XLII.

Corona zat in haar kamer en peinsde.

Wat ontbrak aan haar geluk? Iwan was zoo goed en liefdevol als zij het

slechts wenschen kon, ieder overlaadde haar met bewijzen van sympathie

en liefde, Hermelijn was voor haar de teerste zuster, die men zich

bedenken kan, haar vader scheen ten volle tevreden met haar keuze, en

toch.... toch was zij niet voldaan.

Er drukte haar iets ter neer, iets waaraan zij geen naam kon geven,

maar dat er daarom niet minder zwaar en voelbaar om was.

»Ik ben mijzelf niet meer,” zuchtte zij. »Hij leidt me waarheen hij

wil. Zou hij iets hebben van het karakter zijns vaders, van den man,

die zijn liefhebbende vrouw in den dood joeg, het ware te vreeselijk!

Zij kon zich in hem oplossen, maar dat wil ik niet, ik ben te oud en

daarbij te veel mijzelf.”

Aanleiding tot die gedachten bestond er niet rechtstreeks; een klein

verschil van gevoelen dat zij gisteren hadden gehad over de behandeling

der Javanen kon het toch niet wezen.

Iwan had zijn uit couranten en boeken geputte geleerdheid blootgelegd;

Corona stelde er haar ondervinding tegenover, hij noemde die wreed en

onrechtvaardig, maar zij verdedigde haar standpunt met warmte en innige

overtuiging. Zij was goed voor de Javanen hoewel streng, zij betreurde

de afschaffing der rottingstraf en hij noemde dat onvrouwelijk; toen

zij tegen dit oordeel vol vuur protesteerde, glimlachte hij en vroeg of

zij »De negerhut” had gelezen.

Op haar verwonderd »ja” sloot hij haar lippen met een kus en verzocht

haar, ten minste op hem die straf niet toe te passen; verder was hij

dien avond onberispelijk hartelijk geweest.

Dat was alles; waarom kon Corona niet zonder pijn aan dit onbeduidende

voorval denken, evenmin als aan hun ernstig gesprek in den gondel?

Zij wist nog niet dat er in liefde of in innige vriendschap geen

kleinigheden bestaan; dat alles daarin groote afmetingen bezit, dat

schijnbaar geringe voorvallen soms licht werpen op verborgen diepten

van een gemoed, dat men geheel meende te kennen. Een woord, een blik,

een verzuim kunnen schakels zijn van een keten, die half vergeten

opmerkingen, vage gewaarwordingen aan elkander verbinden; straaltjes

licht, die vaak op een dwaalspoor brengen, insecten, die knagen aan het

fondament, zonder hetwelk vriendschap en liefde onmogelijk zijn, aan

het vertrouwen.

Alles wordt voedsel wanneer zich eenmaal zekere gedachte of zeker

vermoeden tusschen twee innig verbondene zielen heeft vastgezet; wat

eerst een onbeduidend steentje was, dat men nauwelijks opmerkte, dat

zelfs geheel verdwenen scheen, verheft zich langzamerhand tot een

scheidingsmuur, die beiden onherroepelijk van elkander scheidt.

Zoo was ’t ook hier; Iwan en Corona hadden elkander innig lief, zij met

allen hartstocht van haar vurig opbruisend karakter, hij met alle

kracht van zijn avontuurlijken, fantastischen geest; misschien was zijn

liefde meer een zaak van het hoofd, misschien maakte zijn eigenaardige

levensloop hem ongeschikt om te beminnen als een ander; het blijft

immers altijd, eeuwig waar, dat waar twee menschen elkander beminnen,

de eene meer schenkt en de andere meer ontvangt, de eene meer en de

andere minder liefheeft; maar even waar is het ook dat het zeer lang

duren kan vóór een van beiden het bemerkt, vóór dat de eene tot dat

treurige bewustzijn ontwaakt en daarmede zijn geluk bedreigd ziet. Zou

voor haar het ontwaken reeds zoo vroeg komen?

Iteko sloop zacht en haast ongemerkt binnen.

»Om hoe laat komt mijnheer van middag?” vroeg zij hoogst bescheiden.

