XLVI.

Een tropische nacht vol maneschijn, zoo helder als zilver, zoo stralend

als het den broeder van den dag past; het meer ligt in diamanten glans

tusschen de met een tooverachtig blauwen gloed overgoten heuvels; als

een reusachtige sleep van glinsterend wit satijn laat de maan haar

stralen over het licht gerimpelde water glijden, de eilanden schijnen

ruikers van zilverkant en glinsterende pluimen; in de verte klinken de

verwijderde tonen van een gamelang, nu en dan afgebroken door de

schrille kreten van een boschvogel; hoog in de lucht wiegelen zich als

tressen van bloemen, de slingerende takken der orchideeën onder de

lichte aanraking van een nachtvlinder, geheimzinnig ritselen de

insekten in het geboomte en de krekels zingen er hun eentonig lied; de

vuurvliegjes dansen als op de maat van een onzichtbaar orkest,

duizenden geuren vervullen de lucht en hullen alles in een atmosfeer

van bedwelmende zoetheid en genot.

Thoren van Hagen was vrij laat van het groote huis teruggekeerd geheel

onder de betoovering van den heerlijken nacht; zijn hart en geest toch

waren in harmonie met de weelde, die hem omringde. Nog nooit had hij

zich aan Corona zoo innig verbonden gevoeld, de lichte wolkjes, die

soms in hun liefdeshemel dreven, waren weggevaagd, waardoor wist hij

zelf niet en zij evenmin; ook zij had alles vergeten wat haar

verontrustte, wat haar ergerde, om niets te voelen dan dat haar ziel

opging in de zijne, dat hij haar koning, haar meester was, dien zij

boven alles liefhad en vereerde.

Zij hadden haast niet kunnen scheiden, misschien was het de maneschijn,

die ook over hun gevoelens zulk een toovergloed spreidde, maar hij

ondervond nu eindelijk wat hij zoo gewenscht had, dat zij zijn ziel

vervulde, dat hij zich gelukkig en zalig voelde bij het bewustzijn dat

zijn leven voor goed aan het hare verbonden was, dat slechts de dood

hen kon scheiden, nadat het beslissende woord tusschen hen zou zijn

uitgesproken.

Hij wandelde naar huis in een soort van verrukking; het was of de geur

harer glanzende lokken nog steeds de lucht vervulde, of het licht dat

uit hare oogen glansde, schitterde in het flikkeren der sterren; of in

het geheimzinnige ruischen der bladeren, het tjilpen der insekten haar

stem naklonk, die hem woorden vol liefde en trouw hadden

toegefluisterd.

Alles sprak van Corona, alles scheen door haar bezield; nog slechts

weinige minuten geleden had hij haar verlaten en nu reeds smachtte hij

naar haar tegenwoordigheid terug, telde bij de uren, die nog moesten

verloopen vóór hij haar terug zag, zijn parel, zijn kroon, zijn

koningin! ’t Was hem niet mogelijk in huis terug te keeren, zich daar

prozaisch neer te leggen om te slapen, neen, hij had behoefte aan de

nachtlucht om zijn brandend voorhoofd af te koelen, om eenigszins tot

kalmte te geraken of liever om zijn droom van liefde en geluk zoo lang

mogelijk voort te zetten.

Hij bond den gondel los, strekte zich op het fluweelen kleed neder, dat

er nog steeds gespreid lag, nadat zijn koningin daar had gerust, en

liet het bootje toen vrij over de kalme zilveren golfjes glijden.

