Thoren van Hagen zou een feest aan zijn toekomstige familie en hun
vrienden bieden; zijn huis was eindelijk ingericht, en deze gebeurtenis
moest tegelijk met zijn verloving gevierd worden; in den namiddag
kwamen de gasten aan.
Corona stond hem reeds als gastvrouw ter zijde; niemand had haar ooit
zoo eenvoudig gezien; geen diamant sierde haar hals of lokken, niets
dan de wilde bloemen, die haar bruidegom met gevaar van zijn leven in
een ravijn had geplukt en welke hij met varens vermengde en voor haar
tot bouquetten schikte. Conrad en Hermelijn, Guillaume en Toetie, Kitty
en Portias, Philip en Margot, August en Akkeveen beiden zonder hun
vrouwen, want Dolly huiverde bij de gedachte een feest te moeten
bijwonen, waarin voor haar gewond hart toch geen plaats was, en Poppie
kon de kleine Hermine niet verlaten; dan natuurlijk het hoofd der
uitgebreide familie, die, hoe gesloten anders ook, thans zijn
ingenomenheid met Corona’s besluit niet verborg. Allen kwamen bij
groepjes in de feestelijk versierde woning; bij hen sloten zich
verscheidene vrienden uit den omtrek en de hoofdplaats aan.
Corona straalde van een geluk, waarop nog geen schaduw gevallen was;
een benijdenswaardig menschenpaar vormden zij en Iwan, zooals zij daar
tusschen groen en bloemen in de voorgalerij stonden, jong, rijk,
liefhebbend, schoon; na de feestelijke ontvangst, toen allen vereenigd
waren, sloeg Thoren van Hagen voor, een watertochtje te maken;
schuitjes met vlaggen en guirlandes van groen en bloemen versierd lagen
aan den oever te wachten; de roeiers, wier donkerbruine gelaatstrekken
sterk afstaken tegen hun rood en witte kleederen, zaten zwijgend op hun
post.
Op enkele ouderen na, die liever in huis bleven, waar geurige sigaren
en opwekkende dranken het opgeofferde genot ruimschoots vergoedden,
vonden allen het plan zeer uitlokkend en algemeene bijval werd er aan
geschonken. In een der vaartuigen dat den vorm van een smallen
Venetiaanschen gondel had, namen de aanstaande bruid en bruidegom
plaats. De overigen schikten zich bij partijen in de veel grootere
prahoe’s [97]. Corona zat op een soort van troon van rood satijn; aan
haar voeten lag een tijgervel, waarop Iwan zich neerzette, half geleund
tegen haar knieën.
De roeispanen werden langzaam in beweging gebracht en sloegen
regelmatig in het licht bronskleurige water, dat zij in tallooze parels
omhoog deden spatten; met een verheugden glimlach staarde Corona rondom
zich, maar het liefst rustten haar oogen en handen op het donkere
hoofd, dat zich tegen haar kleed vleide en waarop zij al haar hoop voor
de toekomst en voor haar geluk had neergelegd.
Een vredig gevoel van kalmte omgaf hen; de warmte van den dag had
plaats gemaakt voor een verfrisschende koelte. De kruidige geuren uit
het tropische woud streken langs het water, door de laatste
zonnestralen met een glans van goud en rozen overtogen; hier en daar
als ruikers, in grillige wanorde daarheen geworpen, lagen de eilandjes
half in schaduw, half in gloed, wilde pauwen glinsterden in het groen
en verdwenen plotseling, verschrikt door de riemslagen, in de lucht.
»O zulk een avond moest eeuwig duren!” zeide Corona.
»Eeuwig duren, zou ’t dan een genot blijven?” vroeg hij, »alleen als we
bleven in de stemming waarin we nu zijn en wat is er veranderlijker dan
een menschengemoed?”
»Iwan,” vroeg Corona plotseling en boog zich naar hem, »zeg me oprecht,
heb je die stemming, waarin je nu verkeert, reeds eenmaal doorleefd
naast een andere!”
Hij zag verbaasd naar haar op.
»Waarom vraag je dat?”
»Mag ik dat niet vragen, ik die je mijn toekomst vertrouw?”
»Die toekomst behoort ons beiden, maar ’t verleden mij alleen. Je bent
de eerste vrouw, wie ik mijn naam aanbied, laat je dat genoeg zijn,
Corona en vorsch niet naar voorheen! Heb je Hermelijn zelf niet gezegd,
dat alles, wat van mij kwam, goed of kwaad, je welkom was?”
»Mij belang inboezemde, ja! Maar er zijn vele jaren verloopen, sinds je
elkander het laatst hebt gezien.”
