Conrad was in dolle vaart naar zijn huis gerend; één denkbeeld alleen
hield hem bezig; hij herinnerde zich dat in een hoekje van zijn
lessenaar ongeopende brieven lagen, door Hermelijn aan hem geschreven;
het waren er slechts enkele. De meeste had Iteko onderschept, daar zij
vreesde dat het bedrog zou uitkomen als Hermelijn brieven beantwoordde
die Conrad nimmer geschreven had; deze waren hem in handen gevallen,
hij had ze niet geopend maar slechts bewaard. Nu smachtte hij er naar,
ze te lezen.
Zonder zich uit te kleeden, stak hij de lamp op, nam de elegante
enveloppen in de handen, bezag ze van alle zijden en verbrak toen de
zegels.
Hij las met gefronste wenkbrauwen en samengeperste lippen; ’t was
vreeselijk, al die zoete woorden te moeten vernemen, die niet aan hem,
maar aan de schrijfster dier brieven gericht waren. Zij had hem
liefgehad, zij maakte plannen voor hun beider toekomst, zij verhaalde
hem al haar jonge-meisjesgeheimen, zij beantwoordde liefkoozingen die
hij haar niet gegeven had.
Hij stampvoette van machtelooze woede; hij had van die correspondentie
geweten en kon Corona niet eens van bedrog beschuldigen.
»Als jij haar niet schrijft, zal ik het doen,” had ze hem duidelijk
gezegd, waarop hij even duidelijk had geantwoord:
»Ga je gang, ’t kan me niets schelen!”
Hij ging naar haar kamer en vond daar in haar dagboek, nog meer dan in
de brieven, de uitdrukking van haar hart; nu eerst las hij alles, nu
het te laat was, nu hij haar liefde had vertrapt en versmaad, nu hij
een voorwerp van spot en minachting in haar oogen was geworden, nu hij
met eigen hand het beeld had verbrijzeld, dat zij zich eenmaal in haar
reine droomen van haar man oprichtte.
En hij was haar niet waard, neen, in lang niet! Thoren van Hagen alleen
zou haar verdienen, maar toch, zij bleef de zijne, niemand kon daaraan
iets veranderen hoewel zij zeker het oogenblik vloekte, waarop zij
bedrogen was en in gedachte de hand reikte aan den bruidegom, die haar
verfoeide.
Zijn geheele gedrag, van de eerste ontmoeting af, kwam hem thans
erbarmelijk, klein en kinderachtig voor; hij was een domme, akelige
jongen geweest, uit de hoogte zag zij op hem neer. Wat was zij
teleurgesteld geweest in hem! Als zij hem bespotte, had zij er reden
toe, al die hatelijke plagerijen van hem, dat hardnekkige zwijgen, die
kwetsende onverschilligheid, alles was er op berekend geweest haar van
hem afkeerig te maken.
Hij kende haar volstrekt niet, hij dacht dat zij de trouwe aanhangster
van Corona zou worden en in plaats daarvan was zij de eenige, die de
gevreesde schoonzuster durfde weerstaan, won zij de genegenheid van
zijn beide liefste zusters, de achting van zijn broeders; Hermelijn had
groot gelijk, als zij zich ver boven hem verheven waande.
Brandende tranen vielen op die brieven en het boekje neer; wanhoop, dat
hij zijn geluk verspeeld, zijn leven verwoest had, vervulde zijn ziel.
Een plan kwam in zijn geest op, door nadenken wilde hij ’t tot rijpheid
brengen.
Zoo vond hem de morgen, toen een plotseling herhaald klagend geroep het
gebergte vervulde.
»Er is een kiai [92] in den omtrek!” gaf dat eigenaardig geroep te
kennen.
De Javaan geeft aan den tijger den naam van »grootvader” en erkent
daardoor zijn afstamming van den koning der bergen.
