Waarlijk ging Thoren van Hagen dien middag naar Kaboelen; hij had er
behoefte aan, Hermelijn te spreken.
Dolly was zeer afgevallen in die weinige dagen, maar zij hield zich
altijd even sterk en even moedig.
»’t Ergste komt als je weg bent,” zeide zij, »Hermelijn, ’t zal mij
wezen of ik mijn engeltje nog eens verlies, maar lieveling, wanneer ik
hoor dat je beiden mekaar gevonden hebt, dan zal ik denken dat het mijn
Nonnie is, die uit den hemel haar moeder dien troost, den eenigen,
toezendt.”
»Ik hoop er niet meer op,” zuchtte Hermelijn.
Onverwacht kwamen Thoren van Hagen en Philip hen bezoeken; ’t was juist
vier uur en zoo zij nog dien avond terug wilden keeren, kon het bezoek
maar zeer kort duren.
Akkeveen was blijde, dat hij eens verstandig praten kon; dat gezeur van
die vrouwen verveelde hem zoo; er was niets meer aan hem te merken, dat
zulk een groote ramp hem had getroffen.
Hij deed misschien juist zijn best, een luidruchtigen toon aan te slaan
in tegenwoordigheid zijner vrouw om haar afleiding te bezorgen; dat
gedurige grienen diende immers voor niets.
Thoren van Hagen vertelde van de tijgerjacht en van den wel wat
onbekookten moed van Conrad, Hermelijn luisterde, doodsbleek van schrik
over het gevaar, dat haar man had geloopen.
Spoedig stelde Thoren echter voor, terug te keeren; de dames en
Akkeveen hadden misschien lust ze een eind weg te brengen.
Met zijn gewone luiheid vond de gastheer er bezwaar in, maar toen
Hermelijn zich bereid verklaarde, terwijl Dolly weigerde omdat zij de
kinderen niet kon verlaten, kon hij moeilijk anders doen dan uit zijn
luiaardstoel oprijzen.
Philip en Hermelijn gingen vooruit, totdat een kromming in den weg hen
scheidde, toen eerst vond Thoren gelegenheid haar te naderen en Philip
achter te doen blijven.
»Je zult spoedig groot nieuws hooren, Hermelijn!” zeide hij
glimlachend.
»En dat is?”
»Mijn engagement met Corona, mijn hartewensch wordt vervuld, wij worden
broer en zuster.”
»Och kom,” riep zij lachend, »’t is natuurlijk een praatje.”
»Waarachtig niet! Morgen reeds gaat de kogel door de kerk. Ik heb
papa’s toestemming in den zak.”
»Maar Iwan?”
»Bedaard, Hermelijn, ik wil ’t voor Akkeveen nog niet weten, Dolly mag
je ’t zeggen; ik geloof niet dat je mijn toekomstige bruid een goed
hart toedraagt, maar daarom kan ik ’t toch niet laten.”
»Iwan, ’t zou me zoo bitter, zoo bitter spijten.”
»En waarom?”
»Hoe kun je met haar gelukkig zijn?”
»Gelukkig,” en hij lachte nog eens zoo hartelijk, »wat noem je
gelukkig? Kirren als tortelduifjes, dat ligt in geen van ons beider
aard, we zullen vechten tot bloedens toe,—figuurlijk gesproken—maar dat
trekt me juist aan. Ik stel me veel genot voor van zoo’n voortdurend
tijgergevecht.”
»O foei, hoe lichtzinnig, hoe echt jongensachtig is dat weer van je,
Iwan! ’t Is zoo gemakkelijk het huwelijk in te gaan...”
»Zoo gemakkelijk als het glijden in den Merawoe of als de nederdaling
in den Avernis.”
»Juist, maar is de poort eenmaal gesloten, dan is ’t zoo vreeselijk,
zoo hopeloos! Lasciate ogni speranza! Iwan, ik weet natuurlijk niet,
wat je bezielt, maar die toon van je klinkt mij in de ooren als
profanatie van een der heiligste instellingen; ik zie hier van alle
kanten een ergerlijk spelen met den ernst van het huwelijk. Ik zelf ben
er slachtoffer van geworden. O, Iwan, trek je terug als het nog tijd
is.”
»Maar Hermelijn, ik meen het ernstig. Je weet, ik hou er niet van, de
dingen met een doodgraversgezicht te behandelen.”
