In de fraaie vallei, die zich tusschen Maastricht en Aken uitstrekt,
ligt een paar uur van de spoorbaan verwijderd tusschen de glooiende,
met korenvelden bedekte heuvels, een onaanzienlijk dorpje;
boerenwoningen liggen verstrooid in de kom, met hun stallingen omgeven
door hooge muren en door boomgaarden, die daaraan grenzen.
Op eenigen afstand van het wit bepleisterde, door dennen omringd kerkje
staat het zoogenaamde kasteel, een huis, dobbelsteenvormig gebouwd, uit
gelen mergelsteen opgetrokken, die er thans grauw en verweerd uitziet,
voorzien van een klokketorentje, waarin een verroeste bel hangt,
waarschijnlijk zonder klepel, en dat een windwijzer draagt, welks haan
altijd zelfs te midden van sneeuw en vorst zuidenwind verkondigt.
Een grasperk, met eenige appelboomen beplant, strekt zich voor het huis
uit. Van achteren vormt een met kreupelhout begroeide heuvel een niet
onaardigen achtergrond; een boerderij staat wat meer naar voren, rijk
voorzien van alle meer schilderachtige dan mooie toebehooren, van zulke
Limburgsche instellingen onafscheidelijk; moeder kip met haar kuikens
wandelen ongestoord op het zand van de woning, trippelen op den
varkenstrog en vreezen niet, een bezoek te brengen op de roode steenen
van de deel.
’t Is middag vier uur en vrij warm, als er een reiziger door den hollen
zandweg, die alleen tot het dorp toegang verleent, komt aangewandeld.
Hij heeft een breeden stroohoed met neervallende randen op en draagt
een grijs, licht fantasiecostuum, dat zijn slanke, krachtige gestalte
goed doet uitkomen; een valiesje hangt over zijn schouder en een
cigarette rookende ziet hij rond, met den blik van iemand, die elken
struik, elken boom kent en ze met belangstelling terugziet.
De landlieden, die hem tegenkomen, schuiven beleefd aan de pet en
wijden hem verder nauwelijks een blik; een vrouw, diep gebogen onder
den zak gesneden klaver, dien zij op het hoofd draagt, daalt een der
heuvels af, beneden gekomen werpt zij haar last weg en strijkt zich met
den blauwen boezelaar over het gelaat om de druppels, die langs het
zwarte kapje op haar voorhoofd glimmen, af te wisschen.
Een weinig nieuwsgierig ziet ze hem aan en vraagt in de eigenaardig
zangerige spraak dier streken:
»Moet de heer op ’t kasteel wezen?”
»Ja” antwoordde hij in hetzelfde dialect, »maar ik ken den weg wel.”
Zij verwondert zich nog even over zijn kennis totdat zij plotseling
uitroept:
»Onze jonge heer!”
»Die wat oud geworden is. Hé, ben je Mieke niet van den halvert [110]?”
»Juist heer, juist! Geer zeit zeer lang weg geweest!”
»Geef me je zak maar, Mieke, ik droeg die vroeger ook voor je, daar!”
En hij nam de klaver op zijn schouders, ondanks de uitroepen en
tegenstand van Mieke; wat voor haar een last was om onder te bezwijken,
scheen voor hem nauwelijks gewicht te hebben, zoo licht tilde hij die
op zijn eenen schouder.
De boerin liep naast hem, druk pratend en vertellend van alle
veranderingen, die er in de buurt hadden plaats gehad.
»Maar op het kasteel was het precies hetzelfde. De baron was in het
laatste jaar niet meer buiten geweest, maar hij kreeg nog al veel
bezoek, die werden met het rijtuig van de statie afgehaald en de jonge
heer kwam nu te voet en droeg nog zelfs een zak klaver op zijn
schouder. Als de baron het toch zag!”
