Corona wandelde in haar rijkleed door het rozenparadijs.
In haar eene hand hield zij haar karwats met zilveren knop, in de
andere de frissche rozen die zij had geplukt; een rozeknopje, zacht als
fluweel, half ontloken tusschen de smaragdgroene bladeren verscholen,
drukte zij aan de lippen, straks wilde zij het haar bruidegom bieden.
Het was zoo geurig hier tusschen de bloemen na het zware onweer van den
nacht. De zon dreef de wolken voor zich uit, soms schenen deze den
strijd te winnen, maar dadelijk vertoonde zij zich weer in vollen
luister en goot zelfs over die zwarte massa’s het goud van haar
verblindenden vuurschat.
Een glimlach van vreugde speelde over haar lippen, zij vreesde geen
wolken meer, zij was zoo zeker van zijn liefde, van zijn trouw na de
zoete uren van gisteravond.
Hoe teeder, hoe goed was hij toen voor haar geweest; nu zouden ze zamen
een tocht maken naar Djira, daar waar zij voor ’t eerst de zoetheid van
de liefde had gesmaakt, de eerste trillingen van het machtige, zalige
gevoel dat haar geheel vervulde en zonder hetwelk zij meende niet meer
te kunnen leven.
Op weinige stappen van haar af, trappelde haar rijpaard, door Djario
geleid; hier tusschen de rozen wilde zij haar Iwan afwachten om dan met
hem, samen den tocht te maken, die zoo genotvol beloofde te worden.
Eindelijk hoorde zij voetstappen, die naderbij kwamen; kwam hij niet te
paard?
Zij snelde naar de boog van klimrozen, die de poort van het
rozenparadijs vormde, daar stond zij tusschen de glinsterende parelen
van de regendroppels, die in het zonnelicht met zevenvoudigen glans
flikkerden, in het eenvoudige donkerroode kleed, dat haar fraaie vormen
zoo sierlijk deed uitkomen, de rozen in de hand, die niet frisscher
waren dan haar zacht gekleurde wangen en half geopende lippen; zij was
zoo schoon als zij wellicht nooit was geweest en wellicht nimmer meer
zou zijn, met die vochtige schemering als een zilveren sluier over de
glanzende oogen en die lippen half geopend, haar Iwan verwelkomend.
Hij naderde, bleek, mat, lusteloos, als iemand, die een langen weg
heeft gemaakt; ’t was hem ook of hij van den hemel weer naar de aarde
was afgedaald in een eindeloozen tocht; hij zag Corona tusschen de
rozen en het zonnelicht en lachte haar niet eens toe, hij had er geen
moed voor.
Wie weet, zoo zij er in geslaagd ware hem door haar glimlach te winnen,
zoo de zonneschijn, die in haar oogen straalde de wolken van zijn
voorhoofd had weggedreven, of het gesprek dat zich tusschen hen zou
ontspinnen geen andere wending had genomen, maar neen, zijn duistere
blik verdonkerde den hare; zij sloeg de oogen neer toen hij haar hand
nam en een vormelijken kus op haar wangen drukte.
Iwan had vele gebreken, gebreken die zelfs zijn karakter aantastten,
maar hij bezat een zeer ontwikkeld eergevoel, dat misschien aan zijn
militaire opleiding te danken was; hij verafschuwde logen en bedrog
boven alles; zulk een handelwijze als die hem uit Hermelijn’s brief
bekend werd, vervulde hem met afkeer en walging.
Als Corona tot zoo iets had medegewerkt, zou zij valsch zijn, of was
het een onbezonnenheid, een betreurenswaardige maar toch licht te
vergeven zwakheid, of achtte zij die zoo klein uit gemis aan zedelijk
rechtsgevoel? Hoe geheel anders was het tweede gedeelte van den nacht
geweest dien hij in zulke zoete betoovering begonnen had! ’s Morgens
vergat hij geheel, dat hij met Corona de afspraak gemaakt had, een
rijtoertje met haar te doen; één wensch bezielde hem alleen, haar te
spreken, haar verontschuldiging te hooren en de voldoening te eischen,
waarvan Hermelijn gewaagde.
