DE TWEEKIEUWIGEN (Dibranchiata).
Tot deze orde, waarvan een lid als uitgangspunt voor ons algemeen
overzicht heeft gediend, behooren alle Cephalopoden, welker kringvormig
om den mond geplaatste armen zuignappen dragen en welker mantelholte
twee kieuwen bevat: een aan de rechter- en een aan de linkerzijde. Een
inktzak is steeds aanwezig. Naar het aantal armen worden zij in twee
groepen verdeeld.
De Achtarmige Cephalopoden (Octopoda) missen de beide grijparmen
en hebben bijna zonder uitzondering een korten en breeden romp, die
geen vinnen draagt. Het ruggedeelte van den mantel scheidt bij hen
geen tot steun dienende plaat af. De meeste Achtarmigen bewonen de
zee in de nabijheid van de kust; zij kruipen en loopen meer dan zij
zwemmen. Hunne gewone verblijfplaatsen zijn spleten en gaten in het
gesteente, vanwaar zij op buit loeren. Zij kunnen in alle richtingen
kruipen, maar bewegen zich bij voorkeur zijwaarts, spreiden de armen
uit, heffen den kop omhoog, geven den romp een eenigszins hellenden
stand boven het 4e paar armen en wenden de opening van den trechter
naar een zijde. Vooral het tweede en derde paar armen doen bij het
kruipen dienst. Op deze wijze verplaatsen zij zich tamelijk vlug,
zoowel in als buiten het water. Uit eigen beweging verlaten zij het
natte element nooit, hoewel sommige soorten uren lang op het droge in
't leven kunnen blijven. Een bewonderenswaardig instinct stelt hen in
staat om de zee terug te vinden, nadat zij op betrekkelijk grooten
afstand van de kust landwaarts gebracht zijn; zelfs van plaatsen
waar het water niet meer te zien is, gaan zij regelrecht over de
steendammen heen naar de zee terug.
De oude Grieken en Romeinen noemden de hun bekende Koppootigen
"Veelvoeten" (Polypous Polypus); nagenoeg dezelfde naam (tot Polpo
vervormd in Italië, tot Poulpe in het Fransch) dient thans nog tot
aanduiding van de geslachten Octopus en Eledone. Zij maken deel uit
van de familie der Octopodiden, die o.a. kenbaar zijn aan de breedte
van den "nekband", waardoor de mantel aan de rugzijde met den kop
verbonden is.
De lange armen der Achtarmen (Octopus) zijn aan den wortel door een
huid vereenigd en aan de binnenzijde met 2 reeksen van zuignappen
uitgerust.
De Gewone Achtarm (Octopus vulgaris) is de grootste soort en tevens
die, welke het sterkst vertegenwoordigd is in de meeste deelen van
haar uitgestrekt verbreidingsgebied. De witgrijze huid verkrijgt,
zoodra het dier in opgewonden toestand verkeert, bruine, roode en
gele tinten, terwijl tevens de geheele bovenzijde zich bedekt met
wratvormige verhevenheden. Men vindt dezen Inktvisch niet slechts in
alle deelen van de Middellandsche Zee, maar ook aan de kusten van den
Atlantischen Oceaan, bij de eilanden van West- en Oost-Indië en bij
Mauritius. Enkele malen zijn exemplaren naar onze kust afgedwaald. Het
meest vindt men hem op een rotsachtige zeebodem, in welks gaten en
spleten zijn buigzaam lichaam gemakkelijk doordringt; van uit deze
verblijfplaats beloert hij de dieren, waarmede hij zich voedt. Bij
't zien van een prooi verlaat hij voorzichtig zijn schuilhoek, nadert,
pijlsnel achterwaarts zwemmend, zijn slachtoffer tot op korten afstand,
keert zich zoo vlug om, dat men hem nauwelijks met de oogen kan volgen,
omstrengelt den buit met de nu uiteenwijkende armen en houdt hem met
de zuignappen vast. Soms vestigt hij zich op eenigen afstand van een
rotsachtig terrein op zandgrond en in een nest van steenen, die hij
met de zuignappen grijpt, met de armen vervoert en opeenhoopt tot
een soort van kom; hierin verborgen, wacht hij geduldig, tot er een
Visch of Kreeft in de nabijheid komt, die dan behendig gevangen wordt.
