Hermelijn was teruggekeerd in haar eenzame woning.
Na de hartelijkheid en warme liefde, waarmee Dolly haar omringd had,
viel de koude ontvangst en de onverschillige begroeting van haar man
dubbel hard.
Zij ging haar weg, en bekommerde zich in ’t minst niet om hem; zij
speelde piano, zong als de vogeltjes, zonder er om te vragen, of iemand
naar haar luisterde; hij kwam niet eens meer aan tafel en liet haar
geheel alleen.
»En dat noemt Iwan opkomende liefde,” dacht Hermelijn, »’t wordt hoe
langer hoe zwaarder, ’t is niet meer te dragen. En toch ’t moet eens
eindigen, maar hoe?”
Alle woorden en daden van Conrad, maakten den indruk of hij met geweld
zeker gevoel onderdrukte, dat hem te machtig werd; Hermelijn beefde in
stilte, niets zou haar natuurlijker zijn voorgekomen dan als hij, door
’t een of ander getergd, plotseling opgesprongen was om zich met een
mes in de hand op haar te werpen.
Zij hoorde hem onrustig heen en weer loopen, terwijl zij voor de piano
zat en de liefelijkste melodieën van Schubert zong; hij mishandelde
zijn hond, dien hij anders zoo verwende, sloeg den huisjongen, die hem
wat lang op vuur liet wachten, de tali api [96] tegen het gezicht, en
toen eindelijk Hermelijn opstond, daar hare bevende vingers het haar
onmogelijk maakten langer te spelen, snelde hij naar het instrument,
wierp het deksel met geweld dicht, zoodat de bobèches in stukken vlogen
en de snaren een dof geknars deden hooren.
»Ik wist niet dat mijn spel je hinderde, Conrad,” sprak zij zacht en
kalm, terwijl haar stem hoorbaar trilde, »waarom het mij niet bedaard
gezegd?”
Hij zag haar aan met een woeste uitdrukking, het was of zijn vuisten
zich balden, of hij zich op haar wilde storten.
Zij verroerde zich niet en zag hem onverschrokken in het wit der
rollende oogen, hoewel haar hart tot brekens toe klopte.
Als door bovenmenschelijke inspanning overwonnen, keerde hij zich om en
verliet het huis, zonder naar haar om te zien.
De arme Hermelijn viel bevend in haar stoeltje neer.
»Mijn God, sta me bij! ’t Is zoo duister,” bad zij, »alleen met hem
zijn, met dien woesteling! En toch, wat heb ik te vreezen? Mijn leven,
wat is ’t mij waard, niets meer? Dolly is moedig en sterk, maar zij
heeft nog haar kinderen en ik ben verlaten, eenzaam. O vader, als u ’t
wist...!”
Zij sloot zich in haar kamer op; de nacht viel, maar Conrad kwam niet
t’huis; een zwaar onweer brak los, het gebergte schudde en beefde, de
boomen ruischten woest en wild, telkens doorboorden de bliksemflitsen
de neerhangende jalouzieën en vervulden haar kamer met de helderheid
des daags; de donderslagen volgden elkander bijna zonder tusschenpoozen
op, en het arme Hermelijntje lag achter haar wit tullen gordijnen te
huiveren en te rillen, zij die vroeger geen angst kende. Zij was bang
voor het weer, bang voor haar man, bang voor alles, bij elken slag, elk
weerlicht.
Eindelijk toen het onweer voorbij trok, viel zij in een onrustige
sluimering, waaruit ze plotseling gewekt werd door een licht, dat haar
vlak op het gelaat viel en door de gesloten oogleden drong; zij sloeg
ze op en staarde verward rond.
Daar zag zij Conrad in de kamer staan, met verwarde haren en druipende
kleeren, een lamp in de hand; zijn oogen waren strak op haar gevestigd
en hij zag er zoo schrikwekkend en vreemd uit, dat de reeds opgewonden
Hermine sidderend haar oogen afwendde en met een angstigen gil het
gelaat in de kussens verborg.
