Vlak tegenover den schouwburg te Samarang staat een rij kleine
woningen, bijna geheel aan elkander gelijk, met een voorgalerij, eenige
kamertjes, een plaatsje, waarop zich telkens een halve put bevindt en
een paar lilliputsche bijgebouwen, die zich tot het
allernoodzakelijkste, keuken, provisie- en badkamer bepalen.
Komediebuurt is zij geheeten; die huizen worden meest bewoond door
weduwen, die haar fatsoen eenigszins willen ophouden en daarom nog niet
afdalen naar de mindere buurten, Sleko, Konijnen- of Weduwstraat,
klerken, die met vrouw en kind van een hoogst beperkt inkomen moeten
leven, of ambtenaren op wachtgeld, die hier voorloopig hun intrek
nemen, het oogenblik afwachtend, waarop zij hun benoeming zullen
verkrijgen, wie weet in welken hoek van den Archipel; de huisjes zijn
net en geriefelijk ingericht, de stand is alleraangenaamst en vooral
wanneer er iets in de komedie te doen is bijzonder levendig; verderop
staan hooge waringins op het voorplein der gouvernementsscholen, daar
langs gaat de weg, door tamarindeboomen omzoomd, over Karang Bidara
naar Tjandi en verder naar Oenarang, dat aan den voet van den hoogen
berg van dien naam gelegen is, welken men hier bijna vlak tegenover
zich waant.
Dat verre groen vormt een aangenaam rustpunt voor het oog want de
straat zelf is kaal en vooral in de oost-mousson stoffig en heet; nu
echter valt de regen bij stroomen neer, soms dagen lang, het stof is
slik geworden, de dakgoten werpen stroomen water uit, de druppels
kletteren tegen de pannen met onvermoeibare kracht, de zon verscheurt
nu en dan slechts even het net van wolken en regen om een valschen,
paarsachtigen gloed over de natte aarde te werpen.
Opwekkend is zulk een weer niet, vooral niet voor hen, die veel alleen
zijn; in een der miniatuur voorgalerijtjes van een huisje der
komediebuurt zit Hermine de Géran druk te naaien; alles om haar heen is
eenvoudig en zelfs kaal, de meubels zijn van het gewoonste soort en
geheel verschillend van haar even smaakvolle als rijke omgeving in
Djantong; zij zit op een laag stoeltje, in sarong en kabaja gekleed,
maar toch kon men niet zeggen, dat zij er droevig uitzag; soms speelt
zelfs een glimlach om haar lippen, als zij een van de kleine
kleedingstukjes, die zij voltooid heeft, uitspreidt en zich zeker
voorstellingen maakt van een klein rozig gezichtje, dat er uit zal
gluren of van een paar bolle armpjes, die uit de mouwtjes zullen komen
steken.
Plotseling staat ze haastig op, ’t is 12 uur op het eenvoudig
hangklokje; zij moet naar de keuken en overtuigt zich dat Ma Bitja, die
haar naar Samarang volgde, de rijst en de sajoran [100] reeds zoo goed
als klaar heeft; dan plaatst zij zich voor haar bescheiden
toiletspiegeltje, steekt de blonde haren nog eens op, verfrischt zich
met een heel klein idéetje »Eau de Floride” en gaat dan in de
voorgalerij staan om in de richting van de buurt Tawang uit te zien.
De weg is op dit middaguur tamelijk verlaten: een enkele Chineesche
rondventer, die den regen onder zijn parapluie tart terwijl de bawean
[101] zijn koopwaren draagt die onder wasdoek tegen het druipende water
beschermd worden, en de druppels langs zijn onbedekt en glimmend bruin
bovenlijf glijden, eenige Javanen te voet of een langzaam
voortsukkelende bendy, eindelijk ziet zij, wat zij verwacht: een in het
grijs gekleede gestalte, met een groote pajong [102] over het hoofd,
die naderbij komt en ten slotte de galerij binnen stapt.
»Och Conrad, lieve jongen! wat een weer breng je mee en dat je er nu
weer door moet. Zou ’t niet beter zijn dat ik je voortaan het eten
stuurde?...” riep zij hem tegemoet.