Onbewegelijk lag hij daar alleen in de stille majesteit van den nacht,

onder het fonkelend oog der maan en de bleeke schittering der sterren;

neen, zoo had hij zich nimmer gevoeld! Was het deze stemming geweest,

die eens den verdwaalden monnik van Heisterbach vervulde, toen hij

eeuwen lang naar het zingen van een vogeltje luisterde, en ze voor een

oogenblik rekende? Is het dit gevoel dat ons tot loon gegeven wordt, na

een leven vol moedig doorgestanen strijd en lijden, dit gevoel, zoo

diep, zoo innig, zoo rein en hoog, dat een eeuwigheid kan vervullen en

ons niet bedreigt met de zwarte schaduw van moeheid en einde, zou dat

de hemel zijn, dien men op aarde zoo licht vergeet en waaraan slechts

de vermoeiden en overwonnelingen in den strijd des levens denken als

aan een plaats van rust en vrede, maar die den moedigen kampvechters te

vaak voorkomt als het einde van alle genot door strijd en arbeid

verkregen, als het tegenbeeld van het rijke menschenleven, waaraan

licht en schaduw beide gelijke waarde geven? En Thoren van Hagen

luisterde slechts naar het vogeltje dat diep in zijn hart zong van

liefde, geluk en leven; alles werd hem immers aangeboden, alles, wat

hij zich in de stoutste droomen zijner jeugd zou hebben toegewenscht.

Liefde en eerzucht werden tegelijk bevredigd.

In een lang gesprek dat hij met den man had gehad, die hem nu reeds de

vaderliefde schonk, welke hij zijn leven lang ontbeerd had, was hem de

belofte gegeven, dat hij de leenheer zou worden van dit uitgestrekte

gebied, een klein koninkrijk bijna. Zooveel hij kon zou hij gunstige

bepalingen voor de andere broers en zusters verkrijgen; werkelijk zou

hun lot belangrijk verbeteren, hij toch had de zware verantwoording te

dragen van alles; zij werden slechts goed betaalde uitvoerders van zijn

wil.

Hoe zou hij de macht, die hij ging bezitten, gebruiken, hoe zou hij die

aan het schoone land, dat hem zooveel bood, ten goede laten komen,

hoeveel plannen van beschaving en hervorming drongen zich niet op aan

zijn geest. Eindelijk had hij een doel gevonden, waarvoor het de moeite

waard was te werken en te leven; wie weet welke luchtkasteelen hij zich

niet schiep, of hij niet droomde van een onafhankelijk rijk dat hij

zich hier in het midden van Java zou stichten, een rijk, waarvan Corona

koningin zou worden. Alles neemt zulke groote, onnatuurlijke

verhoudingen aan als hemel en aarde zich baden in een fantastisch

licht, als de ziel vervuld is van een liefde, waaraan niets te zwaar

valt, als slechts een koningskroon waardig schijnt het voorhoofd te

versieren van de schoone bruid, die men zich verworven heeft.

»Ik heb de kroon en zal mij het koninkrijk winnen,” zeide hij vol

trots.

Zacht danste de gondel voort en hij lag daar nog steeds in zijn droom

van een zaligheid zoo groot, zoo volmaakt, dat hij niet eens bemerkte

hoe zij allengs in diepen weemoed overging, want ach! flauw is de

grens, die hier beneden de hoogste vreugde scheidt van stille smart.

Hij dacht aan zijn moeder, zijn jonge, lieve moeder die het leven, dat

hem thans zoo benijdenswaardig, zoo vol, zoo heerlijk toescheen, van

zich had afgeworpen, als ware het een ondragelijke last; hij gedacht

zijn vader, die het nog steeds voortsleepte, beladen met wroeging en

zonde, en medelijden inplaats van wrok vervulde voor het eerst zijn

ziel jegens hem; hij gevoelde zich thans verheven boven alles, zoo

gelukkig en goed, hij vergat al wat de wereld boos en laags heeft en

herinnerde zich slechts met droevige belangstelling hen, die weenden en

leden op deze, hem louter rozen biedende aarde.

Neen, hij had nu een uitgebreid veld vóór zich om te arbeiden, hij

wilde niet meer zwerven, het geluk zoekende, hij had het gevonden, het

zou ondankbaar wezen het niet op te nemen, niet te gebruiken tot geluk

zijner medebroeders. Hij voelde er behoefte aan dien God te danken,

wiens tegenwoordigheid hij thans zoo duidelijk voelde, aan wiens

bestaan hij in dit uur, nu hij zijn liefde en goedheid in zoo volle

mate ondervond, niet meer twijfelen kon zooals hij ’t wellicht

menigmaal gedaan had in het gewoel der wereld en in den strijd der

hartstochten.

