De nasporingen die Thoren van Hagen in het werk stelde om nadere
bijzonderheden te verkrijgen aangaande de ramp, die te Ngaroengan
zooveel onheil had veroorzaakt, maakten hem niet veel wijzer. De
geschiedenis van het pavilloen vond hij echter in een particuliere
correspondentie vrij uitvoerig beschreven en vernam er tevens den dood
uit van de achtenswaardige gouvernante, een bericht, dat hem natuurlijk
niet tot wanhoop bracht.
Meer dan ooit gevoelde hij thans hoe groot zijn belangstelling nog was
voor alles wat met Corona in verband stond. Nu eens, meende hij, was
het niets dan nieuwsgierigheid, dan weer haat en wrok, nooit zou hij
zich zelf bekennen dat het nog liefde kon zijn.
Na eenig beraad schreef hij naar Soekarenga, naar den persoon, wien hij
de opdracht had gegeven zijn inboedel te verkoopen; hij vroeg hem hoe
’t met zijn zaken stond, of het huis niet ingestort was en hoe ’t met
de familie de Géran ging. Ondertusschen trachtte hij zijn gedachten met
iets anders bezig te houden; hij maakte kennis met den geestenziener
uit Arendsberg en bemerkte spoedig hoe deze den ouden, naar lichaam en
geest verzwakten man schandelijk bedroog; hij at niets dan meelspijs en
dronk slechts water om de noodige helderheid van geest te behouden, die
hem tot de conversatie met de geesten geschikt maakte, gaf groote
sommen uit om de bekende mediums te laten overkomen en hun séances bij
te wonen. Iwan voelde dat het ondoenlijk zou zijn hem te ontmaskeren en
zijn vader van het bedrog te overtuigen, doch hij sprak den
zoogenaamden vriend eens onder vier oogen aan en bedreigde hem met de
justitie als hij voortging den afgeleefden man te kwellen en tot
verwoesting zijner gezondheid aan te sporen.
Zoo kreeg hij dan gedaan, dat zijn vader weer toegestaan werd vleesch
te eten en wijn te drinken, hij trachtte den uitgedoofden geest op te
wekken door hem boeken en couranten voor te lezen en te dwingen in het
tegenwoordige te leven, maar zijn pogingen leden schipbreuk op de
halsstarrigheid van den grijsaard.
Intusschen verzuimde hij zijn andere plannen niet voor de keuze van een
levensdoel; ernstig bestudeerde hij den landbouw in theorie en
praktijk, stelde zich in verbinding met specialiteiten op dat gebied,
begon aankoopen te doen voor zijn stallingen en lachte er soms in
stilte over dat hij nu ook ging eindigen met dat te worden wat de
laatste toevlucht is van alle Limburgsche zonen van goeden huize, die
aan de académie of elders mislukt zijn, heereboer, euphemistisch
uitgedrukt »econoom”.
»’t Is de moeite waard geweest, eerst den Noordpool te gaan zien, en
den smaragd van den Indischen archipel te bewonderen, Australië en
Afrika te bezoeken om te eindigen aarts-prozaïsch niet eens kool, maar
boekweit en klaver te planten. Als ’t mij maar op den duur bevalt. Ik
vrees er voor!”
En nu begon hij ook te denken aan het tweede gedeelte van zijn
programma; doch een soort van eerbiedigen schroom hield hem terug; hij
had kennis gemaakt met Mimi van den meester en haar een aardig,
onbeduidend, lief kind gevonden.
»Een glas verfrisschende limonade na de bedwelmende champagne van mijn
vorig leven,” dacht hij, maar het was hem vooreerst niet mogelijk een
stap nader te doen.
Hij kwam bij den meester aan huis en las spoedig in Mimi’s
vergeet-mij-nietjes oogen dat zij slechts een kleine aanmoediging
noodig had om hoop op hem te verkrijgen; zij vroeg niets liever dan hem
haar leven lang te mogen dienen als haar heer en meester, mits zij
vrouwe van het dorp werd, doch hij vond het oneerlijk in haar een hoop
op te wekken, die hij niet kon vervullen. Hij vreesde het knopje open
te rukken, dat zich zoo gaarne voor hem in vollen geur en kleur
wenschte te ontplooien, terwijl op het beslissende oogenblik hij
misschien den moed zou missen het te plukken.
’t Was ook of hij in Mimi’s tegenwoordigheid de striem nog meer dan
anders voelde.
»Je zult aan mij denken,” had zij hem toegeroepen en die voorspelling
was vervuld; hij kon geen andere vrouw ooit meer van liefde spreken
zonder dat de herinnering aan haar zich als een toornige schim tusschen
beiden kwam plaatsen; maar hij voelde hoe langer hoe meer dat eerst als
deze band hem was opgelegd, hij rustig aan de toekomst kon denken en
sterk zou wezen om niet op nieuw de wereld in te gaan.