»Op den gewonen tijd, denk ik.”

»Dan zal mijnheer zijn jacht wel reeds geëindigd hebben.”

»Welke jacht bedoel je?”

»De jacht op de apen van Ngaroe. Och, ik begrijp ’t heel goed dat

mijnheer Thoren van Hagen boven zulke kinderachtigheden verheven is,

maar het kon voor hem gevaarlijk worden; het visschen zien de Javanen

reeds zeer ongaarne maar het schieten op de heilige apen, vinden zij

natuurlijk een gruwel.”

»Ik wist niet, dat Iwan ’t ooit gedaan had.”

»Dat begrijp ik wel, juffrouw; een woord van u zal natuurlijk voldoende

wezen om mijnheer te doen inzien, dat het verkeerd is, maar de Javanen

morren er reeds over dat mijnheer het vervloekte huis betrokken heeft

en de gasten van het woud beleedigt.”

»Ik zal er hem over spreken, natuurlijk.”

Toch zag Corona er tegen op, Iwan voor iets te waarschuwen. Van waar

kwam die geheime schroom bij haar, die vroeger niets en niemand

vreesde?

»Het zal voor mijnheer een genoegen en vreugde zijn, dat spreekt, die

liefhebberij vaarwel te zeggen als u er om vraagt,” voegde Iteko er

fluweelzacht bij.

»Zwijg,” gebood Corona, plotseling op den toon der prinses van

voorheen, »je hebt niets te maken met hetgeen tusschen mijnheer Thoren

en mij voorvalt.” Zonder een woord meer te zeggen ging Iteko aan haar

werk, Corona bleef voortpeinzen, kleedde zich op den gewonen tijd aan

en wachtte hem in haar geliefkoosd hoekje af, waar zij de bekentenis

van zijn liefde ontvangen had.

Thoren van Hagen liet zich niet wachten; zij ging hem tegemoet en samen

maakten zij een wandeling in den omtrek van het groote huis.

Corona was eenigszins afgetrokken; zij wilde en moest hem over die

jacht spreken maar zij zocht naar haar woorden en wist niet hoe te

beginnen. Telkens wilde zij er over praten en telkens bedacht zij zich

weer of liever stelde het uit.

»Ik zal ’t zeggen als we naar huis gaan,” dacht zij en een oogenblik

later weer, »neen, in de open lucht is ’t minder geschikt dan binnen.”

Hij sprak over onverschillige zaken; hij had een van zijn levendige

buien en was bijzonder opgewekt.

»Ik heb van morgen een moord gedaan,” zoo vertelde hij, »verbeeld je,

daar kwam me zoo’n brutale aap in mijn kamer en kaapte een paar boeken

weg, die ik nog niet eens gelezen had. Hij klauterde tusschen de boomen

en eindelijk toen ik geen kans zag goedschiks aan mijn eigendom te

komen, legde ik mijn geweer aan en schoot hem er uit. ’t Is een

prachtig beest in zijn soort. Het was treffend te zien hoe al zijn

vrienden van hun hooge zitplaatsen afklommen, om rondom zijn lijk

allerlei grimassen van verdriet te maken.”

»Dus ’t was maar een toeval dat je het dier doodgeschoten hebt, Iwan,”

vroeg Corona met een zucht van verlichting, »je maakt toch niet bepaald

jacht op de apen?”

»Wat zou ik er aan hebben? Die dieren zijn vreedzaam, maar als ze het

mij lastig maken schiet ik er dapper op los.”

»Doe dat niet Iwan, als je mij een pleizier wilt doen!”

»Waarom niet? Ik kan niet zeggen dat de apenjacht mij bijzonder

aantrekt, ik vind het een flauwe liefhebberij maar als het te pas

kwam...”

»Dan nog niet. Geloof me, laat die dieren met vrede.”

»Zijn ze in je oog misschien ook heilig?”

»Neen, maar ze zijn het voor de Javanen en ik vind het noodeloos hun

gevoel te kwetsen.”

Hij zag haar lachend aan.

