TWEEDE ORDE.

DE ACHTERKIEUWIGEN (Opisthobranchia).

Wij noodigen den lezer uit zich in gedachten te verplaatsen naar de

kustwateren van Zuid-Europa, waar draadvormige, struikachtige en aan

bladen herinnerende algen, gemengd met grove wieren, bonte weiden

vormend, den zeebodem bekleeden met een bekoorlijk plantentapijt. Een

prachtig schouwspel levert het kristalheldere water op, wanneer men,

in een langzaam voortdrijvende boot gezeten, in de diepte staart. Het

wemelt hier van Weekdieren. Boven onze Aardslakken, waaraan de meeste

door hun naakt lichaam herinneren, munten zij gewoonlijk uit door

de meerdere sierlijkheid van hun lichaamsbouw, door veelvormige,

als kieuwen dienende aanhangselen en door bontere kleuren. Vele van

de fraaie wezens, die over de waterplanten zich langzaam voortbewegen

behooren tot de orde der Achterkieuwigen (Opisthobranchia). Haar naam

ontleenen deze Zeeslakken, waarvan sommige door de huid, de meeste

echter door kieuwen ademen, aan de plaats, die deze ademhalingsorganen

innemen ten opzichte van het hart. Het bloed, dat uit de kieuwen komt,

begeeft zich door een naar voren gerichte buis naar de voorkamer van

het hart en wordt van hier naar de nog verder naar voren liggende

kamer gevoerd. Bijna zonder uitzondering zijn zij langwerpig van vorm

en naakt. Slechts enkele familiën onderscheiden zich door het bezit

van een schildvormige of gewonden schelp, die echter steeds minder

volkomen ontwikkeld is dan bij de Voorkieuwigen. Bij verreweg de meeste

strekt zich vóór den mond een huidplooi uit, de "voorhoofdschijf",

die een overblijfsel is van het "kopscherm", het bewegingsorgaan der

larven, en in twee "lipvoelers" eindigt; iets verder achterwaarts

bevinden zich bij sommige geslachten op het voorste deel van den rug

een paar zoogenaamde "reukvoelers". In tegenstelling met nagenoeg

alle Voorkieuwigen zijn de Achterkieuwigen steeds tweeslachtig.

Deze orde omvat ongeveer 1000 bekende soorten, die door lichaamsbouw,

vorm en levenswijze zeer uiteenloopen. De hoogst ontwikkelde--de

Bedektkieuwigen (Tectibranchiata)--bezitten een mantel, die

de kieuwen meer of minder volkomen bedekt, en meestal ook een

uitwendige of inwendige schelp. Bij andere daarentegen zijn deze

typische eigenaardigheden van de Weekdieren min of meer verloren

gegaan; de kieuwen zijn onbedekt of zelfs niet aanwezig bij vele

vormen, die hierdoor een duidelijke toenadering tot de Platwormen

vertoonen. Deze laagst ontwikkelde Achterkieuwigen worden onder den

naam van Naaktkieuwigen (Nudibranchiata) in een onderorde samengevat.

Tot de Bedektkieuwigen behoort o.a. de familie der Bullaceën. Deze

hebben op den rug aan de rechterzijde een vedervormige, door den

mantel bedekte kieuw. Bijna zonder uitzondering bezitten zij een

uitwendige schelp, die dikwijls zoo groot is, dat het geheele dier

zich er in verbergen kan.

De Gewone Kogelslak (Acera bullata), die de Oostzee, de Noordzee en

de Middellandsche Zee bewoont, heeft een langwerpig, bijna rolvormig

lichaam; de kop is van boven naar onderen afgeplat en loopt van voren

stomp uit; de voelers zijn met de voorhoofdschijf vereenigd. De voet

heeft groote, afgeronde zijlobben, die het grootste deel van de schelp

kunnen bedekken. Het draadvormig aanhangsel van den achterrand van den

mantel, dat van achteren uit den schelpmond naar buiten treedt, kan

uitgestrekt en teruggetrokken worden. De schelp is dun, hoornachtig,

veerkrachtig en eivormig. Groote exemplaren van deze soort strekken

zich bij 't kruipen tot 40 mM. lengte uit. Hun krachtig ontwikkelde

voet is bovendien voor het zwemmen geschikt. Bij het rustende of

kruipende dier zijn de vrije zijlobben van den voet naar boven

omgeslagen, zoodat zij niet slechts de zijden van het lichaam, maar

ook den middelrug en een deel van de schelp, bovendien met den rand

elkander, bedekken. Als men deze Slak plaagt of uit het water neemt,

verkort zij het lichaam zoo sterk, dat het, op een driehoekig stukje

van de schelp na, geheel door den voet omhuld wordt. Het geheele dier

is dan een weeke, slijmerige kogel; hieraan dankt het zijn naam.

