DE PLAATKIEUWIGEN MET MANTELBUIZEN (Siphonida).
De vergroeiing van de mantelhelften langs een groot deel van den rand,
waarmede het bezit van siphonen gepaard gaat, is een hoofdkenmerk
van deze groep. Alle Siphoniden hebben twee krachtig ontwikkelde
sluitspieren. In de onderorde der Gaafmanteligen (Integripalliata)
vereenigt men die, welker siphonen kort zijn en niet teruggetrokken
kunnen worden; in dit geval heeft de mantellijn geen bocht aan
't achtereinde.
Bij de Tridacnaceën zijn de beide sluitspieren (zie de afbeelding
bij c) zoo dicht bij elkander gelegen, dat men ze als een uit twee
afdeelingen bestaande, enkelvoudige spier zou kunnen beschouwen. De
mantel is op drie openingen na geheel gesloten. Door de middelste (a)
worden het ademhalingswater en het voedsel aangevoerd. Op tamelijken
grooten afstand van de aanvoeropening, ongeveer tegenover het slot,
ligt de kloak (b). De voorste opening--een tamelijk groote spleet
(d), waardoor de kleine voet en de baard (e) die aan zijn basis is
gehecht, uittreden--is gelegen daar, waar men aan de gesloten schelp
het zoogenaamde "maantje" opmerkt. Bij de meeste Plaatkieuwigen komt
in deze onmiddellijk vóór de spitsen gelegen plek geen opening voor;
bij de Tridacnaceën is dit wel het geval, zoodat de schelp tot het
uitsteken van den voet niet geopend behoeft te worden. De schelp
is gelijkkleppig en langwerpig ruitvormig met afgeronde hoeken;
zij bestaat uit een zeer dichte en harde stof; elke klep heeft één
zijtand; de slotband is uitwendig. De zeer dikke schelpkleppen hebben
grove, dikwijls geschubde ribben, welker uiteinden bij 't sluiten van
de schelp als groote tanden in elkander passen. Alle Tridacnaceën
bewonen de Chineesche Zee, den Indischen Oceaan (met de Roode Zee)
en den Grooten Oceaan. Tot deze familie behoort de grootste van alle
schelpen, de Reuzenschelp (Tridacna gigas), die in vele kerken als
wijwaterbak gebruikt wordt en daarom ook wel Wijwaterschelp, Bénitier
of Bakschelp heet. Sommige exemplaren hebben een gewicht van meer dan
250 KG. en een lengte van meer dan 1 M.; de weeke deelen, die niet
meer dan 10 KG. zwaar zijn, worden gegeten, vooral de sluitspieren.
Met een tweede, in de Roode Zee zeer veelvuldig voorkomende, kleinere
soort, Tridacna elongata, heeft Vaillant merkwaardige proeven genomen
om de weerstand te bepalen, die door de sluitspieren overwonnen kan
worden. Daar de randen niet geheel op elkander passen, kon men aan
iedere schelpklep een haak bevestigen: aan de eene werd de schelp
opgehangen, de andere kreeg een bak te dragen, waarin men water goot,
totdat de schelp zich opende. Bij het gewicht van den bak met water
moet men natuurlijk nog voegen dat van de onderste schelpklep en den
weerstand van den slotband, daar deze de sluitspier tegenwerken. Dit
in aanmerking nemend, bleek de spierkracht van een exemplaar van
24 cM. lengte 7 KG. te zijn, waaruit men kan afleiden, dat, naar
verhouding, een Reuzenschelp van 250 KG. gewicht een spierkracht meer
dan 900 KG. ontwikkelen zou.
De Tridacna's, houden zich gedeeltelijk in 't zand verborgen. Van
Tridacna elongata steekt alleen de getande rand van de schelp boven
het zand uit. Vaillant roemt zeer het prachtige schouwspel, dat de
bijna altijd zichtbare mantelzoom van dit Weekdier bij stil water op
een diepte van 3 à 4 M. oplevert.
