VIERDE ORDE.

DE KIELSLAKKEN (Heteropoda).

Evenals de Vinpootigen, bewonen de Kielslakken de open zee. Haar

geleiachtig, doorzichtig lichaam is naakt, of wordt door een teere,

doorzichtige schelp beschut. Deze orde omvat slechts een 60-tal

soorten en biedt veel minder verscheidenheid van vormen aan dan de

beide vorige groepen van Slakken, die op het land, in het zoetwater

en op de plantenwereld van de kustzee veel meer verschillende

levensomstandigheden hebben ontmoet. In de nabijheid van deze

past nog het best de familie der Atlanten (Atlantidae), diertjes

van eenige mM. middellijn, die iedereen op het eerste gezicht als

Slakken herkennen zal. De kop is verlengd tot een snuit, aan welks

einde zich de mondopening bevindt. Het bovenste, aan een kruin

herinnerende deel van den kop geeft de belangrijkste zenuwcentra

en de zintuigen van dit bijna waterheldere dier te aanschouwen,

n.l. de bovenslokdarmknoopen, de gehoorblaasjes, de hoog ontwikkelde

oogen en (vóór deze) de voelers. Daar wij reeds bij vele Vinpootigen

en Voorkieuwigen een voet leerden kennen, die door overlangsche of

dwarse groeven in afdeelingen is gesplitst, hebben wij slechts één

stap verder te doen om de voor 't kruipen dienende zool der meeste

Buikpootigen te vervormen in het op een geheel andere wijze werkende

bewegingsorgaan van Atlanta en van de meeste Kielslakken. Wij zien

hier--in plaats van den breeden, meestal onmiddellijk met den kop

samenhangenden voet--van den kop door een diepe bocht gescheiden,

een lichaamsdeel, waaraan drie afdeelingen zijn op te merken. De

eerste is zijdelings samengedrukt tot een voor 't zwemmen geschikt

orgaan, dat kiel wordt genoemd. Het kan zich uitmuntend bewegen; het

dier roeit zich er op soortgelijke wijze mede voort als de matroos,

die achter in een boot met één riem staat te pagaaien. Onmiddellijk

achter de kiel bevindt zich een zuignap, waarmede de Kielslak zich

aan den bodem, in de regel echter aan voorwerpen, die vrij in 't water

drijven, vooral aan wieren, vasthecht. De derde of achterste afdeeling

is bij Atlanta eveneens zeer sterk ontwikkeld; het is de staart met

het platte hoornachtige deksel op den rug, waarmede onze Heteropode,

evenals vele andere Slakken, haar schelp kan sluiten.

De Atlanten komen in alle zeeën tusschen de keerkringen en van de

beide gematigde aardgordels in grooten getale voor. Het best bekend

zijn de beide soorten, die (met vele andere bewoners van de open

zee) door storm en strooming dikwijls in de straat van Messina worden

gedreven, n.l. Atlanta Peronii, welker schelp licht hoorngeel gekleurd

en eenigszins buigzaam is, en Atlanta Kerandsenii, met een bijna

glasheldere, brooze schelp. De middellijn van de grootste huisjes

bedraagt bij deze soort 10, bij gene 9 mM.

Als de Atlanten verontrust worden, of om een andere reden zich naar de

diepte willen begeven, trekken zij zich geheel in de schelp terug. De

kop wordt het eerst geborgen, dan volgt, na plooiing, de kiel en

ten slotte het achterste deel van den voet, dat met zijn deksel den

mond der schelp geheel aanvult. De eieren drijven tot lange snoeren

vereenigd, in 't water.

Carinaria gelijkt in sommige opzichten op Atlanta, maar nadert door

andere belangrijke eigenaardigheden meer tot den derden hoofdvorm

der Kielslakken. Ook bij dit geslacht is een schelp aanwezig, die

echter buitengewoon dun en glasachtig is. Zij bestaat uit omgangen,

die alle in één vlak gelegen zijn en zoo snel in wijdte toenemen,

dat de laatste veel meer ruimte inneemt dan alle overige te zamen

genomen. Hierin is echter alleen plaats voor de zoogenaamde "kern",

die uit de lever en den kluwenvormige darm bestaat; de kieuwen steken

voorbij den rand der schelp uit. Een spoelvormige massa, aan welker

voorste uiteinde de kop voorkomt en waarvan het achterste stuk met

de derde afdeeling van den voet van Atlanta vergeleken moet worden,

maakt het grootste deel van het lichaam uit. Bij den oorsprong van den

kop ziet men twee lange, spitse voeldraden, waarachter de oogen liggen.

Dat de liefhebbers van conchyliën zich, evenals andere verzamelaars,

soms groote opofferingen getroosten, om in het bezit van een zeldzaam

voorwerp te geraken, blijkt uit de prijs van f 1200, die indertijd

voor een schelp van een Indische Carinaria werd betaald.

Volkomen naakt zijn de Kielslakken van het geslacht Pterotrachea;

de ingewandenkern, die bij haar den vorm van een tarwekorrel heeft,

wordt niet door een afzonderlijke, breukzakvormige uitstulping van den

mantel omgeven en is niet door een schelp bedekt. Overigens gelijken

deze Slakken veel op de leden van het vorige geslacht. Het lange,

cilindervormige lichaam loopt van voren uit in een dunnen, meestal

knievormig gebogen snuit en eindigt van achteren in een spitsen

staart. De onderzijde is van een bijlvormige vin voorzien.

De Pterotracheën zijn, evenals al hare verwanten, vraatzuchtige

roofdieren. Meestal tot groote scholen vereenigd en bij 't zwemmen den

rug naar onderen, de kiel naar boven richtend, bewegen zij, naar buit

zoekend, den snuit heen en weer; de tong wordt beurtelings uitgestoken

en in opgerolden toestand teruggetrokken, hare zijtanden als tangen

vóór de mondopening geopend en gesloten. Met deze grijporganen wordt de

buit, die vooral uit Visschen, kleine Schaaldieren en Kwallen bestaat,

gegrepen, vastgehouden en langzamerhand in het spijskanaal getrokken.

Het Leven der Dieren: Deel 3.7, De Weekdieren · 第 12 / 19 题