Eerst had hij er aan gedacht naar Djantong te rijden, mondeling met
Hermine te beraadslagen, maar neen! er mocht niemand tusschen hem en
Corona staan, hij kende de zaak, er viel niet meer over te spreken. Hoe
spoediger alles tot een oplossing kwam, hoe minder over alles gepraat
werd, hoe beter het zou zijn; hij kon echter niet veinzen, hij kon,
terwijl zijn hart overvol was, niet op de gewone wijze met Corona
omgaan.
»Scheelt je iets, Iwan?” vroeg zij bezorgd.
»Ja, ik heb hoofdpijn, ik kon niet slapen en heb me toen in den gondel
neergelegd en terwijl ik zoo op ’t meer dobberde, begon het onweer, dat
heeft me een weinig ontstemd.”
»Is dat alles? Dan is ’t de moeite niet waard er zoo somber voor uit te
zien, waarom zit je niet te paard? Gaat ons tochtje niet door, je waart
er gisteravond zoo op gesteld.”
»Gisteravond! ’t Is waar ook! Ik dacht er niet aan, ik moet je eerst
spreken, Corona; hoe eer het gebeurt, hoe beter, ik kan geen wolkje
tusschen ons verdragen!”
»’t Zal iets belangrijks wezen, denk ik; kom, treed mijn paradijs
binnen, je bent er toch de koning van. Djario zal wachten met Angot, en
je kunt papa’s paard straks krijgen, als het belangrijke gesprek, dat
onderweg niet schijnt te kunnen plaats hebben, afgeloopen is.”
Zij nam zijn arm en door de paadjes wandelden zij naar het midden van
het perk, waar hoogstammige rozenstruiken een soort van rotonde
vormden; marmeren banken stonden om een tafel, waarop een menigte rozen
lagen van verschillende kleur en vorm, dezen morgen pas geplukt en voor
de bouqetten bestemd in het groote huis.
»Ga zitten, mon beau prince, wat heb je op het hart?” ging zij met
gemaakte luchthartigheid voort, want onwillekeurig voelde zij zich
bezorgd en vreemd te moede bij Iwan’s ongewonen ernst.
»Corona,” begon hij, »ik haat omwegen en afwijkingen, antwoord me
oprecht, hebt ge je niets slechts te verwijten ten opzichte van Hermine
en Conrad?”
»Bij hun huwelijk bedoel je? Weet je dan niet... ’t is zoo lang geleden
en alles is goed uitgekomen.”
»Dat doet er niet toe, ik vraag je alleen of je niets gedaan hebt bij
die gelegenheid, dat op je karakter een smet werpt?”
»Waarom vraag je dat? Is er iets gebeurd? Ik begrijp je van morgen
niet, Iwan!”
»Geef me antwoord! Hebt ge je iets te verwijten, beken het mij oprecht,
geloof me, ’t is het beste.”
Zijn stem klonk stroef en gebiedend; van hoeveel kleinigheden hangt het
lot van menschen en volken niet vaak af, een woord anders uitgesproken,
een blik van liefde, in plaats van strengheid werkt wonderen uit, doet
wijken wat onwrikbaar scheen.
Corona voelde haar trots opkomen, zij wilde zich niet buigen, zich niet
vernederen door haar ongelijk te bekennen, nu hij haar op dien toon ter
verantwoording riep.
»Ik heb niets te bekennen,” antwoordde zij koel.
»Corona, ik bid je, speel niet met mijn gevoelens! Ik weet alles; je
behoeft niets te loochenen.”
»Wat loochen ik? Ik ben je slavin niet. Als je alles weet, waarom
ondervraag je mij dan?”
»Omdat ik je niet in staat achtte tot zulk een laagheid, omdat ik uit
je mond een ontkenning hoopte te vernemen of althans een bekentenis,
die je kon verontschuldigen.”
»Ik heb mij niet te verontschuldigen tegenover je.”
»En tegenover Hermine?”
»Dat is onze zaak, zij heeft mij alles vergeven.”
Eensklaps hief zij zich op; haar gehandschoende hand, die ’t karwatsje
hield, sloeg daarmede zenuwachtig op het marmer.
