Het waren dagen van onvermengde zaligheid en geluk, die nu voor Iwan en
Corona aanbraken; zij namen hun liefdesroman op, van de plaats, waar
zij dien neergelegd hadden. Vluchtig gingen zij over het oogenblik
heen, toen het verhaal zoo plotseling afgebroken was; het geluk was de
beste geneesheer voor Corona, zij wilde sterk worden, zij wilde Iwan
iets beters gunnen dan een gebrekkige vrouw en zoo ging haar gezondheid
snel vooruit.
Zelfs haar arm leerde zij gebruiken, daar hij het verlangde; Iwan
waardeerde nu ook beter haar liefde, hij zelf was wijzer geworden en
begreep dat haar karakter, hoe ook veranderd, geleid moest worden door
zachtheid en geduld; Hermelijn had er den weg toe gevonden, hij wilde
haar werk in alle opzichten voortzetten en besloot in de eerste plaats
te trachten werkelijk haar meerdere te worden om voortdurend niet
alleen haar liefde maar ook haar achting waardig te blijven.
Zoo gingen zij het huwelijk tegemoet, als menschen, die de lessen van
de hardste leermeesteres, de smart, ontvangen hebben en er hun voordeel
mee wisten te doen; zij hadden geleerd dat, daar waar de natuurlijke
neiging van het hart te kort schiet om het goede te verrichten, de stem
van den plicht moet gehoorzaamd worden, die den rechten weg aanduidt;
zij zochten het geluk van elkander op ieders wijze te bevorderen; zij,
door naar hem op te zien als naar een veiligen leidsman, hij, door dat
vertrouwen te blijven verdienen.
Zijn vroolijkheid vulde aan wat aan de hare ontbrak; haar geluk toch
werd getemperd door de herinnering aan het verledene; de gelukkige
tijden van haar eerste engagement herleefden telkens in haar geest; zij
dacht aan haar vader, aan de arme Dolly, aan haar zwakheid tegenover
Iteko; hij daarentegen voelde zich trotsch op de overwinning, die hij
op zichzelf had behaald, toen hij haar vergaf en vertrouwde op de
toekomst, die nog zooveel herstellen kon.
»Maar vertel me nu iets over je wedervaren in dien tijd,” zoo verzocht
hem Corona eens, terwijl Hermelijn hen gezelschap hield aan de
theetafel, »heeft niemand mijn plaats bij je bekleed?”
»Wel stellig, ik ben geëngageerd geweest, Hermelijn had bijna gelijk:
het scheelde maar een haar of ik zou nu getrouwd zijn. Zal ik je de
geschiedenis vertellen?”
Op Corona’s voorhoofd dreef een wolkje, maar zij knikte van »ja.”
»Nu dan, ik kwam in mijn Hollandsch huis terug, zooals mijn goede
pleegmoeder Kaatje zeide »vleugellam.” Ik had genoeg van alles, ik had
in niets moed.”
»Evenals ik!” fluisterde Corona.
»Ik moest toch een besluit nemen en toen dacht ik: Mijn leven lang deed
ik alles, waarin ik lust had, nu ga ik voortaan doen, wat mij volstrekt
niet aantrekt, dat is iets nieuws, misschien zal me dat genezen. En zoo
besloot ik dan Limburgsche boer te worden en te trouwen met een meisje,
dat klein, blond, zacht en onbeduidend was.”
»Je ideaal!”
»Het tegenbeeld! Ik vond ze spoedig, zij was weinig meer dan een
boerenmeisje, het deerde me niet, ik vroeg haar ten huwelijk en
denzelfden dag verscheurde ik met betraande oogen zeker portret.”
»Corona,” fluisterde hij haar toe, »als je wist hoe hard ’t mij viel
ook van je beeld te scheiden,” en hardop ging hij voort, »we waren
verloofd tot groote verwondering van iedereen, Mimi...”
»Heette ze Mimi?”
»Ja, Mimi werd benijd. Waarom, mag de hemel weten; ik begrijp niet, wat
voor aantrekkelijks schuilen kan in de hoop op een hart, dat aan een
ander toebehoort; ik had haar mijn liefde niet verklaard, alleen
gevraagd of ze mijn vrouw wilde worden; het kind was en bleef bang voor
mij en ik gevoelde mij in haar tegenwoordigheid zoo diep ongelukkig,
zoo neergeslagen als nooit te voren, ik geloof dat de zes weken van ons
engagement dubbel rekenen in mijn leven. Ik dacht slechts aan mijn
Corona terwijl ik Mimi liefkoosde.”
»Zoo zou ’t mij ook gegaan zijn als ik met Alain de Géran geëngageerd
was geraakt.”