In de bocht van Kiel komt deze soort op slijkerige, met zeegras

begroeide gronden veelvuldig voor; de grootste exemplaren vindt men

er in den winter en in de lente; zij voeden zich met bruine, rottende

plantendeelen; in het aquarium eten zij bovendien ook vleesch. Hier

beginnen zij reeds in Januari eieren te leggen; in de bocht van Kiel

vonden Meijer en Möbius in Mei en Juni deze eieren in zoo groote

hoeveelheid op het zeegras, dat zij ze bij handenvol uit het sleepnet

konden opscheppen.

Zelden ziet men de Kogelslakken zwemmen; bij deze zeer eigenaardige

bewegingswijze leveren zij een zeer fraai schouwspel op: het is,

alsof zij gaan vliegen. De gele schelp wordt al vlugger en verder,

beurtelings naar voren en achteren verschoven; het voorste deel van

het lichaam wordt rhytmisch gebogen, de zijlobben van den voet bewegen

zich afwisselend zijwaarts en rugwaarts, al verder en krachtiger,

totdat eindelijk de neerwaartsche slagen het geheele lichaam van den

bodem opheffen. Nu stijgt het dier, afwisselend voor- en achterover

schommelend, al hooger en hooger in 't water op en neemt bij 't

zweven in het heldere vocht allerlei elegante houdingen aan. Als deze

bewegingen het krachtigst geschieden, doen de zijlobben van den voet

2 à 3 krachtige slagen in de seconde en verwijderen zich zoo ver van

't lichaam, dat zij te zamen een van onderen holle vlakte vormen.

Bij andere leden van dezelfde familie, o.a. bij de Opene Zeeamandel

(Philine aperta), wordt de schelp geheel door den mantel omhuld, zijn

de zijlobben van den voet zijwaarts gestrekt en verdikt en ontbreken

de voelers aan den kop. Deze soort wordt in de Oostzee en voorts van

de Noordsche kust tot in de Adriatische Zee gevonden; bij 't kruipen

rekt zij zich tot een lengte van 20 mM. uit. De dunne, 9 mM. hooge,

7 mM. breede, zeer wijdmondige, weinig gewonden schelp is melkwit,

eenigszins doorschijnend en parelmoerglanzig.

Veelvuldiger leeft in de Noordzee bij onze kust de Stompe

Obliehorenslak (Utriculus obtusus), wiens vrij stevige,

ondoorschijnende, 10 mM. lange, 5 mM. breede schelp bijna rolrond

is, aan de spits geknot, met korte, ingedrukte uit 4 à 5 omgangen

bestaande winding en een van boven nauwen, van onderen eivormigen mond.

De Zeehazen (Aplysiaceae) hebben een inwendige, zeer weinig ontwikkelde

(of in 't geheel geen) schelp. Het eerstgenoemde geval doet zich

voor bij den Gewonen Zeehaas (Aplysia depilans), die in den tijd

der Romeinsche keizers in verhalen betreffende toovenarij een groote

rol speelde. De ouden hielden hem ten onrechte voor zeer vergiftig;

zelfs door het zoeken van deze dieren stelde men zich aan de verdenking

van gifmengerij bloot. Domitianus werd beschuldigd zijn broeder Titus

met een uit Zeehazen bereiden gifdrank om 't leven te hebben gebracht.

