Hij ging de kamer uit naar beneden, in de huiskamer, waar alles er
keurig uitzag als in een onbewoond vertrek, de ramen waren hermetisch
gesloten achter de blauwe horren en de geplooide gordijntjes; over de
canapé en stoelen die stijf als soldaten langs den muur geschikt waren,
lagen overtrekken van geel katoen, de lamp was in rose gaas gewikkeld;
het buffet en de groote linnenkast glommen als spiegels en de koperen
belegsels weerkaatsten de rosse zonnestralen, die door de ramen naar
binnen drongen; een lucht van gesmolten was en terpentijn steeg op uit
den geboenden vloer. Een hoop gesmeerde boterhammen en een groote taart
van stijf deeg met gestoofde kersen, de echte Limburgsche vlâ, stonden
in het midden der tafel; een flinke koffiekan dampte op het komfoor,
alles noodde tot eten en drinken uit.
Iwan’s eerste beweging was, de ramen zonder eenige verschooning voor
gordijnen en horren open te werpen en de frissche lucht, door de
avondkoelte getemperd, naar binnen te lokken; toen zette hij zich neer
en verklaarde aan Kaatje dat hij honger had voor drie.
»Eet, meneer Iwan, eet! Ik zet het niemand liever voor dan u. Den heer
daar boven kan men het nooit naar den zin maken. Hij eet niets als
meelspijzen, voor de geesten, weet u, maar hij is zoo lastig. ’t Is
altijd te heet of te koud, te flauw of te zout! Denkt u dat ik hier
langer zou blijven in dit vreemde land, als ik geen hoop had eens voor
u te kunnen koken en uw bed te schikken?”
En zij schonk hem koffie in en vroeg of ze sterk genoeg was; hij vond
alles heerlijk, alles volmaakt en deed haar tafel eer aan.
»Kom Kaatje, vertel me eens iets. Hij is onveranderd, niet waar?”
»Ach jonge heer....”
»Zeg toch Iwan, Kaatje, wie heeft er meer recht toe dan jij?”
»Nu dan Iwan, ik zou dikwijls denken dat het boven niet pluis is en dat
de duivel er meer van weet. Daar hoort men soms zulke nare dingen en er
komen allerlei vreemde lui van Aken of Luik, met lange baarden en lang
haar en ik geloof dat zij meneer een boel geld kosten en waartoe het
dient, ik weet het niet. Ik heb er dikwijls met den pastoor over
gesproken maar deze zegt dat hij er niets aan doen kan, en dat ik maar
trouw moet bidden opdat meneer een zalig sterfuur moge hebben, waaraan
ik erg twijfel. Daar woont in Arendsberg een heer uit Holland en die
brengt ze allen hier. Ik geloof dat het een bedrieger is. Ik zou willen
dat u er eens onderzoek naar deed.”
»Elk zijn smaak, Kaatje, dat is het voordeel als men alleen op de
wereld is, dat men al zijn liefhebberijen ongestoord volgen kan. ’t
Ergste is als de tijd komt dat men geen liefhebberijen meer heeft. Wat
zou vader wezen zonder zijn klopgeesten? Nog meer verveeld dan ik.”
»Maar Iwan, ik dacht dat u hier niet anders zou teruggekomen zijn, dan
met een lieve vrouw; meneer vertelde mij ’t vorige jaar dat u aan
trouwen dacht.”
»Zoo, was dat voor hem de moeite van het vertellen waard? ’t Is zoo
geweest, Kaatje, ik heb op trouwen gestaan.”
»En is zij gestorven?”
»Voor mij is zij dood, ja! maar overigens leeft ze nog en is misschien
zeer gelukkig.”
»Hoe jammer, hoe jammer!”
»Dat weet ik niet of ’t jammer is, Kaatje!”
»Heeft u haar portret nog.”
Iwan nam zijn zakportefeuille en haalde er een photographie uit, die
hij Kaatje overreikte.
Zij ging bij het raam staan en hield het portret op armslengte van zich
af om het beter te kunnen zien.
»Wat een prachtige vrouw!” riep zij bewonderend uit, »mooier dan de
koningin!”
»Ik wil ’t gelooven, zij was ook prinses.”
»Een prinses. Wel allemachtig! Och, och, wat is ’t dan toch zonde, dat
het niet doorgegaan is. Heeft u onaangenaamheid gehad, als ik zoo
vragen mag.”
»Zoo’n beetje.”
