Een tropische nacht vol maneschijn, zoo helder als zilver, zoo stralend
als het den broeder van den dag past; het meer ligt in diamanten glans
tusschen de met een tooverachtig blauwen gloed overgoten heuvels; als
een reusachtige sleep van glinsterend wit satijn laat de maan haar
stralen over het licht gerimpelde water glijden, de eilanden schijnen
ruikers van zilverkant en glinsterende pluimen; in de verte klinken de
verwijderde tonen van een gamelang, nu en dan afgebroken door de
schrille kreten van een boschvogel; hoog in de lucht wiegelen zich als
tressen van bloemen, de slingerende takken der orchideeën onder de
lichte aanraking van een nachtvlinder, geheimzinnig ritselen de
insekten in het geboomte en de krekels zingen er hun eentonig lied; de
vuurvliegjes dansen als op de maat van een onzichtbaar orkest,
duizenden geuren vervullen de lucht en hullen alles in een atmosfeer
van bedwelmende zoetheid en genot.
Thoren van Hagen was vrij laat van het groote huis teruggekeerd geheel
onder de betoovering van den heerlijken nacht; zijn hart en geest toch
waren in harmonie met de weelde, die hem omringde. Nog nooit had hij
zich aan Corona zoo innig verbonden gevoeld, de lichte wolkjes, die
soms in hun liefdeshemel dreven, waren weggevaagd, waardoor wist hij
zelf niet en zij evenmin; ook zij had alles vergeten wat haar
verontrustte, wat haar ergerde, om niets te voelen dan dat haar ziel
opging in de zijne, dat hij haar koning, haar meester was, dien zij
boven alles liefhad en vereerde.
Zij hadden haast niet kunnen scheiden, misschien was het de maneschijn,
die ook over hun gevoelens zulk een toovergloed spreidde, maar hij
ondervond nu eindelijk wat hij zoo gewenscht had, dat zij zijn ziel
vervulde, dat hij zich gelukkig en zalig voelde bij het bewustzijn dat
zijn leven voor goed aan het hare verbonden was, dat slechts de dood
hen kon scheiden, nadat het beslissende woord tusschen hen zou zijn
uitgesproken.
Hij wandelde naar huis in een soort van verrukking; het was of de geur
harer glanzende lokken nog steeds de lucht vervulde, of het licht dat
uit hare oogen glansde, schitterde in het flikkeren der sterren; of in
het geheimzinnige ruischen der bladeren, het tjilpen der insekten haar
stem naklonk, die hem woorden vol liefde en trouw hadden
toegefluisterd.
Alles sprak van Corona, alles scheen door haar bezield; nog slechts
weinige minuten geleden had hij haar verlaten en nu reeds smachtte hij
naar haar tegenwoordigheid terug, telde bij de uren, die nog moesten
verloopen vóór hij haar terug zag, zijn parel, zijn kroon, zijn
koningin! ’t Was hem niet mogelijk in huis terug te keeren, zich daar
prozaisch neer te leggen om te slapen, neen, hij had behoefte aan de
nachtlucht om zijn brandend voorhoofd af te koelen, om eenigszins tot
kalmte te geraken of liever om zijn droom van liefde en geluk zoo lang
mogelijk voort te zetten.
Hij bond den gondel los, strekte zich op het fluweelen kleed neder, dat
er nog steeds gespreid lag, nadat zijn koningin daar had gerust, en
liet het bootje toen vrij over de kalme zilveren golfjes glijden.