»In dien tusschentijd stierf mijn vader; hij was dood in zijn stoel
gevonden en zijn zaken verkeerden in een allertreurigsten toestand; de
man was jaren lang om den tuin geleid door bedriegers van allerlei
aard; ik had genoeg te doen om in dien chaos eenig licht te brengen en
daardoor raakten mijn toekomstplannen op den achtergrond. Ik merkte
spoedig dat Mimi niet tevreden was, dat haar illusiën niet vervuld
werden; ik had mij gevleid dat zij mijn persoon lief had, die zoete
hoop werd aan mijn ijdelheid spoedig ontnomen. Mimi had het
alleraardigst gevonden, mevrouw Thoren van Hagen te worden, omdat het
zoo deftig klonk en ze mooie japonnen zou kunnen dragen en dat men uren
in het rond zou gaan spreken van het wit satijnen bruidstoilet van de
meestersdochter, den man wilde zij er wel op den koop toe bij nemen.
Gelukkig toen de keten mij ondragelijk zwaar werd, kwam ik tot de
erkenning dat hij ook haar hevig drukte. Een kleinigheid bracht de
uitbarsting teweeg, of liever de oplossing, een kalme, vreedzame
oplossing die mij een schier ondragelijk juk van de schouders nam. Ik
had in de laatste nachten niet meer geslapen, ’t was mij of ik vluchten
moest ver van daar, en zoo mijn eerewoord tegenover een onervaren kind
mij niet gebonden had, wie weet welk besluit ik genomen had. Nu was ik
vrij, maar weer even eenzaam, even doelloos als voorheen; het boeren
trok mij volstrekt niet aan en ik maakte plannen om weer de wereld in
te trekken, Europa voorgoed te verlaten...”
»En nu?”
»Nu is het aan mijn bruid om te beslissen; ik ben Goddank niet vrij
meer, ik leg mijn leven in Corona’s handen.”
»Iwan, ga met me mee naar Indië, help mij, in mijn vaders geest voort
te leven, zijn plannen voort te zetten, orde te brengen in die
verwarring.”
»Ik zal je eerste minister zijn, Corona, meer niet!”
»Wat ben ik blij om Conrad!” juichte Hermelijn, »de arme jongen staat
nagenoeg alleen. Nu krijgt hij zeker een steun en een goeden ook!”
»En papa, die je reeds zoo lief had, verheugt er zich over,” zeide
Corona diep ontroerd, »ik zal mijn best doen, spoedig sterk te worden,
opdat ge je niet te veel over je vrouw behoeft te schamen, Iwan!”
»Die moed heeft, het nog eenmaal te wagen met zulk een windwijzer als
ik ben geweest.... naar ik hoop! Maar eerst moet je meer van Europa
zien, Corona, we gaan naar Italië en Zwitserland en dan volgen we zusje
Hermelijn naar huis!”
Het was een stille plechtigheid, die van Iwan en Corona’s huwelijk. De
bruid scheen nog zwak en leunde geheel op den sterken arm van haar
bruidegom; zij droeg een eenvoudig maar smaakvol toilet van zwart kant,
door geen diamant opgesierd; slechts een enkel takje natuurlijke
oranjebloesems had Iwan op haar kleed gestoken; haar rechterhand kon
moeilijk haar naam teekenen, toch stond zij er op, die te gebruiken.
Iwan begreep waarom.
In haar oogen blonk de glans van een rein, edel geluk en hij zag met
trots en zelfvoldoening neer op de schoone bruid, die hij na zooveel
strijd en smart eindelijk gewonnen had.
»Iwan’s oogen lachen den geheelen dag,” zeide Hermelijn, die hen in het
hotel bij een eenvoudig déjeuner opwachtte, maar ook haar geheele wezen
lachte van vreugde bij het vooruitzicht dat zij reeds morgen Holland
ging verlaten.
»Mijn taak is volbracht, ik ga gerust heen,” zeide zij bij het afscheid
nemen, »tot wederziens!”
Het afscheid viel echter ook haar zwaarder dan zij dacht. Corona kon
zich slechts met moeite van haar lieve, bezorgde gezellin wegrukken;
gelukkig dat zij in haar man een troost vond, die tegen alle andere
ruim opwoog.
Hermelijn vertrok met de Fransche mail, zij kwam met haar Leni en de
bedienden behouden in Singapore aan; groot was haar verrassing toen zij
geheel onverwacht Conrad voor zich zag staan.
Hij had zijn ongeduld naar vrouw en kind niet langer kunnen bedwingen,
en was hun tegemoet gereisd.
