LVII.

Het was een moeilijke tocht, dien Hermelijn, met Corona en haar jong

kind naar Europa maakte; doch een groote voldoening was ’t haar toen de

gezondheid van haar schoonzuster gaandeweg beter werd; zij was en bleef

hulpbehoevend, maar hare zenuwen, die door de gebeurtenissen der

laatste maanden zoo veel geleden hadden, en nog zelfs de terugwerking

voelden van het verdriet dat zij van haar twist met Iwan ondervonden

had, en van de opium, waarmede zij zich had willen verdooven, kwamen

eindelijk tot rust.

Aan boord waren weinig passagiers; men had Corona steeds naar het dek

moeten dragen, de zeelucht en de kalmte rondom haar deden de zieke

onbeschrijfelijk veel goed. Uren lang lag zij op haar ligstoel

uitgestrekt, terwijl Hermelijn naast haar zat te werken, te lezen of

met haar kind te spelen! Corona had de oogen gesloten zonder te slapen;

haar gedachten begonnen haar minder pijn te doen, zij voelde een soort

van droevig genot in het dragen van haar leed, zij begon in te zien hoe

verkeerd zij het leven had opgevat, hoe zij altijd en in alles slechts

zich zelve had gezocht van jongs af toen zij als vijfjarig kind haar

vader zijn tweede huwelijk verweet, toen zij later haar stiefmoeders

het leven ondragelijk maakte, zich hartstochtelijk aan Kitty hechtte en

deze later in haar liefde dwarsboomde, terwijl zij over de

levensbelangen van haar andere broeders en zusters steeds vrij

beschikte.

Nooit had zij aan het geluk van anderen gedacht, nooit ter wille van

anderen haar luimen opgeofferd, haar wil verloochend, nooit een

beleediging haar aangedaan vergeven; zij had God gediend met haar

lippen, zij was er trotsch op geweest christin te zijn, zonder dat ooit

een der wetten, die het christendom voorschrijft, haar leven beheerscht

had, wanneer haar eigen neigingen er zich tegen kantten.

Dat er nooit een smet, noch op haar leven, noch op haar naam had

gerust, dat de Indische maatschappij, die zoo tuk is op alles wat het

blanke besmet, nooit iets had kunnen afdingen op Corona’s goeden naam,

was zeker hoogst gelukkig geweest, maar haar trots vooral had haar

gevrijwaard voor elke afdwaling; daarenboven was haar hart nooit

gemoeid geweest bij de talrijke aanzoeken, die zij afgeslagen had vóór

dat Thoren van Hagen verscheen.

Zij had geleefd in trotsch zelfbehagen, tot Hermelijn’s aankomst, zij

was gewoon dat alles, menschen en dingen, zich aan haar wil

onderwierpen, maar toen was het anders geworden; zij vond in Hermelijn

en in Thoren van Hagen haar meerderen; hoeveel slagen had haar trots

niet ontvangen, vóór zij overwonnen was en haar eigen nederlaag

bekende.

De geheele geschiedenis van haar engagement doorleefde zij op nieuw,

zij was goed, gewillig, onderworpen geweest, omdat het haar zoo beviel,

omdat een nieuwe gril het haar voorschreef, maar toch, zij had niets

gedaan om zichzelf te overwinnen, toen haar neigingen in strijd kwamen

met zijn wil, integendeel, zij had haar kwade natuur losgelaten en zij

had hem mishandeld, hem, dien zij liefhad als het licht harer oogen.

Om zichzelf alleen, niet om hem beminde zij, evenmin als zij haar

vader, die haar vergoodde, ooit ten koste van zichzelf een genoegen had

verschaft, een vreugde bereid. Haar eenige wet was tot nu toe haar

eigen voldoening geweest; in dit licht verschenen al haar daden haar

zoo klein toe in omvang, zoo nietig door hun beweegredenen, zoo

verschrikkelijk in hun gevolgen.

Wat had de redding van den kleinen Guillaume anders ingegeven dan een

opwelling van moed, die haar niet de minste moeite kostte, een daad,

die zij verrichtte, misschien om zich in tegenwoordigheid van den

Franschen graaf met een aureool van heldhaftigheid te tooien en hoe

vaak had zij niet in het diepste van zichzelf die daad betreurd, welke

haar zoo duur was te staan gekomen.

Zij begon in te zien dat de handelingen, waarvoor wij vaak het meest

geprezen worden door de wereld omdat zij geschieden in het openbaar,

met groot vertoon van moed en kracht, niet de moeilijkste zijn om te

volbrengen, dat het veel zwaarder is in den dagelijkschen strijd

zichzelf stil te overwinnen, ieder oogenblik op nieuw te beginnen met

de moeilijke taak zijn eigen »ik” niet te zoeken maar slechts datgene,

wat waarlijk goed en edel is.

Zoo leerde Corona de lessen van den tegenspoed begrijpen, haar oogen

gingen open ook voor de laatste daad van zelfzucht, die zij had

gepleegd door Hermelijn te ontrukken aan haar echtgenoot en haar huis,

door haar te dwingen met haar kind zulk een lastige, moeilijke reis te

maken om harentwille.

