VIERDE KLASSE.

DE PLAATKIEUWIGEN (Lamellibranchiata).

Over het algemeen is de Weekdieren-klasse, waarvan de Mossels en

de Oesters vertegenwoordigers zijn, nog minder dan die der Slakken

bekend aan leeken op zoölogisch gebied. Slechts zelden krijgt

men bij toeval Plaatkieuwigen op hunne gewone verblijfplaatsen te

aanschouwen, terwijl, ook nadat deze gezocht en gevonden zijn, het

eigenlijke dier voor de meeste belangstellende onderzoekers een raadsel

blijft. Menigeen heeft boven het slijk van ondiepe plassen honderden en

duizenden van zoogenaamde Eendenmossels in eenigszins scheeve richting

zien uitsteken, zonder te kunnen uitmaken, of zij haar vooreinde

of haar achtereinde toonden. Aan een opengestoken Oester valt kop

noch staart te onderscheiden; de meeste liefhebbers van dit Weekdier

verorberen het, zonder dat eenig lichaamsdeel bij hen anatomische

of systematische herinneringen wekt. De schelp verschaft, zelfs na

oplettend onderzoek, niet veel inlichtingen; hoogstens zal men kunnen

raden, op welke plaats ongeveer de mond gelegen is. Voor een groot

deel is de geringe belangstelling, die de Mossels en hare verwanten

wekken, te wijten aan het buitengewoon flegmatisch temperament dezer

dieren. Met hen vergeleken zijn de zoo trage Slakken in hooge mate

sanguinisch. Eenige in zee levende soorten van Mossels vormen een

uitzondering op den algemeenen regel, daar zij door het snel openen en

sluiten der schelp tamelijk vlug zwemmen kunnen: haar aantal is echter

zeer gering. De overige zijn bijna even duurzaam aan haar woonplaats

verbonden als de planten. Een uitsluitend biographische behandeling van

deze diergroep zou wegens de eenvormigheid van de levensuitingen harer

leden den lezer niet bevredigen. Wij zullen bij haar beschrijving ons

op een hooger standpunt plaatsen en, evenals vroeger in dergelijke

gevallen geschiedde, een voorstelling trachten te geven van den

eigenaardigen lichaamsbouw der Plaatkieuwige Weekdieren, de hoog

georganiseerde met hunne lager ontwikkelde verwanten vergelijken,

om zoo tot een verklaring van de waargenomen verschijnselen te geraken.

