DE LONGSLAKKEN (Pulmonata).
Alle Landslakken en de meeste Zoetwaterslakken ademen lucht. De mantel
vormt in de nekstreek een holte, welke bij de Naakte Slakken en bij de
Huisjesslakken met rechts gewonden schelp lucht ontvangt door een aan
de rechterzijde gelegen opening; de zolder van deze holte, de binnenste
laag van den mantel, bevat een dicht netwerk van bloedvaten. Terwijl
de Slak kruipt, is het ademgat duidelijk zichtbaar. Het wordt nauwer en
verdwijnt, wanneer men de Slak aanraakt en in haar huisje drijft; kort
nadat zij zich teruggetrokken heeft, ziet men dit gat echter opnieuw
verschijnen in de buurt van den spilrand. Natuurlijk moeten de in
't water levende Longslakken aan de oppervlakte komen om te ademen;
evenals de Landslakken, stikken zij, indien men haar de gelegenheid
beneemt op deze wijze haar behoefte aan lucht te bevredigen.
Dat de lichaamsbouw van de Naakte Slakken met die van de Huisjesslakken
overeenstemt, hoewel beide in uitzicht zeer verschillen, blijkt
spoedig uit de nadere vergelijking van een Limax-soort met een
Tuinslak of Wijngaardslak (Helix). Bij Limax is het achter den kop
gelegen deel van den voet van boven niet vrij, maar verbonden met
den zak, die de ingewanden bevat. Dit deel van het lichaam nu is
bij Helix spiraalsgewijs gewonden en blijft steeds verborgen in het
huisje; met de schelp is het slechts door één spier verbonden; deze,
de spilspier, ontspringt boven de eerste winding aan de spil; door
haar samentrekking keert het dier in het huisje terug.
Om een Slak te ontleden doode men haar bij voorkeur onder water
door haar op een glazen plaat te laten kruipen, deze om te keeren
en hiermede een tot boven den rand gevuld glas water te bedekken;
men kan haar ook in volkomen uitgestrekten toestand gedurende 10
à 12 seconden aan de werking van kokend water blootstellen. Zeer
ondoelmatig is het haar in spiritus te dooden, daar zij hierdoor te
sterk inkrimpt. De Huisjesslakken, die in kokend water gelegen hebben,
kan men gemakkelijk uit haar schelp draaien, daar de spilspier er
nu niet meer aan vastzit. Het ontleden moet onder water geschieden,
in een ondiep bakje, welks platte bodem bedekt is met een plaat
kurk, waaraan het doode dier in uitgestrekten toestand met spelden
wordt vastgestoken. Daar wij reeds aan het levende dier het ademgat
hebben leeren kennen, gaan wij van hier uit en knippen de mantelholte
open. De dikke ader, die haar bloed ontvangt uit de talrijke fijnere
vaten, welke een netwerk vormen in den zolder van de long, volgen
wij tot aan de linkerzijde, waar zij uitmondt in de voorkamer van
het hart. Het bloed begeeft zich van de voorkamer naar de kamer en
wordt van hier door de aorta en hare takken naar alle deelen van het
lichaam gevoerd. Alle Weekdieren hebben een arterieel hart: dit orgaan
ontvangt het bloed uit de ademhalingsorganen. Het hart van de Visschen
daarentegen zendt het bloed, dat voor het onderhouden van het lichaam
gediend heeft, naar de ademhalingsorganen en heet daarom "veneus".
