DE BUIKPOOTIGEN (Gastropoda).
Iedereen kent vertegenwoordigers van deze klasse onder den naam
van Slakken, dieren met meer buik dan kop, die met moeite op hun
platte zool voortkruipen, het asymmetrische, spiraalswijs gewonden
huis, dat den ingewandenzak bevat, op den rug dragen en van oudsher
beschouwd worden als zinnebeelden van langzaamheid en trage, vervelende
bedachtzaamheid.
Wegens het bezit van een meer of minder duidelijk begrensden kop heeft
men de Slakken ook wel Kopdragers (Cephalophora) genoemd. Zij stemmen
in dit opzicht, zooals reeds gebleken is, overeen met de Cephalopoden,
die zich van haar door het bezit van armen om de mondopening
onderscheiden. Dat het bezit van een kop een belangrijk kenmerk van de
Slakken is, blijkt reeds bij oppervlakkige vergelijking van deze dieren
met de Mossels, waaraan men tevergeefs naar een kop zou zoeken; deze
staan hierdoor op veel lageren trap van organisatie en toonen dit door
haar leven. Hoogst eigenaardig is ook de "slakkengang." Deze beweging
komt tot stand door de werking van de zoolvormige, gespierde schijf,
van den voet, die vooral bij de Naakte Slakken, waar zij zich over de
geheele buikzijde van 't lichaam uitstrekt, bijzonder duidelijk in 't
oog valt. Aan dit orgaan danken de Slakken den naam van Buikpootigen
(Gastropoda). Wanneer men een Slak op een stuk vensterglas laat
kruipen en dit omkeert, ziet men, terwijl het dier zijn gelijkmatige
beweging voortzet, in 't midden van de zool rimpels en groeven, die
zich "als de golven der zee," gelijk Swammerdam zegt, van den kop
naar den staart voortplanten. Een Landslak zal tevens het door haar
gevolgde pad bedekken met een als zilver glinsterende laag van slijm;
het dier scheidt deze stof uit om minder hinder te hebben van de
oneffenheden. De Waterslakken bewegen zich geheel op dezelfde wijze,
kruipen over den zeebodem, beklimmen steile rotsmassa's of dwalen in
hare schuilplaatsen tusschen zeeplanten en koralen rond. Bovendien kan
men aan al onze Land- en Waterslakken opmerken, welke eigenaardigheden
de mantel, die bij alle Weekdieren zulk eene belangrijke rol speelt,
in deze klasse vertoont. Bij de Huisjesslakken vormt hij van voren
een dikke plooi, die als een kraag over den kop kan worden getrokken,
en van achteren een soort van breukzak, die een groot deel van de
ingewanden bevat; bij de meeste Naakte Slakken onderscheidt hij zich
niet duidelijk van de overige lichaams-bekleedselen; hoe echter zijn
vorm moge zijn, nooit is hij aan de buikzijde gesloten.
De Slakken zijn voor 't meerendeel waterdieren; de meeste bewonen
de zee. Zeeslakken ontmoet men in ieder gebied, te beginnen bij het
uiterste deel van de kust, dat nog geregeld door de golven bespoeld
wordt, tot in de open zee op alle diepten. Geen enkele Zeeslak heeft
zich boven de ademhaling door kieuwen verheven; alle Longslakken
leven in het zoetwater of op het land.
Voor het begrijpen van de beschrijving van een Slak is eenige
bekendheid met den bouw en de samenstelling van haar schelp
noodzakelijk. Het voornaamste bestanddeel van alle Weekdierschelpen
is koolzure kalk; de hoeveelheid dezer stof wisselt in de schelpen
van de hedendaagsche Slakken van 95 tot 98 percent af; het gehalte
aan organische stof (conchioline) bedraagt ongeveer 1.5 percent.