»Trouwen voor het pleizier met haar te kibbelen, maar ik ben wel dwaas
om tegen je te preeken; Corona zal je ontvangen, zooals zij haar 20.000
vrijers—volgens Akkeveen—ontvangen heeft.”
»Geloof je dat, en ik verbeeld me dat ik het al heel ver gebracht heb
in the Taming of the Shrew.”
»Haal dat stuk niet weer aan. Ik vind dat een afschuwelijke comedie,
een vernederend schouwspel, hoe een man door brutale kracht een vrouw
dwingt, haar gezond verstand, haar rede, haar karakter te dooden. Als
een klucht, waarop Shakespeare den stempel van zijn genie heeft
gedrukt, bezit het waarde, meer niet! Anders vind ik het
menschonteerend.”
»Van je standpunt als vrouw beschouwd?”
»Neen, van mijn standpunt als mensch! Geen sterveling heeft het recht
om door list of door geweld een ander wezen zoo te onderdrukken, dat
deze zijn eigen oordeel ten offer brengt en zich niet schaamt onzin na
te praten.”
»Maar vergeet je dat een vrouw haar man onderdanig moet zijn?”
»Zoolang hij zich haar meerdere toont, maar als hij van haar een
hansworst of een willoos slachtoffer maakt, dan wordt zij verachtelijk
als zij hem niet tegenstreeft. Niets eervoller voor haar dan hem te
kunnen volgen, hem te gehoorzamen, niet als een blind werktuig, maar
omdat zij hem ten volle vertrouwt en begrijpt, dat hetgeen hij oordeelt
billijk en juist is.”
»En wie zegt je, dat ik het anders zou willen, dat ik Petrucchio na zal
volgen in zijn brutaliteit; misschien zal ik op de wijze, zoo
welsprekend door je geschetst, het temmen van de feeks.... foei neen,
van Corona, zekerder en beter ten einde brengen.”
»Als je ’t zoo meent, als je ’t zoo kunt, dan.... dan kan ik niets
beters doen dan je geluk toewenschen, een geluk zooals je bedoelt, maar
of je er zelf toe geschikt zijt, of je slagen zult...?”
»Misschien niet zoo spoedig als u. Ik ben oprecht tegen je, Hermelijn,
mag ik je nog een raad geven?”
»En die is?”
»Ga spoedig naar hem terug, morgen reeds! Er moet een ontknooping
volgen, je man is mij zoo Othellogezind als mogelijk; van morgen had
hij den grootsten lust om mij en niet den tijger een kogel door het
lijf te jagen.”
»Wat helpt dat! Als hij jaloersch is, dan komt het uit haat en niet uit
liefde.”
»Haat en liefde zijn halve zusters! Moedig, Hermelijn, even moedig
tegen hem als tegen mij, die je zoo ongenadig de les hebt gelezen.”
»Ik hoop dat het helpen zal. Laat ons nu maar afscheid nemen!”
Zij wachtten Philip en Akkeveen af en het gezelschap splitste zich toen
in tweeën. ’t Was een heerlijke maneschijn, een voorrijder zwaaide zijn
fakkels over den hobbeligen weg; Philip floot een deuntje als hij zijn
seroetoe [94] niet rookte, maar zijn kameraad was bijzonder stil en
nadenkend.
Dien nacht sliep Corona weinig of niets; toen zij den volgenden morgen
in den spiegel zag, vond zij, dat zij erg vermoeid scheen en legde zich
een laag bedak [95] over het gezicht; zij voelde zich moedeloos en
bitter gestemd, ’t was of de wereld haar onverschillig werd.
Zij had in niets lust, ’t liefst was zij op de kanapé blijven liggen,
alles hinderde en kwelde haar; tegen den middag kwam een bediende haar
het tijgervel brengen met Thoren’s kaartje.
Dit ontrukte haar plotseling aan die gedrukte stemming; zij stuurde het
hare terug en schreef er de woorden op:
»die de gelegenheid wenscht te hebben u mondeling te bedanken en tevens
u eenige oogenblikken te spreken.”
’s Middags besteedde zij meer zorg dan anders aan haar toilet en
terwijl Iteko haar laatste hand er nog aan legde, zeide zij
veelbeteekenend:
»Men zou zeggen, dat u een huwelijks-aanzoek verwacht!”
»Dat ik stellig zou afslaan, maar er is geen quaestie van.”
»Meent u dat?”
»En waarom denk je het tegenovergestelde?”
»Och, wat kunnen mijn redenen de juffrouw schelen?”