»En een jong meisje is niet de geschikte vertrouweling voor een man,
die de wereld rondtrekt alleen om op avonturen uit te gaan. Maar, wees
niet jaloersch op mijn nog niet lang verleden, een Corona heb ik nog
niet bemind.”
In haar ooren ruischten nog de woorden, die Iteko haar onder het
aankleeden had toegevoegd.
»Wat is u schoon, juffrouw de Géran, ik geloof dat van alle vrouwen,
die mijnheer Thoren van Hagen ooit bemind heeft, geen schooner kan
geweest zijn.”
»Wat weet je daarvan?” vroeg zij scherp.
»Niets, letterlijk niets, maar iemand zoo knap en zoo geestig als
mijnheer Thoren van Hagen is er zeker van, overal le chéri des dames te
worden.”
»’t Zelfde wat Iteko zeide,” dacht Corona en luid sprak zij:
»Nu, ik wil niet dringen in je geheimen, maar vertel me iets van je
jeugd, iets wat ik weten mag!”
»Mijn jeugd is treurig geweest, Corona en een treurige jeugd is als een
sombere koude lente, je weet niet, wat een Europeesche lente beteekent;
zeldzaam zijn die dagen wanneer ’t werkelijk lente is, wanneer men
meent de levenssappen van bloem en plant omhoog te hooren stijgen,
wanneer alles en overal van leven en jeugd spreekt, wanneer de
zonnestralen zelfs iets jongs en frisch hebben. Soms echter ontbreken
die heerlijke dagen bijna geheel, dan is het koud, ijzig, guur, de
knoppen en bladeren trekken zich vreesachtig terug omdat de wereld
rondom hen zoo kil en koud schijnt, de bloesems kunnen zich niet tot
vruchten zetten en zoo breekt de zomer aan, zonder dat de lente haar
werk heeft kunnen doen!”
»En zoo was ’t ook met jou!”
»Zoo was ’t met mij! Mijn vader was officier van de cavalerie, een
schitterende verschijning met een mooi klinkenden naam, doch van meer
dan lichtzinnig levensgedrag; toch won hij niet alleen de hand maar ook
het hart van mijn moeder, een schatrijk, schoon meisje, dat zoo pas de
kostschool verlaten had en verloofd was met den luitenant van
Vooren....”
»Hermelijn’s vader?”
»Juist, een achtenswaardig, oppassend jong man, die door eigen studie
en groote oppassendheid zich tot officier had weten te verheffen, een
man, wien mijn vader niet waard was de schoenriemen te binden, in elk
opzicht zijn meerdere; ik heb ’t later genoeg leeren inzien, maar mijn
arme moeder liet zich door het uiterlijke bekoren en zij heeft er
bitter, bitter voor geboet.”
»Laat ik mij ook bekoren alleen door het uiterlijke, Iwan?” vroeg
Corona teeder en schalksch tegelijk.
»Wie weet, lieveling, of je ook niet eenmaal je keuze even bitter zult
betreuren als zij.”
»Foei, zeg dat zoo ernstig niet!”
»Ik kan nu niet schertsen, nu ik van mijn moeder spreek, maar ’t moet,
Corona, ’t moet eens gebeuren. De effecten mijner moeder trokken hem
aan meer misschien dan haar kinderlijke naïveteit, haar lief,
vriendelijk gezicht; ’t kostte hem weinig moeite haar afvallig te maken
van haar braven Hendrik, zoo noemde hij haar aanstaande. Spot en nog
eens spot, dat was zijn geliefkoosd wapen, waarmee hij onfeilbaar doel
trof, ’t engagement werd verbroken, de arme van Vooren leed er
vreeselijk onder...”
»Wat hem niet belette later nog tweemaal zijn gebroken hart weg te
schenken.”
»Als zijn vrouwen er mee tevreden waren.”
»Wisten zij van die eerste liefde?”
»Maar Corona, wat voor belang boezemt je dat in?”
»Niets, niets, vertel mij verder van je ouders!”
»Mijn moeder zette dus tegen den zin harer familie, dit huwelijk door;
de wittebroodsweken strekten zich niet tot maanden uit. Reeds dadelijk
voelde zij dat hij zich haar meester, haar tyran achtte en van haar
blinde gehoorzaamheid eischte; zij zag in, dat slechts haar
onvoorwaardelijke gehoorzaamheid zijn voorhoofd kon ontrimpelen, zijn
mond doen glimlachen, en blijmoedig bewees zij hem die, tot hij steeds
meer en meer vroeg en wilde heerschen, niet alleen over haar
handelingen maar ook over haar gedachten. Hij richtte zich in haar
geest op als een god, wiens woorden en daden zij gelooven en aanbidden
moest, die alles voor haar zou vervangen, den godsdienst van haar
jeugd, de liefde van haar familie, de herinneringen van haar kindsheid,
alles moest zij hem ten offer brengen. Zij zou niets zijn dan zijn
speelbal, zijn luim en zij werd het.”