Onbewegelijk lag hij daar alleen in de stille majesteit van den nacht,
onder het fonkelend oog der maan en de bleeke schittering der sterren;
neen, zoo had hij zich nimmer gevoeld! Was het deze stemming geweest,
die eens den verdwaalden monnik van Heisterbach vervulde, toen hij
eeuwen lang naar het zingen van een vogeltje luisterde, en ze voor een
oogenblik rekende? Is het dit gevoel dat ons tot loon gegeven wordt, na
een leven vol moedig doorgestanen strijd en lijden, dit gevoel, zoo
diep, zoo innig, zoo rein en hoog, dat een eeuwigheid kan vervullen en
ons niet bedreigt met de zwarte schaduw van moeheid en einde, zou dat
de hemel zijn, dien men op aarde zoo licht vergeet en waaraan slechts
de vermoeiden en overwonnelingen in den strijd des levens denken als
aan een plaats van rust en vrede, maar die den moedigen kampvechters te
vaak voorkomt als het einde van alle genot door strijd en arbeid
verkregen, als het tegenbeeld van het rijke menschenleven, waaraan
licht en schaduw beide gelijke waarde geven? En Thoren van Hagen
luisterde slechts naar het vogeltje dat diep in zijn hart zong van
liefde, geluk en leven; alles werd hem immers aangeboden, alles, wat
hij zich in de stoutste droomen zijner jeugd zou hebben toegewenscht.
Liefde en eerzucht werden tegelijk bevredigd.
In een lang gesprek dat hij met den man had gehad, die hem nu reeds de
vaderliefde schonk, welke hij zijn leven lang ontbeerd had, was hem de
belofte gegeven, dat hij de leenheer zou worden van dit uitgestrekte
gebied, een klein koninkrijk bijna. Zooveel hij kon zou hij gunstige
bepalingen voor de andere broers en zusters verkrijgen; werkelijk zou
hun lot belangrijk verbeteren, hij toch had de zware verantwoording te
dragen van alles; zij werden slechts goed betaalde uitvoerders van zijn
wil.
Hoe zou hij de macht, die hij ging bezitten, gebruiken, hoe zou hij die
aan het schoone land, dat hem zooveel bood, ten goede laten komen,
hoeveel plannen van beschaving en hervorming drongen zich niet op aan
zijn geest. Eindelijk had hij een doel gevonden, waarvoor het de moeite
waard was te werken en te leven; wie weet welke luchtkasteelen hij zich
niet schiep, of hij niet droomde van een onafhankelijk rijk dat hij
zich hier in het midden van Java zou stichten, een rijk, waarvan Corona
koningin zou worden. Alles neemt zulke groote, onnatuurlijke
verhoudingen aan als hemel en aarde zich baden in een fantastisch
licht, als de ziel vervuld is van een liefde, waaraan niets te zwaar
valt, als slechts een koningskroon waardig schijnt het voorhoofd te
versieren van de schoone bruid, die men zich verworven heeft.
»Ik heb de kroon en zal mij het koninkrijk winnen,” zeide hij vol
trots.
Zacht danste de gondel voort en hij lag daar nog steeds in zijn droom
van een zaligheid zoo groot, zoo volmaakt, dat hij niet eens bemerkte
hoe zij allengs in diepen weemoed overging, want ach! flauw is de
grens, die hier beneden de hoogste vreugde scheidt van stille smart.
Hij dacht aan zijn moeder, zijn jonge, lieve moeder die het leven, dat
hem thans zoo benijdenswaardig, zoo vol, zoo heerlijk toescheen, van
zich had afgeworpen, als ware het een ondragelijke last; hij gedacht
zijn vader, die het nog steeds voortsleepte, beladen met wroeging en
zonde, en medelijden inplaats van wrok vervulde voor het eerst zijn
ziel jegens hem; hij gevoelde zich thans verheven boven alles, zoo
gelukkig en goed, hij vergat al wat de wereld boos en laags heeft en
herinnerde zich slechts met droevige belangstelling hen, die weenden en
leden op deze, hem louter rozen biedende aarde.
Neen, hij had nu een uitgebreid veld vóór zich om te arbeiden, hij
wilde niet meer zwerven, het geluk zoekende, hij had het gevonden, het
zou ondankbaar wezen het niet op te nemen, niet te gebruiken tot geluk
zijner medebroeders. Hij voelde er behoefte aan dien God te danken,
wiens tegenwoordigheid hij thans zoo duidelijk voelde, aan wiens
bestaan hij in dit uur, nu hij zijn liefde en goedheid in zoo volle
mate ondervond, niet meer twijfelen kon zooals hij ’t wellicht
menigmaal gedaan had in het gewoel der wereld en in den strijd der
hartstochten.