»En zou ’t niet meer bijgelegen kunnen worden,” vroeg zij in haar
Hollandsch dialect, dat een meer dan 20jarig verblijf in Limburg haar
niet had kunnen ontnemen.
»Neen nooit,” was ’t vaste antwoord. Intusschen legde hij het portret
weer op zijn plaats, maar langzaam, met de oogen strak er op gevestigd.
»Jonge heer!” riep Kaatje triomfantelijk, »nu zie ik ’t, u is in uw
hart nog gek op die mooie dame, anders had u haar portret wel
verscheurd en keek u er niet zoo oplettend naar.”
Iwan borg zijn boekje weg en glimlachte treurig.
»Hij ziet precies mevrouw... zaliger, ik mag misschien geen zaliger
zeggen omdat zij zoo gestorven is, maar het arme schepsel was niet bij
haar verstand en Onze Lieve Heer is barmhartig,” zeide Kaatje in
zichzelf.
»Ik zie en bewaar graag iets moois, Kaatje!” verzekerde Iwan en dronk
zijn kop koffie leeg; toen stak hij een sigaar op en drentelde het huis
uit, hij beklom den heuvel en boven gekomen strekte hij zich op het
gras uit en staarde naar beneden naar het vredige dal met dezelfde
oogen, die zooveel aanschouwd hadden, zooveel trotsche
natuurtafereelen, zooveel wonderen van kunst, zooveel tooneelen van
ellende en geweld; het was weer een zoete kalmte, die hem omringde maar
hoe verschillend van dien tropischen nacht met zijn weelde van sterren
en bloemengeuren, met zijn hoopvolle gedachten aan een schoone bruid en
een schitterende toekomst.
Hij kende elke boerenhut in de nabijheid, elken toren in de verte bij
name, hij wist juist de plek, waar boomen hadden gestaan, die nu weg
waren gekapt, waar het riviertje een kromming maakte, of waar kleine
bronnen zich verborgen hielden.
Aan alles waren herinneringen verbonden uit zijn wilde jongensjaren;
veel gedeugd had hij misschien niet, maar toch, hij was populair
geweest, men mocht den zoon van den »baron” gaarne, hij was goedig en
niet valsch. Later zag men hem altijd met genoegen terugkomen en hoopte
dat hij zich eens op den Blinkert zou vestigen. Zich vestigen, zou dat
ooit gebeuren; het leven lag nog steeds voor hem als een blok steen dat
hij bewerken moest, maar hoe? ’t Werd tijd eens te beslissen, dat
doellooze reizen, die jacht naar avonturen walgde hem; vroeger had hem
steeds de wil ontbroken om kalm zijn ankers uit te werpen, vroeger had
hij slechts in afwisseling van indrukken geluk gezocht, nu lachte hem
niets meer toe dan een leven op één plek doorgebracht des noods,
gericht op een enkel doel, maar alléén?
Hij had het genoeg gevoeld in de laatste maanden dat zijn liefde voor
Corona dieper geworteld was dan hij ’t zelfs meende in de gelukkigste
dagen hunner verloving; het uitwortelen van den eeuwigen wonderboom der
liefde had hem anders zooveel moeite, zooveel pijn niet gekost, zonder
dat hij er nog geheel in slagen kon.
Overal waar hij ook ging, vervolgde hem haar beeld, zooals zij hem
verschenen was op den avond van Hermelijn’s aankomst te midden van vuur
en bloemen, zooals hij haar gezien had tusschen de zwaveldampen van den
krater toen hij haar zijn liefde toefluisterde, op den laatsten morgen
van hun samenzijn aan den ingang van het rozenparadijs, eindelijk op
het laatst toen zij voor hem stond, nog schoon in haar woede.
En steeds gloeide die pijn daar op zijn gelaat en deed hem aan haar
denken in machteloozen toorn; hoe had zij zich gevoeld na zijn vertrek,
was er berouw in haar ziel gekomen maar waarom hem niet geschreven,
waarom toen nog niet de voldoening aangeboden die hij vraagde,
misschien of hij dan niet had kunnen vergeven maar nu was alle
verzoening onmogelijk, de wond was te diep, veel te diep in zijn hart
gebrand.
Als hij die pijnigende gedachte maar verdrijven kon, doch neen, alles
had hij beproefd, vergeefs! Zijn leven was voor goed gebroken, zoo hij
niet met kracht den band aan het verledene verscheurde maar hij had
niet eens den moed om te scheiden van haar portret; Kaatje zelfs, die
goede, eenvoudige ziel had een bewijs gevonden voor zijn liefde in het
bewaren van haar beeltenis.
