Gewone Steendadel (Lithodomus lithophagus), die
de Middellandsche Zee bewoont. Dit dier levert een zeer gewilde spijs;
hoewel bijna overal aanwezig in de door kalksteen gevormde kusten,
komt het nooit in groote hoeveelheid op de markt, daar het openen
van zijn hol een moeielijken en tijdroovenden arbeid vereischt. Op
een geheel andere wijze dan de Steenborers of Pholaden dringen de
Steendadels in het gesteente door: hun schelp is glad, vertoont geen
spoor van tandjes, die als vijl of rasp zouden kunnen dienen. Men
moet dus wel aannemen, dat zij de door hen bewoonde holen maken
en allengs verlengen en verwijden door de bestanddeelen van het
gesteente op te lossen; de stof die zij met dit doel uitscheiden,
heeft men nog niet kunnen ontdekken; zoowel over haar scheikundige
samenstelling als over het orgaan, waarin zij gevormd wordt, verkeert
men dus nog in onzekerheid. Het vermoeden is geopperd, dat hierbij
het door de ademhaling geleverde koolzuur in 't spel zou zijn; de
dikke opperhuid kan de brooze schelp tegen de oplossende werking van
het koolzuurhoudend water beschutten.
De beroemdste woonplaats van deze rotsbewoners is de Serapis-tempel te
Puzzuoli aan de Golf van Napels, welks ruïnen in 1749 door opgravingen
werden blootgelegd. Hiertoe behooren drie marmeren zuilen van ongeveer
13 M. hoogte, die nog steeds op hare voetstukken rusten. Op een hoogte
van 4 à 5 M. boven den tegenwoordigen zeespiegel bevindt zich een
1 M. breeden gordel van gaten, die door Steendadels gemaakt zijn,
gelijk blijkt uit de schelpen, die thans nog 15 cM. diep in vele
van deze gaten voorkomen. De zee moet dus, toen deze dieren leefden,
6 M. hoog in de bouwvallen van dezen tempel gestaan hebben. Hieruit
valt af te leiden, dat de kuststreek in de nabijheid van Puzzuoli na
het bouwen van den tempel aanmerkelijk gedaald is en dat de bodem
na geruimen tijd overstroomd te zijn geweest, zich opnieuw tot de
tegenwoordige hoogte verheven heeft.
De Riviermossels (Dreyssena of Tichogonia) verschillen van de leden van
het geslacht Mytilus, doordat de mantelhelften aan den rand nagenoeg
overal met elkander vergroeid zijn; er blijven slechts drie enge
openingen over: een voor het uittreden van den voet en den byssus,
een tweede voor het binnenlaten van voedsel en ademhalingswater,
de derde voor het afvoeren van de uitwerpselen en van het water,
dat voor de ademhaling gediend heeft. De schelp is gelijkkleppig
en driehoekig; de spits is aan den scherpen hoek gelegen. Aan de
buitenzijde is iedere klep van de spits tot den achterrand gekield,
van binnen bij de spits tusschen rug- en buikrand van een plaatvormige
lijst voorzien, waarop het indruksel van de voorste sluitspier
voorkomt. Van de 6 hedendaagsche soorten is vooral de Europeesche
Dreyssena polymorpha merkwaardig wegens de groote uitbreiding, die haar
gebied in buitengewoon korten tijd ondergaan heeft. Deze bij de lagere
dieren zoo zeldzame gebeurtenis kan nog het best vergeleken worden
met den zegetocht van de Grauwe Rat door alle landen van West-Europa
en met de verspreiding van dit Knaagdier over alle werelddeelen.