De naam is ontleend aan den vorm der voelers: twee platte, driehoekige

worden in nagenoeg horizontale richting vooruitgestoken en dienen

voor het zoeken van den weg en het betasten van 't voedsel; de beide

andere staan overeind en gelijken sprekend op een paar hazenooren. De

oogen zijn vóór de achterste voelers gelegen. Op het midden van den

rug ligt de schildvormige mantel, die een flauw gewelfde, soms geheel

hoornachtige, soms verkalkte schelp bevat. De mantelholte eindigt van

achteren in een korte buis; hierdoor komt het water bij de kieuw,

welker buitenste slippen gewoonlijk aan de rechterzijde buiten de

mondholte uitsteken, maar, evenals het grootste deel van den rug,

bedekt kunnen worden door twee vleugelvormige huidplooien, die het

dier gewoonlijk naar boven gericht houdt en golvend beweegt. Ook zijn

zij uitstekend geschikt voor 't zwemmen, een bewegingswijze, waarvan

het dier slechts zelden gebruik maakt. Wanneer de Zeehaas ongestoord

over steenen en wieren kruipt, is zijn lichaam dik en de huid

gespannen. Zoodra men hem aanvat en in een glas met water overbrengt,

werpt hij, behalve het vocht, dat zijn lichaam deed opzwellen, ook

een donkerviolette vloeistof uit, die zich gelijkmatig door het water

verdeelt en in zoo groote hoeveelheid uit de randen van den mantel

ontwijkt, dat het dier geheel onzichtbaar wordt. Ziegler noemt deze

vloeistof een sterke oplossing van anilinerood en analineviolet en

zegt, dat zij op drieërlei wijze als verdedigingsmiddel dient: zij

onttrekt het dier aan de oogen zijner vijanden door het water troebel

te maken, bezit giftige eigenschappen en verbreidt een walgelijken

reuk. De stank van Aplysia depilans, den 20 à 25 cM. langen Zeehaas

der Zuid-Europeesche kusten, is echter volgens andere onderzoekers,

niet zoo hevig, als veelvuldig beweerd wordt; ook werd door hen

volstrekt geen brandig gevoel waargenomen aan de deelen van de huid,

die met den Zeehaas in aanraking kwamen. Blijkbaar is het dier beter

dan zijn reputatie; zeer zeker verdient het niet den naam depilans

(de "ontharende"), daar de bewering der Italiaansche visschers, dat

het hoofdhaar van den persoon, die de Zeehaas aanraakt, uitvalt,

ongegrond is. Wel schijnt het waar te zijn, dat verwante soorten,

die de tropische zeeën bewonen, door de prikkeling, die zij bij

aanraking teweegbrengen, aan brandnetels herinneren.

De Aplysiën herinneren niet slechts door hun uitwendige gedaante en

hun voedsel, maar ook door de in vele afdeelingen gescheiden maag

aan plantenetende Zoogdieren. Steeds vindt men den Zeehaas dan ook

grazend, meestal op grove wieren. Aplysia depilans komt dikwijls zoo

hoog op het strand, dat zij bij eb in kleine plasjes achterblijft,

die haar ternauwernood kunnen bevochtigen; zij komt echter ook op

diepten van verscheidene vademen voor.

Bij de Zijdekieuwigen (Pleurobranchiaceae) ligt de kieuw niet

verborgen onder den schildvormigen mantel, maar bijna vrij in de

groeve tusschen den voet en den mantelrand, waaronder zij bij het

saamgetrokken dier verborgen is; evenals bij de vorige familiën, is

zij vedervormig en rechts gelegen. Bij sommige soorten ontbreekt de

schelp, bij de overige is zij schildvormig en plat, nu eens uitwendig

en verkalkt, dan weer inwendig en hoornachtig. Het laatstgenoemde geval

doet zich voor bij Pleurobranchus. Deze heeft een platten, nagenoeg

eivormigen voet, die bij sommige soorten breeder is en aan alle zijden

uitsteekt voorbij het door een vleezig mantelschild bedekte lichaam,

dat er als een eivormig gewelf op rust. Minder breed dan het lichaam

is de voet bij Pleurobranchus aurantiacus en P. ocellatus, die de

Middellandsche Zee bewonen. Onder den voorrand van het mantelschild

ontspringen twee holle voelers, die uit een opgerolde, dunne plaat

bestaan, waarop bij den oorsprong twee zeer kleine, zwarte stipjes (de

oogen) voorkomen. Onder de voelers, doch nog boven den mond, ligt een

driezijdige, naar voren zich verbreedende huidplooi (het mondscherm).