De mondholte met de haar omgevende dikke spiermassa heet slokdarmhoofd;
aan het gehemelte, achter de lip, is de bijna halvemaanvormige,
overlangs gerimpelde kaak vastgehecht. Het zeer samengestelde orgaan,
dat men wegens zijn ligging op den bodem van de mondholte tong noemt,
draagt een wrijfplaat (radula); deze kan gemakkelijk verwijderd
worden uit de scheede, waarin zij zich terugtrekt en levert dan een
fraai microscopisch preparaat op. Zij is n.l. bezet met een groot
aantal dwarse reeksen van tandjes, grootendeels samengesteld uit
chitine. Alle Koppootigen en Slakken hebben zulk een wrijfplaat,
van welker aanwezigheid en doel men zich het best kan overtuigen
door te letten op inheemsche Zoetwaterslakken, die men in slootwater
houdt. De binnenste oppervlakte van het glas is na verloop van eenige
dagen bedekt met een laag van microscopisch kleine, groene plantjes;
bijna aanhoudend ziet men de Slakken bezig, de bedoelde algen,
die haar tot voedsel dienen, van het glas af te likken of liever
af te vijlen door de tong beurtelings uit te steken en terug te
trekken. Wegens de belangrijkheid van dit orgaan voor het leven
van de Slakken zijn de hieraan ontleende kenmerken uitmuntend
geschikt voor de onderscheiding van familiën en geslachten. De
verschillende gedaante en rangschikking van de tandjes, staat in
verband met de soort van voedsel en de levenswijze. De wrijfplaat
kan gemakkelijk bewaard en nog na vele tientallen van jaren uit het
intusschen verdroogde dier afgezonderd worden.--Op het slokdarmhoofd
volgt de dunne slokdarm, die in de onverdeelde maag eindigt. Hierop
liggen de speekselklieren. Onmiddellijk achter de maag bevindt zich
de lever; deze omhult eenige kronkelingen van den darm, die zich
als endeldarm naar voren richt en naast het ademgat eindigt. Hier
mondt ook de afvoerbuis van de nier uit. De toestellen tot het
bevredigen van gastronomische neigingen zijn dus bij de Slakken goed
ontwikkeld.--De oogen aan den top der groote voelhorens werden reeds
door Swammerdam zorgvuldig beschreven. Twee gehoorblaasjes liggen tegen
den onderkant van den slokdarmring. Deze bevat 3 paar zenuwknoopen:
de bovenslokdarmknoopen, de voetknoopen en de kieuwknoopen; de beide
laatste paren bevinden zich onder den slokdarm.--Alle Longslakken
zijn tweeslachtig (hermaphrodiet) en leggen na paring eieren.
Ook voor de levensverrichtingen der Landslakken is een vochtige
omgeving volstrekt noodig. De Naakte Slakken--en de Slakken
welker schelp het lichaam slechts voor een klein deel bedekt
(b.v. Testacella)--bezwijken spoedig in een droge ruimte; in een
kartonnen doos b.v. kunnen de kleine soorten geen 24 uur in 't
leven blijven. Over 't algemeen schijnen de bewoners van glanzige,
doorschijnende schelpen (Vitrina b.v.) veel vocht noodig te
hebben. Ook alle Slakken welker huisjes een harige opperhuid hebben
(b.v. vele Helix-soorten van de groep Fruticicola), houden van een
natte woonplaats. Daarentegen onderscheiden zich de Landslakken,
die goed aan de droogte weerstand bieden, door een ondoorzichtige,
doffe schelp, waaraan de opperhuid nagenoeg ontbreekt.
Over 't algemeen oefent de warmte, binnen zekere grenzen, op de
Slakken een gunstigen invloed uit, voorzoover zij het uitdrogen
niet bevordert. In enkele warme bronnen leven sommige soorten nog
bij een temperatuur van meer dan 50° C., andere kunnen een zeer
lagen warmtegraad verdragen. In koude en gematigde gewesten weten de
Slakken aan den schadelijken invloed van den winter te ontkomen door
het afsluiten van de schelp met deksels en door het verblijf in een
doelmatige schuilplaats, waar zij in winterslaap verkeeren. Een hierop
gelijkende zomerslaap hebben de Landslakken der keerkringsgewesten
evenals vele Reptiliën en Insecten. Ook in dit geval kruipen zij in den
grond of maken gebruik van toevluchtsoorden onder steenen en takken.
Daar alle slakkenhuizen verkalkt zijn en de hiervoor benoodigde
materiaal in het voedsel aan het organisme moet worden toegevoerd,
kunnen op plaatsen waar de bodem volkomen vrij van kalk is, geen
Huisjesslakken bestaan. Op den omvang van het verbreidingsgebied der
soort, op de talrijkheid der individuën, op de stevigheid, kleur
en doorschijnendheid van de schelp heeft daarom de geaardheid van
den bodem grooten invloed. De Slakken, die op graniet en dergelijke
weinig kalk bevattende gesteenten leven, hebben huisjes, die wegens
hun grooter gehalte aan organische stoffen levendiger gekleurd,
doorschijnender en dunwandiger zijn, dan die van leden van dezelfde
soort, welke op kalkvrije gronden leven. De opperhuid, die veel
meer organische stof bevat dan de daaronder liggende parelmoerlaag,
is bij beide nagenoeg even sterk, de parelmoerlaag daarentegen bij
exemplaren op granietgrond veel minder sterk ontwikkeld.
De schelpenverzamelaar vindt nuttige wenken in hetgeen Roszmäszler
van de verblijfplaatsen en van het verzamelen der Landslakken zegt:
"Vele soorten kruipen bij voorkeur op planten rond en houden zich het
meest op aan de onderzijde van bladen en in de hoekpunten van takken;
andere leven op en onder afgevallen bladen, nog andere meer verborgen
onder het dichte moskleed, dat steenen en boomstammen bedekt; eenige
treft men zelfs aan in gezelschap van Aardwormen en Duizendpooten,
dikwijls onder een zoo grooten steen, dat het moeielijk te begrijpen
is, hoe een teer dier met brooze schelp onder dit zware voorwerp
geraakt. Sommige Slakken schijnen zich hier nog niet veilig te achten
en leiden een volkomen onderaardsch leven.
