DERDE KLASSE.

DE GRAAFVOETIGEN (Scaphopoda).

Ook over de plaats, die de Stoottand- of Tandhorenslakken (Dentalidae),

ook wel Meshefthorens (Solenoconchae) genoemd, in het stelsel behooren

in te nemen, bestaat verschil van meening. Het is gebleken, dat

deze kleine, uit ongeveer 80 hedendaagsche en 160 fossiele vormen

bestaande diergroep, zoowel met de Slakken als met de Mossels

kenmerken gemeen heeft en dat de ontwikkelingsgeschiedenis harer

leden eenige overeenkomst met die der Ringwormen vertoont. Daar zij

een rudimentairen kop hebben en de oogen zoowel als de kieuwen missen,

staan de Graafvoetigen op een veel lageren trap van organisatie dan de

Echte Slakken. Van de koplooze Plaatkieuwige Weekdieren verschillen

zij echter duidelijk door het bezit van een tong met wrijfplaat en

van een buisvormige, enkelvoudige schelp, zoodat het geraden schijnt

ze tusschen de Gastropoden en de Lamellibranchiaten te plaatsen.

De schelp van de Dentaliën heeft den vorm van een niet sterk gekromden

Olifants-slagtand en is aan beide einden open. De convexe boog is

de buikzijde van het dier, dat in gewone omstandigheden dezen hollen

kegel geheel vult en er alleen door een smalle, gespierde, ringvormige

mantelstrook dicht bij de achterste opening aan vastgegroeid is. De

lange, buisvormige, van voren en van achteren geopende mantel

heeft denzelfden vorm als de holte der schelp; zijn cirkelvormige,

voorste opening kan door een kringspier gesloten worden; een deksel

is niet aanwezig. De ingewandenzak is van achteren over twee derde

deel van zijn leegte met den mantel vergroeid. De romp is door een

tusschenschot en een insnoering in tweeën verdeeld; ook de mantelholte

bestaat uit een voorste en een achterste kamer (a en a). De voorste

bevat het monduitsteeksel (b), met de door bladvormige aanhangsels

(lipvoelers) omgeven mondopening. Niet deze, maar de volgende

opzwelling omsluit de tong, welker wrijfplaat gevormd wordt door

25 à 30 dwarsreeksen, ieder van 5 plaatjes. Aan de buikzijde van

de voorste lichaamsafdeeling ligt de voet (d), een holle cilinder,

die door vulling met bloed verlengd en door de voorste mantelopening

naar buiten gestoken kan worden; dit orgaan gelijkt veel meer op den

voet der Mossels dan op dien der Echte Slakken. De aarsopening (c)

ligt in de achterste kamer van de mantelholte. Door wijde ruimten en

kanalen tusschen en in de organen beweegt zich het bloed, hoewel een

eigenlijk hart ontbreekt. Bepaaldelijk voor de ademhaling bestemde

organen zijn evenmin aanwezig. De centrale deelen van het zenuwstelsel

komen het meest overeen met die der Plaatkieuwigen. Behalve een paar

knoopen boven den slokdarm en een paar bij de aarsopening, zijn

in den voet twee knoopen gelegen, die met twee gehoorblaasjes in

gemeenschap staan. Bovendien moeten als zintuigen worden beschouwd

2 bundels van voeldraden, die knotsvormig eindigen en uitgaan van

twee zijdelingsche opzwellingen (e) van het deel van den romp, dat

met den mantel verbonden is. In de nevenstaande afbeelding zijn zij

naar links omgeslagen; zij behooren echter in de voorste kamer van

de mantelholte te liggen.

De geslachtsorganen zijn over tweeërlei individuën verdeeld. Uit

het ei komt een langwerpig eivormige larve, welker spits uiteinde

het voorste gedeelte van het dier voorstelt; de trilharen, waarmede

aanvankelijk de geheele oppervlakte bekleed is, rangschikken zich later

gordelsgewijs; nog later verdwijnen de achterste trilhaargordels en

breiden de voorste zich tot een "kopscherm" uit.

De Dentaliën bewonen den zandigen of slijkerigen zeebodem langs de

kusten; ledige, 3 à 4 cM. lange schelpen van Dentalium entale en

Dentalium vulgare worden dikwijls op ons zeestrand gevonden. Het

dier is minder gemakkelijk te verkrijgen: zoodra de zeebodem niet

meer door water bedekt is, kruipt het in het zand en wordt geheel

onzichtbaar. Het gunstigste tijdstip voor het inzamelen van de dieren,

die het strand bewonen, is dat, hetwelk onmiddellijk voorafgaat aan het

stijgen van het water. Bij het begin van de eb verkeeren deze dieren

in gunstige omstandigheden, daar het zand nog veel water terughoudt;

ook dit water vloeit echter weg; bij den laagsten waterstand,

kort voordat het water weer begint te rijzen, is het strand het

droogst; nu worden vele van de dieren, die er in begraven liggen,

door behoefte aan water genoopt een vochtiger oord op te zoeken en

kan men hen, o.a. ook de Dentaliën, het gemakkelijkst inzamelen. De

voet heeft een kegelvormige spits met twee bladvormige zijlobben;

deze spelen bij het doordringen in 't zand de rol van ankers, zoodat

bij samentrekking van het lichaam het geheele lichaam vooruitgaat.

Door trilhaarbeweging (en ook door den voet als pompzuiger te

gebruiken) stroomt het water door de voorste mantelopening naar binnen;

het water, dat op dezelfde wijze door de achterste mantelopening

verwijderd wordt, is beladen met uitwerpselen en (in de noordelijke

zeeën: van het begin van Mei tot het midden van September) ook met de

producten der voortplantingsklieren. De waterstroom, die geregeld van

voren naar achteren het lichaam doorloopt, voert op passieve wijze

voedsel toe aan de mondopening; door middel van de voeldraden kunnen

de kleine, tot voedsel dienende diertjes echter ook op actieve wijze

opgezocht en naar den mond gebracht worden.

Het Leven der Dieren: Deel 3.7, De Weekdieren · 第 15 / 19 题