De familie der Zandschelpen of Hartschelpen (Cardiaceae) heeft nagenoeg
geen andere hedendaagsche vertegenwoordigers dan het gelijknamige,
omstreeks 200 soorten omvattende geslacht Cardium. De wetenschappelijke
naam is ontleend aan den vorm van de steeds gelijkkleppige, meestal
buikig gezwollen schelp, die wegens de binnenwaarts gekromde spitsen
van voren of van achteren gezien, nagenoeg hartvormig is. Men vindt
overblijfselen van deze Weekdieren in alle aardlagen, te beginnen
bij de Silurische; de hedendaagsche soorten leven in alle zeeën,
doch vooral in die van den heeten aardgordel. Verscheidene soorten
bewonen de Zwarte en de Kaspische Zee en het meer van Aral, zelfs
water met gering zoutgehalte in de nabijheid van riviermonden; deze
hebben belangrijke wijzigingen van lichaamsbouw ondergaan. De siphonen,
die bij de typische, in zee levende soorten kort en gescheiden zijn,
hebben bij de brak- en zoetwatervormen een veel grootere lengte
en zijn vergroeid, hetgeen gepaard gaat met het optreden van een
korte mantelbocht en met het geopend blijven van de schelp aan den
achterrand; bovendien is in dit geval de voet korter en breeder en
het slot onduidelijk of niet getand. Bij de typische vormen sluiten
de dikwandige schelpkleppen langs den geheelen, gewoonlijk gekorven
of getanden rand aaneen en zijn voorzien van ribben of strepen, die,
straalswijs uiteenwijkend (en niet zelden stekels of knobbeltjes
dragend), van den top naar den rand loopen. Iedere klep heeft,
behalve 2 dikke, schuine, kegelvormige slottanden, één voorsten en
één achtersten zijtand. De mantelhelften zijn van voren tot over de
helft van de lengte gescheiden, van achteren aan den zoom met talrijke,
lange franjes bezet, die eveneens aan de siphonen voorkomen. De voet
is zeer lang, cilindervormig en knievormig gebogen.
De 4 à 4.5 cM. lange, 3 à 4 cM. hooge Eetbare Zandschelp, meer bekend
onder de namen Kokhaan, Kokkel of Haantje (Cardium edule), welker
eenigszins scheeve, buikig-hartvormige, witte of roestgele schelp 24
à 28 dwars gerimpelde ribben heeft, komt in grooten overvloed op de
zandbanken langs onze kusten voor. In groote hoeveelheid wordt zij,
o.a. in de Westerschelde en in de Zuiderzee, ingezameld en deels
naar België, deels over Harlingen naar Engeland vervoerd. In 1896
bedroeg de aanvoer te Harlingen 11110 balen Kokkels [benevens 8422
balen Kreukels en 54032 balen Mosselen (de baal weegt c.c. 90 KG.)].
Van veel meer belang zijn deze Weekdieren echter voor de bewoners
van andere kusten. Het rapen van Kokkels op de bij eb droog loopende
banken maakt het voornaamste middel van bestaan uit van de bevolking
der rotsachtige noord- en noordwestkust van Schotland, die in de
hier niet zeldzame jaren van gebrek nagenoeg geen ander voedsel kan
verkrijgen. Ook de Hebridische eilanden Barra en Noord-Uist bezitten
ontzaglijke hulpbronnen van dezen aard. Evenals andere leden van haar
geslacht, is de Eetbare Zandschelp zeer taai van leven; zij kan zeer
groote wijzigingen van zoutgehalte verdragen en komt daarom ook in
de Oostzee en zelfs in de Finsche en de Botnische golf voor.
