DE KIELSLAKKEN (Heteropoda).
Evenals de Vinpootigen, bewonen de Kielslakken de open zee. Haar
geleiachtig, doorzichtig lichaam is naakt, of wordt door een teere,
doorzichtige schelp beschut. Deze orde omvat slechts een 60-tal
soorten en biedt veel minder verscheidenheid van vormen aan dan de
beide vorige groepen van Slakken, die op het land, in het zoetwater
en op de plantenwereld van de kustzee veel meer verschillende
levensomstandigheden hebben ontmoet. In de nabijheid van deze
past nog het best de familie der Atlanten (Atlantidae), diertjes
van eenige mM. middellijn, die iedereen op het eerste gezicht als
Slakken herkennen zal. De kop is verlengd tot een snuit, aan welks
einde zich de mondopening bevindt. Het bovenste, aan een kruin
herinnerende deel van den kop geeft de belangrijkste zenuwcentra
en de zintuigen van dit bijna waterheldere dier te aanschouwen,
n.l. de bovenslokdarmknoopen, de gehoorblaasjes, de hoog ontwikkelde
oogen en (vóór deze) de voelers. Daar wij reeds bij vele Vinpootigen
en Voorkieuwigen een voet leerden kennen, die door overlangsche of
dwarse groeven in afdeelingen is gesplitst, hebben wij slechts één
stap verder te doen om de voor 't kruipen dienende zool der meeste
Buikpootigen te vervormen in het op een geheel andere wijze werkende
bewegingsorgaan van Atlanta en van de meeste Kielslakken. Wij zien
hier--in plaats van den breeden, meestal onmiddellijk met den kop
samenhangenden voet--van den kop door een diepe bocht gescheiden,
een lichaamsdeel, waaraan drie afdeelingen zijn op te merken. De
eerste is zijdelings samengedrukt tot een voor 't zwemmen geschikt
orgaan, dat kiel wordt genoemd. Het kan zich uitmuntend bewegen; het
dier roeit zich er op soortgelijke wijze mede voort als de matroos,
die achter in een boot met één riem staat te pagaaien. Onmiddellijk
achter de kiel bevindt zich een zuignap, waarmede de Kielslak zich
aan den bodem, in de regel echter aan voorwerpen, die vrij in 't water
drijven, vooral aan wieren, vasthecht. De derde of achterste afdeeling
is bij Atlanta eveneens zeer sterk ontwikkeld; het is de staart met
het platte hoornachtige deksel op den rug, waarmede onze Heteropode,
evenals vele andere Slakken, haar schelp kan sluiten.
De Atlanten komen in alle zeeën tusschen de keerkringen en van de
beide gematigde aardgordels in grooten getale voor. Het best bekend
zijn de beide soorten, die (met vele andere bewoners van de open
zee) door storm en strooming dikwijls in de straat van Messina worden
gedreven, n.l. Atlanta Peronii, welker schelp licht hoorngeel gekleurd
en eenigszins buigzaam is, en Atlanta Kerandsenii, met een bijna
glasheldere, brooze schelp. De middellijn van de grootste huisjes
bedraagt bij deze soort 10, bij gene 9 mM.
Als de Atlanten verontrust worden, of om een andere reden zich naar de
diepte willen begeven, trekken zij zich geheel in de schelp terug. De
kop wordt het eerst geborgen, dan volgt, na plooiing, de kiel en
ten slotte het achterste deel van den voet, dat met zijn deksel den
mond der schelp geheel aanvult. De eieren drijven tot lange snoeren
vereenigd, in 't water.
Carinaria gelijkt in sommige opzichten op Atlanta, maar nadert door
andere belangrijke eigenaardigheden meer tot den derden hoofdvorm
der Kielslakken. Ook bij dit geslacht is een schelp aanwezig, die
echter buitengewoon dun en glasachtig is. Zij bestaat uit omgangen,
die alle in één vlak gelegen zijn en zoo snel in wijdte toenemen,
dat de laatste veel meer ruimte inneemt dan alle overige te zamen
genomen. Hierin is echter alleen plaats voor de zoogenaamde "kern",
die uit de lever en den kluwenvormige darm bestaat; de kieuwen steken
voorbij den rand der schelp uit. Een spoelvormige massa, aan welker
voorste uiteinde de kop voorkomt en waarvan het achterste stuk met
de derde afdeeling van den voet van Atlanta vergeleken moet worden,
maakt het grootste deel van het lichaam uit. Bij den oorsprong van den
kop ziet men twee lange, spitse voeldraden, waarachter de oogen liggen.
Dat de liefhebbers van conchyliën zich, evenals andere verzamelaars,
soms groote opofferingen getroosten, om in het bezit van een zeldzaam
voorwerp te geraken, blijkt uit de prijs van f 1200, die indertijd
voor een schelp van een Indische Carinaria werd betaald.
Volkomen naakt zijn de Kielslakken van het geslacht Pterotrachea;
de ingewandenkern, die bij haar den vorm van een tarwekorrel heeft,
wordt niet door een afzonderlijke, breukzakvormige uitstulping van den
mantel omgeven en is niet door een schelp bedekt. Overigens gelijken
deze Slakken veel op de leden van het vorige geslacht. Het lange,
cilindervormige lichaam loopt van voren uit in een dunnen, meestal
knievormig gebogen snuit en eindigt van achteren in een spitsen
staart. De onderzijde is van een bijlvormige vin voorzien.
De Pterotracheën zijn, evenals al hare verwanten, vraatzuchtige
roofdieren. Meestal tot groote scholen vereenigd en bij 't zwemmen den
rug naar onderen, de kiel naar boven richtend, bewegen zij, naar buit
zoekend, den snuit heen en weer; de tong wordt beurtelings uitgestoken
en in opgerolden toestand teruggetrokken, hare zijtanden als tangen
vóór de mondopening geopend en gesloten. Met deze grijporganen wordt de
buit, die vooral uit Visschen, kleine Schaaldieren en Kwallen bestaat,
gegrepen, vastgehouden en langzamerhand in het spijskanaal getrokken.