Na Corona’s vertrek bleef Hermelijn als uitgeput op de sofa liggen, met
haar hoofd op de leuning gedrukt, het lange haar als een gouden golf
over haar wit kleed neervallend. Nu en dan doortrilde een zenuwachtige
schok haar lichaam, maar anders bleef zij onbewegelijk.
»Hermine,” hoorde zij plotseling zacht fluisteren. Zij zag verbaasd op;
Conrad stond voor haar, met een bleek, bestorven gelaat, dat de sporen
droeg van bittere smart en zwaren strijd.
»Hermine,” ging hij voort en steunde op een tafeltje, want het scheen
hem veel te kosten, wat hij te zeggen had, »ik heb alles gehoord, wat
je Corona gezegd hebt.”
»En wat zou dat?”
»Waarom ben je niet meegegaan?”
»Omdat mijn plaats hier is, in mijn huis, bij mijn man en nergens
anders. Mijn plicht houdt me hier. Ik heb geen ander t’huis meer.”
»En je bent er zoo ongelukkig.”
»’t Doet er niets toe, Dolly is ook niet gelukkig en toch blijft ze
haar plichten vervullen.”
»En als ik je nu van die plichten ontsla?”
»Dat kan je niet eens, dat kan God alleen!”
»Door mijn dood, niet waar? Nu, van nacht had ik reeds mijn pistool
geladen om je de vrijheid terug te geven, maar ik heb ’t niet gedaan;
ik dacht plotseling aan mijn moeder, die ik dan nooit meer zou
terugzien en ook aan jou, Hermine.”
»Aan mij!”
»Ja, ik mocht je niet alleen laten in deze wildernis, ik begreep, dat,
hoe weinig je ook aan mijn dood gelegen is, die slag je vreeselijk zou
treffen, als die zoo viel. Ik vormde dus een ander plan!”
»En dat is?”
»Ik ga dienst nemen naar Atjeh; blijf hier nog een dag of wat na mijn
vertrek, zonder iemand te waarschuwen, dan merkt niemand er iets van,
vòòr ik dienst genomen heb. Ik zal niet terugkeeren, ik beloof het je.”
Zij zag hem aan in het smartelijk, verwrongen gelaat, terwijl hij de
oogen van haar afwendde en zijn borst angstig hijgde.
»En waarom wil je dat doen?” vroeg zij.
»Om je vrij en gelukkig te maken.”
»Zou dat niet op een andere manier gaan, Coen!”
Zij trok hem naar zich toe en nam zijn handen in de hare, haar oogen
schitterden, haar kleur keerde terug op hare bleeke wangen, een
glimlach speelde om haar lippen, zij staarde hem aan met een blik,
waarin zij haar geheele ziel had gelegd.
»Wat bedoel je?” vroeg hij, plotseling zich omkeerend, en zag haar ook
diep in de oogen.
Zij antwoordde niet, maar bleef hem strak aanzien.
»Hermelijn!” riep hij, »Hermelijn, bespot mij niet! O God, je weet
niet, wat ik geleden heb.”
»En ik dan, door jou schuld. Kom, ik voel immers dat je eigenlijk mij
niet haat, arme jongen.”
»Je haten, Hermine, o je vermoedt niet....”
»Ik vermoed meer dan je denkt, kom hier, zóó, kijk me weer aan!”
Hij was voor haar op de knieën gevallen en verborg zenuwachtig snikkend
zijn hoofd op haar schoot. Zij streek hem door het dikke krullende haar
en sloeg haar armen om hem heen.
»Ik ben het niet waard, Hermelijn, ik heb je behandeld zoo laag, zoo
ellendig als ware je.... maar de gedachte maakte me razend, dat je me
uitlachte, mij bespotte.”
»En dat doe ik ook en dat verdien je geheel en al.”
En zij schaterde het uit, haar frissche, jonge lach klonk hem als
muziek in de ooren, maar hij hief het hoofd nog niet op.
»Mijn lieve, beste jongen, wat heb je mij geplaagd,” ging zij op bijna
moederlijken toon voort, haar gezicht verbergend in zijn haar. »Zooveel
weken van ons jong leven verbitterd door mokken en pruilen, en dan nog
je willen doodschieten en dienst nemen naar Atjeh. Heb je het zoo
slecht bij de vrouw? Kom, sta eens op! Een man aan mijn voeten, dat is
me nooit overkomen. Laat me je booze, booze oogen nu eens zien.”
Maar het duurde lang voordat zij ze zag; Conrad was opgestaan om haar
hartstochtelijk in zijn armen te sluiten, aan zich vast te drukken, als
moest hij haar tegen de geheele wereld beschermen.
»Kun je mij ooit vergeven?” vroeg hij.
