Den volgenden dag verscheen Iwan niet meer op het ijs. Het dooiweer
viel overigens in en Hermelijn borg glimlachend haar pas gekochte
schaatsjes weg.
»Dat je hem zijn adres niet vroeg!” zeide Corona, »zou hij met haar
hier wezen?”
»Ik geloof het niet, hij sprak er alleen van dat hij voor zaken in
Amsterdam was.”
»En weet hij dat we hier gelogeerd zijn?”
»Ook niet. Je begrijpt dat ik het niet uit mij zelf zeide. Ik had
genoeg te vertellen, ik moest hem nog antwoorden op den brief, dien hij
me toen geschreven heeft.”
»Ja, ik herinner ’t me. Heb je hem alles verhaald?”
»Zoo kort mogelijk en hij zeide dat de uitbarsting één goed gevolg ten
minste had gehad, daar dat insect er door vernietigd was.”
»Och, het insect had zooveel leed niet kunnen veroorzaken, als zij meer
tegenstand had ontmoet. Er zal dus geen kans zijn om hem hier te
bereiken. Weet je zijn adres in Limburg? Dan kan ik hem daarheen
schrijven.”
»Zeker, weet ik dat, maar zou je het kunnen doen?”
»Ik zal ’t beproeven met mijn linkerhand. Voor hem kan ik alles doen,
dat weet je!”
»En daarom moet je nu beginnen je te oefenen. Je ziet dat ik gelijk
had, alleen de wil ontbrak je.”
Gehoorzaam als een kind liet Corona zich thans leiden; aan Hermelijn’s
arm ging zij de kamer op en neer, zij moest zich langzaam oefenen,
eerst ging het voetje voor voetje maar allengs werd het beter; zij
begon er zich over te verheugen dat zij niet meer zoo afhankelijk was
en wanneer Hermelijn met haar kindje bezig was, nam zij den steun aan
van de kamenier, die haar schoonzuster in de laatste dagen bijstond.
Spoedig voelde zij lust om in de gangen van het hotel op stille uren
heen en weer te gaan; den tweeden dag na haar eerste proef, wandelde
zij daar ook weer toen een der deuren plotseling geopend werd en een
heer in vlugge beweging haar tegemoet kwam en bijna tegen haar
aanstiet.
Even zagen zij elkaar aan; zij ware in elkaar gezakt als zij niet op
den arm der dienstbode geleund had; hij bracht even de hand aan den
hoed en ging haar voorbij zonder blik, zonder verderen groet als zag
hij in haar een wildvreemde.
»De juffrouw is nog erg zenuwachtig en opschrikkerig,” zei het meisje,
»maar u moet er zich aan wennen, dat er heeren onverwacht uit de kamers
komen.”
»Breng mij terug naar de kamer van mevrouw,” zeide Corona nog steeds
bevend, »voor vandaag heb ik me genoeg vermoeid.”
En bij Hermelijn gekomen, zeide ze dadelijk toen zij alleen waren:
»Ik heb hem gezien!”
»Waar?”
»Hier in de gang; me dunkt dat hij hier logeert.”
»En hij heeft je herkend?”
»Hij groette me zooals hij ’t elk ander had gedaan. Ik ben voor hem ook
niets meer dan de vrouw, die hem heeft beleedigd. Zou het mogelijk
wezen, dat wij onder een dak woonden?”
Hermelijn schelde.
»’t Is gemakkelijk te onderzoeken, ik zal het vreemdelingenboek laten
komen.”
Inderdaad kwam daarin de naam voor van Thoren van Hagen, die er reeds
eenige dagen logeerde.
»Geef me pen, papier en inkt,” verzocht Corona, »ik zal mijn best doen
te schrijven.”
Haar rechterarm weigerde echter nog allen dienst en zij schreef met de
linkerhand; telkens verscheurde zij het blaadje.
»Ik wist niet dat het zoo moeilijk was,” zuchtte zij, »ik kan den waren
toon niet treffen.”
»En ik kan je niet helpen, al wilde ik ook,” sprak Hermelijn.
Eindelijk had zij iets neergekrabbeld in groote, wankelende letters
geheel verschillend van haar vroeger fraai, duidelijk, bijna mannelijk
schrift.
»Iwan,” stond er, »ik schrijf u met mijn linkerhand, de rechter, die u
zoo beleedigde is zwaar gestraft voor haar misdrijf. Gij hadt dien
morgen ten volle gelijk, ik heb het geleerd tot mijn ongeluk. Kunt ge
mij vergeven?
»Ik zou willen dat ge mij toestondt voor u en uw vrouw een oprechte,
trouwe vriendin te zijn.