»Ik dank je wel, denk je dat ik er zoo’n regenbui niet voor over heb om
een gezellig uurtje met je door te brengen aan de rijsttafel? Bah,
niets vervelender dan zoo’n eenzaam diner op het kantoor.”
»Nu, en voor mij dan?”
Binnen had de begroeting op nieuw plaats, zoo hartelijk en innig als
slechts bij een gelukkig getrouwd paartje mogelijk is.
»En nu gaan we eten, de rijst is warm en dat hebben we wel noodig in
dit kille, bijna Hollandsche weer. Och, Coen, kijk eens hoe lief dit op
kleine Nico’s zwarte haartjes zal staan.”
En zij nam een aardig mutsje van uit haar naaiwerk op.
»Neen, ’t zal veel mooier staan op het blonde krullekopje van Lientje.”
»’t Zal een Nico wezen.”
»Dan een Nicolientje.”
»We zullen zien, een zwartkopje als papa.”
»Neen, een blondine als mama.”
En zoo lachend en schertsend zetten ze zich aan tafel en lieten zich
den eenvoudigen kost goed smaken, zooals men doet wanneer men jong,
gezond en ondanks vele zorgen en bekommeringen in zijn hart gelukkig
is.
»Voor ongelukkige bannelingen blijven we toch goed eten, vrouwtje!”
»Och ja, manneke, ’t zou erg wezen wanneer we er nog eet- en levenslust
bij verloren, als je maar vroolijk ziet...”
»En waarom zou ik ’t niet doen?”
»Omdat je straks weer door regen en wind moet.”
»Dat moest ik in Djantong soms ook wel, ik verdiende daar waarlijk mijn
geld ook niet in ledigheid, nu ben ik ten minste vrij.”
»Zoo vrij, dat je wanneer je geen vrouw had je in alle vrijheid er een
kon kiezen.”
»Als de mijne dan niet in de nabijheid was en even vrij als ik, dan had
ik er bitter weinig aan.”
»Zou je haar dan nog kiezen, Coen?”
»Wel neen, ik zou Cor eerst om raad vragen.”
»Ach Coen, wie weet hoe spoedig je het werkelijk zult moeten doen, maar
dan moet je niet alleen uitzien naar iemand die goed is voor jou, maar
ook voor...”
»Hermelijntje, wil je wat sambel [103]?”
»Dan gaat het in een moeite door met huilen, wil je dat zeggen Coen?”
en zij lachte terwijl zij met het zakdoekje langs de vochtige oogen
streek.
»Och ventjelief, je weet ik ben niet sentimenteel, maar als ik ’t nu en
dan eens word dan komt het door mijn toestand en ook daar het mij spijt
dat je nu armoede lijdt om mij.”
»Om jou en je hebt er niets geen schuld aan.”
»Dat nu wel niet maar toch... toch als ik er niet geweest was.”
»Dan zou alles zeker beter zijn maar of ik er mee tevreden was, dat
vraag je eenvoudig niet.”
»’t Is zoo’n verschil voor je.”
»En voor jou?”
»Als we nu nog eenige schuld hadden.”
»Was ’t dan niet erger?”
»Och Coen, denk je er nu werkelijk zoo over of zeg je dat om mij te
troosten?”
»Ik geloof om beide redenen.”
»Je bent een lief, best Coentje, en ’t spijt me zoo vreeselijk dat ik
je anker [104] ben.”
»Dat ben je niet, vooral niet als je mij zoo lief aankijkt; ik geloof
dat we hier veel gelukkiger zijn in ons kaal huisje dan de anderen op
het land.”
»Geloof je dat, ik heb ’t dikwijls ook gedacht, maar ik ben toch blij
dat je van hetzelfde idee bent; sinds de storm losbrak is Cor zoo
geheel veranderd.”
»Wat er toch gebeurd mag zijn tusschen haar en Iwan?”
»Dat zal wel altijd een geheim blijven. Waar hij gebleven mag zijn? ’t
Is zonderling!”
