XLI.

Thoren van Hagen zou een feest aan zijn toekomstige familie en hun

vrienden bieden; zijn huis was eindelijk ingericht, en deze gebeurtenis

moest tegelijk met zijn verloving gevierd worden; in den namiddag

kwamen de gasten aan.

Corona stond hem reeds als gastvrouw ter zijde; niemand had haar ooit

zoo eenvoudig gezien; geen diamant sierde haar hals of lokken, niets

dan de wilde bloemen, die haar bruidegom met gevaar van zijn leven in

een ravijn had geplukt en welke hij met varens vermengde en voor haar

tot bouquetten schikte. Conrad en Hermelijn, Guillaume en Toetie, Kitty

en Portias, Philip en Margot, August en Akkeveen beiden zonder hun

vrouwen, want Dolly huiverde bij de gedachte een feest te moeten

bijwonen, waarin voor haar gewond hart toch geen plaats was, en Poppie

kon de kleine Hermine niet verlaten; dan natuurlijk het hoofd der

uitgebreide familie, die, hoe gesloten anders ook, thans zijn

ingenomenheid met Corona’s besluit niet verborg. Allen kwamen bij

groepjes in de feestelijk versierde woning; bij hen sloten zich

verscheidene vrienden uit den omtrek en de hoofdplaats aan.

Corona straalde van een geluk, waarop nog geen schaduw gevallen was;

een benijdenswaardig menschenpaar vormden zij en Iwan, zooals zij daar

tusschen groen en bloemen in de voorgalerij stonden, jong, rijk,

liefhebbend, schoon; na de feestelijke ontvangst, toen allen vereenigd

waren, sloeg Thoren van Hagen voor, een watertochtje te maken;

schuitjes met vlaggen en guirlandes van groen en bloemen versierd lagen

aan den oever te wachten; de roeiers, wier donkerbruine gelaatstrekken

sterk afstaken tegen hun rood en witte kleederen, zaten zwijgend op hun

post.

Op enkele ouderen na, die liever in huis bleven, waar geurige sigaren

en opwekkende dranken het opgeofferde genot ruimschoots vergoedden,

vonden allen het plan zeer uitlokkend en algemeene bijval werd er aan

geschonken. In een der vaartuigen dat den vorm van een smallen

Venetiaanschen gondel had, namen de aanstaande bruid en bruidegom

plaats. De overigen schikten zich bij partijen in de veel grootere

prahoe’s [97]. Corona zat op een soort van troon van rood satijn; aan

haar voeten lag een tijgervel, waarop Iwan zich neerzette, half geleund

tegen haar knieën.

De roeispanen werden langzaam in beweging gebracht en sloegen

regelmatig in het licht bronskleurige water, dat zij in tallooze parels

omhoog deden spatten; met een verheugden glimlach staarde Corona rondom

zich, maar het liefst rustten haar oogen en handen op het donkere

hoofd, dat zich tegen haar kleed vleide en waarop zij al haar hoop voor

de toekomst en voor haar geluk had neergelegd.

Een vredig gevoel van kalmte omgaf hen; de warmte van den dag had

plaats gemaakt voor een verfrisschende koelte. De kruidige geuren uit

het tropische woud streken langs het water, door de laatste

zonnestralen met een glans van goud en rozen overtogen; hier en daar

als ruikers, in grillige wanorde daarheen geworpen, lagen de eilandjes

half in schaduw, half in gloed, wilde pauwen glinsterden in het groen

en verdwenen plotseling, verschrikt door de riemslagen, in de lucht.

»O zulk een avond moest eeuwig duren!” zeide Corona.

»Eeuwig duren, zou ’t dan een genot blijven?” vroeg hij, »alleen als we

bleven in de stemming waarin we nu zijn en wat is er veranderlijker dan

een menschengemoed?”