Meer geschat als spijs zijn de aan onze kusten zeldzame, grootere
soorten van Zandschelpen, o.a. de Gedoornde Zandschelp (Cardium
echinatum, 5.7 cM. lang, 5.5 cM. hoog), welker 18 of 19 ribben bezet
zijn met puntige, van voren gegroefde stekels. Op het Goodrington-
Strand in de baai van Torquay (aan de zuidkust van Devonshire)--een
uitgestrekte gele zandvlakte, die op verscheidene plaatsen door
steile rotsen afgebroken is--wordt dit Weekdier veelvuldig geraapt
en aan de welgestelde bewoners van deze bekoorlijke kuststreek
verkocht door de visschers van Paington, die zelf zich behelpen met
de vroeger genoemde kleine soort, welke aan de slibbanken vóór de
riviermonden de voorkeur geeft boven zandgrond. Gosse beschrijft de
Gedoornde Zandschelp met de volgende woorden: "De schelp is bevallig,
maar volstrekt niet prachtig van kleur; zij vertoont rijke en warme
geelachtig en roodachtig bruine tinten in concentrische strepen, die
in de nabijheid van de spitsen in melkwit overgaan. De lange, spits
toeloopende voet wordt zoo ver mogelijk (9 cM. voorbij den rand der
schelp) uitgestoken, zoekt tastend een voor steun geschikt voorwerp,
b.v. een half in 't zand bedolven steen, drukt, zoodra het er een
voelt, de haakvormig gekromde spits er met kracht tegen aan, maakt
de geheele voet door vulling met vocht stijf, en springt vervolgens
door samentrekking van de voetspieren plotseling 60 of meer cM. ver
weg. Menigmaal is het gebeurd, dat een gevangen exemplaar van den bodem
der schuit over boord wipte en op deze wijze zijn vrijheid herkreeg. De
haakvormige spits, die bij het springen zulke goede diensten bewijst,
speelt bij 't graven een niet minder belangrijke rol. Evenals alle
Kokhanen, verbergt ook deze zich in 't zand en kan hierin met vrij
groote kracht en snelheid doordringen. Door den voet te strekken en
zijn spits uiteinde loodrecht tegen het natte zand te drukken, dringt
het geheele orgaan er in door. Nadat het een stevig steunpunt heeft
verkregen door het plotseling zijwaarts krommen van de spits, krimpt
het sterk ineen, waardoor de schelp met kracht tegen den ingang van
de holte wordt gedrukt en zijn naar beneden gerichte rand het zand
een weinig zijwaarts verschuift. De voet wordt nogmaals gestrekt en
zijn spits op 4 à 5 cM. grooter diepte opnieuw gekromd. Een tweede
samentrekking doet de schelp iets verder in het zand doordringen. Deze
bewegingen geschieden zeer snel en worden in dezelfde orde herhaald,
totdat het dier zich diep genoeg verborgen heeft."
De Strandschelpdieren (Cyrenidae) hebben een hartvormige, ronde of
ovale schelp met concentrische strepen en een duidelijke opperhuid
van bruine of groenachtige kleur. Elke klep heeft 2 of 3 slottanden;
hiervoor en hierachter bevinden zich in de rechterklep 2 zijtanden,
in de linkerklep 1. De slotband is uitwendig. Soms is een kleine
mantelbocht aanwezig. De brakwater-Cyreniden onderscheiden zich
door een dikkere schelp en komen uitsluitend in de tropische en
subtropische gewesten voor; enkele bewoners van rivieren en moerassen
treft men ook in de gematigde en koude aardgordels aan, o.a. sommige
Hoornschalen (Cyclas), zoo genaamd wegens de grijsachtige hoornkleur
van de schelp. Deze verbergen zich niet dikwijls in den grond, maar
houden zich liever tusschen plantenstengels op, waarbij zij met een
voor Weekdieren prijzenswaardige snelheid opklimmen en afdalen. Zelfs
kunnen zij, naar men zegt, als Zoetwaterslakken aan den waterspiegel
hangend, voortkruipen. De grootste inheemsche soort is de 2 cM. lange
Rivierhoornschaal (Cyclas rivicola); de overige, o.a. de Gewone
Hoornschaal (Cyclas cornea), worden nauwelijks half zoo lang.
De Fijnschalen (Pisidium) zijn gemiddeld nog kleiner:
de Rivierfijnschaal (Pisidium amnicum) wordt 11 mM., de Kleine
Fijnschaal (Pisidium pusillum) 3.5 mM. lang. Zij onderscheiden zich
van de Hoornschalen door de kortheid van hare vergroeide siphonen en
de meer ongelijkzijdige, scheeve gedaante van de schelp.
De Bochtmanteligen (Sinupalliata) hebben lange, geheel of gedeeltelijk
terugtrekbare siphonen en bij gevolg een meer of minder diepe
mantelbocht.