Corona.”
»Hermelijn,” vroeg ze thans, »wilt ge mij nog een dienst bewijzen, den
laatsten voor ge mij verlaat?”
»Je weet, daarvoor ben ik hier,” antwoordde zij op haar gewone luchtige
en toch hartelijke manier.
»Breng Iwan persoonlijk den brief, en als hij onverzoenlijk mocht
blijven, zeg dan een woord te mijner gunste.”
»Ik zal er voor zorgen, Corona, en neem nu wat rust. Je bent
overspannen.”
»Als ik zijn antwoord heb, dan zal ik rusten, eerder niet.”
Hermelijn kleedde haar Leni aan en zond toen een boodschap aan den
portier om aan mijnheer Thoren van Hagen te zeggen dat zij hem in den
loop van den dag wenschte te spreken.
»Waar zal ik hem ontvangen?” vroeg zij Corona.
»Hier naast in het salon. Ik blijf hier.”
»Om alles af te luisteren.”
»Meen je dat ik stil zou kunnen wachten terwijl mijn toekomstige
zielsvrede beslist wordt?”
De portier liet zeggen, dat mijnheer uit was gegaan, doch zoodra hij
terug was, zou hij de boodschap overbrengen.
Eenige uren verliepen, die Corona in de grootste spanning doorbracht.
»Je ziet toch,” zeide zij aan haar zuster, »hoeveel mij aan zijn
vergeving alleen gelegen is, nu zelfs, nu het geheel onmogelijk is iets
meer te hopen.”
Eindelijk werd er gewaarschuwd, dat mijnheer Thoren van Hagen dadelijk
zou komen; Corona ging in de slaapkamer terug en Hermelijn wachtte met
haar kind op den arm den bezoeker af.
Met zijn gewone losheid van beweging trad Iwan binnen.
»Ik wist niet, dat je hier logeerde, Hermelijn,” zoo begon hij, »anders
had ik je stellig een bezoek gebracht. Is dat je kleine, een
allerliefst ding, precies Conrad.”
Hij nam Leni in de armen en was dadelijk op een goeden voet met haar;
niets geschikter bij gesprekken, die moeilijk te beginnen en nog
moeilijker vol te houden zijn dan een kind, dat altijd gelegenheid
geeft tot het vullen der onvermijdelijke gapingen in het onderhoud en
aanleiding wordt tot het maken van opmerkingen en zelfs tot het
loslaten van eenige scherts, maar vooral tot het uitstellen van het
beslissende woord.
»Een aardig diertje, niets eenkennig.”
»Anders is ze het wel. Vind je werkelijk dat ze op haar vader gelijkt?”
»Sprekend, een echte kleine Géran!”
»Een mooi compliment.”
»Zeker, ’t is een knap volk; die arme Dolly, wat heeft het bericht van
haar dood me getroffen.”
»En Akkeveen is reeds geëngageerd.”
»Meer te begrijpen dan te prijzen, in hem althans. Heb je niet veel
last van haar op reis gehad?”
»’t Schikt nog al; zij was zoo erg lastig niet, Corona overigens nog
minder, ondanks haar hulpeloosheid, och! ’t is me erg meegevallen, ik
zag er zoo tegen op.”
»Weinigen zouden het je hebben nagedaan!”
»Dat geloof ik toch wel, er was niets anders op. Geef me de kleine,
Iwan, ik zal haar aan de baboe toevertrouwen.
»Waarom, ze hindert mij niet.”
»Maar mij wel, je begrijpt toch, dat ik je niet heb laten roepen om
voor speelkameraad van nonnie Leni dienst te doen.”
Iwan lachte maar het ging hem niet van harte; Hermelijn bemerkte
duidelijk dat hij ondanks al zijn pogingen om een tegenovergestelden
indruk te maken iets gedwongens had in zijn geheele optreden, dat hem
anders geheel vreemd was.
Hermelijn riep de baboe en zond haar dochtertje de kamer uit en zette
zich toen tegenover Iwan neer.
»Nu mijn opdracht,” zoo begon zij.
»Dat klinkt plechtig,” zeide hij spottend.
»Wist je waarlijk niet, dat wij hier logeerden voor dat je mijn
boodschap ontving? Heb je haar niet gezien van morgen?”
»Wie, die ziekelijke dame in de gang? Was zij dat? Werkelijk,
Hermelijn, ik herkende haar niet, want ik zag haar niet aan.”
»Zij verzocht mij je dit briefje te geven.”
Zijn sterke handen beefden zichtbaar toen hij het toegevouwen papier
aannam en op de misvormde letters staarde; zijn wenkbrauwen fronsten
zich terwijl hij las en nog eens las; een spottende glimlach speelde
even om zijn lippen maar verdween dadelijk weer.