Dit uur van vreugde en geluk, eerst later zou hij inzien hoeveel waarde
het voor zijn toekomstig leven zou hebben, hoeveel hij daaraan dankte,
niettegenstaande....
Hoelang hij daar in dat bootje zachtkens dobberde wist hij zelf niet,
misschien zette hij in lichte sluimering de droomen voort, die hij
wakend begonnen had; wellicht verkeerde hij thans werkelijk in het
tooverland, dat hij zich geschapen had. Het zachte nachtkoeltje streek
langs zijn gloeiende slapen, de stralen der maan gleden over zijn
voorhoofd en zijn toegevallen oogleden; boven dartelden kleine
speelsche wolkjes, zacht en wollig als opstijgend schuim, zij zweefden
langs de maan als om door haar voor een oogenblik in zilverdons te
verkeeren; zij stoeiden voor het aanschijn der sterren en naderden
elkaar meer en meer, werden donkerder en ernstiger, dikker en grauwer;
duisternis viel op de doorschijnende wateren van het meer, de schaduwen
verdwenen, licht en bruin losten zich op in eentonig zwart; schriller
klonk het gesis der insecten, het gekras der nachtuilen. De wind stak
op, koud en guur, de golven stegen onder zijn prikkel hooger en hooger
en slingerden het bootje, waarin Iwan nog steeds droomde, onstuimig
heen en weer, eindelijk vielen groote regendroppelen op zijn gelaat en
hij ontwaakte om te bemerken, hoe alles rondom veranderd was, hoe, waar
straks nog kalmte en rust heerschten thans storm en onweer loeiden.
»Is dat het beeld van mijn leven, zal dat het uur van onvermengd geluk
opvolgen, waaraan ik het woord van Faust, »Verweile, Du bist so schön!”
heb toegeroepen?” vroeg hij zich af, terwijl hij de riemen opnam en met
een paar krachtige slagen, den oever naderde.
Nu was een geweldige storm over het gebergte losgebarsten,
bliksemstralen verlichtten het landschap dat daar straks zoo vredig en
stil in het staalkleurige maanlicht glansde. Thoren van Hagen trad zijn
huis binnen, ontstak de lamp in zijn kamer en sloot de ramen waardoor
de regen naar binnen sloeg.
De lamp hing boven zijn met boeken en papieren beladen schrijftafel,
vlak vóór hem lagen couranten en brieven, die de postbode had gebracht.
Hij was vast besloten zich door niets te laten ophouden en zoo spoedig
mogelijk zich neer te leggen om aan den langen dag een einde te maken
en weldra den zonnigen morgen terug te zien, die hem weer naar zijn
Corona zou voeren.
»Als zij hier is, wat deren mij storm en onweer nog?” vroeg hij zich af
en wierp een verstrooiden blik op de papieren. »Een brief met
geëntrelaceerde H. G. en het grafelijke kroontje der Saint-Pauls. Van
wie is dat, van Hermelijn, een invitatie zeker.”
Hij brak de enveloppe en las:
»Waarde Iwan,”
In een hoek stond in Hermelijn’s sierlijk handschriftje het woord
»confidentieel”.
»Wat voor grap mag dat wezen,” dacht hij, glimlachend, »vier
bladzijdjes lang, ’t is de moeite waard.”
»Ik kom een beroep doen op uw eer als man, en u verzoeken te gelooven
dat slechts belangstelling in uw toekomstig lot mij doet handelen, en
met weerzin er toe besluiten u iets te openbaren, dat gij naar mijn
oordeel weten moet. Ook Conrad is van meening dat het noodzakelijk
wordt u op de hoogte te brengen van een zaak, die van het grootste
gewicht is en waarvan gij onderricht moet zijn, zoo ge het karakter
uwer aanstaande vrouw op de rechte waarde wilt schatten.