De dunne, teer gekleurde schelpjes, die men zoo veelvuldig op
ons zeestrand vindt--de witte, gele of rozeroode Boternapjes
(Tellina solidula), de van buiten lichtgele, van binnen paars-blauwe
Zaagjes (Donax anatina)--zijn leden van de familie der Platschelpen
(Tellinaceae), gekenmerkt door een van voren wijd geopenden mantel met
lange, geheel gescheiden siphonen en een zijdelings samengedrukten,
tongvormigen voet, die geen byssus voortbrengt. Andere bij ons zeer
gewone Tellinaceën zijn de Platte Slijkgaper (Scrobicularia piperita)
en de Gewone Dunschaal [Syndosmia (Erycina) alba], beide met nagenoeg
witte schelp, de Dunne Platschelp (Tellina tenuis), met vleeschroode,
en de Linksgestreepte Platschelp (Tellina fabula) met geelachtig
witte schelp; bij de laatstgenoemde soort is de rechterklep glad,
de linker gestreept. Behalve de 5 cM. lange Platte Slijkgaper, is
geen der genoemde soorten langer dan 25 mM.
De Venusschelpen (Veneraceae) gelijken veel op de Tellinaceën, maar
hebben matig lange, aan de basis vergroeide siphonen en een dikken,
langen, vierzijdigen voet, die alleen bij de Tapijtschelpen (Tapes)
een byssus vormt.
Beide familiën zijn rijk aan soorten (ieder c.c. 600) en in alle
zeeën vertegenwoordigd; hare leden leven vrij in het zand. Sommige
Venus-schelpen worden door verzamelaars van conchyliën op hoogen prijs
gesteld wegens haar fraaie kleur en stekelige uitwassen. Eenige in de
Middellandsche Zee levende Venus-soorten dienen als spijs. Verscheidene
Tellina- en Donax-soorten kunnen springen, weten den voet zoo te
bewegen, dat zij op den rug komen te liggen, drukken dan dit zeer
rekbaar, knievormig gebogen orgaan om de schelp heen tegen den bodem
en strekken het plotseling.
Een der grootste, bij ons uit zee aanspoelende schelpen is de
10 cM. lange, 5 cM. hooge, dunwandige Ovale Slijkschelp (Lutraria
elliptica); zij is van buiten met een vrij dikke, vuilbruine opperhuid
bedekt, van binnen blauwachtig wit. Niet minder algemeen is de
verwante, 5 cM. lange, 37 mM. hooge, driehoekig ovale Gestreepte
Strandschelp (Mactra stultorum), van buiten geelachtig bruin, met
donkerbruine of bruinachtig purperkleurige, straalswijs gerichte, naar
den rand breeder wordende strepen, van binnen bleek paars; ook vindt
men op ons strand eenige kleinere, witte of geelachtige soorten van
hetzelfde geslacht. Alle Mactraceën hebben een van achteren eenigszins
gapende schelp met driehoekige of ovale, inwendige bandgroeve onder
het slot en daarvóór in iedere klep een L-vormigen slotband. De voet
is lang en spits; de van voren wijd geopende mantel loopt van achteren
in vergroeide siphonen uit.
De veelvuldig voorkomende, aan beide einden openstaande schelpen van de
Gapers (Mya) hebben een grooten, loodrecht op het middenvlak gerichten,
lepelvormigen tand onder het slot van de linker klep. De Strandgaper
(Mya arenaria) heeft een 10 cM. lange, 6.5 cM. hooge, langwerpig
ovale schelp. De Stompe Gaper, in Zuid-Holland Kussentje genoemd
(Mya truncata), is kenbaar aan de sterk afgeknotte, wijd openstaande
achterzijde van de overigens eivormige, zeer bolle, 6.5 cM. lange, 5
cM. hooge schelp. De mantel is bijna geheel gesloten; door een kleine
spleet aan de voorzijde kan de korte, kegelvormige voet uitgestoken
worden; de lange, dikke siphonen zijn onderling vergroeid en met een
dikke opperhuid bedekt. Het dier is zoo ver bedolven in 't zandige
strand, dat alleen het met franje bezette uiteinde van de schijnbaar
enkelvoudige mantelbuis zichtbaar is. Zoodra het door voetstappen of
aanraking verontrust wordt, verdwijnt het geheel in zijn hol. Op den
vlakken grond kunnen de Gapers zich achterwaarts bewegen door den
voet achtereenvolgens te krommen en te strekken. In sommige streken
van Engeland en Noord-Amerika worden deze dieren door de armste
volksklasse gegeten; ook dienen zij als lokaas bij de vischvangst.