In den zomer ziet men de jongen in de nabijheid van de kust op
den met steenen bedekten zeebodem, soms ook op slib. Zij worden
gewoonlijk gevangen aan een hengel zonder haak met een wit, in 't
oog vallend lokaas, dat bezwaard is door een steentje en leveren een
smakelijke spijs; die, welke meer dan ½ KG. wegen, worden wegens
de taaiheid van hun vleesch veel minder geschat dan de Sepia's en
Kalmars. Het grootst bekende exemplaar van deze diersoort was ongeveer
3 M. lang en woog 25 KG.; het werd bij Nizza door een visscher na
zeer groote inspanning gevangen. Exemplaren van 15 KG. zijn niet
zeldzaam. Onbeschrijfelijk woest is het voorkomen van deze dieren
bij het grijpen van een slachtoffer; de hevigheid en snelheid van
den aanval, de kleursveranderingen van de huid en de wratten, die
zich er op vertoonen, maken een diepen indruk.
Collmann was getuige van een gevecht tusschen een Zeekreeft en een
Achtarm in het groote aquarium te Napels en beschrijft dit op de
volgende aanschouwelijke wijze: "Een Zeekreeft had zich vergrepen aan
een zijner metgezellen--een Zeeschildpad ter grootte van een tafelbord,
welker schedel hij geheel verbrijzelde--en moest tot straf naar het
reservoir der Achtarmen verhuizen. Deze verloren den indringer niet
uit het oog, bewogen zich in uitdagende houding om hem heen, maar
bleven aanvankelijk op een eerbiedigen afstand. Af en toe sloop een
van hen naderbij, slingerde de uiteinden van eenige armen als zweepen
over den vreemdeling, maar trok zich weldra aarzelend terug, zoodra
de geweldige scharen of het steenharde rugpantser van de tegenpartij
zijn aandacht trokken. Langzamerhand verminderde de opgewondenheid
van de meeste bewoners van het bassin. Een der Achtarmen gaf den
strijd echter niet dadelijk op, maar deed nog vele pogingen om den
Kreeft ongemerkt te naderen. Ook hij kwam eindelijk, naar het scheen,
tot andere gedachten en nam een onverschillige houding aan. Toen
nu de Kreeft, hierop vertrouwend, zijn vroegere waakzaamheid liet
varen, werd hij onverhoeds aangegrepen en zoo stevig omstrengeld,
dat hij zich niet meer verweren kon. De beide kampioenen werden
echter onmiddellijk gescheiden door een oppasser, die getuige was
van den strijd.--Voordat een uur verloopen was, had de Achtarm
den Kreeft opnieuw gepakt en het pantser van het Schaaldier met de
kronkelingen zijner gespierde armen omstrengeld. Indien hij soms
zijn vijand op één plaats losliet, geschiedde dit slechts met het
doel om hem op een andere, beter gekozen plaats te vatten. Terwijl
de strijders zich als een kluwen woedende Slangen over den grond
wentelden en in de fijne grint, die de kampplaats bedekte, diepe
voren trokken, was er bijna niets van den Kreeft te zien: de Achtarm
omgaf hem geheel. Opeens echter keerde de kans; de Achtarm staakte
den strijd en snelde, tegen wil en dank zijn vijand medesleepend,
naar de overzijde van 't slagveld. Eén zijner armen, die dicht bij de
plaats van aanhechting aan den kop door den Kreeft gegrepen was, werd
door een der geweldige scharen zoo stevig saamgeknepen, dat hij reeds
doorgesneden scheen. Toch had er geen amputatie van dit lichaamsdeel
plaats; alsof het uit caoutchouc bestond, bood het weerstand aan de