De jonge heer ging voort allerlei vragen te doen, totdat zij aan de
boerderij kwamen, waar Mieke t’huis hoorde, dat wil zeggen, die welke
zich vlak bij het »kasteel” bevond. Toen kwam de halvert naar buiten en
geloofde zijn oogen niet toen hij zijn nichtje in dat gezelschap zag.
»Wat is u bruin en groot geworden, jonge heer,” en ook de halvertsche
kwam nader, met haar vingers vol van het deeg dat zij kneedde en riep
luide dat de jonge heer zoo’n »struusche, schonen mins!” geworden was
en dat hij den zak voor Mieke gedragen had, dat was juist nog zoo iets
van vroeger. Neen, hij was dezelfde nog; nu, spoedig zou de jonge heer
eens komen »kallen” en vertellen, waar hij zooal geweest was, nu moest
hij zeker naar den baron toe.
Met een vriendelijken groet stapte hij het hekje door, dat toegang gaf
tot het vrij verwilderde grasperk en daar de groen geverfde deur
aanstond, stapte hij binnen in de kale ruimte, die te breed voor een
gang en geheel met blauwe steenen geplaveid was; aan het einde bevond
zich een plaatsje en daarop kwam de keuken uit.
’t Was Zaterdagavond, de koperen vaten lagen alle op den grond rondom
de waterpomp waar een oude kogelvormige meid met opgestroopte mouwen
druk aan het schuren was, terwijl een jongere de roode steenen van de
keuken schrobde; een grijze poes lag rustig te slapen op den rand van
een tobbe, waarin een oleander bloeide.
»Dag Kaatje!” riep de nieuw aangekomene met zijn heldere stem. Zij
keerde zich om, in de eene hand nog de zeemleeren lap, in de andere het
bakje schuurzand houdend; toen wierp zij plotseling beide weg en met
een luiden kreet vloog zij den jonkman tegemoet en viel hem om den
hals.
Hij maakte zich lachend uit haar onstuimige omhelzing los en hield haar
bij den dikken, rooden arm vast.
»Och Iwan, meneer wil ik zeggen, wie kon dat denken? Hubertine, dat is
nu onze jonge heer, van wien ik je zooveel heb verteld.”
»Wel Kaatje, je bent jonger en nog dikker geworden.”
»Vindt u, dat is toch zoo niet; och heeremijntijd, dat ik het beleven
mag. Ik zal u direct koffie klaar maken, niet waar, u lust wel een
kopje koffie. Ik dacht niet meer dat u terug zou komen; ach, wat lijkt
u sprekend op... op mevrouw zaliger. ’t Zijn precies diezelfde oogen.
En blijft u nu hier, meneer!.... jonge heer?”
»Voor zoolang ’t mij niet weer verveelt, Kaatje. Ik ben nog dezelfde
onrust van vroeger. Is mijnheer boven?”
»Ja, zal ik ’t gaan zeggen?”
»Och, neen, hij zal niet zoo erg schrikken van mijn komst.”
»Dan breng ik de keuken in orde en zal wat voor u klaar zetten. Heeft u
van middag gegeten?”
»Ik geloof ’t niet; maak zoo’n drukte niet, Ka! Je weet, daar hoû ik
minder van!”
Hij hing zijn tasch en hoed aan een der horens van den hertenkop, die
in de vestibule hing en sprong toen de roodbruin geverfde trap bij drie
treden op; hij kende nog den weg door de nauwe, geheel met blauw
behangselpapier beplakte bovengang en tikte aan een der deuren.
»Binnen,” riep een schorre stem.
’t Was er vrij donker, want de grauwe valgordijnen hingen bijna geheel
neer; een groot bed met gebloemd katoenen gordijnen, nam een der zijden
in; in het midden stond een tafel, beladen met boeken en papieren, een
hemelglobe, kaarten vol geheimzinnige teekens, passers en cirkels, iets
dat aan de werkplaats van dokter Faust deed denken.