De Mesheften (Solen) gelijken door hun levenswijze veel op de Gapers
en hebben, evenals zij, een van voren en van achteren openstaande
schelp. Deze is scheedevormig verlengd en meestal met een dikke, bruine
opperhuid bekleed. De dikke, rolronde, aan 't einde knotsvormige voet
wordt door de voorste spleet van den mantel naar buiten gestoken en
is een uitmuntend graafwerktuig in het lichte zand van den oever. De
kustbewoners van de Middellandsche Zee eten deze Weekdieren, die
zij Capa lunga en Capa di Deo noemen. Men vangt het Mesheft, dat men
voorzichtig genaderd heeft, door het, als een gravenden Mol, met de
spade omhoog te werpen, of door in het gat, waarin het vlug tot op
0.5 M. diepte afdaalt, een dunne, in een knop eindigende, ijzeren
stang te steken, waaraan men het dier kan optrekken, indien de knop
tot in de schelp is doorgedrongen. Aan de Middel-Europeesche kusten
komen drie soorten voor: de (bij ons zeer zeldzame) 125 mM. lange,
21 mM. hooge Rechte Messcheede (Solen vagina), de sterk gekromde,
93 mM. lange, 12 mM. hooge Zwaardscheede (Solen ensis) en het 200
mM. lange, 25 mM. hooge Tafelmesheft (Solen siliqua).
De Steenborers of Pholaden, aan de Zuid-Hollandsche kust Wiegen, op
Walcheren Boerinnehoedjes genoemd (Pholas), wijken door schelpvorm en
lichaamsbouw aanmerkelijk af van alle overige Plaatkieuwigen. De schelp
is langwerpig van vorm en van achteren open. De beide schelpkleppen
zijn op een zeer eigenaardige wijze met elkander verbonden, hebben
ieder van binnen een lepelvormig uitsteeksel, hetwelk aan den slottand
van de linker schelpklep van Mya herinnert. De rugrand van iedere
schelpklep is in de slotstreek omgeslagen en vormt een plaatvormig
uitsteeksel met een aantal openingen, dienende tot het doorlaten van
spierbundels, die zich hechten aan een paar los op den rug liggende,
bijkomende schelpstukken. Bij de Gewone Pholade (Pholas dactylus) en
vele van hare verwanten zijn er twee (ongerekend het lange en smalle
stuk, dat er achter gelegen is), bij andere slechts één. Door deze
inrichting wordt een vollediger afsluiting aan de rugzijde verkregen,
terwijl het dier de voorste gedeelten van de beide slotranden van
elkander verwijdert, hetgeen noodig is voor het boren. Hiervoor
dienen bij alle soorten reeksen van uitsteekseltjes en tandjes aan
de buitenzijde van de schelp, welker voorste oppervlakte hierdoor op
een groote rasp gelijkt. Op deze wijze boren zij horizontale gangen in
zachte gesteenten en hout; het dier vangt deze werkzaamheid aan op zeer
jeugdigen leeftijd, dadelijk na het verlaten van den larvetoestand,
terwijl het nog zeer klein is, en zet haar levenslang voort. Het maakt
de gang voortdurend dieper en wijder, maar kan haar niet verlaten, daar
het zich niet kan omkeeren en de eerste gevormde deelen van de woning
de nauwste zijn. Alleen de siphonen treden door de opening van de gang
naar buiten en kunnen er geheel in teruggetrokken worden. -- Naar
het schijnt, kan de voet bij het graven van gangen in weeke stoffen
dienst doen. Volgens sommigen spelen bij 't boren kiezelsplintertjes
in den voet en 't voorste deel van den mantel een rol. Van een bijtende
vloeistof heeft men nooit eenig spoor kunnen ontdekken.