Neen, hij moest een kort besluit nemen; als hij hier eens bleef, een
nieuw huis bouwde op dezen heuvel en zich op den landbouw toelegde, een
model hoeve stichtte, een stoeterij oprichtte, de een of andere
blozende landfreule tot vrouw nam, dat waren plannen, die hem
bezighielden; ’t was iets anders dan uitgebreide koffieplantages te
beheeren, den toestand der Javanen te verbeteren, een Corona de zijne
te noemen, voor en met haar te werken, haar lief te hebben, haar te
vereeren. Och, och! wat was zijn leven verbleekt! Dwaze! nu dacht hij
weer aan niets dan aan haar; die bladzijde uit zijn levensboek moest
uitgescheurd worden, dan zou het overige misschien nog iets waard
kunnen zijn.
Hij stond op en trachtte zich alleen bezig te houden met zijn
modelhoeve, toen ging hij den heuvel af, bezocht de stallen, maakte met
den knecht, die nog niet lang in dienst was, maar van Kaatje veel over
den jongen heer had gehoord, een praatje, bezocht den halvert, zette
zich met den man neer op de bank onder de linde en dronk een glas echt
Limburgsch bier.
De halvert vertelde veel over den toestand der landerijen en van het
vee, had het druk over de slechte tijden en slechte menschen en Iwan
scheen aandachtig te luisteren, voor niets meer oog en oor hebbende dan
voor de verhalen van den landbouwer.
»Jonge heer, jonge heer!” riep Kaatje’s schelle stem, »het eten is
klaar.”
»Alweer,” zeide Iwan glimlachend en trad in de kamer, waar geurige
pannekoeken en slâ het smakelijk avondeten uitmaakten en een zwaar
bestoven flesch wijn, zoo pas den kelder verlaten, hem wachtte.
»Hou me gezelschap, Kaatje, zet je daar neer,” sprak hij vriendelijk,
»ik heb zoo dikwijls onder vreemden gegeten, dat ik nu verlang naar een
bekend gezicht tegenover mij.”
»Zal ik jongen heer zeggen, waar hij nu het meest behoefte aan heeft,”
vroeg de oude meid glimlachend.
»Waaraan dan Kaatje?”
»Aan een eigen huis en haard, Iwan!”
»Ik geloof dat je gelijk hebt, Kaatje!”
En hij liet het hoofd in de handen vallen en mijmerde een poosje voort
zonder het eten aan te raken tot Kaatjes groote teleurstelling.
»Gekke jongen,” zeide hij tot zich zelf, »wat overkomt je van zoo te
droomen! Je hadt er nooit aanleg toe! maar ’t is hard, de wereld geheel
alleen te doorkruisen en, t’huis gekomen, niemand te vinden dan een
oude meid, die zich over den terugkeer van den verloren zoon verheugt.”
»Men wordt dat eeuwige reizen eenmaal moe, dat kan niet anders, jonge
heer!” ging Kaatje voort, »en als men dan eenmaal tot rust komt, een
lief vrouwtje vindt en spoedig een paar aardige kindertjes krijgt, dan
is men blij dat alles gehad te hebben en er rustig over te kunnen
praten.”
»Zou je denken dat ik een goed huisvader zou worden, Kaatje?”
»Wel zeker, mijnheer, zulke woeste jongens worden gewoonlijk de beste
mannen en de beste papa’s. ’t Is goed als die wilde haren er maar voor
het trouwen afvliegen.”
»Och kom, aan wildheid heeft het anderen ook niet ontbroken en toch...
wat is er van gekomen?”
»O Iwan, dat is heel iets anders. U is niet te vergelijken met den
ouden mijnheer, want dien bedoelt u toch! Uw streken zijn van een heel
andere soort.”
De goede vrouw had gelijk, de beschaafde, gehandschoende losbandigheid
zijns vaders had hem steeds afschuw ingeboezemd; nimmer zou hij de
ondeugd der zoogenaamde jeunesse dorée hebben willen deelen; afkeer van
regel, van dwang, van welke soort ook, was het hoofdgebrek zijns levens
geweest; nu echter voelde hij een soort van behoefte aan banden, welke
ook.
»Weet u, jonge heer!” ging zij voort, »waaraan u mij doet denken?”