Sinds lang had een koningstijger de karbouwen bedreigd en de kampongs
onveilig gemaakt; nu eens was hij hier, dan weer daar gezien. Thans
verhaalde men dat hij zich verscholen hield in een alang-alangveld [93]
tusschen het groote huis en Djantong.
Die alarmkreten ontrukten Conrad aan zichzelf, hij sprong op, vloog
naar zijn wapenrek, nam zijn pistolen en ponjaard, en liet zijn paard
zadelen.
»Ik wou dat de tijger mij verscheurde,” mompelde hij, »dat ware ’t
beste voor mij en voor haar!”
Corona was in Ngaroengan terug, toen alles in rep en roer werd gebracht
voor de tijgerjacht; zij kon nergens rust vinden. De gebeurtenissen der
laatste dagen hadden haar zeer aangegrepen, zij had er zich altijd op
beroemd geen zenuwen te kennen, maar wat was dan dat ongedurige, dat
trillen van handen en voeten, dat prikken in het hoofd?
Thoren van Hagen kwam haar vader afhalen; hij reed te paard en riep
haar schertsend van verre toe:
»Ik breng u de tijgerhuid, gravin Corona!”
»Och papa, stel u niet te veel bloot aan het gevaar,” smeekte zij.
»Wees gerust, kind,” en hij kuste haar vaarwel.
Tot Thoren van Hagen sprak de oude heer:
»’t Doet me pleizier dat er zoo iets komt, want waarlijk, ik voelde mij
ellendig door die treurige geschiedenis bij Dolly. Ze zeggen wel, een
kind is maar een kind en we hebben er genoeg, maar Yolande was
bijzonder ontwikkeld en werkelijk Dolly heeft zoo veel niet.”
Het alang-alangbosch werd omsingeld; de Javanen, met knuppels gewapend,
sloten zich in een kring, die hoe langer hoe nauwer werd. Thoren van
Hagen, Conrad en de oude heer de Géran waren de eenige Europeanen.
»Ik heb alle mogelijke buitenkansjes,” zeide Thoren lachend, »wat ben
ik u dankbaar, mijnheer de Géran, dat u zich over mij, arme zwerver,
heeft ontfermd en naar Ngaroengan meenam.”
»Zeg liever dat ik er alle voldoening van heb; ’t is anders niet veel,
wat je hier geniet.”
»Kan Java nog meer geven? Soms dunkt het mij, dat u mijn leven
nutteloos en ledig vindt, ik ben niets, voer niets nuttigs uit.”
»Je hebt er den tijd anders wel toe,” zeide de oude heer glimlachend.
»Dat is zoo en ik moest er geen tijd toe hebben. ’t Zal ook niet altijd
zoo gaan, maar ik wil eerst een verleden hebben, waar men iets aan
heeft, dat de moeite van het bekijken waard is; het leven zie ik aan
voor een schilderij—Portias zou zeggen voor een muziekstuk—dat ieder
zich zelf schildert, de omstandigheden zijn de verven. Nu wil ik het
mijne heel bont en schitterend maken, voor ik er voor goed een lijst
omzet.”
»En daarom ga je op avonturen uit?”
»Ja, ik ben naar de Noordpool geweest en keerde terug naar den Equator;
ik had niet gedacht dat ik hier misschien de laatste hand zou leggen
aan het schilderij, dat mijn jeugd moet voorstellen.”
»Wil je dan hier blijven?”
»Willen, ja, maar ik kan zelf niet beslissen of het zal gebeuren; dat
moet een ander doen. Ik kan hier alleen blijven als uw dochter Corona
het mij toestaat.”
»Corona!”
»Ik heb Corona liefgehad van het eerste oogenblik dat ik haar zag; zij
of geen andere wordt mijn vrouw.”
Verbaasd zag de oude heer de Géran hem aan.
»En weet zij het reeds?”
»Ik heb ’t haar gezegd, maar zij zal het niet verstaan hebben. Ik deed
nog niets om haar te verdienen, daarom bid ik u, laat mij den tijger
dooden, als u mij toestaat haar hand te vragen.”