Dit uur van vreugde en geluk, eerst later zou hij inzien hoeveel waarde

het voor zijn toekomstig leven zou hebben, hoeveel hij daaraan dankte,

niettegenstaande....

Hoelang hij daar in dat bootje zachtkens dobberde wist hij zelf niet,

misschien zette hij in lichte sluimering de droomen voort, die hij

wakend begonnen had; wellicht verkeerde hij thans werkelijk in het

tooverland, dat hij zich geschapen had. Het zachte nachtkoeltje streek

langs zijn gloeiende slapen, de stralen der maan gleden over zijn

voorhoofd en zijn toegevallen oogleden; boven dartelden kleine

speelsche wolkjes, zacht en wollig als opstijgend schuim, zij zweefden

langs de maan als om door haar voor een oogenblik in zilverdons te

verkeeren; zij stoeiden voor het aanschijn der sterren en naderden

elkaar meer en meer, werden donkerder en ernstiger, dikker en grauwer;

duisternis viel op de doorschijnende wateren van het meer, de schaduwen

verdwenen, licht en bruin losten zich op in eentonig zwart; schriller

klonk het gesis der insecten, het gekras der nachtuilen. De wind stak

op, koud en guur, de golven stegen onder zijn prikkel hooger en hooger

en slingerden het bootje, waarin Iwan nog steeds droomde, onstuimig

heen en weer, eindelijk vielen groote regendroppelen op zijn gelaat en

hij ontwaakte om te bemerken, hoe alles rondom veranderd was, hoe, waar

straks nog kalmte en rust heerschten thans storm en onweer loeiden.

»Is dat het beeld van mijn leven, zal dat het uur van onvermengd geluk

opvolgen, waaraan ik het woord van Faust, »Verweile, Du bist so schön!”

heb toegeroepen?” vroeg hij zich af, terwijl hij de riemen opnam en met

een paar krachtige slagen, den oever naderde.

Nu was een geweldige storm over het gebergte losgebarsten,

bliksemstralen verlichtten het landschap dat daar straks zoo vredig en

stil in het staalkleurige maanlicht glansde. Thoren van Hagen trad zijn

huis binnen, ontstak de lamp in zijn kamer en sloot de ramen waardoor

de regen naar binnen sloeg.

De lamp hing boven zijn met boeken en papieren beladen schrijftafel,

vlak vóór hem lagen couranten en brieven, die de postbode had gebracht.

Hij was vast besloten zich door niets te laten ophouden en zoo spoedig

mogelijk zich neer te leggen om aan den langen dag een einde te maken

en weldra den zonnigen morgen terug te zien, die hem weer naar zijn

Corona zou voeren.

»Als zij hier is, wat deren mij storm en onweer nog?” vroeg hij zich af

en wierp een verstrooiden blik op de papieren. »Een brief met

geëntrelaceerde H. G. en het grafelijke kroontje der Saint-Pauls. Van

wie is dat, van Hermelijn, een invitatie zeker.”

Hij brak de enveloppe en las:

»Waarde Iwan,”

In een hoek stond in Hermelijn’s sierlijk handschriftje het woord

»confidentieel”.

»Wat voor grap mag dat wezen,” dacht hij, glimlachend, »vier

bladzijdjes lang, ’t is de moeite waard.”

»Ik kom een beroep doen op uw eer als man, en u verzoeken te gelooven

dat slechts belangstelling in uw toekomstig lot mij doet handelen, en

met weerzin er toe besluiten u iets te openbaren, dat gij naar mijn

oordeel weten moet. Ook Conrad is van meening dat het noodzakelijk

wordt u op de hoogte te brengen van een zaak, die van het grootste

gewicht is en waarvan gij onderricht moet zijn, zoo ge het karakter

uwer aanstaande vrouw op de rechte waarde wilt schatten.

»Ik wil er echter Corona geen verwijt van maken; ik heb alles vergeven

en vergeten. Zoo er geen maatregelen voor de toekomst te nemen waren,

zou ik hebben gezwegen, maar ik moet nu aandringen op iets, waartegen

ik u reeds met een enkel woordje heb gewaarschuwd op den dag toen gij

een klein geschil met Corona hadt.

