Volle vrede heerschte er op het uitgestrekte grondgebied der Gérans. De
verloving van Corona werd natuurlijk zeer verschillend opgenomen;
benijders vonden het vreemd dat zij zich verbond aan iemand, die een
zwervend leven leidde en die, hoewel een zeer bekenden Hollandschen
naam dragend, toch zeer goed een avonturier kon zijn.
Ze vergaten natuurlijk niet dat zij sinds jaar en dag voorspeld hadden
hoe die trotsche, veeleischende Corona stellig eenmaal een dwazen stap
zoude doen. Anderen schudden het hoofd en betwijfelden het zeer of zulk
een overhaast engagement iets anders dan rouw kon aanbrengen; de
meesten verheugden zich over de jongere Gérans, die nu vrijer zouden
wezen vooral als Corona met haar man naar Europa ging. Algemeene
sympathie vond haar keuze echter bij de familie. Thoren van Hagen had
hun vriendschap en zelfbewondering verworven, en »hij kan haar aan” was
de hoogste lofspraak, die hem gegeven werd.
Er hadden verscheidene feesten plaats, die de verschillende
familieleden op het groote huis vereenigden; Hermelijn en Conrad reden
er ook heen.
In ’t rijtuig zeide ze hem lachend:
»Ik bid je, Conrad, houd je nu heel deftig en bedaard voor de familie;
laat hen niet te veel het verschil merken tusschen nu en den vorigen
keer. Kijk me zoo min mogelijk aan!”
»Je vraagt mij ’t onmogelijke, ik begin me hoe langer hoe meer te
verwonderen over mijn sterkte van karakter.”
»Zeg liever je koppigheid; ’t is altijd gemakkelijker om sterk te zijn
uit ondeugd dan uit deugd.”
»En nu zou ik het over de bergen willen roepen dat ik het allerliefste,
allerverstandigste vrouwtje der wereld heb, en dat ik doodelijk van
haar ben.”
»Stil, stil, niet zoo ruw! Je doet me pijn, ik zou wel eens willen
hooren hoe Thoren van Hagen en Corona met mekaar praten, dat zal zeker
heel iets anders zijn dan de onzin, dien wij verkoopen.”
»Geloof je dat? Ik denk het niet, en ’t is me ook heel onverschillig.”
Maar Hermelijn had slechts zeer weinig het recht om haar man tot
veinzen aan te sporen; haar gelaat kon niet huichelen; stralend van
geluk en vreugde, kwam zij haar broeders en zusters tegemoet, geheel
het tegenbeeld van het levensmoede, verbitterde Hermelijntje, dat men
niet zonder medelijden aan kon zien.
Hartelijk omhelsde zij Corona, die zich nu eerst volmaakt gelukkig
voelde.
»Vertel me, hoe is ’t gekomen?” vroeg zij.
»Och, ik weet het zelf niet. We hebben ons goed in de oogen gekeken, en
toen begrepen we elkaar.”
»En voelt ge niet den minsten wrok meer tegen mij, Hermine?”
»Neen, niets meer zusje, niets meer!”
Corona scheen geheel veranderd; haar geluk uitte zich door
verschillende gunsten, die zij steeds standvastig geweigerd had zelf te
geven of wel haar vader ontried.
Portias’ tractement werd verdriedubbeld; Toetie kreeg nieuwe meubels en
een nieuw servies, Poppie een volledige uitrusting voor den kleinen
wereldburger, die het petekind van Conrad en Hermelijn werd en nog
pakjes kleeren voor de tien overigen. Akkeveen zelfs ontving de
verhooging, die zij eens als koopsom voor de arme Yolande had willen
geven; de anderen kregen ook wat hun hart wenschte.
Zij toonde zich een goede, genadige koningin, zelfs jegens alle
bedienden en loontrekkenden.
Iteko wenschte haar op hoog ernstigen toon geluk met haar verloving.
»Je hadt niet gedacht dat de gebeurtenissen zulk een loop zouden nemen,
niet waar, Iteko,” sprak zij met een gelukkigen lach tot haar
vertrouweling.