»Heeft zij ’t gezegd?” vroeg zij hijgend van toorn, »heeft zij mij
verraden omdat,... omdat... zij je zelf bemint?”
»Schaam je, Corona! Hermine is edel en tot elke lage daad onbekwaam;
als zij gesproken heeft, dan is ’t om uw en mijn bestwille.”
»Ik veracht haar toch en jij, jij hebt steeds met haar samengespannen
tegen mij. Waarom je mijn liefde zocht is mij een raadsel of het moest
zijn om... om... o dat ik het niet eer bedacht, maar dan had je
evengoed Margot kunnen vragen!”
»Corona, we zijn geen kinderen meer, laat ons het geluk van een dubbel
leven niet verspelen door een booze gril. Ik weet, je hebt die brieven
geschreven, je hebt je schuldig gemaakt aan valschheid in geschrifte,
aan een daad, die niet alleen strafbaar is voor de rechtbank van het
geweten maar ook voor den burgerlijken rechter....”
»Geef me aan, laat me in de gevangenis sluiten, dan ben je vrij!”
»Ondeugend kind, ik luister niet eens naar je; zeg me één woord,
Corona, zeg dat het je spijt, dat je in een onbezonnen oogenblik
handelde, dat je gehoor gaf aan den boozen raad van een slecht
schepsel.”
»De schuld op een ander werpen, nooit! Als ik iets doe, dan draag ik er
ook zelf de gevolgen van.”
»Word niet zoo driftig, liefste...”
»Noem me zoo niet! Ik heb Conrad laten spreken van een liefde, die hij
niet voelde, ik was zoo schuldig niet als jij, die me dagelijks
bedriegt met woorden van valsche liefde, je hebt nooit van me gehouden.
Je hart hangt alleen aan Hermine...”
»Houd op met die dwaasheid, geef me je hand!”
Zij rukte die met geweld los en bij deze beweging vielen de rozen ter
aarde, waar ze weldra verwelkt en vertrapt zouden terneder liggen.
»Laat ons het pleit in liefde beslechten,” smeekte Iwan, »ik bid je,
Corona, wees zoo driftig niet. Beleedig mij niet met die ongegronde
verwijten, zeg niets, wat onherroepelijk zou kunnen worden. Hermine
heeft hier niets te maken dan alleen dat je om haar een
beklagenswaardige zwakheid bedreef. Beken dat je die betreurt en, tot
bewijs daarvan, stuur haar weg, die er de oorzaak van is, want je kunt
het niet gedaan hebben uit eigen beweging, je bent er te edel, te goed
voor.”
»En als ik ’t niet doe, als ik Iteko, want die bedoel je, niet wegzend,
als ik alleen de volle verantwoordelijkheid wil blijven dragen van mijn
handelingen waarvan ik geen enkele betreur?”
»Dan... dan, Corona, zal ik denken dat wij niet bij elkaar passen, dat
een huwelijk tusschen ons onmogelijk is bij zulke geheel verschillende
begrippen over eer- en plichtgevoel.”
»Dat heb je waarschijnlijk goed gedacht. Ik heb die brieven laten
schrijven door Iteko, ’t is waar, door Iteko, die je verafschuwt en nu
verlang je van mij, dat ik het arme schepsel, dat geen andere schuld
heeft dan dat ze mij gehoorzaam was, daarom zou ontslaan; evengoed kan
je mij dwingen mijzelf tegen te spreken, ik laat me door niemand
bevelen.”
»Er is geen sprake van bevelen!”
»Je weet, wat ik je vroeger zei toen je hebt geweigerd, iets dat je
niet beviel te doen ter liefde van mij. Nu staan de zaken gelijk, ik
weiger ook want ik zie het redelijke niet in van je verzoek.”
»Corona, heb ik dan niet feitelijk je wensch gedaan? Is die zaak niet
vergeten?”
»Je hebt er mij weer aan herinnerd.”
»Welnu, laat het voor ’t laatst zijn, een woord van je maakt alles
goed! Beken je onrecht, door haar te verwijderen. Ik bid er je om,
Corona, bij onze liefde!”