»Ja, wie had zoo’n einde van dat engagement kunnen voorzien; ik zal
nooit vergeten wat een schrik ik op dien middag kreeg toen papa ons
gebood op het groote huis te verschijnen en toen het zoo vreeselijk
onweerde, dat we onmogelijk konden komen.”
»Toen was Iwan nog niet vertrokken! Wie weet of alles niet een anderen
keer had genomen als wij tot explicatie waren geraakt en ik hem over
zijn dwazen brief persoonlijk had kunnen spreken.”
»En Cor wilde niet gelooven, dat je hem niet eerst had geschreven,
vooral niet nadat ze die enveloppe met je letters in Iwan’s kamer
hadden gevonden.”
»Maar jij geloofde me toch dadelijk, lieve Coen!”
»Wat zou ik niet van je gelooven, Hermelijntje? Ik was er trouwens bij
toen je van Thoren dien onbegrijpelijken brief ontving. ’t Is zeker dat
je hand nagemaakt is, maar door wie?’
»Door dezelfde, die haar sporen reeds verdiende met het namaken van de
jouwe!”
»Maar het kan toch niet wezen dat ze haar eigen schande verraadt.”
»Dit vind ik ook onbegrijpelijk, het zijn twee draden die ik maar niet
aan elkaar kan brengen. Iteko haatte mij, de hemel weet waarom, en ze
zag ook het huwelijk van Corona ongaarne, dat begrijp ik heel goed; nu
heeft ze mij gestraft en het huwelijk belet, dat kan ik me nog
begrijpen, maar het is niet aan te nemen dat ze uit mijn naam haar
eigen leelijk bedrog heeft verklapt.”
»Dat is het zeker niet en toch, het doel werd bereikt. Papa nam het
hoog op, hij wilde weten wat je geschreven hadt, en hoe je ook ontkende
en bij hoog en laag zwoer Iwan niet geschreven te hebben, hij wilde ’t
niet gelooven.”
»Je had hem niet Iwan’s brief moeten toonen, Conrad!”
»Waarom niet?”
»Wij raadden er naar en Corona heeft mij, toen we alleen waren, ronduit
verweten haar verklapt te hebben, maar papa vermoedt niets van de
brievenhistorie.”
»Hij zou ’t ook schandelijk hebben gevonden maar weet je wie eigenlijk
de meeste schuld aan alles heeft?”
»Eigenlijk jijzelf, Conrad, door die vervalsching eenmaal toe te
staan.”
»Ja, dat is ook zoo! Ik heb me in die heele zaak echt kwâjongensachtig
gedragen; ik verdien niet dat alles me nog zoo meegeloopen is en ik mag
blij zijn dat ik niet erger gestraft werd dan nu.”
»Je hebt alles goedgemaakt, beste man, door de echt ridderlijke wijze,
waarop je de partij van je vrouw tegenover papa en Corona hebt
opgenomen; de rest is oude historie, helaas! weer opgerakeld buiten
onze schuld.”
»Wie had ’t kunnen denken! Wij, de voornaamste belanghebbenden, hadden
alles vergeven en vergeten en nu komt het op ons eigen hoofd terug.”
»Je bent ook te driftig geweest.”
»Te driftig als ze mijn vrouw beleedigden en als ze van mij verwachtten
dat ik uit haar naam excuse zou vragen!”
»’t Was tegen je vader, Coen!”
»Of tegen Cor! Wanneer iemand maar een vinger tegen haar uitsteekt, dan
is hij bij Papa in ongenade. Had Iwan zijn adres maar opgegeven, dan
kondet je hem schrijven hoe alles na zijn vertrek is toegegaan.”
»Ja, hij is zoo raadselachtig heengegaan na den notaris volmacht te
hebben gegeven, zijn inboedel te verkoopen; hij had nog geen vast
adres, zoodra hij ’t had zou hij ’t schrijven. Ik geloof dat hij ’t
zich ook sterk aantrekt, maar wat het eigenlijk is, daar komen wij
misschien nooit achter.”
»Als we eens over de zaak bezig zijn, Hermelijntje, dan scheiden we
niet uit en ’t wordt mijn tijd.”