Een andere eigenaardigheid van de Pholaden is het lichtgevend vermogen,
dat zich, evenals bij andere op deze wijze begaafde dieren, eerst na
prikkeling openbaart. Wanneer men een Pholade aanvat en beweegt, komen
als 't ware wolkjes uit haar lichaam te voorschijn, die langzamerhand
het omgevende water lichtgevend maken. Zij bestaan uit een slijm,
dat aan alle voorwerpen, waarmede het in aanraking komt, blijft
hangen, en door bepaalde organen van betrekkelijk geringen omvang
wordt uitgescheiden.
De tot dusver genoemde Borende Schelpdieren (Pholadidae) richten geen
schade van eenige beteekenis aan. In hooge mate schadelijk voor alle
houten voorwerpen, die een tijdlang door zeewater omgeven blijven,
zijn echter andere leden van dezelfde familie, die het geslacht der
Paalwormen (Teredo) vormen. Vooral in het paalwerk van zeeweringen,
havens, bruggen, richten deze dieren groote verwoestingen aan. Den
onjuisten naam van Wormen danken zij aan hun buitengewoon langwerpig
lichaam; slechts het kleine, gezwollene, voorste lichaamsdeel is
met een gelijkkleppige schelp bedekt. Elke schelpklep bestaat uit
drie afdeelingen: de voorste is lepelvormig en veel smaller dan de
middelste, die eveneens breeder is dan het achter- of halsgedeelte,
dat bij het levende dier steeds bedekt is door een plooi van den
mantel, welke zich, zoolang het dier niet boort, over de geheele schelp
uitbreidt. Evenals bij de Pholaden, ontbreken het slot en de slotband;
de schelpkleppen zijn slechts in een punt aan de buikzijde met elkander
in aanraking en laten van voren en van achteren een wijde opening
over. De voorste omvat een mantelspleet, dienende voor het uitsteken
van den kleinen, cilindrischen voet, met welks afgeknot voorste
uiteinde het dier zich gedurende het boren vasthecht. Van achteren
loopt het wormvormige lichaam uit in twee siphonen van ongelijke
lengte: de kortste voorziet het lichaam van water en voedsel; de
langste verwijdert, behalve het water, dat voor de ademhaling gediend
heeft, de uitwerpselen, de jonge larven en het houtboorsel, dat door
de werking der schelpkleppen ontstond. Het knagen geschiedt namelijk
niet met het doel om voedsel, maar uitsluitend om een woning te
verkrijgen. Bij den oorsprong der mantelbuizen komen twee kalkplaatjes
(paletten) voor en bevat het lichaam een krachtige, ringvormige
sluitspier. Ook bevindt zich hier een dwarsspier, die vermoedelijk
met de achterste sluitspier der overige Tweespierige Plaatkieuwigen
vergeleken moet worden. De voorste is in de schelp gelegen. Aan het
door Paalwormen aangetaste houtwerk merkt men uitwendig slechts kleine,
1 à 1.5 mM. wijde, scheef in het hout doordringende gaatjes op, waaruit
de beide mantelbuizen te voorschijn komen, zoolang het dier ongestoord
wordt gelaten. De gang in het hout wordt allengs wijder en eindigt
blind op de plaats, waar de schelp zich bevindt. Van binnen is zij
bekleed met een witte kalklaag, door den mantel aan zijn oppervlakte
uitgescheiden. Een verbinding van het dier met deze buis komt alleen
voor ter plaatse, waar de paletten zich bevinden. De ruimte in iedere
gang wordt geheel ingenomen door den Paalworm, die in volwassen
toestand meestal 8 cM. lang is. Voor het boren is geen draaiende,
maar een heen en weer gaande beweging (het beurtelings openen en
sluiten der schelp) noodig. Beide bewegingen zijn een gevolg van
spiersamentrekking: de sluitspieren werken, evenals bij de Pholaden,
op een binnenwaarts gericht uitsteeksel van iedere schelpklep; die,
welke voor 't openen dienen, hechten zich aan de buitenste oppervlakte
der schelp. De samenwerking van beide spieren met die van den voet
brengt een zeer langzame draaiing van het dier om zijn as teweeg;