»Die bestaat niet. Als bevelen niet baten dan begin je te bidden. Ik
luister naar geen van beide; ’t is een lage wraakneming van Hermine,
een samenspanning van allen tegen mij en Iteko. Je allen haat haar
omdat zij mij liefheeft; ’t is laag van je, Iwan, dat ge je door hen
laat medeslepen om tegen mij op te treden. De brievengeschiedenis,
meende ik, was ook door Conrad en Hermine vergeten, nu moet je die
oprakelen om je macht over mij te toonen, daarom was je gisteravond zoo
bijzonder teeder... ô mijn God, mijn God! wat een komedie om mij te
bedriegen, schandelijk!”
»’t Is niet waar, van nacht eerst...”
»Heb je alles vernomen? Ik geloof je, stellig, je bent immers een man
van eer, ha, ha!”
Zij lachte droog, valsch, snijdend, met een klank, die Iwan door de
ziel sneed en hem vreemd voorkwam, als ware het een ander, die zoo
lachte.
»Corona, wilt ge je bedenken?” vroeg hij.
»Neen, ik doe slechts wat mij redelijk voorkomt. Ik heb mijn eigen
begrippen, evenals jij; kunnen wij ze niet in harmonie brengen, welnu
laat ons scheiden nu het nog tijd is.”
»Mijn lieveling, mijn Corona,” riep hij uit, half snikkend, »verstoor
toch zoo roekeloos ons levensgeluk niet. Als je wist hoe innig ik je
liefheb, hoe gelukkig ik gisteravond was, vóór dat die schaduw op mijn
geluk viel...”
»Je liegt, Hermine zal ’t ontgelden.”
Haar geheele lichaam sidderde, haar oogen schoten vonken vuur, haar
neusvleugels trilden en zij sloeg haar karwats in machtelooze woede
tegen de rozen en het marmer.
»Laat die dwaze wraaknemingen, Corona, wij kunnen zoo gelukkig zijn,
als je die ellendige drift onderdrukt en de zaak kalm aanziet; geloof
me, ik zou niet ernstig bij je aandringen op iets dat je zwaar viel,
als ik niet zag dat onze toekomst er mee gemoeid was, als ik niet
begreep dat er tusschen ons geen vrede, geen vertrouwen meer mogelijk
ware, vóór je mij dat offer brengt, vóór je mij getoond hebt dat die
onbezonnen daad je berouwt.”
»Ze berouwt mij niet, er is maar één ding, dat ik ongedaan wenschte te
maken, onze verloving. Ik wil geen tyran, die mij bedriegt bovendien en
een liefde huichelt, welke hij nimmer voor mij heeft gevoeld.”
»De drift doet je dwalen, Corona, je meent het niet en ik vergeef je.
Ik bid er je om, geef toe! Is het niet schandelijk dat je een oogenblik
weifelt tusschen Iteko en mij, mij, je bruidegom, wien je voor God het
woord van trouw verpandde?”
»Iteko meent het beter met mij, je hebt mij ten huwelijk gevraagd om
mijn fortuin, om den invloed van papa, omdat zij...”
»Dat weet je beter, vraag het je vader eens.... Corona, kom tot je
zelf, ik zal heengaan, ge zult je bedenken als je kalmer bent.”
Hij wilde de armen om haar heen slaan, haar met zacht geweld tot
overgave dwingen maar juist door die liefkoozing werd haar toorn tot
het toppunt gevoerd, zij rukte zich met geweld los uit zijn krachtige
omarming.
»Raak me niet aan!” siste zij met tijgerachtige uitdrukking in de
oogen. »Ga naar die andere, maar mij vergeten zal je nooit, nooit!” en
snel als de gedachte hief zij haar karwats op en sloeg hem daarmee
dwars door het gelaat.
Iwan werd doodsbleek, de striem gloeide en brandde als vuur; hij
wankelde even, doch onmiddellijk wrong hij het zweepje uit haar hand en
slingerde het verre weg tusschen de rozestruiken.
»Vaarwel,” zeide hij kort en dof, »je weet waar ik woon, als je mij nog
iets naders te zeggen hebt. Morgen ben ik vertrokken!”