»Nu al?”
»Helaas ja! Poesje lief, beloof je mij dat je nu zoet gaat rusten en
niet opblijft om te pikken en te stikken?”
»Och Coen, ik wou ’t zoo graag afhebben en je weet ik houd niet van dat
slapen ’s middags.”
»Maar ik wil niet dat jij je vermoeit; kom ga stil liggen en ontvang me
straks aan de thee met een vroolijk lachend gezichtje. Zul je het doen,
beloof je ’t mij?”
»Ik zal ’t probeeren.”
Hij vertrok weer, door haar uitgeleide gedaan tot aan de buitengalerij.
Toen hij om half vijf t’huis kwam, had zij de thee klaar gezet, en zat
met een werkje aan de tafel.
»O, ik heb zooveel te vertellen,” riep zij opgewonden, »verbeeld je,
Coen, daar is een kist van huis gekomen met een grooten brief van Kitty
en een kleinen van Dolly.”
»En van niemand anders?”
»Neen van niemand, maar de zusjes denken nog zoo aan ons. Ik heb met
uitpakken gewacht tot je t’huis zou wezen, Coen! En ik ben toch zoo
nieuwsgierig, maak je maar gauw lekker en kom mij helpen de kist te
openen.”
Weinige oogenblikken later waren beide groote kinderen druk bezig aan
het uitpakken der kist, die allerlei ingemaakte lekkernijen bleek te
bevatten, met nog een menigte aardigheden en kleinkindergoed, door
Kitty en Margot gemaakt of door Dolly afgestaan.
Hermelijn juichte van vreugde, haar oogen schitterden, zij vond alles
even mooi en even lief; de anders vrij stille Conrad werd door haar
vroolijkheid aangestoken, hij lachte even hartelijk mee, paste de
rokjes om haar vingers, sloeg de doekjes om haar hals, kortom, kinderen
als zij waren, speelden zij zoo luidruchtig en onbezorgd met elkander
als hadden zij nooit zorg, kommer, strijd of verdriet gekend.
»En nu genoeg gestoeid, nu de brief!” zeide Hermelijn, zich de blonde,
dartele krulletjes van voorhoofd en oogen strijkend. »Foei, foei, wat
heb je mijn goedje door elkaar gegooid, ik moet dat alles nu zelf in
orde brengen, en dan wil hij niet hebben, dat ik me druk maak.”
»Laat nu eens hooren wat de zusjes schrijven.”
»Och, ze zijn zoo lief en hartelijk, maar ’t is niet alles goede
tijding wat ze melden. Hoor maar!”
»Beste zus!
»Nu we eindelijk de kist vol hebben met een massa prullen, die naar we
hopen je wat zullen verstrooien, zet ik me eens neer om op mijn gemak
met je te keuvelen.
»Mijn goede Jo is met papa naar de tuinen en ik zit alleen in mijn
pavilloentje met zus Margot, die mij veel gezelschap komt houden en met
wie ik bijna onophoudelijk over onze lieve afwezigen praat.
»’t Verwondert je, niet waar, och! Hermelijn, ’t is alles zoo anders,
zoo geheel anders geworden hier op het »groote huis.” We weten dikwijls
niet hoe we ’t hebben. Eén ding alleen is heerlijk, Jo en ik zijn veel
vrijer dan vroeger, we kunnen dagen lang in ons nestje zitten zonder
dat iemand er iets van zegt.
»Maar ik zal je geregeld het een en ander vertellen over alle
veranderingen, die hier zooal plaats hadden. Ten eerste over papa;
zooals je weet bemoeide papa zich nooit heel veel met ons; zoolang we
niet deden wat in Corona’s oogen verkeerd was, liet papa ons onzen
eigen weg gaan. Hoogst zelden sprak hij ons zelfs aan; nu is papa veel
vriendelijker geworden. Laatst vroeg hij me—verbeeld je, ik vertrouwde
mijn eigen ooren niet—of ik gelukkig was en toen zeide hij me, dat het
hem zoo speet, dat Guillaume en Toetie zoo verkwistend en lichtzinnig
leefden en dat Dolly haar leven doorbracht als slavin van Akkeveen.
