LV.

Hij ging de kamer uit naar beneden, in de huiskamer, waar alles er

keurig uitzag als in een onbewoond vertrek, de ramen waren hermetisch

gesloten achter de blauwe horren en de geplooide gordijntjes; over de

canapé en stoelen die stijf als soldaten langs den muur geschikt waren,

lagen overtrekken van geel katoen, de lamp was in rose gaas gewikkeld;

het buffet en de groote linnenkast glommen als spiegels en de koperen

belegsels weerkaatsten de rosse zonnestralen, die door de ramen naar

binnen drongen; een lucht van gesmolten was en terpentijn steeg op uit

den geboenden vloer. Een hoop gesmeerde boterhammen en een groote taart

van stijf deeg met gestoofde kersen, de echte Limburgsche vlâ, stonden

in het midden der tafel; een flinke koffiekan dampte op het komfoor,

alles noodde tot eten en drinken uit.

Iwan’s eerste beweging was, de ramen zonder eenige verschooning voor

gordijnen en horren open te werpen en de frissche lucht, door de

avondkoelte getemperd, naar binnen te lokken; toen zette hij zich neer

en verklaarde aan Kaatje dat hij honger had voor drie.

»Eet, meneer Iwan, eet! Ik zet het niemand liever voor dan u. Den heer

daar boven kan men het nooit naar den zin maken. Hij eet niets als

meelspijzen, voor de geesten, weet u, maar hij is zoo lastig. ’t Is

altijd te heet of te koud, te flauw of te zout! Denkt u dat ik hier

langer zou blijven in dit vreemde land, als ik geen hoop had eens voor

u te kunnen koken en uw bed te schikken?”

En zij schonk hem koffie in en vroeg of ze sterk genoeg was; hij vond

alles heerlijk, alles volmaakt en deed haar tafel eer aan.

»Kom Kaatje, vertel me eens iets. Hij is onveranderd, niet waar?”

»Ach jonge heer....”

»Zeg toch Iwan, Kaatje, wie heeft er meer recht toe dan jij?”

»Nu dan Iwan, ik zou dikwijls denken dat het boven niet pluis is en dat

de duivel er meer van weet. Daar hoort men soms zulke nare dingen en er

komen allerlei vreemde lui van Aken of Luik, met lange baarden en lang

haar en ik geloof dat zij meneer een boel geld kosten en waartoe het

dient, ik weet het niet. Ik heb er dikwijls met den pastoor over

gesproken maar deze zegt dat hij er niets aan doen kan, en dat ik maar

trouw moet bidden opdat meneer een zalig sterfuur moge hebben, waaraan

ik erg twijfel. Daar woont in Arendsberg een heer uit Holland en die

brengt ze allen hier. Ik geloof dat het een bedrieger is. Ik zou willen

dat u er eens onderzoek naar deed.”

»Elk zijn smaak, Kaatje, dat is het voordeel als men alleen op de

wereld is, dat men al zijn liefhebberijen ongestoord volgen kan. ’t

Ergste is als de tijd komt dat men geen liefhebberijen meer heeft. Wat

zou vader wezen zonder zijn klopgeesten? Nog meer verveeld dan ik.”

»Maar Iwan, ik dacht dat u hier niet anders zou teruggekomen zijn, dan

met een lieve vrouw; meneer vertelde mij ’t vorige jaar dat u aan

trouwen dacht.”

»Zoo, was dat voor hem de moeite van het vertellen waard? ’t Is zoo

geweest, Kaatje, ik heb op trouwen gestaan.”

»En is zij gestorven?”

»Voor mij is zij dood, ja! maar overigens leeft ze nog en is misschien

zeer gelukkig.”

»Hoe jammer, hoe jammer!”

»Dat weet ik niet of ’t jammer is, Kaatje!”

»Heeft u haar portret nog.”

Iwan nam zijn zakportefeuille en haalde er een photographie uit, die

hij Kaatje overreikte.

Zij ging bij het raam staan en hield het portret op armslengte van zich

af om het beter te kunnen zien.

»Wat een prachtige vrouw!” riep zij bewonderend uit, »mooier dan de

koningin!”

»Ik wil ’t gelooven, zij was ook prinses.”

»Een prinses. Wel allemachtig! Och, och, wat is ’t dan toch zonde, dat

het niet doorgegaan is. Heeft u onaangenaamheid gehad, als ik zoo

vragen mag.”

»Zoo’n beetje.”