vreeselijke drukking. Dit bleek vooral, toen de gepijnigde Octopus,
die her- en derwaarts zwom en snelle wendingen maakte om zijn vijand
van zich af te weren, dezen een paar malen tegen de steenen wanden
van het reservoir had geslingerd en hem eindelijk noopte zijn schaar
te openen. De Kreeft trok zich in een donkeren hoek terug; de Achtarm
hechtte zich aan een uitstekende rotspunt. Als naar gewoonte waren
zijne armen voortdurend in beweging; soms werden zij ineengekronkeld,
soms langzaam gestrekt en tastend in alle richtingen bewogen. Zelfs
de zoo vreeselijk geknepen arm bewoog zich. Een lichaamsdeel van een
Gewerveld Dier zou na zulk een behandeling verlamd zijn geweest. De
bloedsomloop van een Weekdier kan echter voortduren in deelen van
het vaatstelsel, die niet meer met het hart in gemeenschap staan. Na
weinige dagen was van de geleden schade bij den Achtarm geen spoor
meer waar te nemen.
"De beide kampioenen hadden echter geen vrede gesloten. Herhaaldelijk
moest de oppasser hen scheiden. Eens gelukte dit eerst, nadat de
Kreeft een zijner scharen had verloren. Om den invalide voor verdere
verminking te behoeden, werd hij overgebracht in een volgend bassin,
dat door een massieven cementmuur, die ongeveer 2 cM. boven den
waterspiegel uitsteekt, gescheiden is van de beide onderling in
gemeenschap staande ruimten, die het tooneel waren van den reeds
beschreven strijd.--De hoop, dat de Kreeft nu rust zou hebben, bleek
ijdel te zijn. Reeds op den dag der overbrenging klom een der Achtarmen
over den muur, viel onverwachts op zijn tegenstander aan en scheurde
hem na korten kamp letterlijk in tweeën. Ongeveer 40 seconden nadat
de overval begon, was het pleit beslecht en bekroonde de overwinnaar
zijn zege door het slachtoffer te verslinden.
"Ontegenzeggelijk getuigden de handelingen van den Achtarm van
veel overleg. Op indirecte wijze tot het besluit gekomen, dat
een voor hem onzichtbare prooi zich aan de andere zijde van den
scheidingsmuur bevindt, aarzelde hij niet dezen te overschrijden,
hoewel dit niet kon geschieden zonder voor een oogenblik het water
te verlaten.--Bovendien valt nog te vermelden, dat de hier bedoelde
Achtarmen sinds geruimen tijd in de beste verstandhouding leefden
met twee Kreeften en eenige Visschen, die gelijktijdig met hen in
het reservoir waren gebracht. Hieruit blijkt, dat geen roofzucht één
van hen tot het plegen van den moord had vervoerd, maar haat tegen
den indringer, die ongenood, een deel kwam nemen van de ruimte en
van het voedsel, die zij als hun uitsluitend eigendom hadden leeren
beschouwen. Dat dit hun drijfveer was, bleek uit de ontvangst, die
ten deel viel aan een anderen Achtarm, die later in hetzelfde bassin
werd gebracht; ook deze werd gedood en verslonden. Dat blinde haat
en moordlust geen kenmerkende eigenschappen van den Octopus zijn,
valt af te leiden uit de gehechtheid van hierboven bedoelde dieren
aan hun oppasser. Streelend omstrengelden zij zijne bloote armen en
namen hem omzichtig het voedsel uit de hand. Zonder boosheid te toonen,
speelden zij met hun verzorger, die de voor hun maal bestemde brokken
nu en dan plagend terugtrok."