»Je behoeft niet bang te zijn en niet te schreeuwen,” hoorde zij hem
zeggen, »morgen is het gedaan!”
En toen zij het hoofd weer bevend omhoog hief, was hij verdwenen.
Eindelijk was die nacht van verschrikking voorbij en een zonnige morgen
vol zilver en diamanten brak over het woud en het gebergte aan, maar
terwijl de kalmte, het leven en het geluk in de natuur terug keerden,
waren de beide jonge harten slechts vervuld van angst, schrik en toorn.
Hermelijn was reeds vroeg buiten, zij zag naar haar bloemen, waarvan
vele door den storm geleden hadden; zij trachtte kalmte en hoop te
putten uit het gezicht der lachende, stralende morgenure, maar haar
hart was te vol zorg en zelfs bitterheid en wrok om daarin troost en
moed te vinden.
»Ik zal mijn liefde voor hem verliezen, als het langer duurt; hij is
onrechtvaardig en haatdragend, ik heb alles gedaan wat ik kon om hem te
toonen, dat ik niets liever wilde dan een goede, liefhebbende vrouw
voor hem te zijn. Maar hij bedreigt me, hij zal me mishandelen, wat
moet ik doen?”
Alleen zat zij aan het ontbijt, dat zij nauwelijks aanroerde; zij had
te veel op haar krachten gebouwd, nu kon zij niet meer; haar
dagelijksche werkzaamheden boezemden haar afkeer in, neen, alles zou
haar nu welkom zijn geweest, het liefst de dood!
Dan zou zij niet meer zijn verwrongen gelaat behoeven te zien, dat haar
steeds vervolgde als een angstig vizioen, zijn woedende stem en
uitbarstingen niet meer hooren welke haar aan het redelooze dier
herinnerden; het was of zij haar arme liefde belichaamd zag als een
teeder, dartel vlindertje, dat hoewel gewond, telkens het zonnelicht te
gemoet vloog, maar nu eindelijk in zijn laatste stuiptrekkingen
stervend ter aarde lag.
Hij kwam niet in de galerij, en zij liet door den huisjongen hem een
kop koffie op de kamer brengen.
»Toewan slaapt met al zijn kleeren aan op de bank, en zie eens, dat lag
naast hem.”
Het was een revolver.
Hermelijn huiverde en zag den bediende aan, die veel hoorde en zag,
maar met zooveel kieschheid zweeg als weinige beschaafden zouden
toonen.
»Ik dank je, Sarko, ik dank je!” zeide Hermelijn en de knecht
verwijderde zich, stijf als een automatisch beeld en even stom.
Zij zat met het hoofd in de handen voor de tafel, zonder kracht om op
te staan, zonder iets te kunnen eten, zonder aan het volgende uur, het
volgende oogenblik te willen denken, dat misschien de ontknooping van
het drama kwam brengen, waarin zij de hoofdrol speelde. Daar buiten
kweelden de vogeltjes, stoeiend met de zonnestralen, daar hieven de
bloemen hun bedauwde kelkjes omhoog, alles scheen te zingen, te juichen
in liefde en jeugd en zij worstelde hier alleen met waanzin en dood.
»Laat me vertrouwen op u, o God, op uw hulp! Gij tenminste verlaat mij
niet,” zoo bewogen zich haar lippen maar haar hart was bang en moe; ’t
was of elke minuut haar nader bracht aan iets vreeselijks, iets
onherstelbaars.
Hoe lang zij daar onbewegelijk zat, wist zij niet, het hadden uren maar
ook minuten kunnen zijn, doch de zon teekende niet langer de slingers
van klimop en de scherpe bladeren der kaktussen op den rooden vloer,
toen het gerol van wielen haar uit haar mijmering deed opschrikken. Zij
stond op en voelde haar oude geestkracht terugkeeren. Het pistool moest
weggeborgen worden tot elken prijs. Zij bracht het in haar kamer en
sloot het in haar kast, toen ging zij naar de voorgalerij om te zien,
wie haar bezocht.