»En zou ’t niet meer bijgelegen kunnen worden,” vroeg zij in haar

Hollandsch dialect, dat een meer dan 20jarig verblijf in Limburg haar

niet had kunnen ontnemen.

»Neen nooit,” was ’t vaste antwoord. Intusschen legde hij het portret

weer op zijn plaats, maar langzaam, met de oogen strak er op gevestigd.

»Jonge heer!” riep Kaatje triomfantelijk, »nu zie ik ’t, u is in uw

hart nog gek op die mooie dame, anders had u haar portret wel

verscheurd en keek u er niet zoo oplettend naar.”

Iwan borg zijn boekje weg en glimlachte treurig.

»Hij ziet precies mevrouw... zaliger, ik mag misschien geen zaliger

zeggen omdat zij zoo gestorven is, maar het arme schepsel was niet bij

haar verstand en Onze Lieve Heer is barmhartig,” zeide Kaatje in

zichzelf.

»Ik zie en bewaar graag iets moois, Kaatje!” verzekerde Iwan en dronk

zijn kop koffie leeg; toen stak hij een sigaar op en drentelde het huis

uit, hij beklom den heuvel en boven gekomen strekte hij zich op het

gras uit en staarde naar beneden naar het vredige dal met dezelfde

oogen, die zooveel aanschouwd hadden, zooveel trotsche

natuurtafereelen, zooveel wonderen van kunst, zooveel tooneelen van

ellende en geweld; het was weer een zoete kalmte, die hem omringde maar

hoe verschillend van dien tropischen nacht met zijn weelde van sterren

en bloemengeuren, met zijn hoopvolle gedachten aan een schoone bruid en

een schitterende toekomst.

Hij kende elke boerenhut in de nabijheid, elken toren in de verte bij

name, hij wist juist de plek, waar boomen hadden gestaan, die nu weg

waren gekapt, waar het riviertje een kromming maakte, of waar kleine

bronnen zich verborgen hielden.

Aan alles waren herinneringen verbonden uit zijn wilde jongensjaren;

veel gedeugd had hij misschien niet, maar toch, hij was populair

geweest, men mocht den zoon van den »baron” gaarne, hij was goedig en

niet valsch. Later zag men hem altijd met genoegen terugkomen en hoopte

dat hij zich eens op den Blinkert zou vestigen. Zich vestigen, zou dat

ooit gebeuren; het leven lag nog steeds voor hem als een blok steen dat

hij bewerken moest, maar hoe? ’t Werd tijd eens te beslissen, dat

doellooze reizen, die jacht naar avonturen walgde hem; vroeger had hem

steeds de wil ontbroken om kalm zijn ankers uit te werpen, vroeger had

hij slechts in afwisseling van indrukken geluk gezocht, nu lachte hem

niets meer toe dan een leven op één plek doorgebracht des noods,

gericht op een enkel doel, maar alléén?

Hij had het genoeg gevoeld in de laatste maanden dat zijn liefde voor

Corona dieper geworteld was dan hij ’t zelfs meende in de gelukkigste

dagen hunner verloving; het uitwortelen van den eeuwigen wonderboom der

liefde had hem anders zooveel moeite, zooveel pijn niet gekost, zonder

dat hij er nog geheel in slagen kon.

Overal waar hij ook ging, vervolgde hem haar beeld, zooals zij hem

verschenen was op den avond van Hermelijn’s aankomst te midden van vuur

en bloemen, zooals hij haar gezien had tusschen de zwaveldampen van den

krater toen hij haar zijn liefde toefluisterde, op den laatsten morgen

van hun samenzijn aan den ingang van het rozenparadijs, eindelijk op

het laatst toen zij voor hem stond, nog schoon in haar woede.

En steeds gloeide die pijn daar op zijn gelaat en deed hem aan haar

denken in machteloozen toorn; hoe had zij zich gevoeld na zijn vertrek,

was er berouw in haar ziel gekomen maar waarom hem niet geschreven,

waarom toen nog niet de voldoening aangeboden die hij vraagde,

misschien of hij dan niet had kunnen vergeven maar nu was alle

verzoening onmogelijk, de wond was te diep, veel te diep in zijn hart

gebrand.

Als hij die pijnigende gedachte maar verdrijven kon, doch neen, alles

had hij beproefd, vergeefs! Zijn leven was voor goed gebroken, zoo hij

niet met kracht den band aan het verledene verscheurde maar hij had

niet eens den moed om te scheiden van haar portret; Kaatje zelfs, die

goede, eenvoudige ziel had een bewijs gevonden voor zijn liefde in het

bewaren van haar beeltenis.