Het geslacht Eledone verschilt van Octopus vooral door het bezit van
slechts één rij zuignappen op iederen arm. De meest gewone soort is
de Muscus-eledone (Eledone moschata), die haar romp willekeurig van
vorm kan doen veranderen, zoodat deze zakvormig, langwerpig, eivormig,
van achteren afgerond of spits, aan de oppervlakte glad of met wratten
bedekt kan zijn. De kleine, uitpuilende oogen kunnen geheel door de
oogleden bedekt worden en hebben een zeer veranderlijke iris. De
grijze grondkleur neemt nooit een rozeroode of andere roodachtige
tint aan. Symmetrische, zwartachtige vlekken en een blauwachtige
zoom aan het scherm, dat de armen verbindt, zijn verdere kenmerken
van deze soort, die haar naam dankt aan de muscuslucht, die van haar
uitgaat, ook wel bij andere soorten voorkomt, doch bij haar bijzonder
duidelijk is. Zij schijnt tot de Middellandsche Zee beperkt te zijn,
maar is hier aan alle kusten een zeer gewone verschijning. Het meest
vindt men haar op een slijkerigen bodem van 10 à 100 M. diepte, in
alle jaargetijden echter ook op zand- en grintgrond, minder dikwijls
op rotsen.--Ondanks hun muscuslucht worden deze dieren in menigte op
de markt gebracht om tot spijs te dienen.
Een derde, reeds in overouden tijd beroemden, herhaaldelijk beschreven
vorm van de Achtarmige Tweekieuwigen is de Papier-nautilus (Argonauta
argo). Alleen het wijfje is met de afgebeelde, fraaie en dunwandige
schelp uitgerust. Het veel kleinere mannetje bezit geen schelp. Beide
hebben een afgerond lichaam met kleinen kop en ver vooruitstekenden,
langen trechter; het wijfje kenmerkt zich door de vliezige verbreeding
van het bovenste paar armen en door een zeer fraaie, schitterende
kleur. De romp is van onderen en onder aan de zijden bruinachtig
met zilverglans en met een lichte weerschijn, die, al naar de
richting en de sterkte der invallende lichtstralen, blauwachtig,
grijsachtig of roodachtig is. Bovendien komen op deze van kleur
wisselende oppervlakte een groot aantal glinsterende stipjes voor,
sommige geel en kastanjebruin, andere rozerood; hoe sneller beweging,
hoe fraaier kleuren. De rug en het bovenste deel van de zijden zijn
met een fraaie, lichtgroene kleur getooid, die, vooral tegen den
avond, pistache-groen wordt. De zilverkleur van de onderdeelen breidt
zich in den vorm van strepen ook over de (overigens groenachtige)
bovenste gedeelten der zijden uit, zoodat beide kleuren hier met
elkander afwisselen. Dergelijke kleuren vertoonen de kop en de armen.
De sierlijke, papierdunne, hoogstens 20 cM. lange schelp van het
wijfje is naar verhouding rijk aan organische stof en daarom tamelijk
veerkrachtig, althans veel buigzamer dan de veel dunnere schelpen
van andere Weekdieren, b.v. van de Vinpootigen. Zij bevat slechts één
holte, geen door dwarsschotten gescheiden kamers, gelijk de schelp van
Nautilus welker spiraalwindingen in zooverre met de hare overeenkomen,
dat iedere omgang den vorigen geheel bedekt. In één opzicht verschilt
de Argonauta-schelp echter van iedere andere, n.l. doordat het dier
er op geenerlei wijze mede vergroeid is en een vorm vertoont, welke
in 't geheel niet overeenkomt met die van de holte, waarin het zich
ophoudt. Men meende daarom vroeger, dat deze schelp door een nog
onbekend Weekdier gevormd en na diens dood door den Papier-nautilus
in bezit genomen werd. Thans weet men, dat de vliezig verbreede armen
geschikt zijn voor de taak, die bij andere Weekdieren verricht wordt
door den mantel. Zij hebben een achterwaartsche richting en krommen
zich, naar onderen en naar voren, zoodat hunne vliezige lobben de
schelp aan weerszijden bedekken. Het dier kan deze woning verlaten
en eenigen tijd daarbuiten leven.