»Je kunt soms zoo grappig scherpzinnig zijn.”
»Ik geloof dat een lucifer veel vuur kan aanrichten, als de brandstof
aanwezig is.”
»En is die er nu? Iteko, ik wil oprecht zijn tegen je, heel oprecht; ik
beken, dat ik iets voel voor Thoren van Hagen, waarvan ik mij geen
rekenschap kan geven. Is ’t dat, wat de dichters liefde noemen, ik weet
het heusch niet, maar al ware dat zoo, ’t zou nog geen reden zijn mijn
vrijheid aan banden te leggen, mij te onderwerpen aan een man.”
»Voor u kan van onderwerping geen sprake zijn.”
»En dan, hij denkt niet aan mij... hij denkt aan Hermelijn. Verboden
vruchten immers trekken het meest aan.”
Corona zat alleen in de voorgalerij toen Thoren van Hagen het hek
binnentrad; zij hield een boek op den schoot maar las niet. Zij ging
hem tegemoet met een vriendelijken lach, waarachter zij haar
verlegenheid wilde verbergen, want het was haar bedoeling niet geweest
hem »vriendelijk” te ontvangen.
»Ik dank u voor uw jachttrophee,” zeide zij.
»En ik blijf u erkentelijk voor de gelegenheid, die ik zocht en die u
mij schonk om dat bedankje van uw lippen te hooren.”
»Wil u plaats nemen,” en zij wees hem een stoel tegenover haar.
Corona’s hoekje in de ruime, breede voorgalerij was uiterst bevallig
aan twee kanten met een klimopgordijn behangen, waartusschen
veelkleurige bloemkelken afwisseling brachten in het zachte, teedere
groen; groote aloës en cactussen stonden sierlijk gearrangeerd, een
reusachtige varen vormde met zijn fijn uitgeknipte bladeren een
sierlijken achtergrond voor het wipstoeltje, waarop Corona in haar fijn
lichtgeel kleed zachtkens op en neer wiegelde, terwijl zij met haar
Japanschen waaier onachtzaam speelde.
»Ik moet u over iets zeer belangrijks spreken.”
»Dat begrijp ik, anders zou deze eer mij niet overkomen zijn.”
Corona scheen verdiept in het beschouwen der figuren op haar waaier;
zij had er spijt van, dat zij dit onderhoud had uitgelokt, ze zou nu
elke stoornis als welkom hebben beschouwd; maar, zonderling, ’t was of
allen opzettelijk de voorgalerij meden.
»Ik wilde u spreken over mijn schoonzuster,” begon zij eindelijk toen
Thoren’s afwachtend zwijgen te drukkend werd.
»Die ik gisteravond nog heb mogen spreken.”
»Juist daarom,” het was of zij moed kreeg, of zij plotseling weer
zichzelf werd, »’t is een moeilijk, een teer punt. Ik wil niets ten
uwen of ten haren nadeele zeggen, maar zij is erg jong en ik ken haar
zoo weinig; zij wil mij geen gelegenheid geven haar te leeren kennen,
hoewel ik genoeg zie dat zij en Conrad niet gelukkig zijn en ik vrees
dat het uw schuld is!”
»De mijne?”
»Ja, ik wil gaarne gelooven onwillekeurig! U kent haar van vroeger, u
heeft haar te Samarang ontmoet...”
»Zeer toevallig.”
»Ik neem het aan. Conrad was tegen haar ingenomen en hoe hij zich tegen
haar gedragen heeft, dat hoor ik misschien nooit. Onwillekeurig voelde
zij zich tot u aangetrokken en... ik vrees dat Conrad het niet gaarne
heeft. De kloof tusschen hen beiden wordt dieper door uw omgang met
haar.”
»Gelooft u dat?”
»Ik heb ’t gezien.”
»En ik denk dat die kloof thans een heel klein beekje geworden is,
waarover zij gemakkelijk kunnen stappen wanneer het tijd is, maar wat
ik met die zaak te doen heb, verklaar ik niet weten.”
»Meent u dan dat het Conrad niet ter oore zal komen, hoe u gisteravond
zijn vrouw heeft bezocht?”
»Dat mag hij weten, ik zie er geen kwaad in. Hermelijn,... ik bedoel
mevrouw Conrad, is de eenige, die mij van vroeger kent....”
»En zou dat hem onverschillig zijn?”