De natuuronderzoekers van de vorige eeuw kenden de Dreyssena slechts
als bewoonster van de rivieren van Zuid-Rusland. Het oudste bericht
over een andere woonplaats van dit dier is afkomstig van C. E. von Bär,
die het in 1825 in ontzaglijk grooten getale in het Frische en het
Koerische Haff en, op vele mijlen afstands van de zee, in de naburige
groote rivieren aantrof, bij hoopen met den byssus vastgehecht aan
steenen en aan schelpen van andere Weekdieren. Terzelfder tijd vond men
het plotseling in de Havel, niet ver van Potsdam, en in de naburige
meren. Eenige jaren later, in 1835 ongeveer, ontsierde het in groote
massa's de in 't water staande palen bij het Pauweneiland, niet ver
van Potsdam. Nog altijd is deze soort in de Havel en het Tegel-meer
zeer talrijk vertegenwoordigd, ook heeft zij zich in de Spree,
dicht bij Berlijn, vertoond. Men weet zeker, dat zij in 1824 in den
benedenloop van de Donau voorkwam, maar niet, of zij er reeds vroeger
leefde; in 1868 werd zij bij Regensburg waargenomen, nog later bij
Vilshofen. Uit den Havel, die tot het stroomgebied van de Elbe behoort,
is zij stroomopwaarts tot Maagdenburg en Halle doorgedrongen. In onze
riviermonden werd zij voor 't eerst in 1826 opgemerkt, thans vindt men
haar overal in den Rijn, van de Zwitsersche grenzen tot aan de zee,
ook in den Neckar en de Main. Van Nederland uit heeft zij zich over
België en Noord-Frankrijk tot Parijs verbreid en is vervolgens uit
het stroomgebied van de Seine in dat van de Loire overgegaan. In
Engeland heeft men haar voor 't eerst in 1824 in de dokken van
Londen gezien; thans bewoont zij verscheidene rivieren van Engeland
en Schotland. De verspreiding van deze Mossel geschiedde ongetwijfeld
door schepen en houtvlotten, waaraan zij zich had vastgehecht, langs
de gewone waterwegen; de scheepvaartkanalen brachten haar van 't eene
stroomgebied naar 't andere. Gedurende de zeereis naar de monden van
den Rijn en naar Engeland was zij waarschijnlijk niet aan de buitenste
oppervlakte van het schip vastgehecht, maar aan de lading, aan het
voor den scheepsbouw bestemde hout. Te midden van een grooten klomp
dezer Weekdieren kunnen enkele exemplaren ongetwijfeld verscheidene
dagen buiten water leven, langer althans dan in zeewater, dat voor
zoetwaterdieren in den regel schadelijk is. Ten onrechte heeft men
wel eens beweerd, dat Dreyssena zoowel in zoetwater als in de zee
kan leven. In de Oostzee komt zij uitsluitend binnen, niet buiten de
Haffen voor; bij Swinemunde vindt men enkele exemplaren tot aan de
binnenzijde van den dam, geen enkele echter aan den buitenkant.
De Gelijkspierige Asiphoniden (Asiphonida Homomyaria) hebben een
gelijkkleppige schelp en twee sluitspieren, van nagenoeg gelijke
dikte; de mantelhelften zijn gescheiden of aan den achterrand onder de
kloakopening door een brugje vereenigd; de voet is goed ontwikkeld. De
belangrijkste hiertoe behoorende familie is die der Najaden (Najades
of Unionidae), waarvan onze groote, algemeen bekende Zoetwatermossels
vertegenwoordigers zijn. Alle hebben een gesloten schelp, samengesteld
uit een dikke, donkergroene of bruinachtige opperhuid, een dunne,
prismatische kalklaag en een dikke parelmoerlaag. De slotband is
uitwendig. De beide spierindruksels zijn nagenoeg even ver van den
rand verwijderd; achter de voorste komen twee voetspierindruksels voor,
vóór de achterste één.
Bij de Stroommossels (Unio) is de schelp dikwandig en de top veel
dichter bij het vooreinde dan bij het achtereinde gelegen; de rechter
schelpklep heeft vóór den top een korten, stevigen middeltand en
er achter, onder den slotband, een langen, aan den rand evenwijdig
loopenden zijtand; tegenover deze bevinden zich aan de linker
schelpklep twee stevige middeltanden en twee lange zijtanden. Van dit
geslacht zijn ongeveer 500 levende soorten uit alle werelddeelen en
alle aardgordels bekend.
De Unioniden, die men meer bepaaldelijk Zoetwatermosselen noemt
(Anodonta), komen door lichaamsbouw en levenswijze met de
reeds genoemde overeen, doch zijn meer dan deze tot slijkerig,
stilstaand en langzaam stroomend water beperkt. Enkele soorten of
verscheidenheden treft men echter ook in groote, zeldzamer in kleine
rivieren aan, op plaatsen waar zij eenigszins tegen den stroom beschut
zijn. Vooral in de afvoergeulen van groote plassen schijnen zij zich
gaarne te vestigen. De naam Anodonta (die "tandeloos" beteekent)
is gerechtvaardigd door het volkomen gemis van slottanden; wel komt
onder den zeer dikken slotband een stompe, overlangsche lijst voor;
de slotrand is dun, evenals de geheele brooze schelp. Zoowel van
de Unionen als van de Anodonten, zijn een groot aantal vormen als
afzonderlijke soorten beschreven, die hoogstens op den rang van
verscheidenheden aanspraak kunnen maken. Iedere beek, rivier of plas
geeft schelpen van eigenaardige gedaante te aanschouwen; bovendien
gaan wijzigingen van de breedte en diepte van het stroombed, van de
grondgesteldheid en van de stroomsnelheid niet zelden gepaard met
verandering van den vorm der schelp. De ondiepe, aan de heerschende
windrichting tegenovergestelde zijde van groote plassen of binnenmeren
wordt dikwijls bewoond door geheel andere verscheidenheden dan
de meestal diepere overkant. Ieder, die eigenhandig honderden van
Anodonten en Unionen in verschillende oorden verzamelde, of in grooten
getale van anderen kreeg met nauwkeurige vermelding van de vindplaats,
zal zich minder verwonderen over de ontvangst van eigenaardige
variaties van sommige soorten dan over het nu en dan waarnemen van
vormen, gelijk aan die, welke hem reeds van elders bekend zijn.