"Daar de Landslakken bijna geen ander dan plantaardig voedsel
gebruiken, komen de meeste op of althans bij planten voor; zij
zijn merkbaar talrijker in bosschen met breedbladige dan in de met
naaldbladige boomen. Ook hier geldt de regel, dat vlakke gewesten
rijker zijn aan Slakken dan bergstreken. Steeds vond ik ze minder
veelvuldig in bergwouden dan in vochtige bosschen van de vlakte.--Nooit
leven de Slakken op aanzienlijke hoogte in de boomen; liever bewonen
zij laag kreupelhout, of vestigen zich in bosschen op kruiden of
op den bodem. Hoe dichter en schaduwrijker het struikgewas is, hoe
gedekter en vochtiger de plaats, waar het groeit, des te meer kans
heeft men er Slakken te vinden. Het liefst bewonen zij echter boschjes,
waar b.v. kornoeljes, braamstruiken, eschdoornen en hazelaars, door
hopstengels omrankt en met andere hoogopschietende kruiden als 't
ware doorgroeid zijn. Bij droog weer zijn zij hier niet gemakkelijk te
vinden, wel na een warme regenbui. Alle komen dan uit hare schuilhoeken
te voorschijn, om zich te laven aan de regendruppels, die van de bladen
en takken afhangen, en zich te verfrisschen in de heerlijke koelte. Wie
zich niet bekommert om de vallende druppels, de schrammende doornen
en de brandende netels, kan nu een groote menigte Slakken verzamelen.
"Na het afzoeken van de takken en bladen van zulke struiken, verzuime
men niet, den bodem er om heen, die gewoonlijk met mos, steenen en
afgevallen bladen bedekt is, zorgvuldig te doorzoeken: verscheidene
hier levende zeldzame soorten, o.a. de Glashorenslakken (Vitrina),
komen niet dikwijls te voorschijn. De levende heggen komen nog het
meest overeen met de zooeven genoemde boschjes, wat rijkdom aan Slakken
betreft. Vooral heggen van vochtige en laag gelegen tuinen zijn in den
regel, en meer bepaaldelijk na een regenbui, sterk bevolkt. In tuinen
kan men echter ook wel op andere plaatsen met goed gevolg Slakken
zoeken. De buksboom- (of zoogenaamde "palm"-) randen rondom bloemperken
verschaffen vooral bij warm en droog weer een koele verblijfplaats
aan deze dieren, die men ook vindt in hoeken, waar onkruid groeit en
afval ligt, op plaatsen waar het uitgewiede onkruid neergeworpen wordt,
kortom op alle rommelige, donkere en vochtige plekken."
Van de 6000 levende soorten, die (behalve ongeveer 700 fossielen)
de orde der Longslakken vormen, behooren 5800 tot de onderorde der
Landslakken (Stylommatophora), die al of niet een huisje bezitten
en oogen hebben aan den top van twee (in den regel door instulping
terugtrekbare) "oogvoelers"; verder naar voren en naar onderen staan
gewoonlijk nog twee kleinere "lipvoelers".