De kruipende Slak vervormt haar lichaam in overeenstemming met alle

oneffenheden van het voorwerp, waarover zij zich voortbeweegt;

de weekheid van de weefsels maakt deze telkens herhaalde

gedaanteveranderingen mogelijk. In dezen toestand zijn de voelers,

het mondscherm en de kieuw steeds gestrekt. Het mondscherm is rijk

aan zenuwen en dient als tastorgaan. De zoogenaamde rugvoelers ziet

men nooit iets betasten en blijven steeds achterwaarts gericht. Zij

worden, zooals reeds vroeger gezegd is, als reukorganen beschouwd. Daar

zij den vorm hebben van een aan beide einden geopende buis, waardoor

onophoudelijk een stroom water wordt geleid, ten gevolge van de werking

der microscopische trilharen, die de binnenste oppervlakte bekleeden,

beantwoorden deze voelers in hooge mate aan de voorstelling, die men

door beschouwing van andere dieren van reukorganen verkrijgt.

Pleurobranchus heeft de gewoonte bij aanraking en bij 't opheffen van

den steen, waaronder hij verborgen is, tot een bol in te krimpen en

zich te laten vallen. Den verzamelaar komt dit goed te pas, daar het

hem onmogelijk zou zijn, deze teere Slak onbeschadigd van de steenen

en uit hunne spleten op te nemen, indien zij, gelijk zoovele andere

Weekdieren, zich trachtte te redden door de stevige vasthechting van

den voet.

Soortenrijker dan de vorige onderorde is die der Naaktkieuwigen

(Nudibranchiata). Zij hebben gedurende het embryonale leven in den

larvetoestand een fijne schelp, maar verliezen deze reeds vroegtijdig;

het volkomen ontwikkelde dier is naakt, bezit geen spoor van een

schelp. De meeste hebben op den rug kwast-, boom- of bladvormige

kieuwen, die echter altijd onbedekt blijven.

Bij de Doris-achtige Naaktkieuwigen (Dorididae) vormen de veder-

of bladvormige kieuwen een fraaie ster of rozet om de aarsopening,

die zich midden op het achterste deel van den rug bevindt. Vele

soorten kunnen de kieuwen in een gemeenschappelijke holte terug

trekken. Terugtrekbaar in afzonderlijke holten zijn ook de rugvoelers,

althans bij de Sterslakken (Doris), een van de soortenrijkste

geslachten van de geheele onderorde. Deze dieren hebben een langwerpig

rond lichaam, aan de rugzijde bol en geheel bedekt door den mantel, die

zich tot vóór den kop en voorbij den rand van den voet uitstrekt. Hun

huid bevat kalkkorrels van eigenaardigen vorm.

Een drietal soorten van dit geslacht werden in de Noordzee bij onze

kust waargenomen, o.a. de 3 cM. lange, grauwwitte Wrattige Sterslak

(Doris stellata), door Bomme in de vorige eeuw ontdekt en als "Egeltje

met een ster op den snuit" beschreven. De hierachter afgebeelde soort

kan een lengte van ruim 20 mM. bereiken en werd vooral in de lente

en den herfst op een zandigen en steenachtigen bodem in de Bocht van

Kiel aangetroffen op wieren en zeegras. Hier vindt men in September

en October hare eieren, tot snoeren vereenigd door een helder slijm.

Bij een aantal geslachten, die gezamenlijk de familie der Aeolididen

vormen, zijn de kieuwen over den geheelen rug verdeeld, op reeksen

geplaatst en van zeer verschillende gedaante: bij sommige geslachten

vertakt, bij andere enkelvoudig.