Hermelijn vergeleek deze ontmoeting met haar eerste aankomst en dankte
God in stilte dat de omstandigheden zulk een loop hadden genomen, en
zij, de eenzame weeze van voorheen, thans een beminde vrouw, een
gelukkige moeder, een hooggewaardeerde bloedverwante was geworden.
Hermelijn werd niet moede van het vertellen harer lotgevallen en
ondervroeg tegelijkertijd haar man naar alles, wat in Ngaroengan was
voorgevallen.
De wanorde was hoe langer hoe grooter geworden, de familie August was
een troep wilden gelijk, de kinderen van Guillaume, ook geheel aan
zichzelf overgelaten, niets minder, de zwakke vader ging zich hoe
langer hoe meer te buiten aan spel en drank, en ook Toetie’s gedrag was
lang niet onberispelijk; Akkeveen’s engagement scheen af, hij maakte
het zijn zwagers met wie hij thans ook gebrouilleerd was, lastiger dan
ooit.
Margot wilde trouwen met een piepjong ambtenaartje.
»Ik geloof dat hij je reisgenoot was, Hermelijn,” sprak Conrad, »heet
hij niet Simons?”
»Juist, een goedig ventje, maar geen man voor onze Margot!”
»Er is niets aan te doen, het kind luistert naar niemand. Philip is bij
Guillaume in de leer, ik vrees voor hem. Portias en Kitty zijn naar
Batavia gevlucht en leven daar recht gelukkig en tevreden, blijde uit
de wildernis ontsnapt te zijn. Er is niets meer over van de orde, die
er vroeger bij ons in de kolonie heerschte; alles wordt verdeeld onder
eindeloos gekibbel. Ik verlang er naar dat Iwan en Corona komen, je
begrijpt hoe de tijding van hun verzoening en huwelijk ze allen te leur
stelde.”
»En kreeg je vrouw de schuld niet, dat zij alles in orde of liever in
de war had gebracht?”
»Niemand durfde het zeggen in mijn bijzijn, maar dat ze je de schuld
geven is wel te begrijpen. Zij hadden nooit gedacht dat Corona zou
herstellen.”
»En ze vergeven het mij niet, dat zij nu weer sterk wordt als vroeger
en werpen de schuld daarvan op mij. Ik ben er trotsch op, Coen, en
jij?”
»Ik ben blij dat ik je beidjes terug heb. Wat ik je toch miste!”
»Meer dan vroeger toen je mij te Samarang zoo officieel vroeg hoe ik ’t
maakte.”
»Deugniet! Praat daar niet over, onze Leni mocht het eens verstaan!”
»Je hebt gelijk, zij behoeft niet te weten wat een ondeugend jongetje
haar nu zoo geëerbiedigde papa is geweest.”
Op Batavia werden zij door Kitty en Portias afgehaald om bij hen te
logeeren; Portias leefde tegenwoordig geheel in zijn element en
verzekerde dat hij nu eerst op orkest-toon was gestemd; Kitty had
slechts oog en oor voor kleine Leni, wat haar niet belette met aandacht
te luisteren naar het omstandige verhaal van Corona’s huwelijk.
Na eenige aangename dagen te hebben doorgebracht, werd het vertrek naar
Samarang vastgesteld; Hermelijn had te Batavia ook mevrouw van Diteren
bezocht, die eindelijk de treurige tijding ontvangen had door een
toeval; Hermelijn’s tegenwoordigheid was de eerste afleiding, die zij
in haar smart wilde erkennen; haar hart was vol bitterheid jegens haar
echtgenoot. Zelf wijzer geworden door de ondervinding, trachtte
Hermelijn haar tot kalmte en onderwerping aan te sporen in plaats van
haar zooals vroeger tot verzet te prikkelen.
Het was een sombere, regenachtige avond toen Conrad, Hermelijn en hun
dochtertje hunne woning in het gebergte naderden; een intocht geheel
verschillende van haar vorige. Nergens vuurwerk, nergens vreugdevuren,
muziek of dansen, maar in hunne harten was het des te lichter. In hun
oogen blonk een vuur, dat niet afhankelijk was van uiterlijke dingen om
te glinsteren en koesterende warmte rondom zich te verspreiden en
beider zielen vervulde een gevoel, dat niets gemeen had met de onrust,
den wrok en de vrees, die noch muziek, noch licht glansen, op dien
gedenkwaardigen avond konden verjagen.
Met hun kind op de knieën, en het bewustzijn in ’t hart veel meer te
hebben gedaan dan hun plicht, voelden Conrad en Hermelijn zich sterk
door hun liefde, vol vertrouwen op de toekomst, hoe die ook zijn mocht;
moedig gingen zij op nieuw het leven in, gelukkig door het denkbeeld
dat slechts de dood hen voortaan zou kunnen scheiden.