Tot de familie der Heliciden (Helicidae) brengt men niet minder
dan 5000 levende soorten, waarvan meer dan 1800 behooren tot
het geslacht der Echte Slakken (Helix), dat in een groot aantal
ondergeslachten verdeeld wordt. Alle Heliciden hebben een goed
ontwikkelde, spiraalswijs gewonden, uitwendige schelp, die bij de
meeste (althans bij alle leden van het typische geslacht) ruim genoeg
is om het geheele dier te bevatten, maar overigens allerlei vormen
kan vertoonen: bij sommige plat (nagenoeg schijfvormig), bij andere
spits en lang (torenvormig) is. De kop draagt 4 voelers. De bewapening
van de mondholte bestaat uit een stevige, boogvormige, geribde kaak
en een wrijfplaat met zeer talrijke, gelijke, min of meer vierkante
tandjes. Bij Helix is de mond van de schelp scheef, halvemaanvormig
of rondachtig; de mondranden zijn gescheiden, de binnenlip wordt door
den voorlaatsten omgang gevormd. De grootste Europeesche soort is
de reeds genoemde Wijngaardslak [Helix (Helicogena) pomatia]. Haar
groote, bolvormige, buikige, geelachtige of bruinachtige schelp is
"bedekt doorboord", heeft een nauwen "bedekten navel", daar deze door
een binnenwaartsche uitbreiding van den spilrand gesloten is. Zij
bepaalt zich volstrekt niet tot de wijngaarden, hoewel zij zich
in 't voorjaar gaarne vergast op de knoppen der wijnstokken en op
deze wijze een aanzienlijke schade kan aanrichten; men vindt haar
overal in de droge, vooral in heuvelachtige oorden, waar grassen en
struiken groeien. Omdat zij groot is en gegeten wordt, heeft deze Slak
veelvuldiger dan andere leden van haar geslacht voor onderzoekingen
gediend. Zij en de meer zuidwaarts wonende Ruige Wijngaardslak (Helix
adspersa) behooren tot die soorten, welke in den herfst, bij voorkeur
op een met mos bedekte plaats, 20 à 30 cM. diep in den grond kruipen en
den mond van het huisje met een stevig verkalkt deksel sluiten. Het
dier trekt zich vervolgens nog tamelijk ver achter het deksel in
de schelp terug en brengt in de tusschenruimte een of meer vliezige
dwarsschotten aan. Gedurende den minstens 6 maanden aanhoudenden tijd
van afzondering, duren de ademhaling en de hartwerking onverpoosd
voort. Wel mist het kalkdeksel de opening, die men er bij eenige
andere soorten in aantreft, maar het is zoo poreus, dat door dezen
wand en door de overige dunne vliezen de gasuitwisseling ongehinderd
kan plaats hebben. De warmte van de maanden April en Mei wekt de Slak
tot nieuw leven op; het hart begint vlugger te slaan; vermoedelijk
noopt de vermeerderde behoefte aan lucht het (zeer zeker ook door
een hevigen honger gekwelde) dier tot het openen van het huisje;
dit geschiedt door den voet tegen de vliezige deksels te plaatsen,
waardoor deze niet stukgestooten, maar zonder moeite losgeweekt worden;
ook het oplichten van het kalkdeksel vereischt geen groote inspanning.
In 't laatst van den zomer graaft de Wijngaardslak een kuiltje van
7 à 8 cM. diepte voor het bergen van de 60 à 80 eieren, die zij in 1
of 2 dagen legt. Het eierennest is niet gemakkelijk te vinden, tenzij
onmiddellijk na het leggen aan de kleur van den grond, waarmede het
kuiltje dichtgemaakt is. Ieder ei heeft 6 à 8 mM. middellijn en is
omgeven door een witte, met kalkkristallen doormengde en hierdoor
stevige schaal. De ontwikkeling van de kiem duurt ongeveer 26 dagen.
De Wijngaardslak is sinds lang in Zwitserland, Zuid-Duitschland en
Oostenrijk, vooral in den vastentijd, een zeer gezochte spijs. Nog
steeds wordt zij in Zwitserland en langs den Donau opzettelijk
voor dit doel in zoogenaamde "slakkentuinen" met koolbladen
enz. gemest. Gewoonlijk brengt men haar eerst op de markt, nadat zij de
schelp met een winterdeksel gesloten heeft. De handel in dit artikel
is echter niet meer zoo levendig als vroeger, toen uit de omstreken
van Ulm iederen winter meer dan 4 millioen Wijngaardslakken in vaten
van 10000 stuks langs den Donau tot voorbij Weenen stroomafwaarts
werden gevoerd.
Zeer algemeen komen hier te lande drie groote soorten voor, die
ongeveer hetzelfde verbreidingsgsbied hebben als de Wijngaardslak,
maar aanmerkelijk kleiner zijn. De Heesterslak [Helix (Arionta)
arbustorum] heeft een bedekt doorboord, zeer gedrongen bolvormig,
glanzig huisje, van (gemiddeld) 21 mM. middellijn en 18 mM. hoogte; de
5 à 6 bolle omgangen nemen snel in grootte toe. De mond is maanvormig
en gerond; zij wordt door den voorlaatsten omgang weinig uitgesneden;
de mondrand is omgeslagen, verdikt en aan de binnenzijde glanzig
wit. Van buiten is de schelp kastanjebruin met een groot aantal
kleine, onregelmatig verspreide (soms op dwarsreeksen geplaatste),
stroogele vlammetjes en zigzagstrepen; gewoonlijk loopt iets boven
het midden van den laatsten omgang en langs den naad der winding een
bruine band. Het dier is blauwzwart met lichtere, bruingrijze zool;
twee donkere strepen op den rug gaan van de oogvoelers uit; deze zijn
aan den top lichter van kleur. De Heesterslak wordt, evenals de beide
volgende soorten, in tuinen, kreupelhout en heggen op beschaduwde,
vochtige plaatsen gevonden, ook op den grond en op lage planten.