»Dan was zij karakterloos,” riep Corona met gloeiende wangen en
tintelende oogen.
»Neen, zij had haar eigen karakter maar zij beminde en vertrouwde haar
echtgenoot, zij zag in hem alle verheven eigenschappen en dacht te min
van zich zelf; zij kon er slechts bij winnen meende zij, de arme, als
zij haar onbeduidende en zwakke persoonlijkheid liet oplossen in de
zijne.”
»Wat had die man een verantwoordelijkheid!”
»Welke hem thans nog verplettert. Hij was geboren voor autocraat; ware
hij vorst geweest met onbeperkt gezag over leven en dood, zijn naam zou
geworden zijn:
Aux plus cruels tyrans une cruelle injure.
Nu vond hij slechts zijn vrouw om over te tyranniseeren, want zijn
bedienden verlieten zijn dienst, zoodra hij trachtte, hen onder zijn
hiel te vertreden. Na mijn geboorte veranderde de verhouding tusschen
hen niet; alleen bleef zij lang sukkelend. Hoewel hij haar gebood mij
aan een min te vertrouwen, kon zij hem toch niet in de wereld
vergezellen; hij ging alleen uit, hoe langer hoe meer, zij waagde een
opmerking, hij zag haar minachtend aan en verwaardigde zich niet te
antwoorden. Eindelijk kreeg zij de onweersprekelijke bewijzen in
handen, dat hij haar bedroog; bijna krankzinnig van droefheid deed zij
hem de bitterste verwijten, hij spotte met haar smart en eischte van
haar dat zij de vrouw, die hij boven haar stelde in haar huis zou
ontvangen. Zij weigerde eerst krachtig, maar allengs zwakker en
zwakker, toen zij inzag, hoe hij ’t huis vluchtte, haar en haar kind
niet meer scheen te kennen; eindelijk gaf zij toe, nog steeds hopend
hem door toegevendheid beter te stemmen...”
»O schande!” riep Corona.
»’t Moet uitgesproken worden,” ging hij op doffen toon voort, »hier
tusschen hemel en water. Hoor ze eens lachen, onze gasten, zij
vermoeden niet hoe pijnlijk in den bruidsgondel wordt geleden. Ik had
dezen dag niet moeten kiezen, Corona!”
»Wat deert het ons, Iwan? Hebben we niet beloofd alles samen te dragen,
leed en vreugde?”
»Als rechter op te treden tusschen zijn ouders, ’t is zwaar. Zij
ontving dan die vrouw, een dame van hoogen adel, grillig en koud, juist
de vrouw om zulk een tyran aan banden te leggen. Begrijp wat mijn
moeder moest doorstaan in tegenwoordigheid van hun beider spottend
medelijden; zij leed bijna armoede terwijl de twee anderen van haar
rijkdom genoten en zij voelde zich zoo eenzaam. Alles had mijn vader
haar ontnomen, haar geloof in God, de liefde van haar familie, haar
vrienden, van wie zij zich terug getrokken had; om zijnentwille had zij
allen van zich vervreemd. Ieder lachte om hare blinde gehoorzaamheid,
ieder noemde haar liefde karakterloos, zooals gij daar straks. Een
vreeselijk ledig moet haar omringd hebben, haar kinderlijke godsvrucht
had nog niet kunnen rijpen tot een echt practisch godsdienstig geloof
dat alle handelingen bezielt, ons de smart met geduld en onderwerping
doet dragen, dat het goede in ons veredelt en verheft, het kwade
onderdrukt, dat ons te hulp komt, waar het zoogenaamde echt
menschelijke tekort schiet, dat ons een betere wereld doet hopen, maar
tevens leert, dat wij hier eerst een taak te vervullen hebben. Zij had
niets gekend dan een vaag, sentimenteel gevoel van liefde voor een
onbekenden Vader, in een geheimzinnige schoone wereld, waarvan men bij
wierookgeur en muziek aangenaam en zoet droomt, maar door mijn vaders
bitteren spot zonk dit fraaie tempeltje jammerlijk inéén en zij kon
niets in de plaats daarvan stellen dan zijn beeld, haar afgod. Hoe
langer hoe meer zag zij in op welke kleivoeten het rustte; hemel en
aarde schenen voor haar te vergaan. Zij dacht nauwelijks aan mij, ik
geloof, dat ik weinig rekende in haar leven, anders ware zij met mij
heengegaan. Hoe zou ik haar alles vergoed hebben, arm, lief moedertje!