Als voorbeeld kiezen wij de hierboven genoemde Eendenmossel, hetzij

een levend of een in spiritus gedood exemplaar. Een oppervlakkige

voorstelling van zulk een wezen kan men verkrijgen door het te

vergelijken met een gebonden boek, dat met den rug naar boven en met

den bovenkant naar voren wordt gehouden. De beide stukken bordpapier,

rechts en links, vertegenwoordigen de verkalkte schelpkleppen, de

schutbladen de mantelhelften van het dier; de beide titelbladen

en de achteraankomende, uit twee bladen bestaande inhoudsopgave

stellen de kieuwplaten voor en de eigenlijke tekst vervangt den romp

of ingewandenzak. Men moet zich echter voorstellen, dat de bedoelde

bladen aan weerszijden, van het omslag tot aan de eigenlijke tekst, in

uitgebreidheid verminderen; want de beide bolle schelpkleppen omgeven

alle overige lichaamsdeelen en de mantelhelften overtreffen in lengte

en breedte de kieuwplaten, die op hun beurt verder reiken dan een

groot deel van den romp. Al deze deelen zijn langs den bovenrand,

als de bladen van een boek, onderling vergroeid. De schelp is een

uitscheidingsproduct van den mantel (in de afbeelding met g aangeduid),

die iedere schelpklep aan de binnenzijde bekleedt met een plaat

(mantelhelft) en de overige weeke deelen omhult; de mantelrand, die

gewoonlijk aan den schelprand vastgehecht is, kan gemakkelijk zonder

beschadiging losgemaakt worden. Aan het achtereinde zijn de beide

mantel-helften bezet met een groot aantal wratjes (h), die buitengewoon

gevoelig zijn; zij komen hier voor bij alle Plaatkieuwigen, die, zooals

de onze, de voorste helft van 't lichaam in den grond verbergen. Wij

weten dus nu, welk lichaamsdeel zij ons van uit het slijk toekeeren

en waar zich de openingen bevinden voor den aanvoer en den afvoer van

stoffen. Bij een zeer groot aantal Mossels zijn de mantelranden niet

vrij, zooals bij onze Zoetwatermossel, maar over een meer of minder

grooten afstand met elkander vergroeid. Waar dit geschiedt, komen

dikwijls zoogenaamde mantelbuizen (siphonen) achter uit de schelp te

voorschijn: de bovenste (kloaksipho) is bestemd voor het afvoeren van

't water, dat voor de ademhaling gediend heeft, van de uitwerpselen

en van de geslachtsproducten; door de onderste (ademhalingssipho)

dringt het water (en tevens het voedsel) in de mantelholte door. Verder

naar voren blijft aan de buikzijde een spleet over, waardoor de voet

wordt uitgestoken.

Op iedere mantelhelft volgen naar binnen de beide kieuwplaten (d en e),

die bij onze Zoetwatermossel buitengewoon sterk ontwikkeld zijn, maar

ook bij al hare verwanten zoo duidelijk in 't oog vallen, dat de naam

der geheele klasse aan haar vorm ontleend is. Tusschen de kieuwen,

doch verder naar voren, ligt de wigvormige voet (a). Zoowel uit de

verrichting van dit sterk gespierde orgaan als uit zijn ligging ten

opzichte van de overige lichaamsdeelen blijkt zijn overeenkomst met den

voet der Slakken. Zoolang het dier leeft, moet men een groote kracht

aanwenden om de schelp te openen; men zal eerder stukken van de schelp

afbreken, dan de werking der beide sluitspieren overwinnen. De eene

(b) is vóór den mond gelegen; zijn ondervlakte en de voet begrenzen

de ruimte, waarin de ingang tot het spijskanaal verborgen ligt. Boven

de achterste sluitspier (i) ligt de endeldarm, welks einde (bij f)

zichtbaar is.

De Plaatkieuwigen hebben geen kop en werden daarom vroeger met de

Ascidiën en Salpen onder den naam van "Koplooze Weekdieren" (Acephala)

tot één klasse vereenigd. De mondopening (b) kan men in den regel

het gemakkelijkst vinden door langs het midden van den voet naar

voren en naar boven te gaan en tevens de beide driehoekige platen

(mondlobben: c), die aan weerszijden vóór de kieuwen liggen, naar

boven en buiten om te slaan. De mondholte bevat zoomin wapens als

toestellen voor het fijnmaken van het voedsel; dit bestaat daarom

uitsluitend uit microscopisch kleine plantjes of diertjes, die door

trilhaarbeweging naar de mondopening worden gevoerd en vervolgens

aankomen in een korten en wijden slokdarm, die zich tot een maag

verruimt. De lever ligt onmiddellijk boven en aan weerszijden

van de maag en van den daaropvolgenden darm, die, omhuld door de

geslachtsorganen, eenige kronkelingen maakt, welke zich, wanneer de

voet groot is, gelijk bij het tot voorbeeld gekozen dier, ook in dit

orgaan uitstrekken. In het deel van den romp, dat achter den voet

aan de rugzijde gelegen is, loopt het spijskanaal onder den naam

van endeldarm regelrecht, onder den mantel langs, naar achteren en

eindigt bij f in de aarsopening. Achter deze opening laten de tot

hier vereenigde mantelhelften een spleet over, de kloak; daaronder

zijn zij door een brugje verbonden.