»Hij verzocht me toen of ik mij Margot wou aantrekken, als hij er niet
meer was! Ik noemde dat een dwaas idée maar papa verzekerde, dat hij
zeer goed kon voelen, hoe zijn gezondheid hard achteruitging; ’s nachts
moet papa zware benauwdheden hebben en weinig slapen.
»Toen ik merkte dat papa nogal een teere bui had, begon ik over je
beiden te spreken maar onmiddellijk kreeg ik erop:
»Spreek er niet over, kind! Conrad heeft den eerbied tegenover mij te
veel uit het oog verloren en Hermine veroorzaakte Corona zoo groot
verdriet...”
»Daar heb je het weer,” bromde Conrad, »ik ben brutaal geweest maar
daarvoor heb ik dadelijk vergiffenis gevraagd en jouw schuld....”
»Stil toch, driftkopje, stil! Foei, wat heeft die ellendige drift al
ongeluk in je familie veroorzaakt, blijf nu kalm, dan lees ik verder.”
»Ik vroeg wat dit verdriet eigenlijk was. Ja, zij had allerlei kwaad
over Corona aan Iwan geschreven en nu had zij ’t alles ontkend. Hij had
het nooit van haar kunnen denken, zij scheen hem zoo lief, bescheiden
en verstandig toe.”
»En ben je dat niet?” vroeg Conrad met een boos gezicht.
»Och Coen, dat doet mij nu ’t meest aan, dat ik onmogelijk je vader van
mijn onschuld zal kunnen overtuigen, maar ’t ergste komt nog.”
»Als zij nu schuld bekende, wie weet of Corona dan niet wilde
vergeven.” En is papa dan nog boos op hen? vroeg ik. »Ach Kitty,”
antwoordde hij, »als men zoo dicht bij zijn einde is, dan lijken al die
dingen zoo nietig en klein, dat men zich de moeite niet gunt om er boos
over te worden. Wanneer Corona maar tevreden was, zou ik niets liever
willen dan Hermine en Conrad weer in Djantong geïnstalleerd te zien.
Als ik dood ben komen zij er toch van zelf terug.”
»Ik kan niet zeggen dat papa er slecht uitziet en ik geloof ook niet
dat hij zoo erg is als hij ’t zelf meent, maar ’t is toch
allerakeligst, hem zoo over zijn naderend einde te hooren spreken.”
»Zeker is ’t akelig, maar we kunnen er niets aan doen.”
»Helaas! niets! Men kan toch geen leugens bekennen.”
»Ik voor mij geloof dat papa zich zoo moedeloos voelt, omdat die zaak
met Thoren van Hagen afgesprongen is; hij had het zich zoo heerlijk
voorgesteld, Thoren zijn opvolger en wij allen kregen dan geen
grondbezit maar bleven administrateurs, of opzichters in zijn dienst.
Portias en ik hadden daar natuurlijk niets tegen; het liefst wou Jo in
een groote plaats wonen om zich geheel aan de muziek te wijden en ik
zeg, hoe minder zorg en verantwoordelijkheid, hoe liever. Conrad denkt
er ook zoo over, naar ik meen; nu is alles in duigen gevallen. Arme
Hermelijn! die van alles de schuld krijgt, terwijl zij er onschuldig
aan is als het diertje, welks naam zij draagt.
»Wat Cor betreft, zij is nog meer veranderd dan papa, ’t is of alle
levenslust er uit is; haar oogen staan dof, zij stelt in niets meer
belang, haar viool raakt zij niet meer aan, naar bloemen ziet ze
nauwelijks meer om; zij schijnt vreeselijk veel verdriet te hebben maar
zij klaagt bij niemand. Als er menschen komen doet ze haar best
spraakzaam te zijn en te doen of het verbreken van haar engagement haar
geheel onverschillig is.