»Is dat dezelfde strenge Corona, die de rottingstraf weer ingevoerd

wilde zien en die nu zooveel eerbied heeft voor de belachelijke

sentimentaliteiten van de Inlanders.”

»Ik geloof niet dat het een het andere uitsluit en ik ben zeker, dat

een Javaan liever schuldig of onschuldig door de rottan gestraft wordt

dan dat hij een Europeaan een bloedbad ziet aanrichten onder de dieren,

die hij voor heilig aanziet.”

»En is ’t dan onze plicht niet, van ons, die beweren roeping te hebben

de Javanen te veredelen, te beschaven en weet ik wat nog meer, zulke

verkeerde begrippen tegen te gaan?”

»Door ze opzettelijk te kwetsen, ik geloof dat juist door die

vervolging ze hun nog dierbaarder worden.”

»Ik voor mij denk dat niets hen beter genezen kan, dan de overtuiging

dat er niets kwaads gebeurt, al schiet ik hun apen gezamenlijk neer,

wat ik misschien ga doen, als ’t mij invalt en ze het mij te lastig

maken.”

»Iwan, ik bid je, laat dat plan varen. Ik verzoek er je om!”

»Maar Corona, het zou toch te kinderachtig zijn, wanneer ik alle

grillen van die beesten verdroeg alleen omdat...”

»Ik er je om vraag, laat je dat genoeg wezen.”

»Corona,” en zijn stem klonk hoog ernstig, »we zijn beiden te oud en

naar ik hoop ook te verstandig om aan zulke galanterieën te doen. Ik

wil volstrekt niet, wat mijn vader van zijn vrouw verlangde, dat zij

een willoos voorwerp in zijn handen werd, dat zij al zijn bevelen

opvolgde, alleen omdat hij het verkoos maar van mijn kant verkies ik

ook niet, iets te laten, alleen omdat jij het vraagt. Dit is verkeerd

begrepen liefde, het zou me geen moeite kosten tijdens ons engagement

iets te beloven maar als we getrouwd zijn, doe ik aan dergelijke

toegevendheid niet meer.”

»Omdat je niet van mij houdt.”

»Foei, Corona, zeg zulke banaliteiten niet! Waarlijk, ze klinken niet

uit je mond; je plaatst je daarmee op het standpunt van alle andere

geëngageerde meisjes.”

»Ben ik beter dan zij? Ik redeneer niet, want liefde, die redeneert is

geen liefde meer. O, Iwan, dat ééne bewijs van liefde weiger je me?”

»Hoe klein moet je van mijn liefde denken, Corona, dat je die naar zulk

een weigering afmeet!”

»Iwan, geloof mij, je verbittert de Javanen door die jacht; de gevolgen

zullen niet te overzien wezen, je kent ze niet als ik.”

»Daarom gun je hun zeker een menschonteerende straf en onzinnige

bijgeloovigheden. ’t Is domheid die men dient tegen te gaan.”

»Dat meenden ook de Cesars, toen ze de eerste Christenen vervolgden.

Ieder mensch die een eigen meening bezit, hoe dwaas en krankzinnig die

ons voorkomt heeft ze lief en zij, die zich vrijdenkers noemen, zijn op

weg, de ergste tyrannen te worden. Dat heb je aan je vader gezien.”

»Ik verzoek je, Corona, mijn vader en de geschiedenis buiten onze twist

te laten.” Zij liet zijn arm, waarop zij nog steeds rustte, los en

wendde het hoofd af.

»Ik begrijp ’t meer dan ooit, je hebt me niet lief. Meen je dat Portias

ooit zoo ruw tegen Kitty gesproken heeft?”

»Liefde noem je immers kinderachtig en het huwelijk een ernstige zaak,

welnu, de kinderperiode zijn we haast voorbij, en de ernst breekt aan.”

»Als die ooit komt! We zijn nog niet getrouwd; ’t ware misschien beter

als we mekaar nimmer gekend hadden, nu reeds weiger je mij een

onnoozelen wensch!”

»Zoo je meent dat een man niets anders is dan een slaaf meer aan je

triomfkar, dan heb je misschien gelijk.”

»Ik vraag ’t je nog eens, wil je van die onzinnige jacht afzien?”