’t Was Hermelijn of zij het kloppen van Corona’s hart en polsen in de
aangrenzende kamer hoorde, zoo geheel dacht zij zich in haar toestand.
»Ik kan ’t niet,” zeide hij met doffe stem en stond op, »ik kan ’t nog
niet vergeten.”
»En ook niet vergeven, Iwan?”
»Dat is hetzelfde. Je begrijpt niet, Hermine, wat ze voor mij geweest
is. Toen ik in Indië aankwam, had ik geleefd alleen voor mijn genoegen;
ik zocht nieuwe indrukken, altijd nieuwe indrukken, daar ontving ik er
een, den machtigsten, die me ooit gewerd. Ik zag haar staan als de
koningin van den nacht, of wat zij mij al te binnen bracht toen ze daar
stond tusschen de bloemen en het licht om je te ontvangen. Van dat
oogenblik kende ik maar één levensdoel; zij moest me leeren beminnen.
Ge herinnert je, hoe alles zich heeft toegedragen, zij kreeg me lief,
te lief meende ik dikwijls. Ik was bevreesd die groote liefde niet
waardig te blijven en daarom moest ik mijzelf beter maken; daar liefde
alleen mijn ziel niet kon vervullen, wilde ik mijn arbeid aan haar
dienstbaar maken. Toen zag ik eerst wat mijn leven kon worden, met en
door haar, toen leerde ik haar eerst beminnen, zooals zij bemind moet
worden, niet met een blinde, afgodische vereering, maar met een liefde,
die steunt, die raadt, die onveranderlijk blijft, ik moest mijzelf
beter maken om haar meerdere te blijven en eindelijk zag ik de toekomst
hoopvol in. Ik voelde dat ik niet meer alleen was, dat ik met mijn
schoone vrouw een vader, een gezin zou terug vinden, ik was zoo
gelukkig totdat die brief alles vernietigde.”
»Vreeselijk!”
»Wel vreeselijk! Maar het vreeselijkste volgde, ik beminde Corona met
al haar gebreken, ik zou haar de onkiesche daad, waarvan je, zoo ’t
heette, haar beschuldigdet, gaarne vergeven, maar ik moest een waarborg
hebben voor de toekomst. Zij koos tusschen mij en haar booze
raadgeefster. Je weet op welke wijze.”
Hij drukte de hand op zijn gelaat als wilde hij den gloed van het
schandmerk verkoelen.
»Zij heeft bitter gedwaald, maar nog bitterder gerouwd. Zij is zoo
veranderd, Iwan, zij is dezelfde niet meer!”
»Omdat zij zwak, en ziekelijk, en hulpeloos is? Denk je dat ik eenige
waarde aan zulke bekeeringen hecht?”
»Haar geest is veranderd, haar karakter is gesterkt. Wie kan er beter
over oordeelen dan ik, die dag en nacht met haar ben? Eén ding
ontbreekt haar alleen, om haar gemoedsrust te herwinnen, de zekerheid
dat gij haar vergeven hebt.”
»Ik begrijp niet, welk belang haar dit inboezemt.”
»Rechtstreeks niets. Was je niet getrouwd, zij zou je die vergeving
niet hebben gevraagd.”
»En waarom niet?” vroeg hij spottend.
»Omdat het voor de hand ligt, dat je haar stap zoudt toeschrijven aan
haar wensch om voor je dezelfde te worden als vroeger.”
»Vindt ze het dan beneden haar, de vrouw te worden van hem dien zij
schandvlekte?”
Hermelijn leed voor de arme, die alles hoorde, tranen sprongen haar in
de oogen.
»Je bent wreed, onbarmhartig, Iwan,” zeide zij streng.
»Ik ben alleen ongelukkig.”
»Zelfs nu je over je leven hebt beschikt? Hoe ongelukkig moet zij dan
niet wezen, zij die zooveel verloor, die verlaten werd door haar
familie, die met haar vader haar natuurlijken steun zoo mist, die
verminkt werd tot belooning van een heldhaftige daad. Maar zij heeft
zich boven haar smart weten te verheffen, zij is een andere, een betere
geworden en je hebt alleen in zelfzucht je troost gezocht; je wilt niet
gelukkig zijn omdat je alleen in wrok en toorn aan het verleden denkt
en een hulpelooze vloekt. Ik weet niets van je huwelijk, maar dit
begrijp ik alleen, je eigen stemming belet je gelukkig te zijn. Eerst
als je vergeven hebt, kan je vrede vinden.”