»Ik heb alles reeds vergeten, ik weet alleen, dat ik nu zoo blijde ben,
zoo gelukkig als ik ’t niet zou zijn, wanneer wij te Samarang reeds
dadelijk zoo wijs waren geweest als nu!”
»Houd je werkelijk van me, Hermelijn? Is ’t waar, wat je Corona hebt
gezegd en geef je niets om Thoren van Hagen?”
»Onzen aanstaanden zwager?”
»Ik ben reeds jaloersch op hem geweest van ’t eerste oogenblik, toen
hij je dat bouquet gaf en je den doek in ’t rijtuig omdeed.”
»Heeft hij dat gedaan, ik weet het niet eens meer. ’t Was ook het werk
van mijn man, hij had ’t zich door niemand moeten uit de hand laten
nemen.”
»Dat komt omdat ik zoo’n domme jongen ben. O Hermelijntje, wat moet je
van mij gedacht hebben.”
»Dat je mij verschrikkelijk kon plagen en angst aanjagen. O foei, wat
is alles veranderd in een oogenblik,” riep zij uit de volheid van haar
hart, met van vreugde glinsterende oogen zich vast aan hem nestelend,
»ik ben nu voor niets bang. Niets ter wereld! En jij dan, Conrad?”
»Ik ben alleen bang, dat je mij lomp en linksch zult vinden.”
»Neen, ik heb je op zijn ergst gezien; ’t is met ons juist het
omgekeerde gegaan als met andere jonge paren, wij zijn begonnen met
tegen elkaar te kibbelen, daarmee eindigen de meesten, weet je dat?”
»Ik weet dat je een engel bent, een echt Hermelijntje, zoo blank, zoo
rein en dat ik God nooit genoeg kan danken dat Hij mij, ellendigen
lafaard, zooveel geluk schenkt. Hou je werkelijk van mij, Hermelijntje,
of is ’t alleen omdat..... omdat ik je man ben?”
»Omdat je mij zoo leelijk behandeld hebt en omdat... wat stoute, booze
oogen, hoe heb ik dikwijls verlangd die te zoenen, en mijn hand door je
wilde krullen te steken; wil je mij nu nog terug laten gaan naar
Corona?”
»Neen, spreek nu niet van haar!”
»En ik begin van haar te houden, zij heeft ondanks alles een edel,
trotsch hart.”
»Ik gun haar aan Thoren van Hagen, en wensch hem alle geluk met zijn
verovering, maar mijn Hermelijntje...”
»Is een vreemde, een indringster en toch moest je haar portret
teekenen, als zij weg was.”
»Heb je dat gezien? En ik heb je brieven en je dagboek gelezen!”
Zij verborg blozend haar gelaat aan zijn borst en vroeg:
»Wanneer? Eerst nu!”
»Toen ik zoo’n haast had om van Dolly weg te komen.”
»En wat dacht je toen?”
»Dat ik mijn geluk met jou liefde verspeeld had. Wie had het mij
voorspeld, geen uur geleden, dat alles zoo zou veranderen?”
»Is ’t niet het eenvoudigste?”
»En het beste, maar ik moet uitgaan. Ik heb de laatste dagen niets
kunnen werken, o als je wist hoe ongelukkig, hoe gejaagd ik was, maar
nu kan ik in ’t geheel niet weg. De koffietuinen moeten maar wachten,
ik kan je niet meer verlaten, Hermelijntje!”
»Maar ’t eten voor van middag?”
»Laat het wachten, ’t is of je voor goed weggaat naar Corona, als ik je
niet meer zie. Toen ik je miste dien ochtend in den krater....”
»En je mij gered hebt!”
»Ik kon me nauwelijks meer goed houden maar... maar....”
»Je oostersche koppigheid hield je staande; ik heb daar heel veel goeds
van je gezegd aan Corona, luistervink, maar ik meende dat alles niet,
dat begrijp je!”
»Je moet me veel leeren Hermelijntje, ik kom veel te kort, maar wie
heeft zich ook om mij bekommerd nadat ik zoo onverwacht uit Europa
moest komen?”
»Als je maar van goeden wil bent en geen valsche schaamte meer hebt.”
»Voor mijn lieve vrouw! Ik vond je zoo lief, Hermelijn, reeds dadelijk;
zoo heel anders dan mijn schoonzusters en ik kon me begrijpen, hoe ik
je zou tegenvallen!”
»En in plaats van goed en vriendelijk tegen het arme, vreemde vrouwtje
te zijn, moest zij daar altijd zoo’n eeuwig norsch gezicht bewonderen.
O Coen, Coen, wat een logica!”