»Iwan,” vroeg Corona plotseling en boog zich naar hem, »zeg me oprecht,

heb je die stemming, waarin je nu verkeert, reeds eenmaal doorleefd

naast een andere!”

Hij zag verbaasd naar haar op.

»Waarom vraag je dat?”

»Mag ik dat niet vragen, ik die je mijn toekomst vertrouw?”

»Die toekomst behoort ons beiden, maar ’t verleden mij alleen. Je bent

de eerste vrouw, wie ik mijn naam aanbied, laat je dat genoeg zijn,

Corona en vorsch niet naar voorheen! Heb je Hermelijn zelf niet gezegd,

dat alles, wat van mij kwam, goed of kwaad, je welkom was?”

»Mij belang inboezemde, ja! Maar er zijn vele jaren verloopen, sinds je

elkander het laatst hebt gezien.”

»En een jong meisje is niet de geschikte vertrouweling voor een man,

die de wereld rondtrekt alleen om op avonturen uit te gaan. Maar, wees

niet jaloersch op mijn nog niet lang verleden, een Corona heb ik nog

niet bemind.”

In haar ooren ruischten nog de woorden, die Iteko haar onder het

aankleeden had toegevoegd.

»Wat is u schoon, juffrouw de Géran, ik geloof dat van alle vrouwen,

die mijnheer Thoren van Hagen ooit bemind heeft, geen schooner kan

geweest zijn.”

»Wat weet je daarvan?” vroeg zij scherp.

»Niets, letterlijk niets, maar iemand zoo knap en zoo geestig als

mijnheer Thoren van Hagen is er zeker van, overal le chéri des dames te

worden.”

»’t Zelfde wat Iteko zeide,” dacht Corona en luid sprak zij:

»Nu, ik wil niet dringen in je geheimen, maar vertel me iets van je

jeugd, iets wat ik weten mag!”

»Mijn jeugd is treurig geweest, Corona en een treurige jeugd is als een

sombere koude lente, je weet niet, wat een Europeesche lente beteekent;

zeldzaam zijn die dagen wanneer ’t werkelijk lente is, wanneer men

meent de levenssappen van bloem en plant omhoog te hooren stijgen,

wanneer alles en overal van leven en jeugd spreekt, wanneer de

zonnestralen zelfs iets jongs en frisch hebben. Soms echter ontbreken

die heerlijke dagen bijna geheel, dan is het koud, ijzig, guur, de

knoppen en bladeren trekken zich vreesachtig terug omdat de wereld

rondom hen zoo kil en koud schijnt, de bloesems kunnen zich niet tot

vruchten zetten en zoo breekt de zomer aan, zonder dat de lente haar

werk heeft kunnen doen!”

»En zoo was ’t ook met jou!”

»Zoo was ’t met mij! Mijn vader was officier van de cavalerie, een

schitterende verschijning met een mooi klinkenden naam, doch van meer

dan lichtzinnig levensgedrag; toch won hij niet alleen de hand maar ook

het hart van mijn moeder, een schatrijk, schoon meisje, dat zoo pas de

kostschool verlaten had en verloofd was met den luitenant van

Vooren....”

»Hermelijn’s vader?”

»Juist, een achtenswaardig, oppassend jong man, die door eigen studie

en groote oppassendheid zich tot officier had weten te verheffen, een

man, wien mijn vader niet waard was de schoenriemen te binden, in elk

opzicht zijn meerdere; ik heb ’t later genoeg leeren inzien, maar mijn

arme moeder liet zich door het uiterlijke bekoren en zij heeft er

bitter, bitter voor geboet.”

»Laat ik mij ook bekoren alleen door het uiterlijke, Iwan?” vroeg

Corona teeder en schalksch tegelijk.

»Wie weet, lieveling, of je ook niet eenmaal je keuze even bitter zult

betreuren als zij.”

»Foei, zeg dat zoo ernstig niet!”