Neen, hij moest een kort besluit nemen; als hij hier eens bleef, een

nieuw huis bouwde op dezen heuvel en zich op den landbouw toelegde, een

model hoeve stichtte, een stoeterij oprichtte, de een of andere

blozende landfreule tot vrouw nam, dat waren plannen, die hem

bezighielden; ’t was iets anders dan uitgebreide koffieplantages te

beheeren, den toestand der Javanen te verbeteren, een Corona de zijne

te noemen, voor en met haar te werken, haar lief te hebben, haar te

vereeren. Och, och! wat was zijn leven verbleekt! Dwaze! nu dacht hij

weer aan niets dan aan haar; die bladzijde uit zijn levensboek moest

uitgescheurd worden, dan zou het overige misschien nog iets waard

kunnen zijn.

Hij stond op en trachtte zich alleen bezig te houden met zijn

modelhoeve, toen ging hij den heuvel af, bezocht de stallen, maakte met

den knecht, die nog niet lang in dienst was, maar van Kaatje veel over

den jongen heer had gehoord, een praatje, bezocht den halvert, zette

zich met den man neer op de bank onder de linde en dronk een glas echt

Limburgsch bier.

De halvert vertelde veel over den toestand der landerijen en van het

vee, had het druk over de slechte tijden en slechte menschen en Iwan

scheen aandachtig te luisteren, voor niets meer oog en oor hebbende dan

voor de verhalen van den landbouwer.

»Jonge heer, jonge heer!” riep Kaatje’s schelle stem, »het eten is

klaar.”

»Alweer,” zeide Iwan glimlachend en trad in de kamer, waar geurige

pannekoeken en slâ het smakelijk avondeten uitmaakten en een zwaar

bestoven flesch wijn, zoo pas den kelder verlaten, hem wachtte.

»Hou me gezelschap, Kaatje, zet je daar neer,” sprak hij vriendelijk,

»ik heb zoo dikwijls onder vreemden gegeten, dat ik nu verlang naar een

bekend gezicht tegenover mij.”

»Zal ik jongen heer zeggen, waar hij nu het meest behoefte aan heeft,”

vroeg de oude meid glimlachend.

»Waaraan dan Kaatje?”

»Aan een eigen huis en haard, Iwan!”

»Ik geloof dat je gelijk hebt, Kaatje!”

En hij liet het hoofd in de handen vallen en mijmerde een poosje voort

zonder het eten aan te raken tot Kaatjes groote teleurstelling.

»Gekke jongen,” zeide hij tot zich zelf, »wat overkomt je van zoo te

droomen! Je hadt er nooit aanleg toe! maar ’t is hard, de wereld geheel

alleen te doorkruisen en, t’huis gekomen, niemand te vinden dan een

oude meid, die zich over den terugkeer van den verloren zoon verheugt.”

»Men wordt dat eeuwige reizen eenmaal moe, dat kan niet anders, jonge

heer!” ging Kaatje voort, »en als men dan eenmaal tot rust komt, een

lief vrouwtje vindt en spoedig een paar aardige kindertjes krijgt, dan

is men blij dat alles gehad te hebben en er rustig over te kunnen

praten.”

»Zou je denken dat ik een goed huisvader zou worden, Kaatje?”

»Wel zeker, mijnheer, zulke woeste jongens worden gewoonlijk de beste

mannen en de beste papa’s. ’t Is goed als die wilde haren er maar voor

het trouwen afvliegen.”

»Och kom, aan wildheid heeft het anderen ook niet ontbroken en toch...

wat is er van gekomen?”

»O Iwan, dat is heel iets anders. U is niet te vergelijken met den

ouden mijnheer, want dien bedoelt u toch! Uw streken zijn van een heel

andere soort.”

De goede vrouw had gelijk, de beschaafde, gehandschoende losbandigheid

zijns vaders had hem steeds afschuw ingeboezemd; nimmer zou hij de

ondeugd der zoogenaamde jeunesse dorée hebben willen deelen; afkeer van

regel, van dwang, van welke soort ook, was het hoofdgebrek zijns levens

geweest; nu echter voelde hij een soort van behoefte aan banden, welke

ook.

»Weet u, jonge heer!” ging zij voort, »waaraan u mij doet denken?”