»Neen, waarlijk niet, juffrouw!”
»Je ziet nu, waarop al je wijze onderstellingen uitgeloopen zijn; ’t
was om mij dat Iwan zich hier vestigde.”
»Als de juffrouw ’t zich herinneren wil dan heb ik dat het eerst gezegd
maar....”
»Later heb je allerlei dwaze dingen verzonnen, zelfs Margot...”
»Dat was natuurlijk maar gekheid en wat mevrouw Conrad betreft, het
doet me plezier dat alles heel anders is uitgekomen, maar u moet
bekennen dat de schijn er voor was.”
»Een goede les om niet meer op den schijn te vertrouwen.”
»Die ik als zoodanig zal aannemen.”
»Als ik alles goed beschouw dan geloof ik ook, dat ik reeds dadelijk
mij door Iwan aangetrokken voelde; en dat ik meende antipathie voor hem
te koesteren, kwam doodeenvoudig voort uit zeker gevoel van
ontevredenheid, omdat hij mij niet....”
»Niet dadelijk het hof maakte, neen, dat deed hij niet!”
»En ik acht er hem te meer om. Ik kan me niet voorstellen, Iteko, dat
ik zooveel, zoo innig veel van iemand houd; ik geloof dat ik alles voor
hem zou kunnen doen. Ik begrijp niet, dat ik zoo lang geleefd heb
zonder hem. ’t Is of ik in alles zijn wil moet volgen, o ’t is zoo
vreemd; ik kan niets doen dan wat hij verlangt, zoo overtuigd ben ik
dat het slechts goed, edel en grootsch kan zijn, wat hij van zijn
toekomstige vrouw wenscht.”
»Ik hoop dat het steeds zoo mag blijven!”
»Waarom?”
»Is ’t geen goede wensch, juffrouw? U is nu gelukkig, ik hoop dat u ’t
altijd zal wezen en daar die gevoelens ’t u maken, wensch ik dat u ze
steeds behoudt!”
»O ’t kost me geen moeite hem te gehoorzamen! Ik verlang er zelfs naar
hem te toonen hoe hoog ik tegen hem opzie, hoe ik zijn verstand, zijn
doorzicht bewonder.”
»Heeft u daar vele bewijzen van gezien?”
»Iteko!”
»Och juffrouw, vergeef me, maar u weet hoe groot mijn bewondering van
uw verheven eigenschappen is en daarom zal u mij ten goede houden, mij,
die hier koel en onbevangen oordeel, dat ik ’t jammer zou vinden,
wanneer u afstand deed van uw eigen karakter ten behoeve van iemand,
die misschien in weinig of niets uw meerdere is.”
»Nu ga je te ver, je matigt je een oordeel aan over hem, die mij ’t
liefste ter wereld is, over mijn aanstaanden echtgenoot.”
»Geen oordeel, juffrouw! Niet dan een opkomende vrees, een twijfel
voortkomend uit mijn groote vereering voor u, maar u heeft gelijk, ik
zal ’t hoogste denkbeeld koesteren van meneer Thoren’s karakter en
denken; wat men wenscht, dat gelooft men ook, en toch hoe hoog moet ik
mijnheer uw galant schatten, als ik hem waardig acht u ter zijde te
staan?”
»Ge kunt hem niet te hoog stellen.”
»God geve ’t!”
»’t Is of je er aan twijfelt.”
»Welke reden zou ik er voor hebben; eerst, ik beken ’t gaarne, schreef
ik meneer Thoren zeer lage bedoelingen toe, later zag ik in, dat het
een vergissing bleek te zijn, u denkt het ook, ’t is mij voldoende.
Laat me alleen hopen, dat hij zich uw vertrouwen niet onwaardig toont!”
»Je hebt een eigenaardige manier om je opinie te zeggen, maar ik geloof
dat je het goed meent, Iteko, hier heb je een souvenir van me, ter
gedachtenis van mijn engagement!”