»Ik kan nu niet schertsen, nu ik van mijn moeder spreek, maar ’t moet,

Corona, ’t moet eens gebeuren. De effecten mijner moeder trokken hem

aan meer misschien dan haar kinderlijke naïveteit, haar lief,

vriendelijk gezicht; ’t kostte hem weinig moeite haar afvallig te maken

van haar braven Hendrik, zoo noemde hij haar aanstaande. Spot en nog

eens spot, dat was zijn geliefkoosd wapen, waarmee hij onfeilbaar doel

trof, ’t engagement werd verbroken, de arme van Vooren leed er

vreeselijk onder...”

»Wat hem niet belette later nog tweemaal zijn gebroken hart weg te

schenken.”

»Als zijn vrouwen er mee tevreden waren.”

»Wisten zij van die eerste liefde?”

»Maar Corona, wat voor belang boezemt je dat in?”

»Niets, niets, vertel mij verder van je ouders!”

»Mijn moeder zette dus tegen den zin harer familie, dit huwelijk door;

de wittebroodsweken strekten zich niet tot maanden uit. Reeds dadelijk

voelde zij dat hij zich haar meester, haar tyran achtte en van haar

blinde gehoorzaamheid eischte; zij zag in, dat slechts haar

onvoorwaardelijke gehoorzaamheid zijn voorhoofd kon ontrimpelen, zijn

mond doen glimlachen, en blijmoedig bewees zij hem die, tot hij steeds

meer en meer vroeg en wilde heerschen, niet alleen over haar

handelingen maar ook over haar gedachten. Hij richtte zich in haar

geest op als een god, wiens woorden en daden zij gelooven en aanbidden

moest, die alles voor haar zou vervangen, den godsdienst van haar

jeugd, de liefde van haar familie, de herinneringen van haar kindsheid,

alles moest zij hem ten offer brengen. Zij zou niets zijn dan zijn

speelbal, zijn luim en zij werd het.”

»Dan was zij karakterloos,” riep Corona met gloeiende wangen en

tintelende oogen.

»Neen, zij had haar eigen karakter maar zij beminde en vertrouwde haar

echtgenoot, zij zag in hem alle verheven eigenschappen en dacht te min

van zich zelf; zij kon er slechts bij winnen meende zij, de arme, als

zij haar onbeduidende en zwakke persoonlijkheid liet oplossen in de

zijne.”

»Wat had die man een verantwoordelijkheid!”

»Welke hem thans nog verplettert. Hij was geboren voor autocraat; ware

hij vorst geweest met onbeperkt gezag over leven en dood, zijn naam zou

geworden zijn:

Aux plus cruels tyrans une cruelle injure.

Nu vond hij slechts zijn vrouw om over te tyranniseeren, want zijn

bedienden verlieten zijn dienst, zoodra hij trachtte, hen onder zijn

hiel te vertreden. Na mijn geboorte veranderde de verhouding tusschen

hen niet; alleen bleef zij lang sukkelend. Hoewel hij haar gebood mij

aan een min te vertrouwen, kon zij hem toch niet in de wereld

vergezellen; hij ging alleen uit, hoe langer hoe meer, zij waagde een

opmerking, hij zag haar minachtend aan en verwaardigde zich niet te

antwoorden. Eindelijk kreeg zij de onweersprekelijke bewijzen in

handen, dat hij haar bedroog; bijna krankzinnig van droefheid deed zij

hem de bitterste verwijten, hij spotte met haar smart en eischte van

haar dat zij de vrouw, die hij boven haar stelde in haar huis zou

ontvangen. Zij weigerde eerst krachtig, maar allengs zwakker en

zwakker, toen zij inzag, hoe hij ’t huis vluchtte, haar en haar kind

niet meer scheen te kennen; eindelijk gaf zij toe, nog steeds hopend

hem door toegevendheid beter te stemmen...”

»O schande!” riep Corona.