De coupé van het groote huis hield juist voor de trappen stil en Corona
stapte er uit in een frisch wit morgengewaad, rijk met kant en roode
linten versierd, stralend als de morgen, schooner dan Hermelijn haar
ooit gezien had.
Nu was zij het, die met somber geplooid gelaat haar schoonzuster
ontving want van verwelkomen was geen sprake.
»Hermelijn, weiger je mij zelfs een hand?” vroeg Corona op droevigen,
teleurgestelden toon.
»Wie zou ik die beter weigeren dan u, die hier niets dan ellende en
jammer heeft gezaaid. Wat doet u hier?”
»U vergiffenis vragen, Hermine! U mijn hulp aanbieden om goed te maken,
wat er nog goed te maken valt.”
»Daar is het te laat voor! Mijn vergiffenis, wat is u daaraan gelegen
en al hadt u die ook, meent u daardoor uw wroeging uit te wisschen over
het onherstelbare?”
»O Hermine, wat moet je geleden hebben, dat je zoo bitter, zoo scherp
geworden bent, ik voel nu, wat je mij eens gezegd hebt, wanneer ik eens
genegenheid zou voelen...”
»Is dat uur gekomen? ’t Verheugt me; voel nu, hoe ge mij bedrogen hebt,
zooals geen vrouw ’t ooit werd. Wees gelukkig, trouw met Iwan maar
tracht dan ook te vergeten, hoe je Conrad en mij het leven hebt
verwoest.”
»Maar Hermine, hoor me aan! ’t Was slecht van me hem zedelijk te
dwingen, maar ik dacht....”
»Je dacht dat hij van hetzelfde kneedbare deeg was als August en
Guillaume, als die arme, heilige martelares, die je aan Akkeveen te
prooi hebt gegeven. Maar neen, Conrad heeft een karakter, een lastig
ding om daarmee door de wereld te komen, en hij heeft zich niet willen
buigen in het onvermijdelijke. Hij is getrouwd om uw wil te doen, maar
overigens bleef zijn vrouw een vreemde, erger nog, in zijn hart en
huis. Hem vergeef ik alles maar u niets, hij heeft door zijn gedrag
tegen mij de achting herwonnen, die hij zou verloren hebben, als hij me
op uw bevel gewillig getrouwd had, maar ik ben het slachtoffer en
waarlijk ik heb er nooit roeping toe gevoeld slachtoffer te zijn.”
»Hermine, hoor me bedaard aan! Ik zal hem spreken.”
»Dat behoeft niet, niemand mag zich in mijn huiselijke zaken dringen.”
»En wat wil je dan doen? Zoo kan ’t niet langer voortgaan. Kom met mij
mede naar huis, ik zal papa, die niets vermoedt, alles zeggen. Blijf
niet langer in zijn macht, hij is tot alles in staat.”
»Hij mag en kan alles doen! Ik heb hem getrouwd uit vrijen wil omdat ik
hem innig liefhad en meende, dat hij om diezelfde reden mij tot vrouw
verlangde; ik zal hem niet verlaten dan als hij me verjaagt uit ons
huis!”
»Dat is romantaal, Hermine, dat kan je niet meenen! Zie je dan niet hoe
bitter het mij berouwt, hoe ik alles zou ten offer brengen om je
gelukkig te zien, alles, versta je, alles, zelfs mijn geluk!”
»Je hebt niets op te offeren, laat mij over aan mijn lot, wat het ook
wezen mag, en maak mij het leven niet zwaarder dan het reeds is.”
»Ik zal er toch papa over spreken, een scheiding...”
»Dat verbied ik je! Een enkelen troost kan je mij geven, mijn geheim,
dat alle broeders en zusters raden, blijve tenminste een geheim voor de
wereld. Dit is ’t eenige, waarover Conrad en ik ’t eens zijn.”