De Anodonten, die in Duitschland (en Nederland) voorkomen, worden door
Clessin tot 2 soorten gebracht: de Bolle Zoetwatermossel (Anodonta
mutabilis) en de Platte (A. complanata). Van de talrijke variëteiten
der eerstgenoemde soort is de Zwanenmossel (var. cygnea), die plassen
met slibrijken, weinig humus bevattenden bodem bewoont, de grootste,
daar zij soms bij 190 mM. lengte, 80 mM. breedte en 60 mM. dikte
heeft. Een van de kleinste rassen is de Eendenmossel (var. anatina),
die in langzaam stroomende beken leeft en 90 mM. lang, 48 mM. breed
en 30 mM. dik kan worden. Gelijke lengte, doch een geringere breedte
en dikte heeft de meest gewone Unio-soort, de Verfmossel (Unio
pictorum); haar schelp is langwerpig met nagenoeg evenwijdigen boven-
en onderrand.
Vele soorten van Unioniden brengen parels voort; bijzonder rijk
aan dit kostbare product is echter de in Nederland ontbrekende
Rivierparelmossel (Margaritana margaritifera), die hoofdzakelijk
wegens het gemis van zijtanden niet meer tot het geslacht Unio
wordt gerekend. Van de reeds genoemde Unioniden verschilt zij door
de dikwandigheid van haar schelp, die in sommige gewesten (Saksen,
het noorden en oosten van Beieren) een lengte van 110 à 140 mM. kan
bereiken. (Bij 120 mM. lengte is zij 50 mM. breed en 30 mM. dik.) Deze
soort heeft een zeer uitgestrekt verbreidingsgebied: zij leeft in
de rivieren van de westkust van Ierland en in die van den Oeral,
bewoont Skandinavië en Noord-Rusland tot aan de IJszee, houdt zich op
in de monden van den Don zoowel als in de snelstroomende beken der
Pyreneën en komt ook in Noord-Amerika voor. Hoewel het kalkgehalte
van den bodem een gunstigen invloed uitoefent op de verbreiding der
meeste Weekdieren, gedijt juist deze soort het best in stroomen, die
in graniet- of gneiss-lagen (gesteenten met veel kiezelzuur, doch zeer
weinig kalk) ontspringen en verder uitsluitend door gewesten vloeien,
welker bodem eveneens deze samenstelling heeft, in Duitschland o.a. in
het Beiersche Woud, het Fichtelgebergte en het Saksische Vogtland. Daar
de Parelmossels zich bijna uitsluitend voeden met rottingsproducten
van waterplanten, die de geringe hoeveelheid kalk van het water in
hare weefsels ophoopen, kunnen zij in kalkarm water een dikwandige
schelp verkrijgen. Hoewel de Parelmossels bijna voortdurend in
flegmatische rust verkeeren, merkt men bij hen duidelijke bewijzen
van geschiktheid tot beweging op. Die welke na bezichtiging weer in
't water werden geworpen, waren den volgenden dag tot in het midden
van de beek voortgeschreden, zooals bleek uit de groeven, die zij in
't zand hadden achtergelaten. Zij bewegen zich echter zeer langzaam
en over een geringen afstand: gemerkte exemplaren vond men dikwijls
na verloop van 6 à 8 jaren tamelijk dicht bij hun oorspronkelijke
ligplaats terug.