De Tuinslak [Helix (Tachea) nemoralis] heeft een breeder en minder
bolvormig huisje dan de vorige soort (gemiddelde middellijn 23,
hoogte 17 mM.); het is ongenaveld en heeft 5 à 6 geleidelijk in
grootte toenemende, tamelijk bolle omgangen. De mond is breed,
eenigszins afgerond en wordt door den voorlaatsten omgang zwak
boogvormig uitgesneden: de mondrand is een weinig omgeslagen; de
mondzoom kastanjebruin met een bijna zwarte lip. Van buiten is de
schelp meestal citroengeel (soms bruinrood, geelgroen, olijfbruin of
wit), gewoonlijk met donkerder banden (meestal 5 op den laatsten, van
deze alleen de 3 bovenste op iederen vroegeren omgang); ook door de
afwezigheid, het samenvloeien of het afgebroken zijn van sommige of
van alle banden onderscheiden zich de talrijke variëteiten, die men
van deze soort aantreft. Met haar komt door vorm, kleur en teekening
van het huisje de eveneens sterk varieerende Witlippige Tuinslak
[Helix (Tachea) hortensis] overeen; zij is kenbaar aan den bijna
altijd zuiver witten mondzoom van het in den regel dunnere huisje,
wordt vooral in tuinen en in de vlakte minder talrijk gevonden
dan de vorige soort en houdt over 't algemeen van vochtiger oorden;
noordwaarts en bovenwaarts strekt haar verbreidingsgebied zich verder
uit; ten zuiden van de Alpen en de Pyreneën komt zij niet voor.
De Veelvraatslakken (Bulimus) komen in levenswijze met de Echte
Slakken overeen, doch zijn over 't algemeen grooter; het huisje is
langwerpiger (ei- of torenvormig), de mond meer verlengd; ook dit
geslacht is zeer rijk aan soorten (meer dan 1000). Slechts enkele
bewonen Europa, vele daarentegen de keerkringsgewesten, vooral
Zuid-Amerika, o.a. de Eivormige Veelvraatslak (Bulimus ovatus), die
te Rio de Janeiro gegeten wordt en een horen van 12 cM. hoogte heeft,
en de Langwerpige Veelvraatslak (Bulimus oblongus), welker 10 cM. hooge
schelpen in Paraguay zoo talrijk zijn, dat men er kalk van brandt.
Nog grootere Landslakken bevat het geslacht der Agaathorens (Achatina),
dat meer nog dan het vorige tot de warme luchtstreken beperkt is. Het
dier onderscheidt zich door den plat en spits eindigenden voet, zijn
woning door de vrije, van onderen afgeknotte spil. De Patrijsslak
(Achatina perdix), die op vette weiden in West-Afrika leeft, wordt
16 cM. hoog; de helft van deze hoogte bereikt de hierboven afgebeelde
soort, die op Mauritius en Madagaskar door zijn vraatzucht in tuinen
en plantages schade aanricht. Evenals van vele andere Bulimus-
en Achatina-soorten, is haar schelp fraai gekleurd en geteekend;
de van geelachtig wit tot geelachtig bruin varieerende grond heeft
roodbruine, afgebrokene, overlangsche vlammen; de mond is wit, met
bruin gerande buitenlip.
Onder afgevallen bladen, mos, rottend hout of steenen en in het
gras leeft bij ons op vochtige, beschaduwde plaatsen de geelachtig
hoornkleurige, 6 mM. hooge Glanzige Agaathoornslak (Achatina lubrica,
Bulimus lubricus), welker langwerpig eivormig, zeer glad, doorschijnend
schelpje een scheef peervormigen mond en een weinig afgeknotte spil
heeft. Zij is een van de weinige soorten, welker verbreidingsgebied
zich rondom de pool, n.l. over geheel Europa, Siberië en Noord-Amerika,
uitstrekt.
Zeer vochtige oorden bewonen de meeste Amberhorenslakken (Succinea);
dit blijkt reeds uit de zeer wijde opening van de dunne, uit weinige
omgangen bestaande schelp. De behoefte aan water is ongelijk en
evenredig aan de grootte van den schelpmond. Deze is het grootst bij
de goudgele Succinea Pfeifferi, die niet, gelijk de barnsteenkleurige
Gewone Amberhorenslak (Succinea putris, fig. 2) aan waterkanten en
op vochtige weiden blijft, maar dikwijls te water gaat en hier als
een Poelslak rondzwemt.