»Maar als ik nu...”
»Doe geen moeite, Corona, voor u begint waarschijnlijk een leven vol
geluk, vol glans, voor mij is alles gedaan.”
»Hou je niet meer van Conrad?”
»Je begrijpt dat ik je mijn hartsgeheimen niet zal bekennen.”
»Kan ik je dan niets geven, Hermine, niets geen raad, geen steun,
niets?”
»Neen niets; verlaat me, en spaar mij langer het verdriet om mijn leed
uit te klagen; alleen is het nog te dragen, maar als ik met u er over
spreek, is ’t of ik er onder bezwijken zal.”
»Hermine, Hermine! Laat me zoo niet gaan!”
»Komt u op bevel van Iwan?”
Daar flikkerde het oude vuur opnieuw in Corona’s oogen, en op
snijdenden toon, antwoordde zij:
»Niemand heeft mij te bevelen, niemand, zelfs hij niet! Ik kom, daar ik
den toestand onhoudbaar vind en dien niet langer lijdelijk kan
aanzien.”
»Uw berouw komt te laat, u ziet dat u met menschen en niet met
marionetten te doen hadt.”
»Waarom weiger je dan de laatste toevlucht, die ik je bied? Kom met mij
mede in het rijtuig, blijf bij ons tot zij dien knaap tot rede hebben
gebracht.”
»Die knaap is mijn man en hij zal zich even weinig door u of door zijn
vader tot rede laten brengen, als Iwan in zijn plaats zich tot iets,
wat hem niet beviel, zou laten overhalen.”
»Maar vergelijk Conrad niet met Iwan!”
»Conrad staat misschien veel hooger, hij heeft zich een man van
karakter getoond. Hij heeft zijn opgedrongen vrouw zijn naam gegeven,
meer niet, maar hoe ’t ook zij, ik ben die vrouw en mag zijn gedrag
niet beoordeelen.”
»Hermine, nu ga je te ver. Hij heeft zich schandelijk tegen je
gedragen. Hij was vrij je te trouwen of niet; ’t komt er niet op aan
hoe, hij heeft het eenmaal gedaan, nu kan hij wrok koesteren tegen mij,
tegen zijn vader, maar niet tegen jou, die onschuldig zijt.”
»Wanneer ik hem werkelijk getrouwd had, zonder dat hij mij persoonlijk
ten huwelijk vroeg, zonder dat hij me een teeder woordje schreef, dan
was hij in zijn volle recht, mij te minachten. Dat het zoo niet is,
komt door uw laag, uw schandelijk bedrog, waarvan Iwan geen vermoeden
heeft.”
»Vergeef me,” snikte Corona, »o Hermine, ik verneder me voor je, zooals
ik me nooit voor iemand vernederd heb. Een woord van verzoening, een
woord van hoop!”
»Vreest u misschien dat ik Iwan alles zeggen zal? Wees gerust, ik tast
niet gaarne in het leven van een ander. Ik zal weten te zwijgen; al ben
ik diep rampzalig, ik gun u het geluk, dat u meent veroverd te hebben.”
»’t Is niet uit vrees, dat ik hier kom, Hermine, neen, uit angst, uit
bezorgdheid voor je. Ik durf niet gelukkig zijn, vóór je het ook zijt.”
»Dan zal je het nooit worden, Corona! ’t Is verloren moeite; geloof me,
Conrad heeft een wil, even goed als u en ik laat me ook liever breken
dan buigen.”
»Wat moet ik doen?” vroeg zij hopeloos.
»Naar huis terugkeeren, uw verloving vieren met Iwan en mij vergeten.”
»Ik kan ’t niet, terwijl je woorden nog in mijn ooren weerklinken.
»Dat is uw zaak en niet de mijne!”
Zoo scheidden ze; Hermine was Corona’s meerdere gebleven en beiden
hadden er het bewustzijn van.