In een hoogen fauteuil zat een lange, ineengedoken gestalte, een
beenige, uitgeteerde man met een roode Egyptische muts op de sluike,
aschgrauwe haren, een blauwe bouffante om de spitse kin en gewikkeld in
een rood-bruinen chamber-cloak, die over de hoekige knieën openhing en
een kalen militairen pantalon vertoonde.
»Dag vader,” zeide Iwan, de deur weer achter zich toetrekkend.
De mummie, want daaraan herinnerde de oude heer Thoren van Hagen meer
dan aan iets anders, hield met zijn knokige hand zijn hoofd vast, dat
hij moeilijk kon draaien en wendde toen den blik zijner uitgedoofde
oogen naar zijn zoon.
»Zoo ben je daar?” klonk het onverschillig, »je bent lang weg geweest,
och druk de deur goed toe, zij klemt een beetje. Doe ook een schopje
kolen in de kachel! Ik heb ’t koud.”
En hij wikkelde zich dieper in de wijde plooien van zijn huiskleed.
Iwan voldeed aan zijn verlangen, pookte de kachel op, die
niettegenstaande de felle zomerhitte brandde en zette zich toen
tegenover zijn vader op een krukje aan de andere zijde der tafel neer.
»Ik heb een interessant werk onder handen, de astrologie der Perzen en
Mediërs, vergeleken bij die der middeleeuwsche zwartkunstenaars. Je
wilt niet gelooven, wat een belangwekkende stof dit is, verbonden met
de ondervindingen der hedendaagsche spiritisten.”
»Doet u daar nog altijd aan, vader, en steeds met hetzelfde succes?”
»Het succes moet nog komen, ik heb veel gewonnen maar er is nog enorm
veel te doen, enorm! Wil je een brief lezen, dien je moeder heeft
geschreven.”
»Dank u, vader, dank u!” zeide Iwan met kwalijk verborgen afkeer, »hoe
houdt u het uit in deze benauwde atmosfeer?”
»De geesten zijn er t’huis, ik voel me geheel door hen omringd en
daarbij ben ik een oud man, ik heb warmte noodig, van buiten en van
binnen.”
»U vraagt me niet eens waar ik die drie jaar heb doorgebracht.”
»Och, je zult me niet meer vertellen dan je verkiest. Waar kom je nu
eigenlijk van daan?”
»Direct uit Zoeloeland.”
»Zoo en wat heb je daar uitgevoerd?”
»Gevochten tegen de Engelschen, want ik was moe van het eeuwige
doelloos ronddwalen.”
»En verveelt het je niet?”
»Ontzaggelijk!”
»Maak er een einde aan.”
»Door hier op ’t dorp te gaan boeren? Daar heb ik ook geen lust in.
Wist ik maar wat te doen!”
»Help mij de geesten oproepen, me dunkt dat je een goed medium zult
wezen.”
»Dat zal ik tot laatste toevlucht nemen; voorloopig heb ik genoeg aan
de menschen van vleesch en been. Later komen de geesten aan de beurt.”
»En je huwelijk?”
»’t Is af.”
»Zoo en ik had je mijn toestemming gestuurd in blanco.”
»Heel vriendelijk van u, maar ik heb er nog geen gebruik van gemaakt.”
»Je bent rusteloos als de wandelende Jood, Iwan!”
»Ach vader, als ik getrouwd was, zou er misschien zoo’n heel geslacht
Ahasverossen over de wereld zijn gestrooid en dat zou lastig en
vervelend zijn geweest voor den rustigen mensch. Verbeeld u eens, een
tweede volksverhuizing!”
»Ik heb ’t dadelijk gedacht toen ik dien brief van je kreeg, dat het
maar een gril was, waarvan je spoedig genoeg zou krijgen.”
»U heeft goed gedacht, vader!”
»Een tering heb je er ten minste niet van gezet.”