Dat Mimi een eenvoudig meisje was, verreweg zijn mindere in stand, woog
volstrekt niet bij hem; als zij hem maar liefhad, hem een gezellig te
huis bereidde, dat zou voldoende wezen en toch stelde hij het altijd
uit van dag tot dag, luisterde geduldig alle avonden naar de
diepzinnige verhandelingen van den meester over de oude en de nieuwe
wet, over de eigenaardigheden der verschillende schoolopzieners, over
het toenemend schoolverzuim en zag intusschen Mimi’s kleine maar
bevallige gestalte heen en weer gaan om het eenvoudige avondmaal op te
dienen en merkte op, hoe ze nu alle dagen gekleed was als vroeger
alleen zondags en hoe zij dikwijls een bloempje op de borst droeg.
»Mimi,” zeide hij haar eens, »geef me dat roosje!”
Het kind bloosde en zag hem bedeesd aan.
»Gun je het mij niet?” vroeg hij toen.
»Als u er zin in heeft, mijnheer,” en zij gaf ’t hem over.
»Kom even met mij naar buiten! Mimi! Wil je?” vroeg hij.
De meester was verdiept in een tijdschrift dat Iwan hem gebracht had en
de jongelui gingen naar den tuin; het was een heerlijke Septemberavond,
een krachtige boschgeur vervulde de lucht, het goudgeel der stervende
bladeren verguldde reeds hier en daar de boschachtige heuvels, de
boomgaard prijkte met roode appels en gele peren, het was een echt
Europeesch avonduur; van het kerkje luidde de avondklok, een troep
zwaluwen trok over hun hoofden zuidwaarts; de velden waren van hun
oogst ontdaan en in den tuin bloeiden de dahlia’s en late rozen.
»Ga met me daar ginds op de bank zitten,” zeide Iwan tot het meisje,
dat hem gewillig volgde en haar hartje onrustig voelde kloppen.
De bank stond aan het einde van den moestuin, onder een katalpaboom,
die zijn breede bladeren beschermend daarover uitstrekte; onder hen
murmelde het riviertje in zijn diepe, rijk begroeide bedding.
»Kom, zet je naast mij,” sprak Iwan bijna vaderlijk.
’t Was vreemd, maar hij voelde zich op dat oogenblik diep bedroefd,
nameloos ongelukkig en toch, hij wilde zich voor een onveranderbaar
feit stellen.
»Luister je naar mij, Mimi?” zeide hij en nam haar handjes in de zijne
en zag haar aan met zijn groote oogen, die nu droefgeestiger dan ooit
te voren haar aanstaarden.
»Ja mijnheer!” antwoordde het kind bijna beangst.
Wat zou mijnheer Iwan haar te vragen hebben; gedroomd had Mimi er
natuurlijk wel van, dat die mooie heer van het kasteel haar ten
huwelijk zou vragen. ’t Gebeurde dikwijls in de sprookjes die zij zich
nog uit haar kindsche jaren herinnerde dat koningen met herderinnetjes
trouwden, waarom zou dan een jonker geen liefde kunnen voelen voor haar
die een onderwijzersdochter van fatsoenlijke familie was?
Maar haar om liefde en hand vragen dat zou hij toch niet doen op zulk
een ernstige, bijna bedroefde wijze.
»Ik wilde je vragen Mimi of je genoeg van mij houdt, om mijn vrouw te
worden.”
Dat was dus de groote vraag; het meisje trok haar handen niet terug,
zij bloosde alleen wat dieper en sloeg de oogen neer zonder te
antwoorden.
»Ik geloof dat je goed voor mij zult zijn, Mimi,” ging hij voort, »en
dat heb ik noodig. Zooveel van je houden als de hoofdonderwijzer van
het dorp aan den anderen kant van den berg het stellig doet, dat kan ik
niet meer. Ik ben op het punt geweest, te trouwen met een dame, die ik
zeer lief had.....”
»Een prinses,” fluisterde het meisje, dat zeker met Kaatje over het
onderwerp had gesproken.
»Neen, dat nu juist niet, dien titel had zij niet, maar zij was er
schoon en trotsch genoeg voor geweest. Zij hoeft mij echter diep
gegriefd en beleedigd, daarom moet ik altijd aan haar denken.”
»Alleen daarom?” vroeg Mimi nog altijd even ingetogen.
Hij antwoordde niet en hernam:
»Nu heb ik behoefte aan een goed, liefhebbend vrouwtje, dat mij het
leven veraangenaamt en het huis aantrekkelijk maakt zoodat de lust mij
zal ontbreken om weer de wereld door te zwerven, wat ik tot nu toe
altijd heb gedaan. Je moet me nu niet antwoorden, Mimi, maar denk eens
na, spreek er met je ouders over en onderzoek je zelf of je het met mij
durft probeeren! Wil je dat doen, Mimi?”