»Ik wil er echter Corona geen verwijt van maken; ik heb alles vergeven
en vergeten. Zoo er geen maatregelen voor de toekomst te nemen waren,
zou ik hebben gezwegen, maar ik moet nu aandringen op iets, waartegen
ik u reeds met een enkel woordje heb gewaarschuwd op den dag toen gij
een klein geschil met Corona hadt.
»’t Kost me moeite een zaak aan te roeren, die tot het verledene
behoort en voor mij, althans nu, slechts de beste gevolgen heeft
gehad....”
»Mijn hemel, wat een omhaal van woorden, dat ben ik van Hermelijn niet
gewoon,” mompelde Iwan ongeduldig en las met weerzin voort.
»Ge weet, hoe ongelukkig mijn huwelijk in den eersten tijd was en hoe
schandelijk men mij bedrogen heeft; het middel daartoe bestond in een
reeks van brieven, die Conrad mij heette te schrijven en waarvan hij in
waarheid den inhoud niet eens kende, want ze waren afkomstig van
Corona.”
Een bliksemstraal schitterde voor een seconde en onmiddellijk daarop
knalde een hevige donderslag; juist bracht Thoren van Hagen de hand aan
het voorhoofd, hij duizelde, het was of hij zich getroffen voelde. Was
het door den slag of door het gelezene?
»Zij heeft die brieven geschreven, waarin Conrad van liefde en trouw
sprak, hij, die me niet kende, die mij toen als een indringster haatte.
Mijn brieven werden beantwoord door haar, en zoo gelukte het Corona mij
in een net van verraad en bedrog te vangen.
»Verbeeld u mijn verontwaardiging, mijn wanhoop toen ik die ontzettende
waarheid vernam, ge begrijpt hoe ik Corona verachtte en slechts met
afschuw zag, dat gij uw leven aan het hare wildet verbinden.”
Thoren van Hagen haalde zwaar adem, het zweet parelde op zijn
voorhoofd, zijn handen waren kil en klam.
»En toch geloof ik niet dat Corona zoo schuldig is. Een booze demon,
een duivel in menschengedaante waart rondom haar, zij heeft haar alles
ingeblazen; haar uiterlijk vervulde mij reeds dadelijk met diepen
afkeer en die antipathie bleek niet ongegrond.
»Ge begrijpt dat ik u van Iteko wil spreken, de booze raadgeefster van
Corona; zij heeft die brieven geschreven, zij wekte haar jalouzie op
tegen mij, zij zal uw huiselijk geluk storen zooals zij Corona’s
karakter reeds bedorven heeft.
»Ondanks haar heerschzuchtig optreden en koninklijk voorkomen is Corona
zwak; zij ondergaat gemakkelijk zekeren invloed. Als zij iemand lief
heeft, dan volgt zij gaarne diens raad, en geeft haar oordeel aan het
zijne gaarne over; zoo is ’t Iteko gelukt haar te leiden en op dit
oogenblik strijdt haar overwicht tegen het uwe.
»Er kan voor u geen geluk wezen zoolang Iteko in haar nabijheid blijft;
de eerlooze daad, waartoe zij uw aanstaande vrouw verleidde, is er een
bewijs van hoezeer zij haar omlaag wist te trekken en hoe weinig
Corona’s vastheid van karakter bestand is tegen het verleidend sissen
van die slang.
»Ik verzoek u dus in uw eigen belang niet alleen maar ook om mij een
voldoening te geven over hetgeen ik door het schandelijk bedrog van
meesteres en dienstmaagd lijden moest, aan te dringen dat Corona haar
confidente onmiddellijk laat vertrekken.
»Wanneer zij werkelijk u zoo liefheeft als zij het ieder wil doen
gelooven, zal haar dit niet den minsten strijd kosten.
»Ge moet natuurlijk haar zeggen dat ge alles weet, maar ge begrijpt dat
het voor mij van het grootste belang blijft, dat zij niet vermoedt van
wie deze waarschuwing afkomstig is.
»Ik leg u dus geheimhouding op, die ge slechts in geval van nood moogt
verbreken.
»Handel naar goedvinden, ge weet nu alles.
Hermine.”
De schoone dag vol liefde en weelde was vervlogen.