Een paar zenuwknoopen liggen naast en een weinig achter den mond,

een tweede paar veel lager in den voet. De strengen, die deze

beide zenuwmassa's verbinden, vormen een ring om den slokdarm,

die ook dan nog aanwezig is, wanneer, zooals bij de Oester,

de voet en de voetzenuwknoopen ontbreken. Het derde en grootste

paar, de kieuwzenuwknoopen, is veel verder achterwaarts, onder de

achterste sluitspier, gelegen en staat ook door strengen met de

bovenslokdarmknoopen in verband.

Het hart bevindt zich in een met bloed gevulde "lichaamsholte"

(pericardiaalholte), die bij onze Zoetwatermossel (en alle overige

Tweespierige Plaatkieuwigen) aan de rugzijde dicht onder den mantel

en kort vóór de achterste sluitspier--bij de Oester (en alle overige

Eénspierigen) verder binnenwaarts gelegen is. Het bestaat uit een

rechter en een linker voorkamer met een daartusschen geplaatste

kamer, die den endeldarm ringvormig omgeeft, ontvangt het bloed,

dat uit de kieuwen komt en stuwt het door twee slagaders in de

bloedvatenstelsels der lichaamsdeelen, vanwaar het langs vaste banen

naar de kieuwbloedvaten terugkeert. Vooraf doorstroomt het een zeer

omvangrijk, sponsachtig orgaan, dat, naar zijn ontdekker, orgaan van

Bojanus heet. Hierin kan het dier willekeurig (door een opening, die

men na het zijwaarts omslaan der kieuwen bespeurt) water opnemen,

dat aan het bloedvatenstelsel wordt toegevoerd en, evenals bij de

Slakken, dient tot het doen opzwellen en buiten de schelp steken

van verschillende lichaamsdeelen; vooral van den voet en van den

mantelzoom; deze vertoonen verscheidene openingen, waardoor bij het

plotseling terugtrekken van de organen in de schelp het overtollige,

met water vermengde bloed ontwijkt.