»Maar Thoren, ’t is haar zaak, zij heeft alle huwelijken bij ons
gesloten. Laat zij voor het hare nu ook maar zelf zorgen! Ik heb niets
tegen u, je bent een man van eer, en ik ben er van overtuigd, dat je
mijn dochter niet zoudt ten huwelijk vragen als je er niet zeker van
waart haar daardoor niet te doen afdalen.”
»Dat verzeker ik u! Ik heb niet als kluizenaar geleefd, integendeel, er
zijn bladzijden in mijn leven, die ik er gaarne uit wilde scheuren,
vlekken op mijn schilderij, die haar in mijn oog jammerlijk ontsieren,
maar hoe schuldig ik ook voor mijn geweten in menig opzicht moge zijn,
er kleeft aan mijn naam of verleden niets, wat in de oogen der wereld
daarop eenige smet zou kunnen werpen en wat mij belet een eerlijke
vrouw mijn hand aan te bieden.”
»Die ruiterlijke bekentenis pleit voor je, Thoren! Ik geloof, dat je er
in zult slagen, je door Corona te laten eerbiedigen, zij is anders niet
gemakkelijk.”
»Dat weet ik, maar het trekt mij te meer in haar aan; ik waardeer haar
karakter zooals het is met zijn licht en schaduw. Mijn liefde is niet
geblinddoekt.”
»Des te beter! Ik hoop voor je en voor ons dat je slagen moogt.”
»En niet voor haar?” vroeg Thoren van Hagen lachend.
»Voor haar? Ik geloof, dat zij nog heel anders moet worden, om in het
huwelijk geluk te vinden.”
»Laat het aan mij over! Die zorg vrees ik niet op mijn schouders te
nemen.”
Daar liet zich een ontzettend gebrul hooren midden in het
alang-alangwoud; de tijger, gewekt door de steenworpen der Javanen,
rekte zijn lenige ledematen uit, gaapte en vervulde de lucht met zijn
afgrijselijk geluid, dat het bloed in de aderen deed stollen van de
landbewoners, uren ver in den omtrek.
»Meneer Conrad, ik hoop dat u mij de eer zal gunnen het monster te
vellen, ik heb zijn huid aan een schoone dame van uw kennis beloofd,”
zei Thoren van Hagen schertsend.
Conrad werd doodsbleek en beet zich op de lippen.
»Wie is die dame?”
»Wel, u zou haar niet kennen?”
»Ik los hier geen raadsels op.”
»Daar heeft u wel gelijk aan, het oogenblik is slecht gekozen.”
»Kiai, kiai,” gilden de Javanen plotseling, en werkelijk, daar
flonkerden zijn gloeiende oogen tusschen het hooge witgroene gras.
Conrad mikte en schoot, maar zijn hand beefde van innerlijke
gemoedsbeweging en de kogel wondde slechts even het oor van den tijger.
Woest brullend hief hij zich op zijn achterpooten in de hoogte, aan
zijn breed gapenden muil drupte nog het bloed van het geitje, dat hij
verslonden had, zijn gekromde tong hing langs de scherpe witte tanden,
de klauwen met hun puntige nagels, spalkten zich samen, tot den
noodlottigen sprong gereed; de Javanen trokken zich snel terug, een
hunner, alleen met zijn kris gewapend, wachtte hem, hij had met den
kiai, die zijn kind meegevoerd had, nog een rekening te vereffenen.
Het bloeddorstig monster bereikte hem, hij stak het zijn mes in de
zijde, maar de arm, die ’t wapen voerde, werd door zijn greep
machteloos gemaakt; de man viel ter aarde en de tijger zette zijn
tanden in het bruine vleesch van zijn borst.
Thoren van Hagen en Conrad snelden toe, terwijl het dier zijn wraak
wilde volvoeren; de laatste stak hem den ponjaard in den nek, maar weer
niet diep genoeg.