deze heeft alleen ten doel een ander aanhechtingspunt te verkrijgen
voor den voet, die, als zuignap werkend, het dier naar den bodem van
de gang trekt en de raspende randen der schelpkleppen tegen het hout
drukt. Het lepelvormig gedeelte van iedere klep is n.l. voorzien van
uiterst fijne, op reeksen geplaatste, wigvormige tandjes (ongeveer
100 op 1 mM.), die loodrecht staan op de richting der iets grootere
tandjes (ongeveer 30 op 1 mM.), die aan het middelste schelpgedeelte
voorkomen. (Op een zeer groote, 7.5 mM. lange schelpklep telde men
4000 tandjes op de 40 onderling evenwijdige rijen). Het hout wordt
dus achtereenvolgens in 2 richtingen getroffen en als 't ware in
vierkante stukjes gesneden, fijn genoeg om het darmkanaal en de
kloak-sipho te passeeren. Naarmate de tandjes afslijten, komen er
nieuwe te voorschijn op een volgende groeistreep. De gangen, die
aanvankelijk scheef naar binnen gericht zijn, worden weldra geheel in
de richting van de houtvezels voortgezet en wijken hiervan alleen af,
als de nabijheid van een andere gang dit noodig maakt. Nooit snijden
twee gangen elkander, hoewel zij ten slotte zoo dicht bijeenliggen,
dat er slechts een dun tusschenschot overblijft en het hout, dat van
buiten nagenoeg gaaf schijnt, doch van binnen in een sponsachtige
massa veranderd is, geen weerstand meer kan bieden. Natuurlijk strekt
de vernieling zich niet hooger uit dan halftij (d.i. op de hoogte
midden tusschen gewoon hoog- en laagwater), daar de siphonen steeds
in schoon zeewater moeten uitmonden. De volwassen Worm kan hoogstens
3 à 4 dagen buiten 't hout in zeewater leven; in hout, dat niet met
zeewater in aanraking is, sterft hij binnen 24 uur.
Hoewel de Paalworm reeds aan de ouden bekend was en te allen tijde
ook onze zeeën bewoond schijnt te hebben, werd echter eerst in
1730 de algemeene aandacht op dit Weekdier gevestigd. In genoemd
jaar vertoonde het zich aan den Westkappelschen zeedijk en andere
zeewerken van Walcheren. In het midden van September 1731 werden de
Drechterlandsche zeedijken door storm geteisterd en tot niet geringen
schrik zag men, dat de palen, ter bescherming van dien dijk en langs
de Bovenkarspelsche en Grootebroeksche dijken ingeslagen, bij den
grond af braken. Ditzelfde feit werd op Texel en aan de Friesche kust
waargenomen, waar nieuwe palen zoodanig doorknaagd werden, dat zij
vanzelf omvielen. Hierdoor werd een ontzaglijke schade aangericht:
alleen in Noord-Holland kostte de dijkverbetering 5½ millioen. Om
een dijk te beschermen [2] werd aan de zeezijde de buitenglooiing
ter breedte van 3 à 4 M. uitgegraven tot 0.5 à 0.7 M. beneden
laagwater. Deze lange, evenwijdig met den dijk loopende sleuf werd
met in zee opgevischt wier aangevuld niet alleen, maar terzelfder
breedte tot 2 à 3 M. boven volzee opgestapeld. Een ontzaglijke massa
wier was hiervoor noodig, daar dit materiaal door het steeds ophoogen
zoodanig in elkander zakt, dat van een 1 à 1.5 M. hooge opstapeling
in het onderste deel van de "wierriem" slechts een laag van 0.1
M. dikte overblijft. De wierriemen hadden bovendien het nadeel van te
slijten door het dagelijksch golfgeklots: tusschen laag- en hoogwater
uitgehold, vertoonden zij neiging om in te storten door aandrang van
den achterliggenden grond en eigen gewicht. Daar het inzetten van
stukken niet mogelijk is, werden de uitgeholde wierriemen, om het
vernieuwen van een geheel vak te vermijden, onder de voorzijde met
puin en zwaren steen bestort en zoo tegen omvallen beveiligd. Deze
bestorting werd aan de zeezijde allengs verzwaard, de wierriem geheel
aangestort en zelfs ondergestort en het puin tegen het wegslaan met
zwaren steen bedekt. Zoodoende ontstonden de glooiingen van dijksteen.