Men heeft de Papier-nautilus dikwijls afgebeeld in een houding,
die zij onmogelijk kan hebben; deze onjuiste voorstelling berust op
de reeds door Aristoteles verkondigde meening, dat het dier, aan
de oppervlakte van de zee drijvend, zijne beide vliezig verbreede
armen naar boven richt en als zeilen gebruikt. Waar is het, dat de
Papier-nautilus zich bij windstilte aan den waterspiegel ophoudt en
dan met de achterste armen zich voortroeit. Onder water zwemt dit dier,
dat vooral op de kust van Sicilië en in de golf van Tarente veelvuldig
voorkomt, door het uitspuiten van water uit den trechter.--9 andere
soorten bewonen de tropische zeeën.
De onderorde der Tienarmigen (Decapoda) omvat de van zuignappen
voorziene Cephalopoden, die, behalve 8 bewegingsorganen, welke met
die der Achtarmigen overeenstemmen, nog 2 sterk verlengde organen
bezitten, bestaande uit een gladden, langen steel en een aan diens
einde geplaatste, zuignappen dragende plaat of knots. In den regel
bevinden deze beide afwijkend gebouwde grijparmen zich in voor hen
bestemde scheeden, waarin zij grootendeels teruggetrokken kunnen
worden. Zij dienen niet als bewegings-, maar als grijporganen. Alle
Tienarmigen hebben aan de rugzijde een door de huid bedekte,
verkalkte of hoornachtige plaat. De meeste soorten leven in de open
zee en trekken slechts in sommige omstandigheden, tot groote scholen
vereenigd, naar de kustwateren. Om aan de vervolging door groote
Visschen te ontkomen, springen zij boven den waterspiegel uit en
stranden hierdoor dikwijls op booten of aan den oever. Daar zij door
uiterlijk en levenswijze zeer uiteenloopen, geven wij ook hier aan
afzonderlijke beschrijvingen de voorkeur boven een algemeen overzicht.
De leden van het geslacht der Dwerginktvisschen (Sepiola) onderscheiden
zich door een kort, afgerond lichaam met een half cirkelvormige vin
aan weerszijden van den romp. De rugplaat is hoornachtig en buigzaam,
slechts half zoo lang als het lichaam. De afgebeelde Sepiola Rondeleti,
die de geheele Middellandsche en Adriatische Zee bewoont, is een
van de kleinste Cephalopoden, daar exemplaren, welker totale lengte,
van het achtereinde tot aan den top der uitgestoken grijparmen, 16
cM. bedraagt, reeds tot de zeldzaamheden behooren. Het levende dier
levert wegens zijn teere, rozeroode kleur en groote doorschijnendheid
een bekoorlijk schouwspel op. Het zwemt door middel van de vinnen
op zeer sierlijke wijze, naar verkiezing vooruit en achteruit;
de grijparmen zijn dan gewoonlijk teruggetrokken en de kop is als
't ware tusschen de schouders gezeten.--
Een van de belangrijkste geslachten is dat der Inktvisschen
i.e.z. (Sepia), zoo genoemd naar het product van den inktzak en de
daaruit verkregen schildersverf; hun verkalkte rugplaat kwam vroeger
in alle apotheken voor onder den naam van os sepiae ("sepiabeen",
c) en wordt door de kustbewoners zeeschuim genoemd. De Inktvisschen
hebben een langwerpig, eivormig, eenigszins afgeplat lichaam, welks
romp geheel door een vin omzoomd is. De verst verbreide en talrijkst
vertegenwoordigde soort, de Gewone Inktvisch (Sepia officinalis),
is aan onze kust bekend onder den naam van Zeekat. Hare armen zijn
middelmatig lang; slechts de grijparmen zijn langer dan het lichaam;
hun zuignappen dragend uiteinde is lanspuntvormig. Aan de platte,
ovale rugschelp, die met het smalste, afgeronde uiteinde naar den
kop is gericht, zijn drie lagen te onderscheiden: de buitenste,
een dunne, stevige kalkplaat, heeft een segrijnachtige, (met fijne
knobbeltjes bezette) oppervlakte; de middelste laag is een dunne,
hoornachtige plaat; de grootste ruimte wordt echter ingenomen door
de derde laag, die uit zeer talrijke schuins naar bovengerichte,
sponsachtige kalkplaatjes bestaat en, fijngewreven als tandpoeder en
als polijstmiddel dienst doet.