Een toevlucht bleef haar over, de dood. Waarom zou zij voor zelfmoord
terugdeinzen? Er bestond immers geen God, wien zij verantwoording
schuldig was van het leven, dat zij ongeroepen ging verlaten? Haar man
erfde haar schatten en kon gelukkig zijn met de vrouw, die hij meer
beminde; eens vond men haar slapend om niet meer te ontwaken; zij had
vergift ingenomen, de min wist alleen dat mevrouw haar kind ’s avonds
hartstochtelijk had gekust.”
Hij zweeg, na met moeite de laatste woorden te hebben uitgesproken; zij
drukte zijn hoofd teeder tusschen haar handen, zij voelde en leed met
hem en bemerkte niet dat een ander gevoel thans nog onbepaald en vaag
in haar gemoed sloop. Later als het haar ziel zou vervullen en haar
geest nacht en dag kwellen, dan zou onvermijdelijk voor haar oog dit
kalme water verschijnen, zacht wegvluchtend in de schaduw terwijl de
laatste zonneglanzen verglommen.
»En hoe nam hij ’t op?” vroeg zij fluisterend.
»Zijn ijdelheid was gekwetst; het was ongehoord dat zijn vrouw, dat
onbeduidende schepsel hem plotseling tot voorwerp aller aandacht
maakte. De dooden hebben steeds gelijk; ieder wist nu hoe hij haar
gekweld en vernederd had, hoe oneindig veel het jonge, vroolijke meisje
geleden moest hebben, omdat zij nog geen anderhalf jaar later het
huwelijk door den dood verbrak. Ik werd het meest beklaagd; de
officieren keerden mijn vader den rug toe, zijn vriendin weigerde zich
verder te compromitteeren en verklaarde dat zij in Minette steeds een
martelares had bewonderd en haar man als een beul verafschuwde. Hij kon
niet langer in dienst blijven, van alle kanten wachtten hem
vernederingen; verbittering en—ik wil gelooven—ook wroeging vervulden
zijn ziel en hij wist niets beters te doen dan haar voorbeeld te
volgen... Wie dacht aan den armen, kleinen Iwan?”
»Maar je vader leeft nog?”
»De zelfmoord mislukte; de wond, die hij zich door een pistoolschot had
toegebracht, genas slechts langzaam; jaren bleef hij, de man met de
onverwoestbare gezondheid, zwak en hulpbehoevend en zoodra hij
eindelijk hersteld heette, bleek het dat hij geen ander, maar een
veranderd man geworden was. Zijn schoonheid en mannelijke kracht waren
heen, zijn zelfbewustzijn was geschokt, hij was nu een voorwerp van
medelijden geworden, tegen wien niemand meer wrok koesterde, zelfs niet
de diep beleedigde van Vooren, die hem vergaf misschien ten wille van
mij, den zoon zijner nooit vergeten Minette, naar wie hij zelfs zijn
oudste dochter noemde. Door erfenis kwam mijn vader in het bezit van
een zoogenaamd kasteel in de heerlijke streek tusschen Maastricht en
Aken, waar alle landhuizen zoo spoedig kasteelen heeten; hij trok er
in....”
»En waar bleeft gij al dien tijd?”
»Och, wat kwam het er op aan? Onder de hoede van een paar dienstboden.
Het goede Kaatje, dat bij ons diende toen het ongeluk gebeurde, hechtte
zich aan het arme schaap van een kind, waarom zich niemand scheen te
bekommeren; over geld mochten de bedienden vrij beschikken, mits zij
het kind maar zoet hielden en de vader niet bemerkte dat er zulk een
wezen op de aarde bestond. Je begrijpt, wat er van mijn opvoeding werd.
Geen gril, hoe zonderling, of ze werd ingewilligd, geen plichten leerde
ik kennen, geen lessen behoefde ik te leeren. Toevallig was ik
weetgierig en vrij vlug; toen ik dus mijn vader in Ellenrade volgde,
leerde ik al spelend het een en ander wat het leeren waard was en nog
meer wat het niet waard was. Ik vocht met de boerenjongens, speelde
over hen baasje, schuwde mijn vader als een besmettelijke en was uren
in het rond als »de kwâjong van den kapitein” bekend.”
»Hoe bracht je vader dan zijn tijd door?”