Ook in den tegenwoordigen tijd richt de Paalworm dikwijls groote
schade aan; vele middelen worden aangewend om haar te voorkomen. Het
houtwerk van sluizen wordt gewoonlijk tweemaal goed geteerd, daarna
met grauw papier of vilt overdekt en eindelijk met koperen platen
bekleed. De kosten hiervan bedragen ongeveer f 13 per M2.--Ook
de houten zeeschepen worden tegenwoordig algemeen gekoperd. Bij
visschersvaartuigen kan men dit niet doen, daar de netten aan de
hoeken der koperen platen blijven haken en hierdoor schade lijden
zouden. Van zulke vaartuigen wordt, wanneer zij op het strand of
op de helling droog liggen, de huid schoongeschrapt, afgebrand en
vervolgens geteerd. Deze bewerking wordt 2- of 3-maal per jaar in 't
warme seizoen toegepast.--Palen worden door een roestkorst beveiligd
en te dien einde, van halftij of iets hooger tot 0.75 M. diepte in den
grond, zorgvuldig beslagen met smeedijzeren wormnagels: groote met een
kop van 3 à 4 cM. middellijn en, voor 't vullen van de hiertusschen
overblijvende openingen, kleine met een kop van 2 cM. middellijn. De
kosten van deze bewerking worden op f 5.40 per M2 geraamd.--Ook
door een voldoende inpersing van creosootolie (± 300 L. per M3 hout)
wordt de beschadiging door den Paalworm voorkomen. Wegens de groote
kosten van dit voorbehoedmiddel zal--vooral bij palen, die ver boven
water staan en diep in den grond steken--het creotoseeren het oude
bespijkeren met wormnagels nog wel niet op den achtergrond dringen.
De Gastrochaenaceën bewonen in volwassen toestand een door den
mantel gevormde, slechts aan één einde geopende kalkkoker, die
op verschillende wijzen beschut wordt. Het achterste deel van
het langwerpige lichaam bestaat uit twee over haar geheele lengte
vergroeide siphonen; overigens heeft de zakvormige mantel geen andere
opening dan die waardoor, dicht bij het vooreinde, de zeer kleine
voet wordt uitgestoken. De dunne, van voren wijd gapende schelp is op
verre na niet voldoende tot berging van de weeke deelen en mist steeds
aan de binnenzijde der kleppen het uitsteeksel, waardoor de leden
der vorige familie zich onderscheiden. De 2 cM. lange Gastrochaena
modiolina die bij de Engelsche kust in rotsspleten leeft, voegt
kleine steentjes en schelpgruis bijeen tot een fleschvormig nest,
dat de schelp geheel omgeeft; zij bekleedt het van binnen met een
dunne kalklaag. Met uitzondering van den hals, die voor het uitsteken
der siphonen geopend blijft, is het nest geheel gesloten. Ditzelfde
dier kan, naar het schijnt, ook een gat boren in het gesteente,
waarbinnen het zich met een koker omgeeft, evenals zijne verwanten
doen in oesterschelpen, koralen, opeenhoopingen van Zeepokken, enz.
Een nog zonderlinger voorkomen hebben de Gieterschelpen (Aspergillum),
zoo genoemd naar den vorm van den als woning dienenden kalkkoker;
deze is n.l. van onderen afgesloten (B) door een schijf, welke op een
sprei van een gieter gelijkt. De spleetvormige opening in 't midden
van de schijf is omgeven door een aantal holle buisjes, die langs
den rand de grootste lengte bereiken en, naar men vermoedt, dienen
voor het uitsteken van draadvormige deelen van den mantel. De beide
schelpkleppen zijn zeer klein gebleven en op korten afstand van het
onderste uiteinde van den koker met deze vergroeid. De koker heeft
den vorm van een cilinder of van een afgeknotten kegel en is voor
drie vierde van haar lengte in het zand van den zeebodem verborgen;
door de opening aan het bovenste deel steken de uiteinden der siphonen
uit. Van dit geslacht zijn een twintigtal levende soorten bekend, die
de warme zeeën van het oostelijk halfrond bewonen. Het noordelijkste
deel van haar verbreidingsgebied is de Roode Zee.