Het grootendeels in apathische rust doorgebrachte leven dezer dieren
duurt zeer lang, wanneer het niet door een noodlottig toeval wordt
verkort. In de lente loopen zij gevaar, dat de sterk gezwollen stroom
hen onder gruis en steenen bedelft; 's winters hebben zij in kleine
beken veel van de vorst te lijden; voortdurend wordt hun leven door
de hebzucht van den mensch en door de vraatzucht van Otters, Eksters,
Raven en Kraaien bedreigd. Hunne weeke deelen leveren een goed lokaas
voor de vangst van Visschen en Kreeften, een geschikt voedsel voor
het mesten van Eenden en Zwijnen. De dikwandigheid der schelp in
het zoo weinig kalk bevattende water getuigt van den hoogen leeftijd
dezer dieren; dat zij 70 of 80 jaar oud kunnen worden, is gebleken
uit het vinden van schelpen, die met een jaartal gemerkt waren. De
berichten over een nog hoogeren ouderdom (200 jaar) berusten op geen
vasten grond.
Een even rustig leven als de Parelmossels leiden onze Unionen en
Anodonten. Zij brengen in de zomermaanden een verbazend groot aantal
eieren voort; deze worden door trilhaarbeweging vervoerd naar de
tijdelijk als broedzakken dienende holten van de buitenste (soms ook
van de binnenste) kieuwen, die hierdoor tot een aanmerkelijke dikte
opzwellen. De ontwikkeling van de kiem in deze eieren werd voor 't
eerst door Leeuwenhoek waargenomen en beschreven. Hij zag haar reeds
op zeer jeugdigen leeftijd met trilharen uitgerust en in draaiende
beweging te midden van de vloeistof, die de eihuid vult. Wanneer
men dit merkwaardige verschijnsel nagaat na het ontstaan van de
eerste beginselen der schelp en de dunne eihuid breekt, zoodat het
embryo vrij in het water komt te liggen, ziet men de schelp eensklaps
opengaan, daar de sluitspier (het embryo heeft er slechts één) nog niet
sterk genoeg is om de spanning van den slotband te overwinnen. Van
tijd tot tijd doet het arme dier vruchtelooze pogingen om door
spiersamentrekking de beide schelpkleppen weder bij elkander te
brengen. In dit stadium van ontwikkeling verkeert het embryo als de
moeder hare eieren uitwerpt; kort daarna worden de met een kopscherm
uitgeruste larven vrij, hechten zich door middel van een byssusdraad
aan de huid van Zoetwatervisschen en brengen hier 2 à 3 maanden door;
nu is de gedaantewisseling afgeloopen en neemt het leven op den bodem
een aanvang.
De parels bestaan, evenals de schelp, uit fijne, organische vliezen
en de daartusschen afgezette koolzure kalk. Een zuivere, vlekkelooze
parel heeft geen bepaalde kleur, vertoont geen anderen weerschijn dan
de parelmoerlaag en komt met deze in samenstelling overeen. Parels van
het zuiverste "water" hebben een onbeschrijfelijk zachte, melkwitte,
zilverheldere glans, waarmede nagenoeg geen regenboogskleuren gemengd
zijn. Het iriseerend vermogen hangt af van de wijze, waarop de kalk
tusschen de organische vliezen is afgezet; aan de dikte dezer vliezen
dankt de parel de zachtheid van het teruggekaatste licht, waardoor
zij het oog nog het meest bekoort. De Oostersche parels munten
boven alle andere uit, omdat bij haar zelfs de prismatische kalk,
die niet minder dikwijls dan het parelmoer als bestanddeel van de
parel optreedt, bijna geen spoor van kleur vertoont en dus het licht
beter doorlaat dan de gekleurde, prismatische kalk der door Unioniden
voortgebrachte parels. Een prachtige, zuiver ronde, Oostersche parel
van 27 7/8 karaat, die Von Heszling in de verzameling naturaliën en
kunstvoorwerpen van de Gebroeders Zosima te Moskou zag, rolde als een
groote, fraai glinsterende kwikzilverdruppel over het fijne batist,
waarop zij tentoongesteld werd. Alle parels ter grootte van een
walnoot of van een duivenei waren afkomstig van Zeepareloesters uit
den Perzischen zeeboezem of van de Amerikaansche kust. De Europeesche
en meer bepaaldelijk de Beiersche parels kunnen den omvang van een
groote erwt of van een kleine boon bereiken, maar zijn dikwijls niet
grooter dan een speldekop en nog vaker veel kleiner.