»Nu dan, Ka?”
»Aan een vogel, die een schot in de vleugels heeft gekregen en niet
meer vliegen kan.”
Thoren van Hagen lachte hartelijk maar toch merkte de trouwe ziel
tegenover hem, dat die lach gemaakt was.
»Ik ben vleugellam; ’t kan zijn! Het beste is dan maar dat ik mijn
vleugels niet meer gebruik om door de wereld te vliegen. Weet je wat,
Kaatje, je moest een vrouw voor me zoeken; neem morgen je korf aan den
arm en ga eens in de buurt rondkijken of daar geen aardig meisje te
vinden is.”
»Jonge heer, dat is natuurlijk gekheid, maar meent u het waarlijk, zou
u dat heusch willen?”
»Zeker, Kaatje, zeker, weet je er geen, maar ze moet blond wezen en
klein en erg, erg zacht. Verder kan ’t me niet schelen of het een
boerin of een freule is. Ken je er zoo een?”
»Laat eens kijken! Trinette van den notaris, o neen, dat is een echte
kweggel, zooals ze hier zeggen voor een nuf, die zou u niet bevallen,
de freule van het Eest, maar dat is een vervelende kwezel, Mimi, de
dochter van den meester, die is blond en zacht en heeft zulke mooie
blauwe oogen, maar dat is toch geen vrouw voor u, die met een prinses
verangegeerd is geweest.”
»Juist daarom, Kaatje, Mimi moet mij de prinses doen vergeten. Verzoek
ze hier op de koffie, dan kom ik eens binnen en maak een praatje.”
»Hier is de gazet, mijnheer!” zoo klonk de stem van het dienstmeisje
door de kier van de deur.
»Hé, laat eens zien!” sprak Iwan, »ik heb een Hollandsche courant in
zoo lang niet onder de oogen gehad.”
Kaatje, die er niet ontevreden over was, dat Hubertine haar in volle
glorie tegenover den jongen mijnheer zag zitten, stond spoedig op om te
voorkomen dat het meisje met haar klompen op den frisch geboenden vloer
zou treden, waggelde naar de deur, nam de courant aan en reikte ze haar
pleegzoon over. Met een glimlach keek Thoren van Hagen den inhoud langs
en las de berichten, nog altijd in datzelfde Duitsch-Hollandsch
geschreven, van vroeger; hij vond daar vele feiten bestatigd,
verdiensten aanerkend, dingen versproken, zag de advertentiën door van
candidaten voor de een of andere verkiezing, die zich zelf aanboden en
beloften gaven, welke zij toch zeker van plan waren niet te houden,
getuigenissen omtrent beginselvastheid, welke niemand vertrouwde, warme
aanbevelingen van eenige kiezers om op X in plaats van IJ te stemmen,
vergezeld door leelijke verdachtmakingen van de tegenstanders.
»Niets veranderd, niets!” dacht Thoren van Hagen, »ik ben dezelfde niet
meer; kom, wie weet of mijn naam ook niet eenmaal op die vierde
bladzijde met groote letters zal prijken of ik mij niet hoogachtend en
minzaam aan heeren kiezers aanbeveel, wier belangen ik op de civielste
wijze zal behartigen. Wel zeker, ik ga hier mijn tenten opslaan en zal
met Mimi kennismaken. Hé wat beteekent dat..... Ramp op Java,
uitbarsting van den Merawoe.”
Kaatje zag dat haar jonge mijnheer plotseling verdiept raakte in de
lezing van de gazet, dat zijn wenkbrauwen zich plotseling samentrokken
en een doodsbleeke kleur zijn wangen bedekte.
»Vreeselijk.... vreeselijk!” mompelde hij.
»Maar wat is er toch gebeurd, jonge heer?” vroeg zij bezorgd.
»Och, een groot ongeluk op Java, waar ik nog onlangs... ik bedoel het
vorige jaar, geweest ben. Je moest mij eens alle couranten van den
laatsten tijd bij mekaar zoeken, Kaatje! daar vind ik misschien iets
naders. Morgen ga ik naar Maastricht. Mej. de G. zwaar gewond, mevrouw
van A.—dat is Dolly—dood gevonden, het landhuis ingestort. Maar wat
gaat het mij eigenlijk aan en toch... toch...”
Alle fraaie plannen van huwelijk en vestiging waren voorloopig tot
onbepaalden tijd uitgesteld.