»Ik geloof niet dat zij een traan gelaten heeft om Iwan’s vertrek; zij,
die vroeger zulke geweldige huilbuien kon hebben. Weet je nog, dien dag
toen ze met hem een querelle d’amoureux had? Ze slaapt lang, ik vrees
dat ze kunstmiddelen gebruikt om in slaap te raken; zij verbeeldt zich
met haar apotheek een halve dokter te zijn, wie weet wat zij niet
inneemt! Maar ’t wonderlijkste is haar verhouding tot Iteko. Zij wil
haar niet meer bij zich op de kamer hebben en je herinnert je nog hoe
zij vroeger niet buiten haar kon. Iteko gaat eenvoudig haar gang; zij
geeft den kinderen les en schijnt Cor uit den weg te blijven. Ik weet
niet, wat er van te denken; er gaan dagen om, dat ze geen woord samen
spreken.
»Corona sluit zich hoe langer hoe meer in zich zelf op; mij zoekt zij
ook niet meer en ik dring mij niet in haar vertrouwen; daarbij kan ik
’t haar nog maar niet vergeven dat zij mij mijn liefste zusje en mijn
ondeugendsten broer ontroofde.
»Jo en ik praten dikwijls over je beiden, en we stellen ons voor, hoe
prettig ’t zou zijn als we ook te Samarang woonden en ’s avonds
gezellig musiceerden; je wilt niet gelooven hoe saai het hier is met
dien eeuwigdurenden regen. We kunnen toch niet altijd bij ons t’huis
zitten; papa leest zijn couranten en valt dan in slaap. Corona is aan
het lezen uit dikke boeken, maar dikwijls ziet ze over de bladzijden
heen en ik geloof dat ze meer aan Iwan dan aan die geleerde schrijvers
denkt; spreken doet ze haast niet als we onder ons zijn, zelfs wanneer
ze aan het haken is aan een eindelooze sprei. Philip maakt zijn
voetzoekers en is altijd in zijn rommelkamer ergens in de bijgebouwen
bezig. De groote broers komen zoo goed als nooit; ik weet niet wanneer
Akkeveen hier het laatst is geweest, Guillaume zegt ronduit dat hij ’t
hier zoo vervelend vindt sinds zijn zusje Blanche Hermine weg is en
acht het de moeite niet waard de rit van Wilhelmshöhe anders dan om
dienstzaken te maken. Ik geloof, dat hij niet goed oppast; papa heeft
hem een paar malen flink onder handen genomen maar hij gaat telkens
weer naar Soekarenga en moet in de sociëteit zwaar spelen en ik vrees
zelfs drinken; August vindt het bij zijn Poppie te prettig, daarbij is
zijn gezelschap zoo bijzonder opwekkend niet, we verliezen er niet veel
bij.
»Van Dolly kreeg ik gisteren dit pakket met een briefje aan je adres,
dat ik hier bij sluit.
»En nu adieu, mijn lieve tortelduiven, Jo en ik zijn bang dat wij van
somberheid en narigheid nog in uilen veranderen, verbeeld je Kitty een
kokok belook [105], en Jo zou heel muzikaal gaan krassen volgens de
regels der edele toonkunst.
»Waarlijk, die in ongenade zijn gevallen, hebben het zoo erg niet; arme
verstootelingen vaartwel! Vele groeten van Jo, Margot, Philip,
Guillaume enz. enz.
Uit aller naam
Kitty.
»En de brief van Dolly?”
»Och daar heb je niet veel aan. Raadgevingen, die mij goed te pas
komen.”
»En die je zult opvolgen?”
»Zooveel ik kan; die lieve Dolly, zij is zoo moederlijk voor mij. We
zijn zoo wat even oud en toch vind ik dien beschermenden toon van haar
zoo prettig, zoo veilig. Je hebt lieve zusters, Coen!”
»Op eene na!”
»En, die is ook zoo kwaad niet, maar we weten niet wat er gebeurd is,
hoe zij bedrogen en gegriefd is geworden; hoe vreemd dat Iteko nu in
ongenade schijnt.”
»Dat doet me pleizier.”
»Zij is in elk geval de oorzaak van alles. Ik kan me begrijpen, hoe
Corona nu met tegenzin dat dierage aanziet. Kom, ik ga mijn spulletjes
wegbergen.”