Zij zag hem nu aan, hoe kwam het toch dat zij niet dadelijk volmondig
ja! kon zeggen, dat zij zich niet trotsch en verheugd voelde over de
eer, die haar geschiedde, dat zij niet dacht aan de verbazing, welke in
den omtrek het bericht zou veroorzaken:
»Ons Mimi heeft kennis aan den jonker van den Blinkert.”
Zijn ernst deelde zich blijkbaar aan haar mede, want haar oogen vulden
zich met tranen. Hij stond eensklaps op en gaf haar bijna met eerbied
een kus op het blanke voorhoofd.
»Wil je nadenken, Mimi?”
»Ja mijnheer,” antwoordde zij onderdanig en hij stapte haastig door het
achterhekje naar buiten en zocht zijn kamer op den Blinkert weer op.
Zijn hart was tot berstens toe vol; nimmer, zelfs niet op het oogenblik
toen hij zijn schoonste hoop vaarwel moest zeggen, had hij zich zoo
treurig en ongelukkig gevoeld, toen was hij te verontwaardigd, te
vertoornd geweest; ’t was of hij nu eerst Corona geheel had verloren,
of hij nu eerst een onoverkomelijken hinderpaal tusschen hem en haar
had opgericht.
Hij ging naar zijn kamer en liep die op en neer, eindelijk bleef hij
voor het open raam zitten.
»Is dat nu de stemming van iemand, die pas een liefdesverklaring heeft
gedaan?” vroeg hij zich af en weer was hij met den geest in Ngaroengan
tusschen de bloemen en varens, waar Corona in haar wipstoeltje hem
afwachtte, op den dag hunner verloving of in Djira: het was zijn schuld
niet, maar Mimi bekleedde nauwelijks een plaatsje in zijn geest, waarin
de andere nog steeds als koningin heerschte.
Hij haalde haar portret uit, zag haar in het schoone, strenge gelaat en
dacht er aan hoe die trotsche oogen tegenover hem slechts schitteren
konden van zachte teederheid en overgevende liefde, hoe die lippen hem
woorden van trouw en min hadden gezworen, hoe die fiere lijnen week en
zacht werden onder zijn blik, en nu was alles, alles voorbij!
Was zij gewond, verminkt wellicht, zij of Margot? Zou ze nu aan hem
denken zooals hij het thans nog deed, terwijl hij een andere zijn hand
bood, maar op nieuw begon die striem te gloeien.
»Mijn lieveling, hoe kon je dat van je verkrijgen,” zoo sprak hij haar
toe en voelde dat zijn oogen verduisterd raakten door tranen, de eerste
misschien, die sinds zijn kinderjaren bij hem waren opgekomen.
Een oogenblik bleef hij zoo zitten, onbewegelijk de hand voor het
gelaat.
»Jonge heer, komt u eten?” vroeg een stem aan de deur.
Verschrikt zag hij op en Kaatje stond tegenover hem, het
mensch-geworden proza, dat in alle omstandigheden ons komt herinneren
dat we leven moeten niet alleen van gedachten, bittere en zoete, maar
ook van brood en vleesch, dat we vreugd en droefheid ter zijde moeten
stellen om neer te zitten en ons te voeden.
»Wat zie ik? Scheelt er iets aan, Iwan?” vroeg zij bezorgd.
Hij glimlachte en wischte zich snel het gelaat af.
»’t Is niets, een dwaasheid Kaatje, ik heb daar juist aan Mimi gevraagd
of zij mijn vrouw wil worden.”
»En ondertusschen zit u hier te schreien als een meisje, met het
portret van de andere voor u?”
»Je hebt gelijk,” en Iwan beet zich vol ergernis op de lippen, »’t is
meer dan belachelijk, er moet een einde aan komen. Ik heb mijn
levenslot zelf gekozen, ik heb den last op mijn schouders genomen, ik
moet dien ook dragen als een man. En hiermee gaat het zoo!”
Hij verscheurde het portret in een aantal microscopische stukjes.
Den volgenden morgen nadat hij een lange gewichtige redevoering van den
vader genoten had, over de plichten van de echtgenooten en de
voordeelen van gelijken stand tusschen hen en de verklaring, dat hij in
den grond der zaak niets had tegen mijnheer’s voorstel, gaf Mimi hem
fluisterend en bedeesd haar toestemming of liever de belofte dat zij
het zou beproeven.
»Mag ik haar portret nu eens zien?” was haar eerste vraag toen zij met
hem alleen was.
»Kindlief,” antwoordde hij hoog ernstig, »ik heb het gisterenavond
vernietigd.”