En zoo gingen zij voort de volheid hunner jeugdige harten in allerlei
dwaasheid uit te storten; ze werden niet moe elkander aan te zien, te
liefkoozen, te bewonderen, ontheven als zij zich voelden van den zwaren
last, die hen zoo lang had neergedrukt; het leven lag voor hen in
vollen rijkdom, een woord, een blik had de nevels verdreven, die het
bedekten en verduisterden, nu scheen de zon en deed haar licht
schitteren in vollen middagglans.
Corona was intusschen diep terneergeslagen t’huis gekomen; zij zocht
echter haar toevlucht niet bij Iteko maar bij Kitty, wie ze alles
verhaalde.
»Hij heeft alles om jou gedaan,” zeide Corona, niet zonder zelfzucht,
»kan je er nu niets aan veranderen?”
»Lieve Corona, je weet zelf hoe weinig vreemde tusschenkomst helpt,
maar om je pleizier te doen, wil ik er morgen wel eens heengaan.”
»Doe dat, Kitty, doe dat! Ik hoor, hun bedienden hebben het den mijnen
verteld, hij heeft den geheelen nacht als een razende door het onweer
geloopen en zijn wapens zijn geladen. Ik ben zoo bang.”
»Nu, ik zal morgen bij Hermelijn aandringen dat ze met mij meegaat en
dan zal ik mijn welsprekendheid ook eens beproeven op Coen.”
Kitty zag er den volgenden dag wel tegen op, hoewel zij zelfs aan
Portias verklaarde, dat ze het graag, heel graag wilde doen.
»Als deze stap niet baat, zal ik papa alles zeggen, ik durf de
verantwoordelijkheid niet langer alleen dragen,” zei Corona en gaf haar
vele aanwijzingen en raadgevingen mee.
Portias had echter niet veel rust; tegen den namiddag reed hij den weg
naar Djantong op en ontmoette reeds vrij spoedig het coupétje, aan
welks portier Kitty’s geheimzinnig lachend kopje verscheen.
»Hoe is ’t, Hermine niet bij je?” vroeg hij teleurgesteld.
»Neen, vraag me niets! Spoedig naar Thoren van Hagen, zeg hem dat hij
naar ’t groote huis gaat, och ventje! ik bid er je om.”
»Maar, mijn viooltje, zeg me eerst!”
»Neen, ik zeg je niets, ik kan ook zwijgen voor een enkelen keer. Rijd
door, koetsier!”
Portias stond verlegen rond te zien en besloot zich van zijn zending te
kwijten; Thoren van Hagen was echter niet in zijn huis, hij had den
vorigen dag Corona niet gezien, nu was zijn zelfbeheersching ten einde
en hij kwam haar bezoeken.
»Corona, ik bid je! Offer ons geluk niet op aan een hersenschim,”
smeekte hij, »wat deert ons die stijfhoofdigheid van je broer, laat
Hermelijn zelf die overwinnen. ’t Is haar goed toevertrouwd.”
»Neen Iwan,” antwoordde Corona terneergeslagen, »dring er niet verder
op aan, je weet hoe innig ik van je hou, het verbergen kan ik niet
meer. Ik heb altijd getwijfeld aan liefde en er zelfs mee gespot, nu
denk ik anders maar waarlijk ik durf niet gelukkig zijn zoolang ik
doodelijk ongerust ben over Conrad en Hermine. ’t Is of er geen zegen
op ons zal rusten.”
Zijn wenkbrauwen fronsten zich en zijn stem klonk hard toen hij
antwoordde:
»Dat is bijgeloof en anders niet, zoo’n gedachte is je onwaardig,
Corona; wat gebeurd is, kan niet meer veranderd worden en ’t is dwaas,
kinderachtig, je zelf er voor te straffen en ook mij.”
Zij zag hem ernstig, bijna droevig aan.
»Iwan, ’t is alles zoo snel gegaan, onze... onze verloving....”
»We zijn niet verloofd! Dat heb je immers niet gewild.”
»Onze afspraak dan, als je ’t liever hebt. Je hebt me overrompeld....”
»En ’t spijt je nu?”
»Neen Iwan, dat nimmer, maar zijn we niet lichtzinnig geweest? Ik ben
niet zoo jong meer, ik had wijzer moeten wezen.”
»Foei, begin je weer met je theorieën; liefde en wijsheid verdragen
elkander niet.”
»Ik geloof dat ze het moesten doen, ’t zou beter zijn.”
»Je hebt daar nog al verstand van!”
»Zie, dat verwijt heb ik verdiend en ’t knaagt mij aan het hart.”
»Maar waar moet het heen met dat geweifel?”
»Ach Iwan, laat me nog wachten!”
»Tot hoe lang? Geduld is mijn hoofdondeugd niet.”