In den toestand van rust is de hoofdkleur van de iriseerende rugzijde
geelachtig rozerood, met witte vlekken langs de middellijn. De
kop is een weinig donkerder van kleur; de oogen zijn blauwachtig;
de witte vlekken der groenachtige armen verschillen in aantal en
wijze van rangschikking op ieder paar. Ten teeken van opgewondenheid
verschijnen op den rug een menigte onregelmatige knobbels van fraaie,
donker kastanjebruine kleur, met roodachtigen, aan koper herinnerenden
metaalglans. De kop en de armen schitteren intusschen met groenachtige
nuancen; de zilverglanzige oogbol weerspiegelt rozeroode, blauwe en
groene tinten; terwijl de vroeger witte vlekken op de armen de kleur
van rood koper aannemen. Bij alle Cephalopoden, en niet het minst
bij de Sepia's, brengen gemoedsaandoeningen groote veranderingen in
de uitdrukking der oogen teweeg. Deze hebben een zeer eigenaardig
uitzicht. Door de zeer smalle pupil, die ongeveer den vorm van
de Grieksche letter omega heeft, ziet men het donkerzwarte
vaatvlies. Van den bovenrand der oogkas gaat een huidplooi uit, die
kleurstofcellen bevat en als een bovenste ooglid tot op het middelste
gedeelte van de pupil over den oogbol heenhangt.
Zeekatten van gemiddeld 15 cM. lengte ziet men veelvuldig in de
nabijheid van de kust, het meest op kleiachtige en zandige gronden;
op zulke plaatsen worden zij in groote sleepnetten gevangen. In 't
voorjaar maakt men als lokmiddel dikwijls gebruik van een wijfje, dat
aan een touw vastzit. Het zwemmend of op den grond liggend mannetje
zal, zoodra een wijfje in zijn nabijheid verschijnt, pijlsnel op haar
toeschieten en haar met de armen omklemmen. De visscher trekt het paar
voorzichtig naar zich toe, vangt het onder water in een schepnet,
behoudt het mannetje en laat het wijfje opnieuw te water. Het best
gelukt deze jacht bij maanlicht. Geheel op dezelfde wijze heeft de
vangst plaats met behulp van een stuk hout, dat den vorm heeft van
een Sepia en met stukjes spiegelglas behangen is.