En zij liet een kostbaren ring met brillant in Iteko’s hand glijden.
»Ik blijf u zeer dankbaar juffrouw, mag ik ook weten, wanneer uw
huwelijk zal gevierd worden?”
»De tijd is nog niet bepaald. Meneer Thoren van Hagen moet nog de
toestemming van zijn vader ontvangen.”
»Dan heb ik al den tijd om mijn dienst op te zeggen.”
»Je dienst opzeggen, hoe kom je er aan, Iteko!”
»De juffrouw begrijpt, dat ik, zoodra u vertrokken is, hier niet meer
zal blijven.”
»En waarom? Mijn broers en zusjes en de neefjes en nichtjes hebben je
zoo noodig!”
»Bespaar mij nadere uitleggingen, juffrouw de Géran, maar wanneer u
vertrokken is, dan wordt mijn toestand onhoudbaar; voor u zou ik gaarne
mijn leven lang hier gebleven zijn, maar is u vertrokken, dan kan ik er
niet aan denken langer te vertoeven tusschen menschen, die mij
bespotten en haten!”
»Maar Iteko, hoe kom je er aan! Ik ga ook Java niet uit voorloopig ten
minste; ik trek natuurlijk in het huis van mijn man...”
»In dat van Dr. Bremmers?”
Corona verbleekte.
»Nu ja, wat zou dat? Als treurige herinneringen daaraan verbonden zijn,
dan gaat het mij niet aan, volstrekt niet! Zoo blijf ik in de
nabijheid, je kunt mij spreken zoo dikwijls je verkiest.”
»Neen juffrouw, mijnheer Thoren ziet me niet gaarne, ik geloof dat ik
beter deed reeds dadelijk te vertrekken maar ik mis er den moed toe;
niet ieder bezit de gave zich te verheffen boven de getuigenis der
oogen en door de misvormde schaal tot de kern door te dringen. U vermag
het en daarom stel ik u zoo hoog; die eene eigenschap reeds sluit
zoovele deugden in zich.”
»Hoor eens, Iteko, we spreken daar later over, voorloopig blijft ge
hier en er wordt niets veranderd in je toestand.”
»Zooals u verkiest, juffrouw!”
»Dat arme schepsel vereert me hoog,” dacht Corona, »kassian, zij heeft
ook niets anders ter wereld om mee te dwepen. Ik geloof stellig dat ze
jaloersch is op mijn liefde voor Iwan. Zonderling, ik zie alles nu zoo
heel anders in, ’t schijnt dat de menschen en de dingen een geheel
verschillend aanzien hebben gekregen.”
De liefde, die haar ziel vervulde, maakte haar tot een ander wezen;
groot, innig geluk straalde haar uit de oogen; als zij hem tegemoet
vloog, schitterde haar blik met vochtigen glans.
»’t Is te veel geluk op eens, zou ’t kunnen duren?” vroeg zij hem met
een verrukt lachje en een traan in het oog.
»En waarom niet, geluk waarvan men het einde voorziet, is, zegt men,
geen geluk meer,” antwoordde hij.
Zijn houding tegenover haar was ridderlijk en teeder tegelijk maar met
een zweem van nederbuigende vriendelijkheid, als nam hij haar liefde,
die bijna de aanbidding naderde aan, als iets, wat hij recht had van
zijn aanstaande te eischen.
»Ik kan mij niet voorstellen, dat het dezelfde Corona is,” zeide
Hermelijn tot Kitty en Portias, »ik zou onmogelijk zóó mijn geheele
karakter kunnen verloochenen voor een man; me dunkt dat ik nimmer zijn
slavin zou kunnen wezen en Corona is mooi op weg het te worden.”
»Neen, zóó ben ik nooit tegen mijn strijkstok geweest,” verzekerde
Kitty lachend, »hoeveel Corona vroeger ook op mij te zeggen had.”
»Als zij ’t maar volhoudt,” sprak Portias, »de violoncel kan niet
altijd gespannen blijven; als men dezelfde snaren en dan liefst de
fijnste altijd doet trillen, dan worden zij slap of breken en zoo vrees
ik, zal ’t met Corona nog eens gaan!”