»Nu dan, Ka?”

»Aan een vogel, die een schot in de vleugels heeft gekregen en niet

meer vliegen kan.”

Thoren van Hagen lachte hartelijk maar toch merkte de trouwe ziel

tegenover hem, dat die lach gemaakt was.

»Ik ben vleugellam; ’t kan zijn! Het beste is dan maar dat ik mijn

vleugels niet meer gebruik om door de wereld te vliegen. Weet je wat,

Kaatje, je moest een vrouw voor me zoeken; neem morgen je korf aan den

arm en ga eens in de buurt rondkijken of daar geen aardig meisje te

vinden is.”

»Jonge heer, dat is natuurlijk gekheid, maar meent u het waarlijk, zou

u dat heusch willen?”

»Zeker, Kaatje, zeker, weet je er geen, maar ze moet blond wezen en

klein en erg, erg zacht. Verder kan ’t me niet schelen of het een

boerin of een freule is. Ken je er zoo een?”

»Laat eens kijken! Trinette van den notaris, o neen, dat is een echte

kweggel, zooals ze hier zeggen voor een nuf, die zou u niet bevallen,

de freule van het Eest, maar dat is een vervelende kwezel, Mimi, de

dochter van den meester, die is blond en zacht en heeft zulke mooie

blauwe oogen, maar dat is toch geen vrouw voor u, die met een prinses

verangegeerd is geweest.”

»Juist daarom, Kaatje, Mimi moet mij de prinses doen vergeten. Verzoek

ze hier op de koffie, dan kom ik eens binnen en maak een praatje.”

»Hier is de gazet, mijnheer!” zoo klonk de stem van het dienstmeisje

door de kier van de deur.

»Hé, laat eens zien!” sprak Iwan, »ik heb een Hollandsche courant in

zoo lang niet onder de oogen gehad.”

Kaatje, die er niet ontevreden over was, dat Hubertine haar in volle

glorie tegenover den jongen mijnheer zag zitten, stond spoedig op om te

voorkomen dat het meisje met haar klompen op den frisch geboenden vloer

zou treden, waggelde naar de deur, nam de courant aan en reikte ze haar

pleegzoon over. Met een glimlach keek Thoren van Hagen den inhoud langs

en las de berichten, nog altijd in datzelfde Duitsch-Hollandsch

geschreven, van vroeger; hij vond daar vele feiten bestatigd,

verdiensten aanerkend, dingen versproken, zag de advertentiën door van

candidaten voor de een of andere verkiezing, die zich zelf aanboden en

beloften gaven, welke zij toch zeker van plan waren niet te houden,

getuigenissen omtrent beginselvastheid, welke niemand vertrouwde, warme

aanbevelingen van eenige kiezers om op X in plaats van IJ te stemmen,

vergezeld door leelijke verdachtmakingen van de tegenstanders.

»Niets veranderd, niets!” dacht Thoren van Hagen, »ik ben dezelfde niet

meer; kom, wie weet of mijn naam ook niet eenmaal op die vierde

bladzijde met groote letters zal prijken of ik mij niet hoogachtend en

minzaam aan heeren kiezers aanbeveel, wier belangen ik op de civielste

wijze zal behartigen. Wel zeker, ik ga hier mijn tenten opslaan en zal

met Mimi kennismaken. Hé wat beteekent dat..... Ramp op Java,

uitbarsting van den Merawoe.”

Kaatje zag dat haar jonge mijnheer plotseling verdiept raakte in de

lezing van de gazet, dat zijn wenkbrauwen zich plotseling samentrokken

en een doodsbleeke kleur zijn wangen bedekte.

»Vreeselijk.... vreeselijk!” mompelde hij.

»Maar wat is er toch gebeurd, jonge heer?” vroeg zij bezorgd.

»Och, een groot ongeluk op Java, waar ik nog onlangs... ik bedoel het

vorige jaar, geweest ben. Je moest mij eens alle couranten van den

laatsten tijd bij mekaar zoeken, Kaatje! daar vind ik misschien iets

naders. Morgen ga ik naar Maastricht. Mej. de G. zwaar gewond, mevrouw

van A.—dat is Dolly—dood gevonden, het landhuis ingestort. Maar wat

gaat het mij eigenlijk aan en toch... toch...”

Alle fraaie plannen van huwelijk en vestiging waren voorloopig tot

onbepaalden tijd uitgesteld.

Hermelijn · 第 61 / 67 题