Een soortgelijke betrekking tusschen de levenswijze en den vorm der
schelp merkt men op bij de inheemsche Glashorenslakken (Vitrina),
die zich met rottende stoffen (vermoedelijk met de hierin levende
bacteriën en diertjes) voeden en soms elkander verslinden. De winding
van het dunne, doorzichtige schelpje is min of meer bedekt door
een ver buiten den schelp tredenden lob van den mantel, die aan
de rechterzijde naar boven en achteren omgeslagen is. De kleinste
schelpmond heeft Vitrina pellucida (fig. 1), de grootste Vitrina
elongata. De laatstgenoemde bewoont uitsluitend zeer vochtige bosschen
en houdt zich het meest op aan de oevers van beken, tusschen het mos
en de bovenste humuslaag, waarin zij gedurende de heete zomermaanden
zeer diep doordringt. Vitrina pellucida daarentegen wordt ook nog
wel gevonden op veel ongunstiger plaatsen, die in tijden van droogte
gedurende den geheelen dag aan de zonnehitte blootgesteld zijn.
De beide volgende geslachten geven aan droge oorden de voorkeur en
zijn in de kalksteengebergten van de Alpen en van Zuid-Europa het
sterkst vertegenwoordigd. De meeste Tonhorentjes (Pupa) zijn niet
langer dan 10 à 15 mM., niet weinige microscopisch klein, geen
hunner hooger dan 25 mM. De schelp is ei- of rolvormig, de mond
meestal door tandvormige uitwassen vernauwd. Deze strekken zich in
den vorm van plooien bovenwaarts uit in het langere, slankere en
spitsere huisje van de Spoelhorenslakken (Clausilia), dat, zoodra
het dier zich terugtrekt, gesloten wordt door een kalkplaatje, het
"luikje", dat precies in den mond past en aan den spilrand een opening
overlaat, waardoor de lucht de ademholte kan bereiken. Het luikje
is door een veerkrachtig, naar boven gericht "steeltje" aan de spil
bevestigd en wordt bij het naar buiten komen van het dier opgenomen
in de "nis", een tusschenruimte van twee plooien der spil. Voor het
bewonen van oorden, waar langdurige tijdperken van droogte voorkomen,
zijn deze Slakken uitmuntend geschikt, daar zij maanden achtereen in
haar huisje verborgen kunnen blijven. Exemplaren van de Dalmatische
Clausilia amissana, die in Mei ingezameld en tot in den herfst van
het volgende jaar op een droge plaats bewaard werden, bleken toen
na bevochtiging nog in leven te zijn. Hier te lande vindt men het 3
mM. hooge Mos-tonhorentje (Pupa muscorum) op droge weiden en heigrond,
den 16 à 20 mM. hoogen Tweetandigen Spoelhoren (Clausilia biplicata)
onder mos op muren en in bosschen.
Onder den naam van Naakte Slakken (Limacidae) vatten wij alle
Longslakken samen, die in 't geheel geen schelp bezitten, of, verborgen
in het mantelschild, dat het voorste deel van den romp aan de rugzijde
bedekt, een klein kalkplaatje (Limax) of eenige onsamenhangende
kalkkorrels (Arion) hebben. Door het maaksel van de tong en de ligging
van het ademgat en van de geslachtsopening stemmen de Limaciden met de
Heliciden volkomen overeen. Ter vervanging van de uitwendige schelp,
die de Heliciden tegen plotselinge weersveranderingen beveiligt, wordt
bij de Limaciden door besproeiing van de oppervlakte een vermindering
van het vochtgehalte der huid door verdamping voorkomen. Deze
eigenaardige inrichting is bij een groot exemplaar van de Gewone
Aardslak (Arion empiricorum) duidelijk waar te nemen. Het mantelschild
is taai en korrelig, omgeven door een groeve, van voren verwijd tot
een soort van muts, waaronder de kop geborgen kan worden. Van de rand
van het mantelschild gaan straalsgewijs diepe groeven uit, die op
den rug de grootste diepte en lengte hebben en door scherp gekielde
kammen gescheiden zijn. Zij eindigen boven den bodem in de groeve,
die den zoom van den voet begrenst; het vocht, dat door deze kanalen
stroomt, vloeit dus niet onmiddellijk weg. Het geheele stelsel is
bedekt met slijm, dat door de tallooze eencellige slijmklieren van
de huid afgescheiden wordt, maar bevat ook nog een andere vloeistof,
die men bij onzachte aanraking van een rustig kruipende Slak als
een melkachtige stroom naast het ademgat (uit de nieropening) naar
buiten ziet komen. Dit vocht, dat, behalve het product van de nier,
ook water bevat (daar de nier water uit de lichaamsholte kan opnemen)
en misschien ten deele direct uit de bloedvaten afkomstig is, stroomt