»Een vos verliest wel zijn haren maar niet zijn streken,” grinnikte
Akkeveen, »’t is een nieuwe gril van de Sultana eens slavin te willen
zijn, maar op een goed oogenblik verveelt het haar en dan wee ons! Maar
ik moet zeggen: Thoren heeft er eer van, hij heeft de onneembare
vesting eerst door verhongering en later door overrompeling ingenomen.”
»Neen Coen,” sprak Hermelijn, toen zij met haar man alleen was, »al die
overdreven dingen deugen niet. Portias en Akkeveen vermoeden het
flauwtjes maar ik, die Iwan van jongs af ken, weet het zeker;
ongeduriger schepsel dan hij bestaat er niet. Hij moet het onbereikbare
hebben en bezit hij ’t eenmaal dan kijkt hij er niet naar om. Papa
heeft het hem dikwijls genoeg gezegd. »Dat wordt de vloek van je leven,
jongen! die ellendige wispelturigheid.” Eens moest hij een
horlogeketting hebben, die zijn vader hem weigerde. Toen spaarde hij
maanden lang, legde zich allerlei ontberingen op, kocht den ketting om
hem den volgenden dag weg te geven en met een gewoon koordje zijn leven
lang te loopen; een volgenden keer klom hij in den hoogsten boom om met
levensgevaar een nest er uit te halen en eindigde met het weer op
dezelfde plaats terug te brengen; alles werd hij moe, zoodra hij ’t
rustig bezitten kon.”
»Nu, een lastige eigenaardigheid voor Corona! Geloof me, Hermelijntje,
al kan ik onder menig opzicht niet wedijveren met je vriend Iwan, daar
kun je op aan, wanneer ik van iemand houd, dan is ’t voor goed, voor ’t
leven en daarna!”
»Dat weet ik, mannetje-lief, en wees verzekerd dat ik ze van harte aan
mekaar gun, ik zou niets liever wenschen dan ze gelukkig te zien en
daarom zou ik Corona zoo gaarne wenken geven hoe met hem te handelen;
hij moet nooit tevreden van haar gaan, altijd moet ze koketteeren...”
»Mooie principes, breng ze liefst niet in praktijk en meng je maar niet
in hun zaken.”
»Evenmin als ik haar toestond zich met de mijne te moeien. Ik dank je,
Coen, je raad is zeer goed.”
Met bewonderenswaardigen tact wist Hermelijn gebruik te maken van haar
meerderheid op Conrad; zij leidde hem op zoo behendige wijze, dat hij
steeds meende in gemeenschappelijk overleg met haar te handelen; hij
zag haar naar de oogen, om een goedkeurenden glimlach van haar zou hij
alles over hebben; op een lichte fronsing van haar wenkbrauwen, een
schertsend verwijt liet hij alles, wat zij verkeerd achtte.
»Neen Guillaume, nu sta ik je niet meer toe mij mijn vrouw te
benijden,” sprak hij tot zijn broer.
»Ik doe ’t toch, mijn Toetie wordt bij den dag onhandelbaarder; je bent
het beste af van ons allen en dan zoo lang nog ondankbaar blijven.”
»Ik kan ’t nooit aan haar goed maken en ze is toch altijd even
vriendelijk, even zacht tegen mij gebleven.”
»’t Is een allerliefst Hermelijntje, ik heb ’t je altijd wel gezegd,
draag ze op de handen, zorgvuldig en teer, dat er geen smetje aankomt;
ik zou ’t ook doen als Corona mij zoo’n vrouw had gegeven.”
Hermelijn maakte van haar vriendschappelijke verhouding tot Iwan
gebruik, om eenmaal toen zij hem een oogenblik alleen zag, te naderen
en te zeggen:
»Wat heeft alles een goede wending genomen, Iwan, nu zijn we allen
gelukkig.”