»’t Moet uitgesproken worden,” ging hij op doffen toon voort, »hier

tusschen hemel en water. Hoor ze eens lachen, onze gasten, zij

vermoeden niet hoe pijnlijk in den bruidsgondel wordt geleden. Ik had

dezen dag niet moeten kiezen, Corona!”

»Wat deert het ons, Iwan? Hebben we niet beloofd alles samen te dragen,

leed en vreugde?”

»Als rechter op te treden tusschen zijn ouders, ’t is zwaar. Zij

ontving dan die vrouw, een dame van hoogen adel, grillig en koud, juist

de vrouw om zulk een tyran aan banden te leggen. Begrijp wat mijn

moeder moest doorstaan in tegenwoordigheid van hun beider spottend

medelijden; zij leed bijna armoede terwijl de twee anderen van haar

rijkdom genoten en zij voelde zich zoo eenzaam. Alles had mijn vader

haar ontnomen, haar geloof in God, de liefde van haar familie, haar

vrienden, van wie zij zich terug getrokken had; om zijnentwille had zij

allen van zich vervreemd. Ieder lachte om hare blinde gehoorzaamheid,

ieder noemde haar liefde karakterloos, zooals gij daar straks. Een

vreeselijk ledig moet haar omringd hebben, haar kinderlijke godsvrucht

had nog niet kunnen rijpen tot een echt practisch godsdienstig geloof

dat alle handelingen bezielt, ons de smart met geduld en onderwerping

doet dragen, dat het goede in ons veredelt en verheft, het kwade

onderdrukt, dat ons te hulp komt, waar het zoogenaamde echt

menschelijke tekort schiet, dat ons een betere wereld doet hopen, maar

tevens leert, dat wij hier eerst een taak te vervullen hebben. Zij had

niets gekend dan een vaag, sentimenteel gevoel van liefde voor een

onbekenden Vader, in een geheimzinnige schoone wereld, waarvan men bij

wierookgeur en muziek aangenaam en zoet droomt, maar door mijn vaders

bitteren spot zonk dit fraaie tempeltje jammerlijk inéén en zij kon

niets in de plaats daarvan stellen dan zijn beeld, haar afgod. Hoe

langer hoe meer zag zij in op welke kleivoeten het rustte; hemel en

aarde schenen voor haar te vergaan. Zij dacht nauwelijks aan mij, ik

geloof, dat ik weinig rekende in haar leven, anders ware zij met mij

heengegaan. Hoe zou ik haar alles vergoed hebben, arm, lief moedertje!

Een toevlucht bleef haar over, de dood. Waarom zou zij voor zelfmoord

terugdeinzen? Er bestond immers geen God, wien zij verantwoording

schuldig was van het leven, dat zij ongeroepen ging verlaten? Haar man

erfde haar schatten en kon gelukkig zijn met de vrouw, die hij meer

beminde; eens vond men haar slapend om niet meer te ontwaken; zij had

vergift ingenomen, de min wist alleen dat mevrouw haar kind ’s avonds

hartstochtelijk had gekust.”

Hij zweeg, na met moeite de laatste woorden te hebben uitgesproken; zij

drukte zijn hoofd teeder tusschen haar handen, zij voelde en leed met

hem en bemerkte niet dat een ander gevoel thans nog onbepaald en vaag

in haar gemoed sloop. Later als het haar ziel zou vervullen en haar

geest nacht en dag kwellen, dan zou onvermijdelijk voor haar oog dit

kalme water verschijnen, zacht wegvluchtend in de schaduw terwijl de

laatste zonneglanzen verglommen.

»En hoe nam hij ’t op?” vroeg zij fluisterend.