Hij wendde zich van haar af en ging aan het raam staan.
Hermelijn volgde hem.
»Wij hebben ook vergeven, Iwan,” fluisterde zij hem toe, »hadden Conrad
en ik haar niet meer te vergeven dan een slag in drift toegebracht?”
»Ik ben zoo edelmoedig niet,” antwoordde hij barsch, »en je hebt haar
niet lief gehad zooals ik...”
»Een reden te meer om haar te vergeven nu die liefde een zonde voor je
beiden zou zijn, en je haar vergeten moet. Maar ’t is niet zoo, je hebt
haar nooit liefgehad. Weet je nog hoe ik je waarschuwde? Je liefde was
slechts zucht naar het onbereikbare.”
»Thans niet meer.”
»Dan moet je vergeven. Ware liefde denkt geen kwaad. Wat zal ik haar
zeggen, Iwan?”
»Niets. Het ga haar wel! Als mijn wrok voorbij is kan ik vergeven,
anders niet, en wat beteekent een woord, dat het hart niet
uitspreekt... Of neen, zeg haar dat ik haar bemin meer dan ooit!”
»En haar vergeeft?”
De deur werd zacht, schier onhoorbaar, geopend; hij stond met het
gelaat nog steeds tegen het vensterglas gedrukt en zag niet om; Corona
trad binnen, wankelend, met de linkerhand een steun zoekend.
»Iwan,” riep zij zacht.
Als door een electrischen schok gedreven, wendde hij zich om; en zag
haar voor hem staan, in het lange slepende zwarte huiskleed, door geen
kleur verhelderd; een doek van spaansche kant viel van haar donkere
lokken langs haar vermagerde trekken af; zij was nog schoon, maar van
een geheel andere schoonheid dan vroeger.
Smart en nadenken hadden de uitdrukking van haar trotsche oogen
verzacht, om haar lippen lag een trek van stillen weemoed, haar blik
rustte op hem met een stomme bede van vergiffenis.
»Corona,” riep hij plotseling en snelde toe; alles, alles was vergeten
toen hij haar zag; hij wist nu alleen dat zijne liefde groot genoeg was
ook om te vergeten; hij sloeg zijn arm om haar heen en drukte haar aan
zijn borst.
»Mijn arme Corona! hoe kan ik zoo laf zijn, nog wrok tegen je te
koesteren! Ik heb je terug! ’t Is genoeg!”
»Je vergeeft me, Iwan, ik dank je!”
Zij wilde zich losmaken uit zijne omarming maar hij leidde haar naar de
sofa en zette zich naast haar neer.
»Er is geen sprake van vergeven. Ik laat je niet weer los, nu ik je
gevonden heb, nooit meer, nooit,” fluisterde hij haar hartstochtelijk
toe.
»En je vrouw?” was haar zachte vraag.
Hij hoorde niet en zag haar diep in de oogen en greep haar machtelooze
hand, die hij aan de lippen drukte.
Zij waren alleen, Hermelijn had hen verlaten, zoodra zij zag dat het
ijs gebroken was.
»Zie me aan, wend je niet van mij af! Ik ben dezelfde nog, ik kan niet
meer toornig op je zijn, mijn kroon, mijn lieveling! We hebben zooveel
door mekaar geleden, nu is alles voorbij, alles!”
»Maar Iwan!”
»En wanneer word je voor goed mijn bruid? Vandaag nog?”
»Iwan,” riep zij ontzet. »Is ’t dan niet waar?”
»Wat is niet waar?”
»Je huwelijk!”
»Mijn huwelijk? O ja, Hermelijn heeft dat gefantaseerd! en ik liet haar
in die verbeelding, ik ben niet getrouwd!”
»Niet getrouwd?”
Zij herhaalde het langzaam, woord voor woord:
»Niet getrouwd! Kan ik nog geluk hopen! O Iwan, bedrieg mij niet, ik
heb zooveel, zoo bitter geleden.”
Toen verborg zij het hoofd aan zijn borst en snikte het uit.
»Die gedachte is zoo bedwelmend, gelukkig worden met jou! O Iwan, mijn
leven lang zal ik alles aan je goedmaken. Laat mij die striem
uitwisschen!”
En zij legde haar handen op zijn gelaat en drukte haar lippen op de
plek door haar slag verwond.
»Gloeit ze nog?” vroeg zij.
»Niet meer!” fluisterde hij haar toe, »we zijn wijzer dan dien morgen
in het rozenparadijs. Wij kunnen ons leven op nieuw beginnen, nu er
geen scheidsmuur tusschen ons oprijst. Wil je morgen reeds mijn bruid
worden?”