»Nog een maand!”
»Dat is mij veel te lang! Ik zou liever mijn huis in brand steken en
naar Australië gaan.”
»Ik zie ’t, je hebt weinig voor mij over.”
»Wat een dwaas verwijt, daar verwaardig ik me niet op te antwoorden. Ik
geef je een week.”
»Nu ’t is goed, een week ...”
»Dan ga ik in dien tijd naar Samarang, in je nabijheid blijven op dien
voet, dat kan ik niet uithouden.”
Corona zag hem angstig en bevreesd aan; een week zonder hem te zien of
te hooren, scheen haar een eeuwigheid; zij voelde echter hoe als een
ijzeren band het bewustzijn haar omgaf, dat zij in zijn macht was, dat
zij haar vrijheid ten offer had gebracht, vrijwillig, wel is waar, doch
niet minder volledig.
»Daar komt Kitty terug!” riep zij plotseling en ging naar de trappen
van de voorgalerij; haar hart klopte hoorbaar en Thoren bleef haar ter
zijde.
»Lieveling, moed!” fluisterde hij haar toe met die wonderbaar weeke
stem, die de teerste snaren van haar ziel, welke nooit aangeroerd
waren, zoo zoet kon doen trillen.
De coupé stond stil en vlug als een vogeltje sprong Kitty er uit.
»Mijn arme Jo, ik heb hem om een vergeefsche boodschap gezonden,” riep
zij lachend, »ik heb hem naar u gestuurd, Thoren; ik mag dat immers wel
zeggen, niet waar, ik ben in ’t geheim, en we zijn zoo goed als broer
en zuster.”
»Wat voor tijding breng je me?” vroeg Corona ongeduldig.
»Hartelijke groeten van Coen en Hermelijn, een kus zelfs en haar zegen
met je voornemen. Portias zal het me niet kwalijk nemen, Thoren, dat ik
je zusterlijk geluk toewensch.”
En zij omhelsde beiden met stralende oogen en gloeiende wangen.
»Maar Kitty,” zei Corona, »stel je zoo dwaas niet aan. Hoe is ’t daar
in Djantong?”
»Nu zijn er drie paar tortelduifjes, zegge drie paar! Verbeeld je, ik
zal alles geregeld vertellen—ik kom daar aan en ’t ziet er zoo
uitgestorven uit. »Waar is meneer, waar is mevrouw,” vraag ik een
beetje ongerust. »Ze zijn uit?” »Allebei?” Ik weet het niet, maar ik
verwed er mijn kleine pink op dat die Sarko een beetje knipoogde en
moeite had zijn mond onder den zwaren knevel ernstig te houden. »’t Is
goed,” zei ik, »uit rijden gegaan?” »Neen te voet!” »O zoo, mevrouw is
dus mee op inspectie van de tuinen. Nu, ik heb geduld, ik zal wachten,”
en ik probeer van alles, lezen, haken, bloemen plukken, maar niets kan
duren. Eindelijk begin ik piano te spelen, te pianoteeren, zegt mijn
man, dien ik met dat hakkelen wanhopend kan maken, maar hij is er
gelukkig niet en dat spelen brengt me een beetje tot kalmte; daar voel
ik twee handen op elk van mijn oogen en ik pak ze beet, die bruine
vingers van Coen en ’t lieve mollige, poezele pootje van Hermelijn en
toen ik mijn beide oogen gebruiken kon, toen zag ik de vroolijkste,
gelukkigste gezichten, die men zich denken kan, zoo dicht mogelijk bij
elkaar...”
Dien avond stak Philip, die een hartstochtelijk liefhebber en
vervaardiger van vuurwerk was, een vracht pijlen in de lucht om aan
heel Java te verkondigen dat prinses Corona eindelijk haar prins
gevonden had en Portias zeide:
»Ik heb ’t altijd gezegd, onze oudste zuster is een heerlijk instrument
maar dat eerst door een verstandig gekozen accompagnement tot volle
recht zou komen. Ik geloof zeker dat zij ons de heerlijkste orgeltonen
zal doen hooren, nu Thoren haar bespeelt.”
Den volgenden morgen kwam van Djantong een prachtig bouquet met het
bijschrift, door Conrad geschreven:
»Aan onze broeder en zuster, Iwan en Corona! Van hun liefhebbende
Conrad en Hermine.”
En toen Dolly door een gelukkigen brief van Hermelijn al het
voorgevallene vernam, bevochtigden tranen, die niets bitters hadden,
haar uitgeweende oogen en zij lispelde:
»Mijn Nonnie, mijn kind, nu gij een engel bij onzen Lieven Heer zijt,
hebt ge al dit geluk voor hen verkregen!”