»Wel neen, dat is uit de mode. Hoor eens, papa, als u er op gesteld is,
dat ik u gezelschap houd dan moet u mij toestaan wat frissche lucht mee
te brengen. ’t Is hier zoo benauwend warm, ik kan hier niet blijven.”
»Waar kan je blijven?”
»Och, waar ik niet ben, daar is mijn plaats. Lach niet, vader, ik heb
de groote reis gemaakt hierheen, alleen om u gezelschap te komen houden
en nu jaagt u mij met wat brandende kolen op de vlucht. Maar ik kreeg
van mijn vader ook niet eens een hand tot welkomstgroet.”
»Ik wist niet dat je er op gesteld was. Daar!” en hij reikte hem de
kille, dorre hand toe, die Iwan in de zijne nam.
»Op mijn reizen heb ik een andere vaderhand in de mijne gevoeld, waarom
ik niet behoefde te verzoeken,” zeide hij.
»En je hebt die losgelaten?”
»Ik moest wel, helaas!”
De oude man nam hem op van het hoofd tot de voeten.
»Je ziet er knap uit, Iwan!” sprak hij met iets meer menschelijks in
toon en blik.
»Vindt u! Mij dunkt ook, voor een verwaarloosd kind ben ik niet zoo
geheel mislukt... van buiten, maar van binnen ziet het er soms ellendig
uit.”
»Je bent mijn evenbeeld, ’t is maar jammer dat je de epauletten hebt
weggeworpen. ’t Uniform zou je zoo goed hebben gestaan.”
»Jammer dat ik het niet eer heb ingezien. ’t Zijn dwazen die zich de
militaire loopbaan kiezen zonder te weten of politiek hen misschien
niet beter zou kleeden. Men wordt officier, niet om heldhaftige
beweegredenen, maar eenvoudig uit liefde voor kleuren, omdat
burgerjassen in een gezelschap zoo dof en eentonig staan.”
»Zoo! Heb je die wijsheid op je reizen opgedaan?”
»’t Is ten minste een proefje uit den schat, dien ik me vergaard heb.
Groot is die schat niet. U weet, een rollende steen raakt niet bemost.”
»Zeg ’reis Iwan, zou er geen kans zijn om weer in het leger te komen,
met je ouden rang?”
»Neen vader; dat kan niet meer, ik kan geen officier meer zijn, ik ben
er nu ongeschikt voor.”
»Zoo, is er dan iets gebeurd, wat het je onmogelijk maakt?”
»Vraag het uw geesten maar, vader! Als ze dat zeggen, dan sluit ik me
bij u op en erken hun alwetendheid.”
Hij streek met de hand dwars over het gelaat, een beweging, die hem in
den laatsten tijd gemeenzaam was geworden.
»Heb je een slag ontvangen, waarvoor je geen voldoening kunt vragen?”
vroeg de oude toovenaar.
De hoogroode kleur, die de warmte op Iwan’s gelaat had gejaagd, maakte
plaats voor doodelijk bleek.
»Hoe vraagt u dat, vader?” vroeg hij met onzekere stem.
»Je beweging deed mij dat denken, zou ik kunnen antwoorden; maar ik
denk dat de geesten het mij ingefluisterd hebben. Erken je nu hun
macht?”
»Ik zeg volstrekt niet dat het zoo is,” antwoordde hij ontwijkend, »als
men zoolang gezworven heeft, dan overkomen je allerlei avonturen en men
wordt gaandeweg ongeschikt voor ’t huiselijk leven, dat hier op de
Blinkert overigens ver te zoeken is. Misschien stoor ik uw geesten,
vader, ik ga naar beneden, tot straks!”
»Och neen, laat me van avond liever met rust. Ik verwacht een bekend
medium uit Aken en je zoudt met je eeuwigdurende rusteloosheid en je
ongeloof de geesten op de vlucht jagen.”
»Ook goed, vader, tot morgen of overmorgen, wanneer u maar verkiest.”