De trilharen, waarmede de geheele binnenste oppervlakte van den mantel

en alle deelen van de kieuwen en mondlappen bezet zijn, spelen door hun

beweging in het leven der Plaatkieuwigen een hoogst belangrijke rol. De

stroomingen, die zij teweegbrengen, behouden altijd dezelfde richting,

ververschen het water, dat voor de ademhaling bestemd is en voeren

gelijktijdig voedseldeeltjes naar den mond. De kieuwplaten, die bij

oppervlakkige beschouwing den indruk maken van enkelvoudig te zijn,

bestaan in werkelijkheid ieder uit twee op traliewerk gelijkende,

door chitinestaafjes gesteunde lagen, waartusschen een stelsel van

holten voorkomt, dat door talrijke openingen water ontvangt uit

de zoogenaamde kieuwkamer: de door den mantel begrensde ruimte,

waarin de kieuwen hangen. Dit water wordt door de werking van

de trilharen, die de inwendige holte der kieuwplaten bekleeden,

opgevoerd naar een kanaal, dat boven de plaats van aanhechting

van iedere kieuwplaat gelegen is; deze kanalen, die zich verder

achterwaarts vereenigen, vormen gezamenlijk de kloak-kamer, waarin

niet slechts het verbruikte ademhalingswater; maar ook alle overige,

uit endeldarm, geslachtsorganen, enz. afkomstige, voor het dier

nuttelooze of schadelijke stoffen ter verwijdering uit de schelp

opgenomen worden. Door de beweging der trilharen stroomt het water

in de bedoelde richting en worden tevens de voedseldeeltjes, die

voor de openingen der kieuwen achterblijven, naar de mondlappen en

van hier in de mondopening overgebracht. De kloak-kamer staat met

de buitenwereld in gemeenschap door de opening boven het verbindend

strookje, dat tusschen den achterrand der mantelhelften aanwezig is,

terwijl onmiddellijk daaronder, dus eveneens aan den achterrand,

door het aaneenvoegen der overige randgedeelten van den mantel een

spleetvormige opening wordt begrensd, waardoor het versche water in

de kieuwkamer binnendringt. Bij vele Plaatkieuwigen vormt de mantel

een grootendeels gesloten zak; ook in dit geval worden de noodige

betrekkingen met de buitenwereld onderhouden door 2 spleten aan den

achterrand, die voor den aanvoer en den afvoer van water bestemd zijn,

en door een spleet bij het vooreinde, die den voet doorlaat. Dat

de waterverversching in de mantelholte soms ook nog op andere wijze

dan door trilhaarbeweging tot stand komt, blijkt, wanneer men eenige

oogenblikken een Zoetwatermossel gadeslaat. Zonder eenige merkbare

aanleiding flapt zij van tijd tot tijd plotseling de schelp dicht,

waardoor natuurlijk het water uit de ruimten tusschen mantel- en

kieuwplaten met geweld naar buiten wordt geperst. Het openen van de

schelp geschiedt vervolgens langzaam.

De mantelhelften zijn op eenigen afstand van haar vrijen rand door

spiervezels vastgehecht aan de binnenste oppervlakte van de schelp;

hier ziet men een lijn (de mantellijn), die, althans gedeeltelijk,

evenwijdig loopt met den vrijen rand van iedere klep. Het deel van

den mantel, dat boven deze lijn gelegen is, heet mantelschijf en

onderscheidt zich gewoonlijk door geringere dikte van den daarbuiten

gelegen mantelzoom, die meer of minder breed, glad of geplooid kan

zijn, rijk is aan vaten, klieren en kleurstof en dikwijls voelers en

andere zintuigelijke organen (oogen) draagt. De schelp wordt deels door

de mantelschijf, deels door den mantelzoom gevormd en bestaat dus uit 2

verschillende lagen. De buitenste laag, die door den mantelzoom wordt

uitgescheiden, bestaat uit prismatische, met koolzure kalk gevulde

vakjes, loodrecht geplaatst ten opzichte van de oppervlakte der schelp;

in de binnenste, die zich dikwijls door parelmoerglans onderscheidt

(parelmoerlaag), zijn een groot aantal evenwijdige, structuurlooze

laagjes van koolzure kalk en conchioline dicht opeengedrongen. Een

hoornachtig opperhuidje van verschillende dikte bedekt de schelp aan

de buitenzijde en is soms met fijne haren of borstels bezet; van de

oudste deelen is het dikwijls door afslijting verdwenen ("afgevreten"

spitsen). Soms maakt de parelmoerlaag, soms de prismatische kalklaag

de hoofdmassa van de schelp uit.

De schelpkleppen zijn aan de rugzijde met elkander verbonden door een

veerkrachtigen band, den slotband, die door zijn elasticiteit de schelp

opent, wanneer de sluitspieren niet werken. De slotband is eigenlijk

een doode massa, niet aan den wil van het dier onderworpen. Daarom

gaapt de schelp van de doode Mossel in den regel: de spieren, die zich

bij het levende dier onder den invloed van den wil samentrekken en

de werking van den slotband tijdelijk opheffen, zijn nu verslapt. De

slotband ligt aan den rugrand, meestal achter, soms onder de beide

toppen of spitsen (bij c in de afbeelding); in het eerstgenoemde

geval maakt zijn ligging het onderscheiden van den voorrand en den

achterrand gemakkelijk; gewoonlijk bevindt de voorrand (a) zich het

naast bij de spits en vertoont een sterkere afronding dan de achterrand

(b), die door den slotrand van de spits gescheiden is.