Zij bewonderde en waardeerde Hermelijn, die altijd even opgewekt, even

vroolijk bleef in haar tegenwoordigheid, die alles zoo licht opnam, van

geen erkentelijkheid wilde weten en nooit liet doorschemeren hoe zwaar

het offer was, dat zij haar schoonzuster, wie zij zooveel te verwijten

had, dagelijks bracht.

»Lieve Hermelijn, je moet dadelijk terugkeeren, als we in Europa

aankomen,” sprak Corona dikwijls tot haar, »ik kan de gedachte niet

verdragen, dat Conrad je dagelijks mist en mij verwijt, dat ik hem van

vrouw en kind beroof.”

Maar dadelijk betrapte zij zich weer op een aanval van zelfzucht, niet

omdat Conrad haar iets zou verwijten maar om Hermelijn’s wille alleen

moest zij aandringen op haar spoedigen terugkeer.

»Neen, beste Corona,” antwoordde Hermelijn, »ik doe niets ten halve. Ik

moet eerst gerust zijn over je gezondheid en over degenen aan wie ik je

overlaat, en dan ga ik pas »naar huis”.”

»Verlang je er naar?”

»Natuurlijk, maar wat kan dit er toe doen! Overal waar we aanhouden

vind ik een telegram van Coen en dat is me een groote troost; hij zal

onze Leni zeer veranderd vinden, geloof je niet. Zij ziet er uit als

een roos! Zou zij hem herkennen?”

En zij waren pas drie weken op reis.

»Wat was die arme jongen kapot, toen we vertrokken,” ging Corona voort,

»ik had niet gedacht, dat er in een der Gérans zooveel gevoel zat. Ik

was toch erg ziek dat ik ’t kon aanzien en goedsmoeds scheidde, wat

steeds vereenigd moet blijven. Ik geloof dat het zeer slecht was, even

als alles, wat ik in mijn leven deed.”

»Je kon er niets aan doen Corona, en Coen zag het immers ook in. ’t Was

een hard afscheid, dat is zeker, maar het wederzien zal des te zoeter

zijn.”

»En mij wenscht niemand op de groote, groote wereld terug te zien. Ik

word daar aan vreemden overgeleverd en dan... dan...”

»Kom Corona, hoop het beste!”

»Er valt voor mij niets meer te hopen, Hermelijn, niets. Ik kan niets

anders doen dan het vreeselijke lot, dat mij overkomt, geduldig dragen,

het niet te verzwaren door mijn geklaag en gemor, zooveel mogelijk de

taak mijner bewakers licht te maken door mijn geduld en te hopen dat

God mij mijn zelfzuchtig bestaan vergeeft omdat ik de straf, die Hij

mij zond, met onderwerping draag.”

Zij liet zich slechts ernstige boeken voorlezen, zij wilde haar geest

verstalen, haar hart verheffen en het was zeker een aandoenlijk

schouwspel, te zien hoe haar goede natuur eindelijk over het lagere

zegevierde en als het edele metaal, ontdaan van alle stof en roest,

begon te schitteren in vollen glans.

»Hermelijn,” vroeg ze eens bijna nederig, »houd je van me?”

»Maar Corona, wat een vraag!”

»Heb ik geen recht die te doen? Ik weet dat je mij veracht en afgewezen

hebt toen ik in mijn volle geluk en in mijn volle kracht was....”

»Na dien tijd is er zooveel gebeurd!”

»Niets, wat kon strekken om mij in je oogen minder hatelijk te maken en

toch, Hermelijn, hoe hebt ge je gewroken!”

»Er is geen sprake van wreken, ik heb je eenvoudig behandeld, zooals

mijn hart dat ingaf, er is niets verdienstelijks in.”

»Je blijft mij het antwoord schuldig. Ik begrijp ’t, Hermelijn, ik

verdien je genegenheid nog niet, ik hoop dat je mij die eens zult

schenken.”

»Word geen zelfkwelster, Corona, je hebt al leed genoeg!” zeide

Hermelijn, haar op het voorhoofd kussend, »ik heb me altijd tot je

aangetrokken gevoeld, altijd, zelfs toen ik reden meende te hebben je

veel te verwijten, maar dat alles is voorbij. Nu is ’t vrede tusschen

ons!”

»En het wordt ook vrede in mijn hart, als... als ik slechts wist dat je

weer rustig bij Conrad terug waart en dat... hij me vergeven heeft.”

»Wie, Conrad toch niet?”

»Neen, hij! Hermelijn, wie weet in welk werelddeel hij nu rondzwerft

met zijn haat, zijn wrok tegen mij! Nooit, nooit zal hij mij vergeven.

Ik ken hem te goed!”

»Als hij je nu zag!”

»Dan zou hij me beklagen! O, ik zou hem danken voor elk woord van

medelijden, ik zou mijn ziekte, mijn eenzaamheid, mijn leed geduldig

dragen mijn leven lang, als hij daarin een reden vond om medelijden met

mij te hebben!”

En de arme barstte in snikken los.

Hermelijn zag haar deelnemend aan; nu eerst begreep zij hoe Corona’s

trots gebroken was.