De Boompjesslakken (Dendronotus) hebben op den rug symmetrisch

gerangschikte, boomvormig vertakte aanhangsels. Een van de fraaiste

Naaktkieuwigen is de Gewone Boompjesslak (Dendronotus arborescens),

die een lengte van bijna 35 mM. kan bereiken. Zij valt duidelijk in

't oog door haar vleeschroode grondkleur. Haar zeer slank en naar

achteren allengs spitser wordend lichaam bekoort het oog het meest

door de daarboven uitstekende, boomvormig vertakte kieuwen, die ten

getale van 7 à 9 dicht bij den voorrand van den kop in een halven

cirkel gerangschikt zijn en waarvan ook nog 5 of 6 paar langs den

rug verspreid liggen. Ook de voelers hebben een vertakten stam,

waarin zij teruggetrokken kunnen worden. Deze Slak kruipt liever

op de dunne spitsen der algen dan op den bodem rond. Dikwijls zit

zij aan de uiterste spits van een tak met vrij naar boven gericht

voorlijf en wendt dit, als een Spanrups, nu eens naar deze, dan weer

naar gene zijde om een vast voorwerp te zoeken, waarop zij verder

kan kruipen. Wanneer zij bij den waterspiegel zwemt, wordt de voet

afwisselend zooveel mogelijk verbreed en gootvormig opgevouwen, zoodat

de zijranden dicht bij elkander liggen. De boomvormige kieuwen, die bij

't zwemmen naar buiten en naar onderen overhangen, hellen een weinig

achterover, als het dier met gestrekt lichaam rechtuit kruipt, en

wijken in alle richtingen uiteen, als het lichaam zich kromt. Algemeen

wordt deze Slak wegens haar slanke gestalte, teere kleur, zachte,

sierlijke beweging en niet het minst wegens de fijne, gemakkelijk in

schommeling gerakende boompjes, die haar rug versieren, als een van

de bekoorlijkste zeedieren beschouwd. Aan alle noordelijke kusten

komt zij vrij algemeen voor; door Bomme werd zij "Hartshoorn-gelijk

getakt Zeeslakje" genoemd. Bij Kiel vond men haar het veelvuldigst

in den winter op de boomen, die ten behoeve van de mosselteelt in

het binnenste deel van de Bocht zijn geplaatst. In een aquarium met

rottende en versche planten kan men haar lang in 't leven houden.

De kern van de geheele familie wordt gevormd door het geslacht der

Draadslakken (Aeolis), die zich vooral kenmerken door het bezit

van symmetrisch gerangschikte papillen op den rug. Deze uitwassen

zijn, behalve als ademhalingsorganen, ook in andere opzichten van

zeer groot belang. In iedere papil dringt n.l. een buis door, die

van onderen met het boomvormig vertakte spijskanaal samenhangt en

door zijn samenstelling zich doet kennen als een deel van de lever,

welk orgaan hier dus op een zeer eigenaardige wijze uiteengespreid

is. De leverbuis staat in gemeenschap met een zakje in het bovenste

deel van de papil, welk zakje gevuld is met "netelcellen", nietig

kleine blaasjes, waaruit een draad te voorschijn kan komen, die een

prikkelende werking uitoefent op het wezen, dat er door getroffen

wordt. Waarschijnlijk treden deze netelcellen door een opening aan

't einde van de papil in grooten getale naar buiten om als wapens

te dienen, wanneer de Slak andere dieren aanvalt, of zich tegen hen

moet verweren.

De Gedoornde Draadslak (Aeolis papillosa), wordt in de Kielsche Bocht

ruim 5, aan onze en de Engelsche kust echter wel 15 cM. lang. Meestal

is zij bruinachtig grijs van kleur. Zij kruipt langzaam en zit

dikwijls stil. Zeldzamer dan andere Draadslakken begeeft zij zich

naar de oppervlakte om te zwemmen. Haar voedsel bestaat uit dierlijke

stoffen, vooral uit Actiniën (Zee-anemonen). Kleine exemplaren van

Actinia plumosa vat zij aan bij den rand van den voet en vreet hun een

halvemaanvormig gat in 't lijf, dat zij aanhoudend vergroot. Eindelijk

omgeeft zij met den sterk uitgezetten mond het geheele overschot

van den buit en verzwelgt het langzamerhand zonder eenige uitwendig

zichtbare slikbewegingen.

Uitsluitend in het Middellandsche-Zee-gebied leeft de Sluierslak

(Tethys fimbria) zoo genoemd wegens haar groot, niervormig "kopscherm";