»Waarom? ’t Is niets meer dan natuurlijk dat ik er behoefte aan voel,
nu mijn leven wellicht een belangrijke wending gaat nemen, met iemand
te spreken, die mij kent van vroeger met al mijn eigenaardigheden.”
Haar voetje trappelde driftig op het marmer.
»En zou Conrad aan die reden gelooven en er geen aanstoot in vinden?”
»Hij kan in alles aanstoot zoeken, maar ik hoop dat u persoonlijk
daarboven verheven zal zijn.”
»’t Komt er niet op aan, wat ik denk.”
»Op niets anders! Weet u waarom ik meende dat u mij geroepen had,
juffrouw de Géran? Ik dacht dat u mij antwoord wenschte te geven op de
vraag, die ik u deed te midden van den storm, aan den rand van den
krater. Dat is meer de moeite waard, zou ik meenen, dan die
kinderachtige jaloezie van uw broer.”
Corona was doodsbleek geworden.
»Ik weet niet wat u bedoelt. Ik heb niets verstaan,” stamelde zij.
»Hoeveel moeite ’t mij kost, ik moet dat tegenspreken. Ik herhaal ’t u
nog eens, kort en bondig. U weet dat ik u liefheb, wil u mijn vrouw
worden?”
»Maar meneer Thoren van Hagen, u overvalt me... u kan dat niet
meenen...”
»Van het eerste oogenblik heb ik u tot mijn vrouw begeerd; daarom
alleen ben ik hier gebleven, daarom heb ik mij hier gevestigd en nu...
komt u mij met een dwaas verzoek lastig vallen. Ik heb uw schoonzuster
van mijn plan verhaald, zooals ik uws vaders toestemming reeds vroeg.
Zeg me dus, wat kan ik hopen?”
Haar borst hijgde, zij wist niet wat zij voelde, wat zij wenschte, wat
zij ondervond; hij stond voor haar, niet als een zuchtende, smachtende
minnaar maar als de veroveraar, die zijn goed opeischt; kon ze nu maar
lachen, spotten, of weigeren zooals vroeger?
»Waarom vraagt u mij dat?”
»Omdat ik je liefheb, wil je dat nog eens hooren, Corona? Dan zal ik ’t
herhalen, zoolang tot je ’t mij nazegt, want ik weet, dat je mij in ’t
diepst van je hart ook bemint. Ontken dat eens!”
Hij drukte haar beide handen in de zijne en zag haar aan, diep in de
oogen, die zij verward nedersloeg terwijl zij fluisterde:
»Is ’t waar, Thoren van Hagen? Ik kan ’t niet gelooven. Ik dacht dat je
mij... mij minachtte.”
»Zeg Iwan, liefste, je weet niet, hoe ik verlangde mijn naam van je
lippen te hooren; was ’t je ernst te denken dat ik om ons zusje
Hermelijn hier bleef?”
»Ik weet het niet, ik ben zoo zonderling, zoo kinderachtig, wat scheelt
me?”
»Niets dan dat je beschikken wilt over uw toekomst, die je mij
vertrouwt. Weet je nog, hoe ik sprak van iets, dat ik zou wenschen met
je te dragen, ’t is het leven, met al zijn lusten en lasten. Maar als
we te zamen zijn, wat hebben we dan te vreezen?”
»Iwan,” zeide zij, »ik geloof dat ik me gelukkig voel, dat je gelijk
hebt. Maar ’t is zoo plotseling, zoo onverwacht opgekomen. Is er
werkelijk niets tusschen u en Hermelijn? Heb je mij lief om mijzelf
alleen?”
»Om wat anders? Om je geld? Ik ben rijk genoeg om het te ontberen.”
Zij stond op en deed eenige stappen, hij ging naast haar, den arm om
haar heen geslagen, haar eene hand nog steeds in de zijne.
»Wat zullen zij zeggen, als zij ’t hooren?” vroeg zij weifelend.
»Ze zullen zeggen dat Corona theorie en praktijk vereenigt. Liefde is
immers kinderachtig en ’t huwelijk is ernstig, nu zullen wij toonen,
hoe ze vereenigd een schouwspel aanbieden, dat zelfs de engelen gaarne
aanschouwen.”
Plotseling rukte zij zich los, en keerde zich van hem af.
»’t Kan niet, Iwan, ’t kan niet!” en een snik belette haar voort te
gaan; hij trachtte haar weer te liefkoozen, zij weerde hem af.