De parel heeft haar ontstaan te danken aan den prikkel, die een
fijnkorrelig, vreemd lichaam op het kalkafscheidende deel van den
mantel uitoefent; rondom deze kern worden concentrische lagen
van organische stof en koolzure kalk afgezet, die, wanneer zij
vrij tusschen den mantel en de schelp liggen, de kostbare parel
vormen. Dikwijls zijn de parels met de schelp vergroeid, of vertoont
deze uitwassen, die op parels gelijken. De vreemde lichaampjes ter
grootte van 0.02 à 0.1 mM., die als kernen optreden, zijn meestal
kwartskorreltjes, plantendeeltjes of schilfertjes van de opperhuid
der schelp. De parels groeien zeer langzaam. Een vol jaar nadat in
de Mossel een vreemd lichaam was gebracht, had de hierop afgezette
laag nog geen meetbare dikte. Volgens ervaringen, door visschers bij
gemerkte Parelmossels opgedaan, bereiken parels van speldekopgrootte
in ongeveer 12 jaar den omvang van een erwt. Hieruit vloeit voort,
dat het parelvisschen alleen met tusschenruimten van vele jaren op
dezelfde plaats met voordeel kan geschieden.
De parelvisscherij is in Europa een kroondomein; haar opbrengst is in
de meeste landen zeer gering. In Saksen werden van 1826 tot 1836 140
parels gevonden ter waarde van nog geen f 150. De parelvisscherijen
van Beieren leverden in 43 jaar, van 1814 tot 1857, 158880 parels
op. De opbrengst aan parels uit de Moldau, over den 8 mijlen langen
afstand van Rosenberg tot Moldautein, wordt op 8000 à 12000 gulden
per jaar geschat. Gemiddeld vindt men in 103 Parelmossels één parel
van geringe waarde, in 2215 één middelmatige, in 2708 een goede parel.
Reeds sinds een paar duizend jaar wenden de Chineezen middelen aan om
de Parelmossels te nopen in minder tijd meer arbeid te verrichten. Met
dit doel worden vreemde lichamen gebracht tusschen de schelp en den
mantel. "De uitoefening van deze industrie is," volgens Mac-Gowan,
"beperkt tot twee bijeengelegen plaatsen in het noorden van de
provincie Tsjekiang. Gedurende de maanden Mei en Juni worden in
korven groote hoeveelheden Mossels (Anodonta plicata) uit het meer
Thai-hoe ingezameld en hiervan de grootste exemplaren uitgekozen. Daar
zij gewoonlijk door de reis eenigszins geleden hebben, gunt men
haar in bamboes-mandjes, die in het water gedompeld worden, eenige
dagen rust, voordat men ze ter wille van de menschelijke ijdelheid
kwelt. Dit geschiedt door het plaatsen van korrels of matrijzen in
de voorzichtig geopende Mossel. De hiervoor dienende korrels zijn
gewoonlijk vervaardigd van klei, dat met sap van den kamferboom tot
een deeg is aangemengd. De matrijzen die het best een bekleeding
met parelmoer aannemen, worden uit Canton ingevoerd, waar men ze,
naar het schijnt vervaardigt door onregelmatige stukjes parelmoer van
de Zeepareloesters (Meleagrina margaritifera) in een ijzeren bak zoo
lang met zand te schuren, totdat zij glad en rond zijn. Ook dienen als
matrijzen kleine figuurtjes van lood, die meestal Boeddha in zittende
houding of Visschen voorstellen. Deze voorwerpjes worden na het openen
van de schelp met een parelmoeren spatel in twee evenwijdige reeksen
neergelegd op de buitenste oppervlakte van den vooraf eenigszins
opgelichten mantel, eerst op de eene, vervolgens ook op de andere
mantelhelft. De hierdoor veroorzaakte pijn noopt het dier den mantel
krampachtig tegen de schelp te drukken, zoodat de voorwerpjes op hun
plaats blijven. De dus voorbereide Mossels worden (soms ten getale van
50000) op den 7 à 17 dM. diepen bodem van kanalen, plassen of vijvers,
op 10 à 14 cM. afstand van elkander neergelegd. Eenige dagen later zijn
de vormen door een vliezige uitscheiding aan de schelp bevestigd; later
vindt men dit vliesje met kalk doordrongen en eindelijk hebben zich
rondom de kern lagen parelmoer gevormd. In November, volgens andere
berichtgevers eerst na 10 maanden of zelfs eerst na 3 jaar, worden de
Mossels geopend, de weeke deelen er uitgesneden en de parels met een
scherp mes losgemaakt. De parelmoeren kernen laat men er in blijven;
die van klei of metaal worden weggenomen, de holte met gesmolten
hars gevuld en met een stukje parelmoer gesloten. In dezen toestand
gelijken zij op halfbolvormige parels en staan in glans en schoonheid
bij de massieve niet achter, hoewel zij voor een veel lageren prijs
verkrijgbaar zijn".
Von Heszling heeft de bruikbaarheid van de Chineesche handelwijze op de
Europeesche Parelmossel beproefd, doch ongunstige uitkomsten verkregen.