»Met allerlei soorten van philosophische en astronomische proeven, met
klopgeesten en tafeldansen, alles bij buien. Zoo werd hij, de spotter
van voorheen, tot het overdrevene bijgeloovig, dan weer zocht hij iets
vooruit te zien, vorschte in de sterren of in oude boeken, liet mediums
en goochelaars bij zich komen, ondervroeg telkens den geest mijner
moeder om als hij geen bevredigende antwoorden kreeg weer ergens anders
te zoeken en den eenigen plicht, die hem was overgebleven, het eenige
middel dat hem restte om zich met God en mijn moeder te verzoenen
moedwillig te verwaarloozen. Om mij bekommerde hij zich niet in ’t
minst totdat eens de toenmalige kapitein van Vooren, die in Maastricht
in garnizoen geplaatst was, hem kwam bezoeken; juist had ik weer
zooveel kattekwaad uitgevoerd dat de politie er bij te pas kwam. Ik
geloof dat het niets meer of minder gold dan brandstichting in een
hooiberg, zoo slecht is de knaap geweest, over wien gij je ontfermt,
Corona!”
»Ik heb er je te liever om,” antwoordde zij.
»Moge ’t je niet berouwen, Corona, maar de kapitein zag, dat ik
opgroeide voor de gevangenis en dat mijn vader het te druk had met zijn
verhevene bezigheden, om aan zoo’n kleinigheid als de opvoeding van
zijn zoon eenige aandacht te wijden. »Geef hem mij maar mee, ik zal
zien of er iets van terecht komt,” sprak de kapitein. »Als ’t je
belieft, neem hem mee, en doe met hem wat je verkiest,” antwoordde papa
met een zucht van verlichting en zoo kwam ik t’huis bij Hermelijns
vader.”
»Hoe oud was zij?”
»Een aardig klein ding, van zes, zeven jaar. Ik had respect voor den
kapitein, door hem liet ik me raden en leiden, later toen ik in
militairen dienst trad, kwam ik weer onder zijn leiding, maar ik heb
hem veel verdriet gedaan. Ik kon me niet buigen onder de militaire
tucht, toch werd ik officier en studeerde een tijd lang zeer hard want
ik verlangde naar de epauletten; zoodra ik ze had, wierp ik ze weg, het
was mijn eerste werk nadat ik me overtuigd had, dat het uniform me goed
kleedde. Zoo ben ik; ’t is beter dat je het weet, de verhouding mijner
ouders verklaart wellicht deze eigenaardigheid. Zoodra ik iets bezit
waarnaar ik vurig verlang, voelt mijn hart zich plotseling ledig en...”
»Het heeft geen waarde meer voor je. Ach, Iwan, zal ’t ook zoo met je
gaan, wanneer wij getrouwd zijn?”
»Ik hoop ’t niet, Corona!”
En dat kon hij zoo koel zeggen, met zijn hand in de hare, zijn hoofd
tegen haar knieën geleund; zij rilde, trok haar hand terug en wendde
het hoofd om. Plotseling schitterden de oevers van het meer in
veelkleurig licht, tusschen het groen en de rotsen waren honderden
inlanders geslopen, die daar bonte lantaarns ophingen, welke als bij
tooverslag een zachten, tooverachtigen schijn over het water, de
eilanden en de bootjes wierpen.
»Corona, mijn Corona,” en hij sloeg den arm om haar, »alles is ter uwer
eere, mijn koningin, mijn kroon! Vraag me zulke dwaasheden niet meer!”
»Was het een dwaasheid?” vroeg zij.
»Daar ik ’t voor geen beleediging wil opnemen; glimlach weer, mijn
liefste, je bent mijn alles, mijn geluk, mijn vreugde, mijn toekomst,
je zult het leven van den eenzamen zwerver vervullen, gij en gij
alleen!”
Corona voelde zich gewonnen door zijn zoete taal, die hem op dit
oogenblik inderdaad uit het hart welde, hij meende waarlijk dat haar
oogen een licht zouden werpen op zijn toekomstig levenspad, dat hij
afgedaan had met zijn vroegere weifelingen en aarzelingen om zijn
vrijheid aan haar ten offer te brengen en zij geloofde hem gaarne, maar
toch, volmaakt gelukkig was zij niet meer, de eerste schaduw was op
haar geluk gevallen. Niemand vermoedde het echter; een zoete muziek
deed zich hooren. Op een der eilanden had Thoren van Hagen muzikanten
geposteerd, van meer dan gewone bekwaamheid; op een ander was het
avondmaal gespreid, later werd vuurwerk op ’t water ontstoken. In één
woord, het feest, door Thoren van Hagen zijn aanstaande bruid geboden,
was de waardige tegenhanger van dat door haar ter Hermine’s eere
gegeven en zou een prinselijken bruidegom niet onwaardig geweest zijn.