»’t Doet me genoegen het van je te hooren, Hermelijn, ’t heeft me
verdriet genoeg gekost, je strijd aan te zien zonder je hulp te kunnen
brengen. Ik verheug me over je victorie.”
»Maar jezelf, Iwan, ben je nu ook niet tevreden?”
»Stellig, zeer tevreden!”
»En dat zeg je op dien toon?”
Iwan zuchtte en onderdrukte tevens een geeuw.
»Och je weet ik ben altijd een raar heerschap geweest van dat ik zoo’n
kleine jongen was, en het heele dienstpersoneel in rep en roer bracht
omdat ik de maan wilde hebben, die in een tobbe scheen, en toen zij mij
een witte ballon gaven na de tobbe te hebben leeg gegooid, wierp ik die
in stukken.”
»Dat herinner ik me meer van je gehoord te hebben, en in wat voor
verband staat dat tot je tegenwoordig geluk?”
»Kon ik dat maar zeggen! Ik heb me nog zelden zoo opgewekt, zoo vol
levenslust gevoeld als in de maanden, die ik hier heb doorgebracht,
elke dag gaf mij nieuwe aandoeningen en frisschen moed.”
»Nu ben je op het toppunt van je wenschen.”
»En ik voel zoo’n ledigheid in mijn hart; ik laat mij beminnen door
Corona, ik geniet mijn overwinning en betreur den strijd; ’t is
ellendig, ik zou me zelf er voor kunnen haten en toch is er niets aan
te doen. Ik ben haar niet waard, ik wilde dat ik nooit hier gekomen
was.”
»O foei hoe laf! En dat is dezelfde man, die zoo welsprekend tegen mij
kon preeken om mij moed in te boezemen. Je houdt toch veel van Corona,
niet waar?”
»Ik aanbid haar, dat is immers de geijkte term, maar ze is zoo zoet,
zoo lief, ik heb ’t hart niet haar te plagen en geen lust met haar te
schermutselen, dat alleen zou me wat opwekken. Ik had gedacht, dat ze
trotscher zou zijn.”
»Dat is ze ook, behalve tegen jou!”
»Waarom? Zoodra we getrouwd zijn, verlaten we Java, maar waarheen zal
ik gaan, met een vrouw aan mijn zij? Ik kan dan slechts begaanbare
streken bereizen en die vervelen me zoo gruwelijk.”
»Zij zal wel onbegaanbare met je willen doortrekken.”
»Maar voor mij is de aardigheid er af.”
Corona kwam terug; glimlachend zag zij haar aanstaande tegenover
Hermelijn staan en sloeg haar armen om zijn schouders; zij dacht er
niet aan iets vreemds te vinden in hun ernstig gesprek.
»Hermelijn moet me veel vertellen van je stormachtige, ondeugende
jeugd; ik geloof dat we daarover nooit uitgepraat zullen raken,” zeide
zij.
»Doe ’t maar niet, Corona, je zoudt niet veel goeds hooren,” antwoordde
hij glimlachend.
»Wat zou dat! Goed of kwaad, alles van mijn Iwan hoor ik even gaarne!”
»Je zoudt me bederven als er nog iets te bederven viel,” sprak hij met
een uitdrukking, die Corona niet opviel, maar waarvan de matheid
Hermelijn maar al te bekend voorkwam.
En toen zij ’s avonds met haar man alleen was, nam zij plotseling zijn
zwarten krullebol in de handen en kuste zijn dikke haren.
»Ondeugend stijfkopje,” zeide zij lachend, »je hebt je vast verbeeld,
dat ik meer gaf om Iwan Thoren, maar je moest eens weten hoe dankbaar
ik ben, dat je mij toebehoort en dat ik voor de heele wereld met Corona
niet zou willen ruilen. Ik vrees, dat de arme Cor nog veel verdriet te
wachten staat en het ook voor haar beter ware geweest als Iwan nooit op
Java was gekomen.”
»Wie weet of ik dan mijn vrouwtje ooit had durven beminnen,” riep
Conrad, haar onstuimig aan ’t hart drukkend.