Om den vorm van een slakkenhuis in 't algemeen te leeren kennen, zou
men als type de voorkeur kunnen geven aan de schelp van de grootste
Europeesche Landslak, van de Wijngaardslak (Helix pomatia). Daar
echter deze soort hier te lande zeldzaam is (men vindt haar hier en
daar in de duinen, ook in Gaasterland en Limburg) en waarschijnlijk
van elders werd ingevoerd, zullen wij liever de zeer algemeene,
doch aanmerkelijk kleinere Tuinslak (Helix nemoralis) als voorbeeld
nemen. De meeste verschijnselen, die wij nu te bespreken hebben,
komen trouwens bij beide soorten voor. Wanneer men een slakkenhuis
met de spits (of top) naar zich toe en met het grondvlak (de basis)
op de tafel plaatst, heeft het denzelfden stand, als wanneer het nog
bewoond wordt door het (in dit geval van ons af kruipende) dier, zoodat
men zich gemakkelijk rekenschap kan geven van de uitdrukkingen vóór (of
onder), achter (of boven), links en rechts: de buitenrand van den mond
(of opening) der schelp is nu rechts gelegen. Wanneer men het huisje
met de spits omhoog en de opening naar zich toe in de hand houdt,
ziet men de omgangen van rechts naar links afdalen. Onze schelpen zijn
dus rechts gewonden, evenals die van de meeste Slakken. Slechts enkele
geslachten--b.v. de Blaashorenslakken (Physa) en de Spoelhoornslakken
(Clausilia)--zijn geregeld links gewonden. Bij uitzondering vindt
men ook bij allerlei andere geslachten en soorten exemplaren, die
door een links gewonden huisje van den regel afwijken, b.v. bij
Wijngaardslakken.--Aan den rand van den naar ons toegekeerden mond
der schelp onderscheidt men twee gedeelten: rechterrand, buitenrand
of buitenlip en linkerrand, binnenrand of binnenlip (welker onderste
deel spilrand heet). Bij de schelpen, die wij als voorbeelden kozen,
zijn beide lippen gescheiden, althans van boven, waar het uiteinde
van de naad (de uitwendig zichtbare verbindingslijn der omgangen)
de grens vormt. (Zelden, o.a. bij Cyclostoma en Scalaria vormen
beide randen een onverdeelde, meestal cirkelvormige of ovale
lijn.) De echte binnenlip is steeds, zooals in ons geval, kenbaar
aan een (soms zeer dun) kalklaagje van afwijkende geaardheid, dat,
zich over het midden van het grondvlak der schelp uitbreidend,
het zoogenaamde eelt vormt. Op de hierdoor bedekte plek zou anders,
zooals bij sommige huisjes van de Wijngaardslak werkelijk geschiedt,
een opening (of althans een nauwe spleet) overblijven. De navel
(of navelspleet) gaat hier echter niet verder dan de laatste omgang
(valsche navel). Wanneer echter de spiraalswijze kronkelingen van de
kegelvormige buis, waaruit men zich het slakkenhuis gevormd kan denken,
nergens geheel tot aan de as van de spiraal reiken, maar hier een
ruimte overlaten, zal de schelp een kanaal hebben, dat zich van het
grondvlak tot bij de spits uitstrekt (echte navel). Aan een stevige
strandschelp, b.v. de Gewone Wulk (Buccinum undatum), die volgens de
as is doorgezaagd of afgeslepen, merkt men een massieve spil op; bij
genavelde schelpen, b.v. de Verrekijkerslak (Solarium perspectivum),
zal men een doorboorde spil vinden.--De buitenlip heet recht, wanneer
zij, zooals bij de Tuinslak, een voortzetting vormt van den laatsten
omgang, omgeslagen, wanneer zij, zooals bij de Tuinslak, naar buiten,
ingerold, wanneer zij naar binnen omgebogen is.--Van enkele regelmatig
gewonden schelpen zijn de omgangen in 't geheel niet met elkander in
aanraking; een voorbeeld hiervan is de Echte Wenteltrap (Scalaria
pretiosa), die door de schelpenverzamelaars op zeer hoogen prijs
wordt gesteld.--Alle omgangen, met uitzondering van den laatsten,
vormen gezamenlijk de winding. De kern, het alleroudste deel van
de schelp, vertoont soms een afwijkenden vorm.--De Wijngaardslak,
de Tuinslak en de meeste van hare talrijke verwanten sluiten den mond
van het huisje alleen gedurende den winterslaap met een deksel, dat in
't voorjaar wordt afgeworpen; bij de Wijngaardslak is het verkalkt;
bij de Tuinslak en andere Landslakken vliezig. Een blijvend deksel kan
ieder, die niet aan zee woont, te zien krijgen bij de Moerashoornslak
(Paludina). Deze draagt op de rugzijde van den voet een hoornachtige
plaat; bij vele andere Slakken is het deksel verkalkt en vertoont,
evenals het huisje, omgangen als gevolg van de voortdurende
vergrooting. Overal waar de omgeving beurtelings uit lucht en uit
water bestaat, is het deksel het eenvoudigste middel voor de Slak om
zich volkomen terug te trekken in de voor vloeistoffen ondoordringbare
schelp en deze waterdicht te sluiten. Het dier kan door het vocht,
dat zich nog in zijn woning bevindt, in 't leven blijven en zonder
eenige levenswerkzaamheid een gunstiger tijd afwachten. Daarom zijn
o.a. alle Strandslakken van een deksel voorzien.