»Is ’t je ernst, Iwan? Zie mij aan, ik ben dezelfde niet meer, ik ben
zwak en ziekelijk.”
»Ik zal je steunen, ik zal je sterken, dat is voortaan mijn levenstaak.
Vertrouw je op mijn liefde?”
»En op alles wat van je komt! O Iwan, wat ben ik dwaas geweest.... maar
laat ons nu Hermelijn roepen, ik dank alles aan haar.”
»Ze is weg!”
»Nog één woord, nog één bekentenis heb ik je te doen; kom hier, Iwan,
weet je waardoor alles ontstaan is, mijn dwaze toorn, mijn
eigenzinnigheid? Iteko heeft wel het vuur aangewakkerd, maar de vonk
was er toch. Ik heb altijd gemeend dat je eigenlijk Hermelijn
liefhad... dat je mij ten huwelijk vroeg om in haar nabijheid te kunnen
blijven.”
»Stout kind! Voor hoe slecht moest je den man aanzien, wien je toch je
leven wilde toevertrouwen. De dochter van mijn vaderlijken vriend, de
vrouw van een mijner gastheeren zou ik iets anders dan een broederlijke
genegenheid toedragen? En ook Conrad was jaloersch...”
»En bij hen is die argwaan oorzaak geworden van hun geluk maar bij ons
.... O Iwan, ik beloof je vertrouwen, volledig vertrouwen altijd en
overal!”
»Dat ik steeds zal trachten te verdienen!”
Hij drukte haar ernstig de hand en in dien handdruk lag een belofte zoo
plechtig als stonden zij reeds voor het altaar.
»Hen, die mij thans ’t liefst op aarde zijn heb ik het meest
gewantrouwd... Hoe verdien ik nog mijn geluk... Ga nu en roep haar!”
Iwan ging in de aangrenzende kamer maar daar was niemand; op de gang
echter stond Hermelijn en zag hem eenigszins bezorgd aan; zij vreesde
zeker dat de verzoening te ver zou gaan.
»Kom maar binnen, zusje,” verzocht hij, »ik heb je raad gevolgd.
Vergeven is zoet, vergeven schenkt alleen vrede.”
Zij zag hem in de stralende oogen en volgde hem bezorgd en
besluiteloos.
»Hermelijn,” sprak Corona toen zij binnentrad, »je hebt mijn smart
gedeeld, deel nu mijn vreugde. Alles is goed tusschen ons, we beginnen
het leven op nieuw.”
»En zijn vrouw?”
»Die leeft nog maar alleen in je verbeelding, maar ik hoop er spoedig
werkelijk een te bezitten; morgen zal ik een bruid rijk wezen!”
antwoordde Iwan bijna juichend.
»Maar ik begrijp het niet! Heb je mijzelf niet gezegd dat je werkelijk
getrouwd waart?”
»Gezegd heb ik het niet! Ik zeide alleen op je vraag hoe ’t met mijn
leven stond; dat ik op weg was boer te worden, maar daarvoor het noodig
achtte te trouwen. Noodig was het ook, maar ik kon er niet toe komen.”
»En ik zei daarop: Je hebt het natuurlijk gedaan, toen spraken we over
iets anders en aan je vinger zag ik een trouwring.”
»Die mijns vaders!”
»In elk geval is het zoo veel beter! Liefste Corona, wat ben ik
blijde.”
»En beklaag je hem niet, dat hij nu een vrouw uit medelijden neemt?”
»Neen, de Corona van heden is meer, veel meer waard, dan de andere die
eens zijn geest betooverde. Ik kan nu eerst uit het volle van mijn hart
Iwan geluk wenschen!”
»Ik ga je aflossen, Hermelijn! Wat is een mensch toch weinig meester
van zijn lot, wie had het mij voorspeld toen ik deze kamer binnentrad,
dat ik weinige oogenblikken later zulk een besluit zou nemen. Ik kende
geen middenweg tusschen haat of liefde. Je hand drukken, koele woorden
van verzoening en zelfs vriendschap wisselen, ’t ware mij onmogelijk.
Alles vergeten, alles op nieuw beginnen, dat zou ik kunnen misschien.
Toen Hermelijn mijn grief onder woorden bracht, en toen ik je terug
zag, toen eerst voelde ik dat niets die groote, die innige liefde in
mijn hart kon uitdooven, dat ik je liever had dan ooit, zelfs toen ik
meende je te haten!”
»En mijn kleine Leni gaat terug naar haar lief klein paatje, nu eerst
vertrek ik met een gerust hart; Corona, nu word ik door een betere
vervangen,” zeide Hermelijn.