»Zijn ijdelheid was gekwetst; het was ongehoord dat zijn vrouw, dat

onbeduidende schepsel hem plotseling tot voorwerp aller aandacht

maakte. De dooden hebben steeds gelijk; ieder wist nu hoe hij haar

gekweld en vernederd had, hoe oneindig veel het jonge, vroolijke meisje

geleden moest hebben, omdat zij nog geen anderhalf jaar later het

huwelijk door den dood verbrak. Ik werd het meest beklaagd; de

officieren keerden mijn vader den rug toe, zijn vriendin weigerde zich

verder te compromitteeren en verklaarde dat zij in Minette steeds een

martelares had bewonderd en haar man als een beul verafschuwde. Hij kon

niet langer in dienst blijven, van alle kanten wachtten hem

vernederingen; verbittering en—ik wil gelooven—ook wroeging vervulden

zijn ziel en hij wist niets beters te doen dan haar voorbeeld te

volgen... Wie dacht aan den armen, kleinen Iwan?”

»Maar je vader leeft nog?”

»De zelfmoord mislukte; de wond, die hij zich door een pistoolschot had

toegebracht, genas slechts langzaam; jaren bleef hij, de man met de

onverwoestbare gezondheid, zwak en hulpbehoevend en zoodra hij

eindelijk hersteld heette, bleek het dat hij geen ander, maar een

veranderd man geworden was. Zijn schoonheid en mannelijke kracht waren

heen, zijn zelfbewustzijn was geschokt, hij was nu een voorwerp van

medelijden geworden, tegen wien niemand meer wrok koesterde, zelfs niet

de diep beleedigde van Vooren, die hem vergaf misschien ten wille van

mij, den zoon zijner nooit vergeten Minette, naar wie hij zelfs zijn

oudste dochter noemde. Door erfenis kwam mijn vader in het bezit van

een zoogenaamd kasteel in de heerlijke streek tusschen Maastricht en

Aken, waar alle landhuizen zoo spoedig kasteelen heeten; hij trok er

in....”

»En waar bleeft gij al dien tijd?”

»Och, wat kwam het er op aan? Onder de hoede van een paar dienstboden.

Het goede Kaatje, dat bij ons diende toen het ongeluk gebeurde, hechtte

zich aan het arme schaap van een kind, waarom zich niemand scheen te

bekommeren; over geld mochten de bedienden vrij beschikken, mits zij

het kind maar zoet hielden en de vader niet bemerkte dat er zulk een

wezen op de aarde bestond. Je begrijpt, wat er van mijn opvoeding werd.

Geen gril, hoe zonderling, of ze werd ingewilligd, geen plichten leerde

ik kennen, geen lessen behoefde ik te leeren. Toevallig was ik

weetgierig en vrij vlug; toen ik dus mijn vader in Ellenrade volgde,

leerde ik al spelend het een en ander wat het leeren waard was en nog

meer wat het niet waard was. Ik vocht met de boerenjongens, speelde

over hen baasje, schuwde mijn vader als een besmettelijke en was uren

in het rond als »de kwâjong van den kapitein” bekend.”

»Hoe bracht je vader dan zijn tijd door?”

»Met allerlei soorten van philosophische en astronomische proeven, met

klopgeesten en tafeldansen, alles bij buien. Zoo werd hij, de spotter

van voorheen, tot het overdrevene bijgeloovig, dan weer zocht hij iets

vooruit te zien, vorschte in de sterren of in oude boeken, liet mediums

en goochelaars bij zich komen, ondervroeg telkens den geest mijner

moeder om als hij geen bevredigende antwoorden kreeg weer ergens anders

te zoeken en den eenigen plicht, die hem was overgebleven, het eenige

middel dat hem restte om zich met God en mijn moeder te verzoenen

moedwillig te verwaarloozen. Om mij bekommerde hij zich niet in ’t

minst totdat eens de toenmalige kapitein van Vooren, die in Maastricht

in garnizoen geplaatst was, hem kwam bezoeken; juist had ik weer

zooveel kattekwaad uitgevoerd dat de politie er bij te pas kwam. Ik

geloof dat het niets meer of minder gold dan brandstichting in een

hooiberg, zoo slecht is de knaap geweest, over wien gij je ontfermt,

Corona!”

