EERSTE KLASSE.

DE KOPPOOTIGEN (Cephalopoda).

Van den lichaamsbouw der Koppootigen zullen wij den lezer een denkbeeld

trachten te geven door de bespreking van den Dwerginktvisch (Sepiola

Rondeleti). Talrijke exemplaren van deze kleine soort worden den

bezoeker van de vischmarkten in Italië te koop geboden en door den

verkooper wegens hun fijnen smaak ten zeerste geroemd. Den kop kan

men zeer duidelijk van den romp onderscheiden. Kringsgewijs om den

mond geplaatste armen doen dienst als grijp- en bewegingsorganen. De

romp bestaat uit een ingewandenzak, omhuld door een mantel, die

aan de rugzijde vastzit en samenhangt met de huid, die den kop

bedekt, maar aan de buikzijde een holte overlaat, waarin de kieuwen

voorkomen. Naar het aantal van deze ademhalingsorganen onderscheidt

men de Koppootigen in Tweekieuwigen (b.v. Sepiola) en Vierkieuwigen

(Nautilus). Aan de buikzijde ziet men in de afbeelding, boven de

hier van voren geopende mantelholte het nauwste uiteinde uitsteken

van den zoogenaamden trechter; de veel wijdere, achterste opening

is onder den mantel verborgen. De zeer taaie, sterk gespierde

en rekbare armen kunnen zich in alle richtingen bewegen, zoodat

hunne kronkelingen niet zelden aan die van Slangen herinneren. Bij

alle hedendaagsche Koppootigen (met uitzondering van Nautilus)

bedraagt hun aantal 8 of 10 en zijn zij bezet met zuignappen, die

bij het grijpen van den buit en bij het kruipen een belangrijke

rol spelen. Bij de Tienarmigen rusten de zuignappen op een korten,

gespierden steel en hebben in den rand een kraakbeenigen ring. Door

het hierbinnen aanwezige spierkussen een weinig terug te trekken,

hecht het dier zich vast aan de oppervlakte, waartegen de rand van

den zuignap wordt aangedrukt. De verbinding is zoo stevig, dat een

gezond dier dikwijls niet zonder verscheuring van enkele zuignappen

losgerukt kan worden, en dat het, eerder dan het gegrepen voorwerp,

den geheelen arm in den steek laat, wanneer deze door de gelijktijdige

werking van verscheidene zuignappen bevestigd is. Bij vele soorten is

de rand der zuignappen van haakvormige doorntjes voorzien. De armen

zijn volkomen symmetrisch geplaatst en worden daarom van den rug te

beginnen, bij paren geteld. Daar men de "grijparmen" der Tienarmige

Koppootigen buiten rekening laat, zijn de armen van het 4e paar die,

welke naast elkander aan de buikzijde liggen. De huid, die de armen bij

hun oorsprong (en bij eenige soorten zelfs tot aan den top) verbindt,

schijnt vooral bestemd om een aan alle zijden gesloten holte te vormen,

waarin de buit, die met de armen gegrepen werd, geheel weerloos aan de

werking van de kaken en tanden is blootgesteld. Na het buitenwaarts

ombuigen van de armen ziet men, te midden van den door hen gevormden

kring, de mondopening en de kringvormige lippen, die haar omgeven,

bovendien 2 zwartbruine, hoornachtige kaken, die gezamenlijk aan den

snavel van een Papegaai herinneren, hoewel bij 't sluiten van den

bek de bovenkaak door de onderkaak omgeven wordt. Een verhevenheid op

den bodem van de mondholte heet tong en is bedekt met een wrijfplaat

(radula), die uit verscheidene dwarsrijen van 7 à 13 spitse tandjes

bestaat.

Aan weerszijden van den kop puilen de bijzonder groote, goed

ontwikkelde, glinsterende oogen uit, ieder beschut door een

napvormig zijstuk van het kopkraakbeen, dat de centrale deelen van

het zenuwstelsel omhult en tevens in afzonderlijke holten de beide

gehoororganen bevat.

De beide platte, afgeronde aanhangsels aan de zijden van den romp van

Sepiola heeten vinnen, dienen voor het zwemmen en kunnen ook den stand

van het lichaam en zijn bewegingsrichting wijzigen. Deze huidplooien

ontbreken bij eenige geslachten en zijn bij de overige verschillend

van vorm en grootte.

Van den trechter maakt het dier een zeer belangrijk gebruik. Door den

vrijen rand van den mantel van den ingewandenzak te verwijderen, wordt

de mantelholte gevuld met het water, dat voor de ademhaling dient. Door

vervolgens, na den rand, ook de overige deelen van den mantel tegen

den ingewandenzak te drukken, wordt het water met groote kracht door

de achterste opening in den trechter en van hier, door de voorste,

enge opening, als een straal naar buiten geperst. Hierdoor verkrijgt

het lichaam in achterwaartsche richting een stoot, die voldoende is

om de slankst gebouwde leden der klasse pijlsnel door het water te

doen schieten.

