DE VINPOOTIGEN (Pteropoda).
De Vinpootigen (Pteropoda) staan op een aanmerkelijk lageren trap
van organisatie dan de overige Slakken; hun lichaamsbouw biedt
verscheidene eigenaardigheden aan, die in een algemeen overzicht van
de klasse niet konden worden opgenomen, zonder dit onduidelijk te
maken en aanleiding te geven tot een verkeerde voorstelling. Bovendien
vertoonen de Vinpootigen eenige verwantschap met de overigens zooveel
hooger bewerktuigde Cephalopoden. Bepaaldelijk geldt dit van die,
welker achterlichaam door een mantel omhuld is; ook kan als zoodanig
gelden het maaksel van den trechter bij Nautilus, welks beide lobben
met de vinnen der Pteropoden vergeleken kunnen worden.
De kop, die bij de echte Slakken zich kenmerkt door het bezit van mond
en lippen, van voelers en oogen, die vóór het overige lichaam uitsteekt
en er dikwijls zeer duidelijk door een hals van gescheiden is, valt
bij de Vinpootigen veel minder in 't oog. De plaats waar men hem moet
zoeken, is alleen aangeduid door de mondopening. In zijn omgeving staan
1 à 3 paren voelers, die echter bij vele soorten zeer klein zijn en
ook wel geheel kunnen ontbreken. Bij nauwkeurige vergelijking van de
inwendige organen der Vinpootigen met die der overige Slakken, merkt
men overal punten van overeenkomst op. Werkelijk karakteristiek zijn
alleen de organen, waaraan de naam der orde ontleend is, de vleugel-
of vinvormige, zijwaarts gerichte aanhangsels, van het voorste of
kopgedeelte van 't lichaam, of van de streek, die den hals der Echte
Slakken vertegenwoordigt. Deze dunne, vliezige platen, die men met
de zijstukken van den voet der Slakken vergelijken kan, zijn voorzien
van spiervezels, die elkander kruisen; zij worden op gelijke wijze en
dikwijls ook even snel als vlinder-vleugels op en neer bewogen. De
Pteropoden zijn daarom bij de visschers van de Middellandsche Zee
onder den zeer eigenaardigen naam van "Zeevlinders" (Farfalle di mare)
bekend. Alleen door voortdurend op deze wijze te roeien kunnen zij
vooruitkomen of op dezelfde plaats blijven. De rustelooze beweging
der vinnen geschiedt zonder merkbare inspanning en leidt uitmuntend
tot het beoogde doel; al naar den stand der roeiorganen zwemt het
dier rechtuit, naar boven of naar beneden; intusschen behoudt het
lichaam steeds een rechten of weinig hellenden stand.
De Vinpootigen zijn over alle zeeën, van de pool tot den equator,
verbreid. Hun teere lichaamsbouw en hunne vinnen stempelen hen tot
bewoners van de open zee. Dat men hen soms ook in de nabijheid van
de kust aantreft, b.v. bij Nizza en Messina, hangt grootendeels van
de zeestroomingen af. Hoewel zij in de Middellandsche Zee dikwijls op
't midden van den dag aan de oppervlakte van de zee gevangen worden,
zijn toch de meeste soorten nacht- en schemeringdieren; vooral op meer
zuidelijke breedten staat hun komst aan de oppervlakte in verband
met het verdwijnen van het directe zonlicht. Zoodra tusschen de
tropen de schemering begint, verschijnen allerlei kleine Heteropoden
en Pteropoden. De groote soorten vangt men echter niet, voordat het
volslagen nacht geworden is. Kort daarna verdwijnen alle in dezelfde
volgorde, als zij gekomen zijn, zoodat men omstreeks middernacht nog
slechts weinige individuën in de bovenste waterlaag waarneemt. Soms
blijft een enkele tot aan den morgen; na zonsopgang echter zoekt
men zoowel aan den waterspiegel als in de diepte, zoover het gezicht
reikt, te vergeefs naar een Vinpootige. Iedere soort houdt zich bij
't komen en het gaan aan vaste uren of liever aan bepaalde graden
van duisternis.
De Pteropoden zijn vleescheters; behalve op allerlei Weekdieren,
maken zij jacht op de kleine Schaaldieren, die in ontzaglijke menigte
de bovenste waterlaag bevolken.
De Schelpdragende Vinpootigen (Thecosomata) hebben een weinig
ontwikkelden, dikwijls niet herkenbaren kop en slechts sporen van
voelers; de vinnen blijven steeds in samenhang met de "middellob",
een onparig orgaan, dat den voet der overige Slakken vervangt. Tot
deze onderorde behoort de familie der Hyaleaceën, welker vinnen tot aan
den oorsprong van elkander gescheiden en alleen met het onderste deel
van haar buitenrand met de middellob min of meer versmolten zijn. In
de dunne, hoornachtige of verkalkte schelp, die het lichaam omgeeft,
kunnen de vinnen geheel teruggetrokken worden.
Bij Hyalaea is de schelp nagenoeg bolvormig, doch van achteren
van spitse uitsteeksels voorzien; van voren heeft zij een nauwe
opening, van achteren twee spleten, die het ademhalingswater naar
en van de kieuwen voeren; door iedere spleet steken twee tamelijk
groote aanhangsels van den mantel uit, die deels naar de rugzijde,
deels naar de buikzijde omgeslagen zijn en, zoolang het dier leeft,
de schelp bedekken. Bij dit geslacht zijn geen andere zintuigen
gevonden dan gehoorblaasjes.
Cleodora en Creseis hebben een wijde opening aan de langwerpige schelp,
die bij gene kantig, bij deze rond en kegelvormig is. De korte voelers
in den nek dragen oogstipjes.
De familie der Cymbuliaceën kenmerkt zich door de aanzienlijke grootte
van de breed aangehechte vinnen en door het bezit van een platte
"schelp", die uit een doorzichtige stof bestaat en in normalen
toestand door een lob van den mantel volkomen bedekt is; dit deel
van den mantel scheurt echter zeer licht en is slechts zelden bij de
gevangen exemplaren onbeschadigd gebleven. De weeke, kraakbeenachtige
schelp bestaat uit een organische stof.
Van de familie der Limacinaceën, die zich door de spiraalswijs gewonden
schelp onderscheidt, zijn een vijftiental soorten uit allerlei zeeën
bekend. Een daarvan is Limacina arctica van de Groenlandsche kust, een
slakje van 4 mM. middellijn, dat het voornaamste voedsel uitmaakt van
den Vinvisch (Balaenoptera boops) en van den Groenlandschen Walvisch,
(Balaena mysticetus).
De Naakte Vinpootigen (Gymnosomata) missen de schelp en hebben aan den
duidelijk begrensden kop 1 of 2 paar tentakels, die bij Pneumodermon
zuignappen dragen en hierdoor aan de armen der Tweekieuwige
Cephalopoden herinneren. Tusschen de plaatsen van aanhechting der
beide vinnen aan den hals, doch niet er mede verbonden, bevindt
zich de onparige afdeeling van den voet. Deze is bij de Clioniden
hoefijzervormig en soms met een aanhangsel uitgerust. De leden van het
geslacht Clio kunnen, als zij zich naar de diepte willen begeven, de
vinnen plooien en ze, met den geheelen kop en hals, in het achterlijf
terugtrekken. De 2.5 à 3.5 cM. lange Noordsche Clio, het Walvischaas
(Clio borealis) die vooral in de Groenlandsche Zee zeer veelvuldig
voorkomt, maakt het gewone voedsel uit van vele Roofvisschen, van de
Drieteenige Meeuw en ook van de zooeven genoemde Cetaceën.