door de groeven naar beneden en (ten gevolge van een capillaire
werking), ook in de ringvormige goot om het mantelschild en van
hier in het kanalenstelsel op den rug. De geheele oppervlakte van
de Slak wordt dus door tal van greppels van vocht voorzien, dat,
langzaam naar beneden vloeiend, verdampt. Door samentrekking van het
lichaam worden de groeven nauwer en dieper, hetgeen de verdamping
vertraagt. Niet bij alle Naakte Slakken is het bevloeiingsstelsel zoo
volkomen als bij de bovengenoemde soort. De schadelijkste van alle,
de 3 à 4 cM. lange Grauwe Veldslak of Akkeraardslak (Limax agrestis)
heeft geen uitpuilende rimpels, maar een gladde, door fijne groefjes
in veelhoekige velden verdeelde huid, en is daarom minder dan andere
tegen droogte bestand. Alleen bij vochtig weer verlaat zij, over
dag zoowel als 's avonds en 's nachts, hare schuilplaats om zich
te voeden met allerlei jonge gekweekte planten; als de zon schijnt
verbergt zij zich onder steenen, planken, bladen en in den grond.--De
beide belangrijke geslachten Limax en Arion verschillen, behalve
door de mate van ontwikkeling van de schelp, ook door de plaatsing
van het ademgat, dat bij Arion vóór, bij Limax achter het midden van
het mantelschild gelegen is; bovendien komen bij het laatstgenoemde
geslacht op het mantelschild concentrische golflijnen voor en is het
achterste deel van den rug gekield. De Groote Aardslak (Limax maximus)
is op witachtig grijzen of zwarten grond met donkerder of lichtere
overlangsche strepen of reeksen van vlekken geteekend; de kiel op den
rug is witachtig, geel of roodachtig. Zij bereikt dezelfde grootte
als de Gewone Aardslak. Deze komt vooral in bosschen voor, 't zij dan
in de zwarte, 't zij in de roode verscheidenheid. "In Groningen,"
schrijft Prof. Ritzema Bos, "ziet men bijna altijd eerstgenoemde,
in Gelderland meer laatstgenoemde verscheidenheid. In bosschen komt
evenzeer de Groote Aardslak voor, welke Slak tevens degene is, welke
in vochtige kelders het meest wordt aangetroffen. In tuinen vindt
men zoowel de Akkeraardslak als de Tuinaardslak (Arion fuscus) en de
Gewone (zwarte of roode) Aardslak. Op bouwland is de Akkeraardslak
verreweg het meest algemeen. In 't algemeen kan gezegd worden, dat op
alle mogelijke vochtige plaatsen elke soort van Slakken aangetroffen
kan worden. Alle kunnen schadelijk worden, vooral wanneer zij jonge
gewassen aantasten. Sommige soorten leven doorgaans in bosschen van
paddestoelen en uitwerpselen, terwijl zij daarnevens boombast of
verschillende onkruiden (paardenbloem, weegbree) vreten."
De Slakken zijn zeer vruchtbaar. De Grauwe Veldslak begint in Augustus
eieren te leggen en zet dezen arbeid, zoolang het vochtig weer blijft,
gedurende den herfst voort. In 't geheel brengt zij er wel 400 ter
wereld, die men, slechts dun bedekt, bij hoopjes van 6 tot 15, vooral
in de schaduw, aan den voet van tuinmuren b.v., aantreft. In Augustus
komen de jongen na 3 of 4 weken uit; de eieren, die laat in het jaar
gelegd worden, overwinteren, gelijk ook de Slakken zelve doen.
De Ongesteeldoogigen (Basommatophora) hebben geen oogvoelers, wel 2
lipvoelers, die niet ingestulpt kunnen worden.
Tot deze onderorde behoort de familie der Oorslakken (Auriculidae),
welker leden (voor het meerendeel in den heeten aardgordel), behalve
aan de oevers van zout- en zoetwatermeeren en van de zee, ook op
andere zeer vochtige plaatsen, doch niet in het water leven.
Belangrijker is voor ons de familie der Waterlongslakken
(Limnaeidae). Bij het typische geslacht der Poelslakken (Limnaeus)
merkt men afgeplatte, driehoekige voelers op. De schelp is rechts
gewonden, meestal dun en doorschijnend; de omgangen nemen zeer
snel in wijdte toe; de laatste maakt meestal het aanzienlijkste
deel van het huisje uit; met hem vergeleken is de winding soms zeer
onbeduidend. De Poelslakken bewonen bij voorkeur zeer zacht water, in
welks slijkerigen bodem allerlei waterplanten welig groeien. Behalve
op stengels of bladen en over den bodem, ziet men deze dieren dikwijls
ook langs den waterspiegel kruipen, waaraan zij met den voet hangen,
terwijl het huisje naar beneden gericht is; deze beweging merkt men
ook bij vele andere Buikpootigen op.