De Inktvisschen geraken in de groote waterbakken van het aquarium
te Napels zeer spoedig gewoon aan hun nieuwe omgeving. Wanneer de
oppasser aan het publiek wil laten zien, dat deze dieren door het
rijkelijk uitwerpen van inkt hun ontevredenheid toonen, moet hij
hen op onzachte wijze met een stok aanraken. Zij houden niet van
beweging; even als de Achtarmen, zoeken zij hun buit niet zwemmend
op, maar loerend van uit een hinderlaag. Op soortgelijke wijze en
met hetzelfde doel als de Schollen en Roggen bedekken zij zich met
zand en steentjes, die zij met de vinnen opwerpen. Te gelijkertijd
verschijnen groenachtige en grijze vlekken op den rug, welks kleur nu
zoo uitmuntend overeenstemt met die der omgeving, dat zoowel menschen
als dieren er door bedrogen worden en den Inktvisch eerst opmerken,
wanneer hij plotseling op zijn slachtoffer toeschiet.--
Een ander belangrijk geslacht is dat der Kalmars of Pijlinktvisschen
(Loligo), zoo genoemd, omdat het achterste deel van den
cilindervormigen, van achteren toegespitsten romp door de vinnen, die
op den rug samenkomen, meestal den vorm van een gevleugelde pijlspits
heeft. De naam Calamaro, dien men in Italië aan deze dieren geeft,
wordt afgeleid van 't nieuw-Latijnsche woord calamarium, dat een koker
met schrijfgereedschap aanduidt; het doelt op het rolronde lichaam,
dat een pen (de vedervormige, buigzame, hoornachtige rugplaat) en inkt
(in den inktzak) bevat. Bij den Gewonen Pijlinktvisch (Loligo vulgaris)
vormen de vinnen te zamen een rhomboïd, dat zich over 2/3 van den
romp uitstrekt. De langste armen zijn die van het eerste paar; naar
de lengte gerangschikt, volgen dan die van het 4e, 2e en 3e paar. De
hierbij niet medegerekende grijparmen zijn 1½ maal zoo lang als het
lichaam; hunne knotsvormig verdikte en verbreede uiteinden dragen 4
reeksen van zeer ongelijke zuignappen. Een in 't oog vallend kenmerk
van dit dier zijn de zeer sterk uitkomende karmijnroode tinten.
Zeer algemeen ontmoet men deze soort van Pijlinktvisschen in de
Middellandsche Zee en in den Atlantischen Oceaan, vooral in den herfst,
wijl zij dan, tot groote scholen vereenigd, rondzwerven. Soms komen
zij in groote menigte in de netten, die voor de Tonijnen-vangst
dienen. Het geheele jaar door worden zij van slijkerige en zandige
gronden met het treknet opgehaald, het talrijkst bij volle maan. Hun
beweging staat in verband met die der scholen van kleine Visschen,
waarmede zij zich voeden. Niet zelden wordt de Kalmar 10 KG. zwaar;
nu en dan vindt men nog grootere exemplaren (in den regel dood en
op het strand): een van deze had een rugplaat van 75 cM. Gemiddeld
bedraagt de lengte van het geheele dier (zonder de grijparmen) niet
meer dan 20 cM.; de wijfjes worden iets grooter dan de mannetjes. De
middelmatig groote Pijlinktvisschen zijn wegens hun fijneren smaak
en malscher vleesch meer gezocht dan de Sepia's en de meeste andere
op de markt komende Cephalopoden.
Ook den Gewonen Pijlinktvisch zal men geregeld in het aquarium te
Napels aantreffen, ofschoon hij het hier niet lang uithoudt. Als
bewoner van de open zee gedraagt hij zich geheel anders dan zijne
reeds genoemde in een hinderlaag loerende verwanten. Op sierlijke
wijze roeit hij zich voort met de op vleugels gelijkende vinnen: bij
het achteruitzwemmen helpt hem de schok van het door den trechter
uitgeperste water. Hij vermijdt zorgvuldig elke aanraking met de
wanden van den bak; de geheele school verandert bijna in 't zelfde
oogenblik van richting.--
Bij verscheidene door vorm en levenswijze op de Pijlinktvisschen
gelijkende geslachten, die men Hakenkalmars kan noemen, zijn de armen,
behalve met zuignappen, ook nog met hoornachtige haken gewapend. Deze
komen bij het soortenrijke geslacht Onychoteuthis alleen aan de
grijparmen voor.
