DE WEEKDIEREN (Mollusca).
Voor een nadere kennismaking met de Weekdieren zijn wij allen
reeds eenigermate voorbereid door vroegere ervaringen. Een der
eerste verkenningen op dit terrein heeft ons geleid tot het besef,
dat een Slak en een Mossel nagenoeg in dezelfde richting afwijken
van de Gewervelde en de Gelede Dieren; deze overtuiging hebben wij
uitgesproken door aan beide den naam van "Weekdieren" te geven. Tot
het erkennen van de noodzakelijkheid om deze dieren samen te voegen
zijn wij gekomen, hoewel wij aan de Slak een kop met voelers en
oogen opmerkten en deze bij de Mossel te vergeefs hebben gezocht. Ook
over het verschil tusschen de Mosselschelp en het Slakkenhuis zijn
wij heengestapt; zelfs aarzelden wij niet de naakte Kelderslak en
de Huisjesslak als nauw verwante vormen te beschouwen en (met de
Mossel) door één naam aan te duiden. Dat deze en vele andere dieren
werkelijk een in 't oogvallend karakter dragen, bleek duidelijk
bij een bezoek aan het zeestrand en aan een visschersplaats: de
talrijke vormen, die wij hier voor 't eerst aanschouwden, werden,
ondanks hun verscheidenheid, in den regel als Weekdieren herkend, niet
met Gewervelde of met Gelede Dieren, meestal zelfs niet met Wormen
verward. Deze karaktertrekken moeten wij nu trachten op te sporen.
Hoewel men aan vele Weekdieren een kop en een romp kan onderscheiden,
maakt toch hun lichaam algemeen den indruk van plomper, onbehouwener
te zijn dan dat der vroeger behandelde dieren; het vertoont geen
spoor van de geleding, die bij de Arthropoden zoo duidelijk op den
voorgrond treedt en die ook den geheelen lichaamsbouw der Gewervelde
Dieren beheerscht. De niet aan veranderingen onderhevige vorm, dien
de Gewervelde Dieren aan hun inwendig geraamte, de Gelede Dieren aan
het harde bekleedsel van de huid danken, wordt bij de Weekdieren
gemist. De eenvoudiger gebouwde Wormen vormen den overgang. De
tegenwerping, dat de schelp den vorm van de Mossel, het huisje dien
van de Slak bepaalt, zal bij nader onderzoek ongegrond blijken, daar
de beide huisjes eigenlijk niet veel van "huisjes", van woningen,
verschillen. Zij zijn wel is waar gevormd door het lichaam, maar
hangen er zoo los mede samen, dat zij in geen vergelijking kunnen
komen met het inwendig of uitwendig skelet. Deze zijn in den volsten
zin van het woord deelen van het organisme. De beenderen nemen deel
aan de stofwisseling: zij worden aanhoudend gevoed en vernieuwd. De
Kever kan niet verwijderd worden uit zijn huidskelet; als het pantser
van den Kreeft niet meer door levende deelen met het dier verbonden
is, valt het af om door een nieuw pantser vervangen te worden. Deze
innige samenhang bestaat niet tusschen het Weekdier en zijn "huis";
de schelp is een uitscheidingsproduct, dat wel is waar dikker wordt
door aanvoeging van nieuwe lagen, een grootere uitgebreidheid verkrijgt
door toevoeging van bestanddeelen aan de vrije randen en ook zelfs,
als het beschadigd is, een gebrekkige reparatie ondergaat, maar slechts
in een enkel punt, of op een gering aantal plaatsen, werkelijk met het
dier in verband staat, en niet aan de stofwisseling deelneemt, kortom
een doode massa is. Een Slak kan men uit zijn huisje lichten na het
doorsnijden van eene spier, die haar er mede verbindt, welke operatie,
op zichzelf beschouwd, het leven van het dier niet in gevaar brengt. De
eenige deelen van een Weekdier, die bij oppervlakkige beschouwing,
eenigszins op een skelet gelijken, zijn binnen in de huid gelegen;
hoewel zij door haar ligging aan beenderen herinneren, stemmen ook
deze inwendig afgescheiden hoorn- en kalkplaten in werkelijkheid met
de uitwendige schelp overeen.
Om met de karakteristieke eigenschappen van de Weekdieren in 't
algemeen bekend te worden, moeten wij ons wenden tot die, welke geen
schelp hebben, en aan de overige hun schelp ontnemen. Zij vertoonen
zich dan als ongelede dieren met een dikwijls zeer plomp voorkomen;
bovendien maakt de symmetrie, die aanvankelijk bij allen valt waar te
nemen, op lateren leeftijd bij velen plaats voor een asymmetrischen
lichaamsbouw. De huid is glibberig en week, bij alle vormen uitgegroeid
tot lobben en mantelachtige plooien, die het lichaam geheel of ten
deele bedekken. Van deze belangrijke eigenaardigheid der Weekdieren
kan men zich gemakkelijk door aanschouwing overtuigen. Als een Slak
in haar huisje kruipt, ziet men, terwijl de kop teruggetrokken wordt,
dezen zich bedekken met een dikke huidplooi, die een stuk van den
mantel is. Na 't wegnemen van een Mossel uit de schelp, ziet men
haar lichaam aan weerszijden geheel bedekt met een groote, vliezige
huidplooi: dit zijn de beide mantelhelften. De schelp wordt door den
mantel gevormd, vooral door zijne vrije randen.
Wanneer men bedenkt, dat de hoogst ontwikkelde Weekdieren niet
zelden een lengte bereiken van 1 en zelfs van 2 M. (terwijl sommige
reuzen onder hen meer dan 6 M. lang worden), met zintuigen zijn
uitgerust, welke bijna met die der hoogere Gewervelde Dieren
kunnen wedijveren, en een spierkracht toonen, die aan hun grootte
geëvenredigd is,--wanneer men tevens in 't oog houdt, dat dezelfde
hoofdafdeeling ook microscopische vormen bevat, waarvan sommige aan
Trilwormen herinneren,--zal men inzien, dat er van een algemeene
beschrijving van den bouw, de levenswijze en de woonplaats dezer
dieren geen sprake kan zijn.--Het voornaamste centrale deel van hun
zenuwstelsel bestaat uit een slokdarmring, waarmede de overige door
het lichaam verspreide zenuwen en zenuwknoopen samenhangen. Het
bezit van zintuigen hangt af van den trap van ontwikkeling, dien
het lichaam in 't algemeen bereikt, voorts van de verblijfplaats en
de levenswijze. De spijsverteringsorganen zijn bij alle Weekdieren
zeer volkomen; voor de ademhaling bezitten de meeste kieuwen, die
dan steeds een aanzienlijke uitgebreidheid hebben.
De liefhebbers van merkwaardigheden hebben reeds sinds eeuwen met
grooten ijver Slakkenhuizen en Mosselschelpen verzameld en zich
verlustigd aan de bonte kleuren en de groote verscheidenheid van
liefelijke en grillige vormen dezer voorwerpen. Hoewel het volstrekt
niet onze bedoeling is, het genoegen, dat een fraaie collectie
conchyliën den eigenaar verschaft, te verminderen, moeten wij echter
doen opmerken, dat zulk een verzameling een even onbevredigenden indruk
achterlaat als b.v. een sorteering van hoeven en klauwen. De invloed
van de schelp op het leven van het Weekdier is nog veel geringer
dan die van de hoeven en klauwen op het bestaan der Zoogdieren. Van
overwegend belang is dus de studie der inwendige organen.