»Wie weet,” sprak zij weer om Corona te beproeven, meer dan omdat zij

zelf eenig geloof hechtte aan haar eigen woorden, »of je hem niet eens

ontmoeten zult, of er dan geen verzoening mogelijk is, wanneer je

geheel herstelt, of je dan niet samen nog gelukkig kunt zijn.”

Droevig en strak zag Corona haar aan als wilde zij Hermelijn’s

gedachten doorgronden.

»Dat is je geen ernst, Hermine, ’t kan het niet wezen. Al herstelde ik

ook, dan nog zou er van een hereeniging geen sprake kunnen zijn;

misschien heeft hij andere banden aangeknoopt, stellig denkt hij alleen

aan mij om mij te vervloeken. Dikwijls is het mij of die uitbarsting

van den vulkaan slechts geschiedde om mij. Ik heb den Merawoe getergd

door mijn ketting in den afgrond te werpen zooals ik in mijn overmoed

alles tartte, zelfs zijn liefde.”

»Maar, lieve Corona!”

»Noem ’t bijgeloof, je weet ik ben bijgeloovig; ik hechtte aan de

verschijning van den rooden hond en aan hetgeen hij voorspelde, maar

juist op het oogenblik toen Alain de Géran mij iets toefluisterde dat

naar een declaratie geleek, dacht ik aan Iwan, en toen werd het zoo

vreeselijk licht en de aarde begon te beven en te schudden, misschien

was het zijn vloek, misschien is hij dood, misschien heeft hij den

vulkaan met zijn wraak belast, misschien was ’t zijn stem die daar

bulderde....”

»Corona, wind je niet op door die dwaze fantasieën,” bad Hermelijn,

»wie weet of hij ook niet smacht naar verzoening.”

»Geen verzoening, slechts vergeving heb ik noodig. Ik dorst, ik smacht

er naar, dan eerst zal ik denken dat papa, en je schoonmoeder, en Dolly

mij vergeven hebben, dan zal ik mijn lijden geduldig kunnen dragen, al

moet ik nog jaren en jaren leven en tot mijn dood hulpbehoevend

blijven.”

»En heb je de anderen ook vergeven?”

»De broers en zusters en Akkeveen.... och ja, ik geloof ’t wel maar hij

heeft je karakter niet, hij is een man in de volle beteekenis van het

woord. Ons vrouwen valt vergeven gemakkelijker, ik zie ’t aan jou,

Hermelijn. Ik kan mijn vergiffenis niet anders uitspreken dan door mijn

lippen. Door daden ze te bewijzen is mij ontzegd.”

Nimmer kwam Iteko’s naam over Corona’s lippen, zij had voor haar geen

verwijt, geen uitdrukking van wrok of toorn. Zij vond niet dat Iteko in

schuld tegenover haar was; niemand had zij het te verwijten dan

zichzelf, dat zij zich door zulk een nietswaardig schepsel had laten

verleiden tot valschheid in geschrifte, tot wantrouwen, achterdocht,

jalouzie, toorn en onrechtvaardigheid van allen aard.

En ook Hermelijn sprak nooit over dit teeder punt; haar doel was

Corona’s aandacht van het verledene af te leiden en, daar zij haar

niets te bieden had voor de toekomst, op het tegenwoordige te vestigen.

Haar kind was haar daarbij een geschikt hulpmiddel. Leni ontwikkelde

zich allerliefst. Corona zag haar met liefde en belangstelling aan.

»Mijn kleine reisgenoot wordt mijn eenige erfgenaam,” zeide zij

dikwijls.

»Je bent nog niet aan je testament,” antwoordde Hermelijn lachend.

Nadat zij in Marseille aankwamen, ontwikkelde zich Hermelijn’s energie

ten volle; zij wist overal raad op, besprak de gemakkelijkste

reisgelegenheden voor de zieke, onderhandelde nu eens met

spoorwegbeambten, dan weer met hotelhouders, of met Parijsche

professors van de geneeskundige faculteit, liet zich door niets uit het

veld slaan, ging dapper op haar doel los en verwaarloosde intusschen

noch haar kind, noch haar patient. Zoo slaagde zij er in, Corona op de

gemakkelijkste en minst pijnlijke wijze naar Parijs te doen voeren,

waar zij eenigen tijd onder behandeling bleef van een specialiteit voor

haar ziekte.

Corona drong er op aan, dat zij nu terug zou gaan, maar standvastig

bleef zij weigeren.

»Ik heb ’t op mij genomen je op den weg van genezing te brengen. Conrad

heeft het mij toegestaan, zoolang verlaat ik je ook niet,” was haar

antwoord.

»Je weet ook niet hoe ik je bewonder,” hernam Corona, »hoeveel berouw

of ik ook hebben mag over mijn vroegere daden, één zaak kan ik niet

betreuren, nu ik je dagelijks aan het werk zie. Dat ik namelijk voor

Conrad zoo’n vrouwtje uitkoos. Ik hoop maar dat het uit dankbaarheid

daarvoor is dat hij je toestaat mij te vergezellen.”

Hermelijn · 第 63 / 67 题