Hermelijn ging naar haar slaapkamer met haar schatten, doch toen zij
voor de geopende kast stond, om alles een plaats te geven, werd haar
gevoel haar plotseling te machtig en zij begon, met het hoofd tegen een
der planken geleund, zacht te snikken.
Hoe goed en vroolijk zij zich ook tegenover haar man trachtte te
houden, toch waren er oogenblikken, dat het valsch vermoeden dat op
haar drukte, haar zeer zwaar viel; men beschuldigde haar van een laf
verraad, ieder wist dat zij door Corona werd aangezien als de
verbreekster van haar engagement.
Boven alles griefde het haar dat Corona in de heftigste bewoordingen
haar verweten had, Iwan lief te hebben en zich zelfs niet ontzag, dit
haar vader te zeggen. Haar eenige troost was Conrad’s volledig
vertrouwen, de zekerheid dat hun liefde hoe langer, hoe inniger en
sterker werd; in zijn bijzijn was zij dan ook altijd even opgeruimd en
vroolijk, zij wist hoe bitter die beschuldigingen tegen haar hem
griefden en zijn toorn zelfs tegen zijn vader opwekten; met veel moeite
had zij hem bewogen tegen Nieuwjaar aan zijn vader te schrijven en hem
mede te deelen met welke zoete hoop zij zich durfden vleien. Er was
geen antwoord gekomen.
»Hermelijntje,” fluisterde zijn stem aan haar oor.
Snel wischte zij de tranen af.
»Wat is er Coen?” vroeg zij.
»Is er iets, wat je betreurt?”
»Neen Coen, voor mijzelf niets!”
»Denk je dat ik geen moed heb te werken voor mijn vrouw en kind?”
»Ja, maar ’t valt me zoo hard dat het is om mij.”
»’t Is niet om jou, lief wijfje! Werd alles tusschen ons dan niet
gemeen? Dragen we niet alles samen, vreugde en leed? Je hebt mij
zooveel vergeven!”
»Spreek daar niet over, beste Coen! Och, ’t is dwaas van me zoo
verdrietig te zijn maar je maakt mij innig gelukkig met die woorden; om
ze te hooren daar heb ik wel een traantje voor over.”
En zij vlijde zich aan zijn borst en hij kuste haar tranen weg.
»Lief en leed, alles wat God zendt is ons welkom, niet waar, vrouwtje,
wij nemen alles even gaarne aan, als we maar bij elkander zijn.”
»Maar die leelijke beschuldigingen?”
»Wat komt het er op aan, Onze Lieve Heer weet je onschuld en ieder die
je kent is er ook van overtuigd. Kom, zie mij eens vroolijk aan! Ik heb
toch veel liever dat je verdrietig zijt, als ik er bij ben; begrijp je
dan niet hoe treurig ik ’t denkbeeld vind, dat je, als ik uit het huis
moet, zit te schreien?”
»Dat moet je niet gelooven, Coen; die brieven en dat kistje deden me
denken aan Ngaroengan en Djantong en dat maakte me wat aangedaan. Zie
je, hoe ik weer lach!”
»Morgen zal ik je iets t’huis sturen.”
»Wat dan?”
»Ik kan het niet langer uithouden zonder piano, ik verlang er zoo erg
naar, je te hooren spelen en zingen. Ik ga er een huren.”
»Maar Coen, zal de beurs dat kunnen lijden?”
»’t Moet! Je heet een rijk huwelijk te hebben gedaan en nu zou je om ’t
geld niet eens een piano kunnen houden! En daarbij, ’t is voor mijn
pleizier, ik ben er op gesteld voor mijzelf.”
»Wat ben je toch een lieve, goede Coen!” riep zij uit de volheid van
haar hart, »beter man bestaat er niet.”
En werkelijk, zij meende het; dagelijks zag zij in, hoe veel schatten
van liefde en trouw hij onder dat koele, bijna norsche uiterlijk
bewaarde, waarvan niemand dan zij alleen het bestaan vermoedde, en
dagelijks dankte zij God, omdat zij den sleutel had gevonden, die ze
voor haar ontsluiten kon.