De hechtheid van de verbinding der schelpkleppen wordt bij vele

Plaatkieuwigen zeer bevorderd door het passen van lijst- en tandvormige

verhevenheden in daarbij behoorende kuiltjes en groeven van de tegen

elkander aanliggende randgedeelten onder en naast de spits. Deze

slottanden (of middeltanden) en zijtanden vormen met den slotband

het zoogenaamde slot; belangrijke kenmerken ter onderscheiding van

geslachten en familiën worden hieraan ontleend. De top (c), het

oudste en dikste deel van de schelpklep, verschilt niet zelden in

vorm van het overige gedeelte, dat, door latere aanvoeging ontstaan,

in vele gevallen kenbaar is aan onderling evenwijdige, concentrische

groeistrepen. Belangrijke kenmerken levert ook de beschouwing van de

binnenste oppervlakte der schelpkleppen. Bij de meeste geslachten

komen twee spierindruksels voor: het voorste (m) en het achterste

(m'); hun grootte, vorm en diepte loopen zeer uiteen. Zeer klein

is de voorste sluitspier bij de Ongelijkspierigen (Heteromyaria),

b.v. bij de Gewone Mossels (Mytilus). De achterste sluitspier is

alleen overgebleven, maar heeft zich meer naar het midden van de

schelp verplaatst bij de Eénspierigen (Monomyaria), b.v. bij de

Oesters (Ostrea, zie nevenstaande afbeelding: c). De Zoetwatermossel

(Anodonta), die twee goed ontwikkelde sluitspieren hebben, behooren

daarom tot de Gelijkspierigen (Homomyaria). De drie genoemde

groepen komen onderling overeen door het gemis van mantelbuizen;

zij worden gezamenlijk Asiphoniden genoemd. De bezitters van lange,

terugtrekbare mantelbuizen hebben op de plaats waar de spieren voor

het terugtrekken ontspringen, een naar achteren geopende bocht in

de mantellijn (n); hieraan danken zij den naam van Bochtmanteligen

(Sinupalliata). Deze bocht komt niet voor bij de Asiphoniden en ook

niet bij de Siphoniden met korte, niet terugtrekbare mantelbuizen;

de laatstbedoelde groep heet daarom Gaafmanteligen (Integripalliata).

Alle Plaatkieuwigen zijn waterdieren; verreweg de meeste bewonen de

zee; hoogstens 1/5 deel van alle levende soorten worden in zoetwater

gevonden. De meeste zoetwatervormen zijn Gelijkspierige Asiphoniden

en dus Gaafmanteligen. De soortenrijke familie der Najaden is geheel

tot het zoetwater beperkt en is het sterkst vertegenwoordigd in

Noord-Amerika. Alle zoetwaterschelpen zijn kenbaar aan een dikke,

donkergroene, geelachtige of bruine opperhuid en meestal ook aan

de afgevreten spitsen. De Plaatkieuwigen, die de zee bewonen,

komen op verschillende diepten voor: dikke, bontgekleurde, rijk

versierde schelpen worden in den regel bij de kust, op steenachtigen

of zandigen bodem aangetroffen; op grootere diepten vindt men teere,

dunne, weinig of niet gekleurde schelpen. Verreweg de meeste soorten

leven op diepten van 0 à 35 vademen; op 200 vademen diepte neemt het

aantal Plaatkieuwigen aanmerkelijk af; slechts enkele vormen zijn op

1500 à 2500 vademen diepte gevonden. Tusschen de keerkringen is de

verscheidenheid van vormen grooter dan in de koudere zeeën.

Dikwijls komen sommige soorten uitsluitend in diep, andere leden van

hetzelfde geslacht slechts in ondiep water voor. De leden van eenige

geslachten hechten zich aan onderzeesche voorwerpen vast: blijvend

door het vastmetselen van één klep, zooals de Oester, tijdelijk

door met den voet gesponnen draden, zooals de Gewone Mossel. Vele

Plaatkieuwigen kunnen zich vrij bewegen, hoewel dit steeds zeer

langzaam geschiedt: eenige zwemmen; de meeste echter kruipen met

behulp van den voet. De Bochtmanteligen begraven zich ten deele in

zand of slijk; de Schelpdieren, die zelfgemaakte holten in hout of

steen bewonen, behooren voor 't meerendeel tot deze groep.

Het Leven der Dieren: Deel 3.7, De Weekdieren · 第 16 / 19 题