De tijger liet nu ten minste zijn prooi los en schoot op Thoren van
Hagen los; met bewonderenswaardige tegenwoordigheid van geest en met de
zekerheid van een goed schutter, loste hij zijn pistool en het schot
drong in de keel van het dier, dat stuiptrekkend achterover viel.
»Een koningsschot!” riep de oude heer de Géran, die reeds in zijn leven
zoovele tijgers geveld had en nu dit godengenoegen gaarne aan de jonge
lui overliet, »maar wat Conrad vandaag scheelt? Twee keer mis! en hij
is anders zoo zeker. Jongen, jongen, bedenk dat haastige spoed zelden
goed is.”
»Ik ben ook geen tijgerhuid verschuldigd aan een schoone dame,”
antwoordde Conrad spottend, en zich toen tot Thoren van Hagen wendend,
die zonder aan zijn triomf te denken zich slechts met den gewonden
Javaan bezig hield, fluisterde hij hem toe:
»Als je haar die durft brengen en zij neemt het aan, dan kan je er
zeker van zijn, dat ik niet zal misschieten als ik op jou en haar
tegelijk aanleg.”
»Maar beste vriend!” riep Thoren van Hagen lachend uit, »wat scheelt er
aan? Waarom mag ik mijn belofte niet houden? Wat voor kwaad steekt er
in?”
»Je ziet me voor een kwajongen aan, misschien heb je gelijk en ik heb
me ook zóó gedragen, maar nu wordt het anders. Ik laat mij niet meer
beleedigen.”
»Wie denkt er toch aan je te beleedigen? Je vermoedt niet eens ter wier
eere ik den tijger heb gedood.”
»Ik niet vermoeden?”
»Papa de Géran, ik mag u zoo immers wel noemen...” riep hij met zijn
vroolijke, heldere stem door het woud.
»Haal papa er niet bij! We kunnen het alleen af,” snauwde Conrad.
»... na ’t geen ik u straks gezegd heb,” ging hij voort, »wil u Conrad
vertellen aan wie ik mijn tijgerhuid heb beloofd? Hij kan het
raadseltje maar niet oplossen.”
»Ik zie ook niet in, dat het hem iets aangaat, wat je aan zijn zuster
beloofd hebt.”
»Mijn zuster, welke, Margot?”
Thoren van Hagen barstte in een gullen lach uit, en zelfs de oude heer
de Géran moest glimlachen.
»Margot, die kleine meid; hoe kom je er aan? Heb je geen andere zusters
meer, die nog vrij zijn.”
»Corona?” vroeg hij haperend, en ’t werd hem plotseling licht.
»Hoor eens, Conrad,” zeide Thoren van Hagen; »’t is nog een geheim. Ik
had weinig lust om me door jou te laten tijgeren en daarom liet ik het
aan je papa over, je de waarheid te vertellen, maar denk er om, den
matjan heb ik geschoten en mag met zijn huid doen wat ik verkies, maar
de hand van je zuster heb ik nog niet gevraagd, betoon me dus niet te
gauw je zwagerlijke liefde.”
Conrad zweeg met zijn gewoon boos gezicht.
»Ik maak mij hoe langer, hoe belachelijker!” dacht hij, »het zou toch
te dwaas zijn dat ik jaloersch was om niets.”
De tijger, een prachtige koningstijger, werd in triomf weggedragen, ook
den gewonden Javaan wilde men op een draagbaar leggen, maar hij stond
op, kreunde zacht, en verklaarde wel te kunnen loopen. Het dier zou in
den kampong gestroopt worden.
In al den tijd, dat de strijd geduurd had, was Corona rusteloos van de
eene kamer naar de andere geloopen, haar slapen klopten, haar polsen
hamerden, was dat alleen uit onrust over haar vader? Maar hoe dikwijls
had hij niet met haar broeders deelgenomen aan zulk een jacht en dan
dacht zij nauwelijks aan het gevaar, dat zij liepen, maar nu?