»Ik heb er je te liever om,” antwoordde zij.

»Moge ’t je niet berouwen, Corona, maar de kapitein zag, dat ik

opgroeide voor de gevangenis en dat mijn vader het te druk had met zijn

verhevene bezigheden, om aan zoo’n kleinigheid als de opvoeding van

zijn zoon eenige aandacht te wijden. »Geef hem mij maar mee, ik zal

zien of er iets van terecht komt,” sprak de kapitein. »Als ’t je

belieft, neem hem mee, en doe met hem wat je verkiest,” antwoordde papa

met een zucht van verlichting en zoo kwam ik t’huis bij Hermelijns

vader.”

»Hoe oud was zij?”

»Een aardig klein ding, van zes, zeven jaar. Ik had respect voor den

kapitein, door hem liet ik me raden en leiden, later toen ik in

militairen dienst trad, kwam ik weer onder zijn leiding, maar ik heb

hem veel verdriet gedaan. Ik kon me niet buigen onder de militaire

tucht, toch werd ik officier en studeerde een tijd lang zeer hard want

ik verlangde naar de epauletten; zoodra ik ze had, wierp ik ze weg, het

was mijn eerste werk nadat ik me overtuigd had, dat het uniform me goed

kleedde. Zoo ben ik; ’t is beter dat je het weet, de verhouding mijner

ouders verklaart wellicht deze eigenaardigheid. Zoodra ik iets bezit

waarnaar ik vurig verlang, voelt mijn hart zich plotseling ledig en...”

»Het heeft geen waarde meer voor je. Ach, Iwan, zal ’t ook zoo met je

gaan, wanneer wij getrouwd zijn?”

»Ik hoop ’t niet, Corona!”

En dat kon hij zoo koel zeggen, met zijn hand in de hare, zijn hoofd

tegen haar knieën geleund; zij rilde, trok haar hand terug en wendde

het hoofd om. Plotseling schitterden de oevers van het meer in

veelkleurig licht, tusschen het groen en de rotsen waren honderden

inlanders geslopen, die daar bonte lantaarns ophingen, welke als bij

tooverslag een zachten, tooverachtigen schijn over het water, de

eilanden en de bootjes wierpen.

»Corona, mijn Corona,” en hij sloeg den arm om haar, »alles is ter uwer

eere, mijn koningin, mijn kroon! Vraag me zulke dwaasheden niet meer!”

»Was het een dwaasheid?” vroeg zij.

»Daar ik ’t voor geen beleediging wil opnemen; glimlach weer, mijn

liefste, je bent mijn alles, mijn geluk, mijn vreugde, mijn toekomst,

je zult het leven van den eenzamen zwerver vervullen, gij en gij

alleen!”

Corona voelde zich gewonnen door zijn zoete taal, die hem op dit

oogenblik inderdaad uit het hart welde, hij meende waarlijk dat haar

oogen een licht zouden werpen op zijn toekomstig levenspad, dat hij

afgedaan had met zijn vroegere weifelingen en aarzelingen om zijn

vrijheid aan haar ten offer te brengen en zij geloofde hem gaarne, maar

toch, volmaakt gelukkig was zij niet meer, de eerste schaduw was op

haar geluk gevallen. Niemand vermoedde het echter; een zoete muziek

deed zich hooren. Op een der eilanden had Thoren van Hagen muzikanten

geposteerd, van meer dan gewone bekwaamheid; op een ander was het

avondmaal gespreid, later werd vuurwerk op ’t water ontstoken. In één

woord, het feest, door Thoren van Hagen zijn aanstaande bruid geboden,

was de waardige tegenhanger van dat door haar ter Hermine’s eere

gegeven en zou een prinselijken bruidegom niet onwaardig geweest zijn.

Hermelijn · 第 47 / 67 题