Aan de rugplaat van de Zeekat (fig. c) kan men (boven *), behalve
de eigenlijke plaat ook nog een veel kleiner en harder, zeer licht
afbrekend deel (de snavel of stekel) onderscheiden, dat aan vele op het
strand liggende schelpen van deze Sepia niet meer voorkomt. Het voorste
deel van den stekel is aan de binnenzijde uitgehold en bevat het nietig
kleine beginsel van een zeer flauw gekromde, gekamerde schelp. Dit deel
nu is duidelijk ontwikkeld bij de zoogenaamde Posthoorntjes (Spirula),
waarvan 3 soorten bekend zijn, die de zeeën van den keerkringsgordel
bewonen (in grooten getale worden hunne schelpjes o.a. op de kust van
Nieuw-Zeeland gevonden). Spirula fragilis bewoont den Atlantischen
Oceaan en de Moluksche Zee. Uit den aan 't achtereind gespleten
mantel van het langwerpig rolronde dier komt de hierboven afgebeelde,
spiraalsgewijs gewonden schelp (die geheel uit parelmoer bestaat)
gedeeltelijk te voorschijn. De omgangen liggen in één vlak, raken
elkander niet en zijn cirkelrond op de doorsnede. De schelp is door van
achteren bolle tusschenschotten in een groot aantal kamertjes verdeeld,
die naar voren allengs wijder worden. In de voorste of laatst gevormde
kamer is een deel van den ingewandenzak opgenomen: de overige kamers
zijn met lucht gevuld. Aan de holle zijde van de omgangen zijn alle
dwarsschotten van een opening voorzien, waarin een tamelijk wijde buis
(sipho) voorkomt, die zich door alle kamers uitstrekt.
Alle drie deelen van de inwendige schelp (plaat, stekel en gekamerde
schelp) waren goed ontwikkeld bij de Belemnieten, die van de aanvang
der lias-formatie tot in het begin van het tertiaire tijdvak
leefden. Vooral in de oudste krijtlagen treft men hunne stekels
(bekend onder den naam van "dondersteenen" of "duivelsvingers") in
overgroot aantal aan. Sommige hebben 0.6 à 0.8 M. lengte, waaruit
valt af te leiden, dat hunne bezitters in 't geheel 2 à 2.5 cM. lang
waren. Men kent ongeveer 350 soorten van deze fossielen.
De voortplanting van de Tweekieuwige Koppootigen kunnen wij nu in
't algemeen bespreken. Eerst in deze eeuw heeft men ontdekt, dat het
voornaamste onderscheid tusschen het mannetje en het wijfje bestaat
in den afwijkenden bouw van een der armen. Dit verschil is van meer
belang, dan sommige andere sexueele eigenaardigheden, b.v. de witte
streep op de vinnen, waaraan het mannetje van Sepia kenbaar is, de
grootere lengte van het lichaam bij het wijfje der Loliginen, enz. Bij
Argonauta is de 3e arm links, bij Octopus de 3e arm rechts, bij Sepia
en Loligo de 4e arm links, zooals men het noemt, "gehectocotyliseerd";
de gewijzigde arm doet bij de paring dienst.
De eieren zijn gewoonlijk ieder afzonderlijk, of verscheidene
tegelijk, omhuld door een kapsel of schaal; door de stof, waaruit deze
hulsels bestaan, zijn zij tevens onderling verbonden tot trossen,
snoeren, bundels, enz. De Sepia bevestigt hare zwarte eikapsels,
ieder afzonderlijk, of bij groepen, aan polypenstokken, algen,
zeegras, stukken hout of in 't water drijvende takken. Terwijl het
eierenleggende dier deze voorwerpen met de armen omvat, wordt het
uiteinde van den kapselsteel in nog weeken toestand er omheen gelegd,
zoodat het een ring vormt. De eikapsels van Loligo zijn lange buizen,
die ieder 30 à 40, op 3 of 4 rijen geplaatste eieren bevatten; zij
worden in grooten getale aan een onderzeesch voorwerp vastgehecht,
zoodat zij er in alle richtingen van uitstralen; een enkele eierenhoop
bevat soms 40000 eieren.