»Iteko,” riep zij tot haar toevlucht in den nood, »zeg mij toch wat mij
scheelt. Maak me iets klaar, ik weet niet wat, maar het moet iets
opwekkends en tegelijk kalmeerends zijn.”
De toevlucht ging naar achteren, daar stond Kitty, die juist met een
inlander had gepraat.
»Verbeeld u toch eens, juffrouw,” riep zij op haar gewone drukke
manier, »ik ben zoo blij dat Portias niet mee is gaan jagen, daar
vertelt me Kromo juist, dat de tijger mijnheer Thoren van Hagen
verscheurd heeft.”
»Wat zeg je?” en daar stond Corona plotseling voor haar, bleek en
bestorven met starende oogen. »Thoren van Hagen verscheurd door den
tijger.”
»Dat vertelt Kromo! Gelukkig, dat het papa of Conrad maar niet is,
Hermine zal er wel om treuren, hij was immers haar vriend en
speelkameraad; ’t spijt me ook, ik vond hem een aardig mensch, maar
toch!...”
»Hou je stil! ik verzoek het je,” en Corona viel op een sofa neer,
bleek met gesloten oogen; was dat nu een onmacht?
»Maar wat is het toch, wat kan het haar schelen, juffrouw,” vroeg
Kitty, »wat ziet ze er naar uit?”
»Geef wat vlugzout en Eau de cologne, overspanning, anders niet,
mevrouw Portias,” antwoordde Iteko.
»Mijn hemel, als ’t mijn man was, zou ik niet naarder kunnen wezen.
Waar moet ik dat alles vinden, juffrouw?”
Corona kwam echter spoedig bij; toen zij zich omringd zag van een half
dozijn broertjes en zusters, nichtjes en neefjes, allen even
nieuwsgierig, voelde zij zich diep beschaamd en verbitterd; zij stond
op en weigerde door Kitty gesteund te worden.
»Men zou zeggen, dat ik doodziek was! ik ben geschokt door al den
schrik van de laatste dagen, eerst die tocht op den Merawoe, dan de
dood van Yolande en nu...”
»Dat is ook heel natuurlijk, juffrouw! U moet maar stilletjes gaan
uitrusten,” ried Iteko.
Zij ging in haar kamer terug en viel toen als uitgeput neer.
»Iteko, wat scheelt me?” vroeg zij op wanhopenden toon.
»Men kan niet alles zeggen zonder te spreken, juffrouw! Maar het kan
best een valsch alarm zijn.”
»Zou je denken? O God, wat zou ’t mij kunnen schelen? Hij gaat me niet
aan en toch, hij is zoo jong, zoo...”
»Zoo knap, ja dat is hij zeker!”
Huiverend verborg Corona haar gelaat in de kussens.
»Ik kan ’t niet gelooven, ik kan ’t niet gelooven,” kermde zij.
»Juffrouw, ik bid u, blijf toch kalm, ik geloof dat de mandoer gekomen
is met nadere berichten. Geef u niet ten schouwspel aan die menschen,
ze zullen zeggen dat...”
»Ze kunnen zeggen wat zij willen. Ga spoedig, Iteko, ga luisteren en
zeg mij alles... mijn vonnis.”
Corona hief zich op; met zenuwachtig samengewrongen handen en
opeengeperste lippen, de brandende oogen strak voor zich uitstarend,
bleef zij zitten en wachten.
De seconden schenen haar uren toe; er werd luid gesproken en gelachen,
zij hoorde Margot’s juichende stem.
»Dan is het niet waar!”
En zij rees in de hoogte en had een gevoel of zij op haar knieën moest
vallen om God te danken, maar zij hield zich goed, zij wilde zelfs niet
voor haar eigen gevoel toegeven aan den storm van jubelende blijdschap,
die haar ziel vervulde.