dit is ontstaan uit het bewegingswerktuig, dat bij de Weekdieren

gedurende den larvetoestand algemeen voorkomt, meestal gedurende de

volgende ontwikkelingsperioden groote wijzigingen ondergaat, minder

sterk groeit dan de overige lichaamsdeelen en bij vele groepen zelfs

spoorloos verdwijnt. De Sluierslak, die door de plaatsing harer kieuwen

aan Dendronotes herinnert, kan 30 cM. lang worden. Van haar leven in de

gevangenschap geeft Grabe, naar aanleiding van een door hem te Triëst

waargenomen exemplaar, de volgende aanschouwelijke beschrijving: "Het

volkomen gave dier bezat aan de zijden van den rug alle aanhangsels,

die vroeger als parasieten werden beschouwd. Deze waren ongeveer

peer- of peenvormig, sterk gezwollen, aan den oorsprong een weinig

ingesnoerd, onmiddellijk voor de kieuwen langs de zijden van den

rug bij paren gerangschikt, namen naar achteren in grootte af en

werden als roeiorganen uitgespreid en bewogen. Het eveneens gezwollen

lichaam, dat, gelijk de kieuwen, bijna kleurloos en doorzichtig was,

stak vreemd af bij de aanhangsels met hun lichtrooden top en donker-,

bijna zwartachtig roode middenvlek en bij de zwartachtige, door een

onregelmatigen, witten rand omringde oogvlekken der bovenzijde. Op

den rug liggend, wentelde het dier zich onophoudelijk en met een

zekere gratie heen en weer, waarbij het zich zoo sterk kromde,

dat het uiteinde van het lichaam de zijranden van het kopscherm

aanraakte. Het groote kopscherm was bijna geheel naar boven en

naar achteren omgeslagen; de zijranden der van onderen geheel holle

voetschijf waren benedenwaarts en naar binnen gekromd en zoo dicht

bijeengelegen, dat er hoogstens een smalle groeve tusschen overbleef,

zoo zij elkander niet aanraakten. In deze houding geleek het dier op

een hamer, waarvan het ineengekrompen kopscherm den kop en de steel

den romp voorstelt. Toen het tot kalmte kwam, breidde het den voet uit

en gaf aan dit orgaan den vorm van een diepen, ovalen schotel, welks

rand aan de zijden hooger was dan van voren en van achteren. In het

donker verbreidde het een sterk phosphoresceerend licht, niet slechts

als ik het dier aanraakte, maar ook als ik eenvoudig de hand door het

water bewoog. Ieder die de heftige bewegingen van deze Tethys heeft

gezien, zal niet meer, gelijk gewoonlijk geschiedt, alle Weekdieren

flegmatisch noemen."

De Fluweelslakken (Elysia) bezitten geen als kieuwen dienende

aanhangsels; de voet is smal; twee aan 't achtereinde ineenvloeiende

huidplooien aan de zijden van het lichaam spelen bij de ademhaling een

belangrijke rol. De onduidelijk begrensde kop draagt twee voelers,

die overlangs opgerold zijn en dus een van boven en aan de zijde

geopende buis vormen.

Van de Middellandsche Zee tot bij de kusten van Noord-Europa ontmoet

men de prachtig getooide Groene Fluweelslak (Elysia viridis). De kop,

de voelers en de voorrug zijn, evenals de buitenhelft der bladachtige

uitbreidingen van den achterrug, grootendeels fluweelachtig zwart,

soms met groene, soms met bruine tint; de hoofdkleur van den voet is

olijfgroen. Hier en daar komen sneeuwwitte vlekken voor; metaalachtig

glinsterende, groenachtig blauwe en roodachtig witte stipjes zijn

over de geheele oppervlakte verspreid; bij honderdvoudige vergrooting

blijkt, dat dit verschijnsel teweeggebracht wordt door dunwandige

cellen, welker inhoud het licht met een prachtige, smaragdgroene en

saffierblauwe kleur terugkaatst. Twee andere soorten van kleine cellen

veroorzaken een zilverachtigen of een helder koperachtigen glans.

Bij zijne bewegingen neemt dit diertje zeer verschillende vormen

aan. Terwijl het over den bodem kruipt, strekt het zich gewoonlijk

recht uit, en glijdt betrekkelijk snel voort. Wanneer het daarentegen

langs den loodrechten wand van een aquariumbak omhoogkruipt, dienen

dikwijls de huidlappen met een deel van de zool voor de aanhechting;

dikwijls zelfs wordt het lichaam kurketrekkervormig gewrongen,

zoodat deelen van den buik en van den rug gelijktijdig den weg

aanraken. Deze Slak scheidt veel slijm af, die men, na aanraking van

haar huid met een staafje of penseel, in lange draden tot boven het

water kan uittrekken. Aan zulke slijmdraden hangt zij soms vrij te

midden van het water.

Het Leven der Dieren: Deel 3.7, De Weekdieren · 第 10 / 19 题