»Neen.”

»Zie dan van mij af!”

»Ik heb je woord en ik geef ’t je zoo gemakkelijk niet terug om een

booze bui.”

»Iwan.”

De aders van haar voorhoofd zwollen op, haar oogen schoten vlammen en

haar lippen trilden; en toch, zij voelde zich machteloos, geheel onder

den invloed van den man, die over haar leven kon beschikken.

»Wel meen je, dat ik zoo laf zou zijn, alleen omdat je nu boos belieft

te zijn ons engagement te verbreken en morgen, wanneer je goed humeur

terug is, het weer aan te knoopen. Geef me je arm maar weer, Corona, en

praat er niet meer van!”

»Dat nooit.”

»Zooals je verkiest!”

Zwijgend gingen zij naast elkaar voort, tot aan het groote huis. Kitty

kwam hen tegen met Margot, zij zagen dadelijk dat er iets gebeurd was,

hoewel Thoren van Hagen vroolijker en levendiger was dan gewoonlijk;

hij verhaalde opnieuw de geschiedenis van den aap tot Corona’s groote

ergernis.

De beide zusters schaterden het uit van lachen en Margot, die nu gerust

Thoren mocht zeggen, zeide schertsend:

»Pas op, Thoren, als de Pontianak [98] van het meer je maar niet

verwurgt zooals zij ’t Bremmers heeft gedaan.”

»Ik verzoek je, de dooden te laten rusten,” beval Corona op den

scherpen, korten toon, dien zij na haar engagement bijna geheel had

afgelegd, »of ik zal juffrouw Iteko verzoeken een opnaaisel te maken in

je veel te lange rokken.”

Margot beet zich op de lippen van ergernis; haar laatste japon reikte

werkelijk tot den grond. Corona had het niet opgemerkt of niet willen

opmerken, nu begon zij er eensklaps tot Margot’s grooten schrik over.

»Ik heb Portias ten minste niet willen toestaan op het meer te

visschen. Dien avond toen we daar zoo heerlijk vaarden, was ik blij dat

de lolings [99] opgestoken werden. Ik voelde mij bepaald mergilàn

(angstig).”

»O foei Kitty, ik dacht dat je wijzer waart.”

»Wij Inlandsche kinderen zijn allemaal bijgeloovig.”

»Ik ben niet bijgeloovig,” zeide Corona, »maar ik kan me toch begrijpen

dat anderen het zijn.”

»Behalve als de roode hond in het spel is,” plaagde Iwan.

Dien avond was Corona trotsch en prikkelbaar als voorheen; haar

verloofde verwaardigde zij met geen blik.

»Ik wil mij niet nu reeds buigen onder zijn wil,” dacht zij, »hij zou

mijn tyran willen worden. Het kan zoo niet blijven.”

Eens fluisterde hij haar toe:

»Ik verzoek je vriendelijk, Corona, het niet wereldkundig te maken, dat

we gekibbeld hebben. Mijn lust tot praten is ook niet bijzonder groot,

maar ik wind me op om mogelijke praatjes en toespelingen te voorkomen.”

»Ik kan geen komedie spelen,” antwoordde zij kortaf met een boos,

somber gelaat.

Thoren van Hagen ging vroeger naar huis dan gewoonlijk. Hij wilde

afscheid van haar nemen, zij weerde hem af:

»Niet vóór je mij dat verzoek hebt toegestaan.”

»Zooals je wilt!”

Hij keerde zich om, en zeide tot den ouden heer de Géran:

»Ik ga morgen naar Soekarenga en denk een paar dagen weg te blijven.

Corona vindt het zeer goed.”

Corona sprak hem niet tegen hoewel haar bloed kookte.

»Goede reis!” was het lakonieke antwoord.

»Een wolk in den blauwen hemel,” zei Margot hoogwijs.

»De snaren raken ontstemd,” meende Portias, »zonderling dat twee

instrumenten, hoe gelijk ze ook klinken, toch spoedig weer hun diapason

verliezen en het stemmen niet altijd helpt.”

Hermelijn · 第 48 / 67 题