»O Iwan, ik mag het niet. Ik heb ’t niet verdiend, ik ben zoo gelukkig
op dit oogenblik, maar ô wat heb ik anderen gedaan! Ik heb nooit willen
gelooven aan liefde en die onwaar en romantisch genoemd, daarom heb ik
er zoovelen ongelukkig gemaakt. Hermelijn had gelijk....”
»Waarin?”
»Zij heeft ’t mij voorspeld. »Als je zelf iemand lief krijgt, zult ge
eerst begrijpen, wat ik lijd”. O als ze werkelijk Conrad bemint, wat
moet ze ongelukkig wezen door mijn schuld. Ik verdien het niet dat je
van mij houdt, Iwan!”
Hij voelde iets nieuws voor haar, een soort eerbied en ontzag, een
zekere ontevredenheid met zichzelf, die reeds gisteravond onder zijn
gesprek met Hermelijn ontstaan was en allengs toenam.
»Ik heb voor allen beslist en geen hunner is gelukkig, behalve Kitty,
die ik tegenwerkte! O Iwan, ik mis den moed om gelukkig te zijn, ik zal
’t nooit durven.”
Zij vermoedde niet hoe klein hij zich thans voelde tegenover haar, hij
had haar overwonnen, haar, de onoverwinnelijke, niets scheen hem te
scheiden van de vervulling zijner wenschen en nu was het of zijn
victorie hem met schaamte vervulde.
»Corona,” fluisterde hij, »mijn Corona! Aan ’t verledene is niets te
veranderen, maar de toekomst...”
»Is niet meer in mijn macht, Iwan! Neen, je moet mij vergeten, het zal
je gemakkelijk vallen, ik geloof niet dat je van mij houdt zooals ik
van jou! ’t Is of ik alles nu duidelijk voor me zie, ik ben lang blind
geweest, nu begrijp ik eerst, wat ik voor je voelde, als ’t langer
duurde, zou ik misschien de kracht niet hebben om je te zien
vertrekken, maar zoolang Conrad en Hermine mekaar haten, zoolang is ’t
mij of er geen zegen op onze liefde rust!”
»Maar Corona, je begrijpt, dat ik je niet meer ontsla nu ik weet dat je
mijn liefde beantwoordt.”
»Laat me eenige dagen wachten, Iwan, ik ben nu tevreden, ik weet dat
je... een eerlijk man bent.”
Hij greep haar hand, en drukte die aan zijn lippen en zwoer in stilte
dat zij nimmer het tegenovergestelde zou ondervinden.
»En ik weet dat je mijn genegenheid beantwoordt. Ik kan nog een weinig
geduld hebben.”
»Laat het dan een geheim blijven, behalve voor papa die niets behoeft
te weten dan dat ik uitstel vroeg.”
»Ik onderwerp mij voorloopig, maar als ik niet meer veinzen kan, zal je
mij vergeven?”
Niemand wist wat Corona scheelde dien avond.
Zoo had niemand haar ooit gezien, zoo vriendelijk, zoo goed; er lag een
schitterende glans in haar oogen, in elk harer bewegingen schuilde een
bevallige zachtheid, iets teer vrouwelijks, dat haar geheel vreemd was,
maar haar zoo onuitsprekelijk schoon maakte, dat Thoren van Hagen haar
vol verrukking aanschouwde.
Vóór hij afscheid nam, fluisterde hij haar toe:
»Ik zei straks dat ik een weinig geduld had, maar waarlijk Corona, ik
geloof dat het minder dan weinig is. Stel me niet te lang op de proef!”
Kitty volgde hen met van ondeugende schalkschheid tintelende oogen, die
Corona opmerkte.
»Kitty,” riep zij, toen haar zuster na haar gewoon goeden nacht, door
kus, noch handdruk vergezeld, naar haar kamer wilde gaan.
»Is er iets, Cor?” vroeg zij.
Zonder een woord te spreken omhelsde haar de oudste zuster; ’t was of
de liefde van vroeger, die zoo lang gesluimerd had, dat beide zusters
haar gestorven waanden, plotseling weer in beider harten ontwaakte.
Kitty beantwoordde de liefkoozing zoo hartelijk mogelijk.
»Ik hoop dat je gelukkig moogt worden als wij beiden, Corona,” zeide
zij diep bewogen.
»Vergeef me! Ik voel nu dat ik misdeed!” fluisterde Corona, zonder te
vragen hoe haar zuster iets wist van haar geheim.
»O ’t heeft ons niet gehinderd,” antwoordde Kitty met een stralend
lachje.