Behalve het spijskanaal, komt bij de meeste Koppootigen ook de

afvoerbuis van een ander belangrijk orgaan, n.l. van den inktzak,

in den trechter uit. Het uitwerpen van de zwartbruine stof, die door

deze klier wordt afgescheiden, heeft willekeurig plaats; een kleine

hoeveelheid is voldoende om het dier met een donkere wolk te omhullen,

waardoor het eensklaps voor zijne vervolgers onzichtbaar wordt. Op deze

eigenschap berust de onjuiste benaming "Inktvisschen". Onder den naam

"sepia" wordt de bedoelde stof door de schilders gebruikt. Men heeft

haar zelfs bij fossiele Cephalopoden gevonden.

Aan vele in spiritus geconserveerde exemplaren van Koppootigen neemt

men op de huid fijne, paarse en bruinachtige stipjes waar. Dit is

al wat er overblijft, van de prachtige kleurveranderingen, die het

levende dier te aanschouwen geeft; de kleur wisselt af in verband

met den toestand waarin het verkeert, hangt af van de verlichting,

is verschillend al naar het dier zelf aanvalt, of aangevallen en

geprikkeld wordt. Kleurige wolken en strepen schieten over het

lichaam heen, vereenigen zich, spreiden zich uit en gaan in den

regel gepaard met een algemeene verhooging van den glans, met een

bliksemsnel optreden van het glinsteren en iriseeren van de geheele

oppervlakte; men is getuige van een schitterend onweer van toorn en

zenuwoverprikkeling. De mechanische oorzaken van dit buitengewoon

fraaie kleurenspel zijn van tweeërlei aard. In de huid bevinden zich

cellen, die een uiterst fijn verdeelde kleurstof bevatten. Wanneer

deze cellen in den toestand van rust verkeeren en door de veerkracht

van haar wand tot haar geringste volume zijn ingekrompen, is de

invloed van de kleine pigmentklompjes op de kleur van de huid zeer

gering. Door talrijke spiervezels, die straalswijs met den wand

der kleurstofcellen of "chromatophoren" verbonden zijn, kan deze

echter uitgerekt worden, zoodat de kleurstof zich over een grootere

oppervlakte uitbreidt. Bij de op deze wijze veroorzaakte kleuren komen

nog die, welke een gevolg zijn van interferentie-verschijnselen,

waarbij fijne, dicht opeengepakte plaatjes, die dieper dan de

chromatophoren liggen, de hoofdrol spelen.

Alle Koppootigen bewonen uitsluitend de zee; hier leefden ook al

hunne voorouders, die reeds in de alleroudste lagen van de Silurische

formatie sporen van hun bestaan hebben achtergelaten, en in 't Jura- en

't krijttijdvak hun hoogsten bloei bereikten. De alleroudste fossiele

Tweekieuwigen werden in de lias-lagen gevonden. Vele hedendaagsche

soorten leven gezellig, gelijk vooral blijkt, wanneer zij van grootere

diepten en uit de open zee naar de kustwateren trekken. Alle leven

van roof; zij verslinden een menigte Visschen, Schaaldieren, Slakken

en Plaatkieuwige Weekdieren. Als een staaltje van hun vraatzucht kan

dienen, dat zij zelfs aanvallen op soortgenooten, die zich door een

lokaas hebben laten verschalken, en met deze boven water getrokken

en gevangen worden. Bij de soorten, die in de nabijheid van de kust,

op rotsen en tusschen waterplanten kruipend, op buit loeren, komen

velerlei draadvormige aanhangsels voor, welker beweging de prooi

aanlokt. De door hen aangerichte schade wordt vergoed, doordat een

aantal voor ons zeer belangrijke dieren, b.v. verscheidene walvisschen,

de Potvisschen, de Kabeljauwen, zich bijna uitsluitend of bij voorkeur

met Cephalopoden voeden; bovendien worden verscheidene soorten ook

door den mensch gegeten.

De Cephalopoden zijn de hoogst ontwikkelde Weekdieren; de sterkste,

grootste en zwaarste leden van de hoofdafdeeling behooren tot hun

klasse. Aan de oostkust van Noord-Amerika zijn exemplaren gevangen van

het geslacht Architeuthis, die een totale lengte van 12 M. hadden;

de romp was 2.5 M. lang en had een omvang van 2.12 M.; de armen

zijn zoo dik als eens menschen dij. Prachtige nabootsingen in ware

grootte van dezen reusachtigen Inktvisch, die misschien aanleiding

heeft gegeven tot de sprookjes van den Kraken en de Reuzenzeeslang,

heeft Prof. Verrill van Newhaven (Connecticut) voor verscheidene

Amerikaansche musea laten vervaardigen.

Men kent tegenwoordig ongeveer 7000 soorten van Koppootigen, waarbij

ongeveer 6500 Vierkieuwigen (met 4 thans nog levende) en ruim 450

Tweekieuwigen (met 240 thans nog levende soorten).

Het Leven der Dieren: Deel 3.7, De Weekdieren · 第 5 / 19 题