»’t Kost me moeite een zaak aan te roeren, die tot het verledene

behoort en voor mij, althans nu, slechts de beste gevolgen heeft

gehad....”

»Mijn hemel, wat een omhaal van woorden, dat ben ik van Hermelijn niet

gewoon,” mompelde Iwan ongeduldig en las met weerzin voort.

»Ge weet, hoe ongelukkig mijn huwelijk in den eersten tijd was en hoe

schandelijk men mij bedrogen heeft; het middel daartoe bestond in een

reeks van brieven, die Conrad mij heette te schrijven en waarvan hij in

waarheid den inhoud niet eens kende, want ze waren afkomstig van

Corona.”

Een bliksemstraal schitterde voor een seconde en onmiddellijk daarop

knalde een hevige donderslag; juist bracht Thoren van Hagen de hand aan

het voorhoofd, hij duizelde, het was of hij zich getroffen voelde. Was

het door den slag of door het gelezene?

»Zij heeft die brieven geschreven, waarin Conrad van liefde en trouw

sprak, hij, die me niet kende, die mij toen als een indringster haatte.

Mijn brieven werden beantwoord door haar, en zoo gelukte het Corona mij

in een net van verraad en bedrog te vangen.

»Verbeeld u mijn verontwaardiging, mijn wanhoop toen ik die ontzettende

waarheid vernam, ge begrijpt hoe ik Corona verachtte en slechts met

afschuw zag, dat gij uw leven aan het hare wildet verbinden.”

Thoren van Hagen haalde zwaar adem, het zweet parelde op zijn

voorhoofd, zijn handen waren kil en klam.

»En toch geloof ik niet dat Corona zoo schuldig is. Een booze demon,

een duivel in menschengedaante waart rondom haar, zij heeft haar alles

ingeblazen; haar uiterlijk vervulde mij reeds dadelijk met diepen

afkeer en die antipathie bleek niet ongegrond.

»Ge begrijpt dat ik u van Iteko wil spreken, de booze raadgeefster van

Corona; zij heeft die brieven geschreven, zij wekte haar jalouzie op

tegen mij, zij zal uw huiselijk geluk storen zooals zij Corona’s

karakter reeds bedorven heeft.

»Ondanks haar heerschzuchtig optreden en koninklijk voorkomen is Corona

zwak; zij ondergaat gemakkelijk zekeren invloed. Als zij iemand lief

heeft, dan volgt zij gaarne diens raad, en geeft haar oordeel aan het

zijne gaarne over; zoo is ’t Iteko gelukt haar te leiden en op dit

oogenblik strijdt haar overwicht tegen het uwe.

»Er kan voor u geen geluk wezen zoolang Iteko in haar nabijheid blijft;

de eerlooze daad, waartoe zij uw aanstaande vrouw verleidde, is er een

bewijs van hoezeer zij haar omlaag wist te trekken en hoe weinig

Corona’s vastheid van karakter bestand is tegen het verleidend sissen

van die slang.

»Ik verzoek u dus in uw eigen belang niet alleen maar ook om mij een

voldoening te geven over hetgeen ik door het schandelijk bedrog van

meesteres en dienstmaagd lijden moest, aan te dringen dat Corona haar

confidente onmiddellijk laat vertrekken.

»Wanneer zij werkelijk u zoo liefheeft als zij het ieder wil doen

gelooven, zal haar dit niet den minsten strijd kosten.

»Ge moet natuurlijk haar zeggen dat ge alles weet, maar ge begrijpt dat

het voor mij van het grootste belang blijft, dat zij niet vermoedt van

wie deze waarschuwing afkomstig is.

»Ik leg u dus geheimhouding op, die ge slechts in geval van nood moogt

verbreken.

»Handel naar goedvinden, ge weet nu alles.

Hermine.”

De schoone dag vol liefde en weelde was vervlogen.

Hermelijn · 第 52 / 67 题