De Gewone Poelslak (Limnaeus stagnalis), die in stilstaand water overal
veelvuldig gevonden wordt, is de grootste van haar geslacht en van alle
inheemsche Zoetwaterslakken; haar huisje is 6 à 7 cM. hoog. Dit dier,
welks grondkleur van vuil geelachtig grijs tot donker olijfgroen
afwisselt, is met geelachtige stipjes als bezaaid; de voet heeft
steeds een donkerder kleur, met lichten rand.
Bij de Poelslakken merkt men tusschen de grootte van den schelpmond
en de levenswijze een soortgelijk verband op als bij de Vitrinen en
de Succiniden. De huisjes van de Gewone en van de Moeras-poelslak
(Limnaeus palustris), die beide moerassen en ander stilstaand water
bewonen, hebben een betrekkelijk kleine opening en een betrekkelijk
groote winding. Bij andere soorten is de schelpmond grooter en de
winding in dezelfde verhouding kleiner; aan 't einde van deze reeks
staat bij ons de Oorvormige Poelslak (Limnaeus auricularis), met een
schelp, die nagenoeg geheel door den laatsten omgang wordt gevormd
en waarvan de mond een nagenoeg 4-maal zoo grooten omtrek heeft als
de overige schelp. De laatstgenoemde soort wordt in meer bewogen
water gevonden; hare verwanten, die nog verder in dezelfde richting
voortgeschreden zijn, bewonen de stille bochten van de Zwitsersche
meeren en de zoogenaamde doode armen van rivieren.
Alle Limneën hechten hare eieren in samenhangende, wormvormige of ovale
scholen aan allerlei in 't water liggende voorwerpen, meestal aan de
onderzijde van drijvende bladen van waterplanten. Dikwijls brengt
één dier, van Mei tot Augustus, een 20-tal van deze scholen voort,
die ieder 20 à 130 eieren bevatten. Zoowel het eierenleggen als de
ontwikkeling van de met trilhaarorganen uitgeruste en zich bewegende
kiemen kan men gemakkelijk bij exemplaren in een aquarium waarnemen.
Overal waar Limneën zich ophouden, zal men ook Schijfhorenslakken
(Planorbis) aantreffen. Het huisje heeft de gedaante van een
schijf, waaraan men zoowel van boven als van onderen de omgangen kan
onderscheiden, daar zij een vlakke spiraal vormen. De winding steekt
niet of weinig uit; soms zelfs is de bovenzijde hol, de onderzijde
vlak. Enkele hebben een wijd genavelden horen, zooals de grootste en
meest voorkomende, inheemsche soort--de Gewone Schijfhoren (Planorbis
corneus)--, die een middellijn van 31 en een hoogte van 12 mM. kan
bereiken. Bij vele soorten heeft de laatste omgang een meer of minder
scherpe kiel. Het tamelijk slanke dier heeft een van voren afgeronden
kop met twee samentrekbare, lange, borstelvormige voelers. De tamelijk
korte voet is van voren afgeknot, van achteren afgerond. Van haar
woonplaats, levenswijze en beweging valt ongeveer hetzelfde te zeggen
als van Limnaeus. De Schijfhorenslakken bewonen voor 't meerendeel
het noordelijk halfrond en den gematigden aardgordel. Zij leggen de
eieren op soortgelijke wijze als de Limneën, doch vereenigen ze niet
tot langwerpige, maar tot ronde, platte scholen.
De Beek-kaphoren (Ancylus fluviatilis) en de Poel-kaphoren (Acroloxus
lacustris), die beide ook tot onze fauna behooren, hebben een
napvormig huisje, dat slechts zwakke sporen van asymmetrie vertoont,
doordat bij de eerstgenoemde soort de spits een weinig naar rechts,
bij de laatstgenoemde zeer weinig naar links afwijkt; bij gene is
de eivormige schelpmond 5 mM. lang en 4 mM. breed, bij deze 7.5
mM. lang en gemiddeld 3 mM. breed, doch van achteren smaller dan
van voren. Zij leiden een zeer eenvormig en lui leven, de eerste
in stroomend, de tweede in stilstaand zoetwater: gewoonlijk vindt
men het huisje stijf aangedrukt tegen bladen en steenen. Geen der
overige Land- en Zoetwaterslakken heeft een schelp van zulk een vorm;
wel komen soortgelijke huisjes bij Slakken in Spanje, Amerika, Cuba
en Nieuw-Zeeland voor.