Iteko kwam terug en zeide met een glimlach—haar glimlach:
»U behoeft zich niet verder ongerust te maken, juffrouw Corona, ’t is
een dwaas praatje geweest. Meneer Thoren van Hagen heeft den tijger
gedood maar is zelfs niet eens gewond.”
»Gelukkig maar,” antwoordde Corona schijnbaar bedaard doch nog steeds
bevend, »ik vond dat denkbeeld van verscheurd te worden zoo vreeselijk.
Ik geloof dat het mij even erg zou aangegrepen hebben als het Akkeveen
geweest ware.
»Och ja, dat geloof ik eigenlijk ook. ’t Is een minder prettige manier
van sterven.”
»Je moet het hun maar zeggen, Iteko, anders schrijven ze mijn schrik
nog toe aan... iets anders. ’t Is toch vreeselijk onaangenaam dat men
zijn eigen gevoelens en trekken zoo weinig in bedwang heeft.”
„Gefühl und Auge sind Verräther,
Nach ihnen späht die Welt der Dieb.”
declameerde Iteko.
»Ja, een dief! Wie weet hoe vroolijk ze zich over mij maken. O, ’t is
ellendig! Ik begrijp niet wat me tegenwoordig overkomt, alles spant
samen om mij ongelukkig te doen zijn.”
»Sedert mevrouw Conrad er is! Wat is die vriendschap tusschen haar en
mevrouw Akkeveen spoedig innig geworden!”
»Zij is een intriguante, meer niet! Wie had het uit haar brieven kunnen
opmaken?”
»Weet u ook of zij er van wist dat mijnheer Thoren op Samarang was,
toen zij aankwam?”
»Hoe kan ik dat weten, en wat zou ’t ook?”
»Och, niets!”
»Hij heeft mij den tijger beloofd! Of hij me dien brengen zal?”
»U heeft tijgervellen genoeg!”
»O zeker, ik geef er niets om.”
»Waarom zou u ook?”
’s Middags kwam de oude heer de Géran terug, en hij, die anders zoo
spaarzaam met zijne woorden was, als waren ze gouden munten, verhaalde
nu vele bijzonderheden over de jacht; over Thoren van Hagen was hij
onuitputtelijk; hij prees uitbundig zijn moed en onverschrokkenheid.
Corona deed of zij niet luisterde, haar oogen moest zij neerslaan,
omdat zij voelde dat zij te veel zouden schitteren, als zij daarmede de
woorden haars vaders wilde volgen.
»Waarom is Thoren niet meegekomen, papa?” vroeg Portias, »wilde hij
niet komen eten?”
»Ik heb er moeite genoeg voor gedaan, hij kon niet. Ik geloof dat hij
plan had, Akkeveen van middag een condoleantie-visite te maken.”
Corona voelde dat zij hevig bloosde; ’t was of een mes haar het hart
doorboorde, of ieder ’t oog op haar gevestigd had; zij had zich willen
verbergen, misschien het liefst diep in den krater van den Merawoe.
»Hoor eens Jo, zal ik je wat vertellen?” vroeg Kitty, zich op haar
teentjes omhoog heffend en Portias toefluisterend.
»Wat dan, nieuwsgierig bazuintje?”
»Foei, neen, ik ben geen bazuin, zelfs geen bazuin-engeltje! Maar ik
zal het je gauw zeggen. Cor is verliefd!”
»Corona?”
»Ja zeker, word er maar niet jaloersch om, dat je oude vlam naar een
anderen kant uitslaat; zij is verliefder dan ik ooit op jou geweest
ben.”
»En op wien?”
»Op Thoren van Hagen.”
»Zij had slechter kunnen kiezen, maar hij?”
»Hij geeft niet zooveel om haar. Is dat niet erg voor die arme Cor? Als
ik nu minder goedhartig was, zou ik zeggen: het verdiende loon!”
»En hoe heb je het gemerkt?”
Natuurlijk raakte Kitty’s tongetje eerst nu heelemaal los en duurde het
nog lang voor zij uitverteld had.