Volgens Indisch gebruik zou reeds den volgenden morgen vroeg de
begrafenis plaats hebben; te midden der koffietuinen bevond zich het
familie-graf der Gérans.
Reeds vroeg in den ochtend reden de reiswagens naar boven; alle
familieleden waren tegenwoordig en nog verscheidene belangstellenden
uit de hoofdplaats vergezelden hen.
Daar was de oude heer, deftig als een Fransche markies uit het oude
régime, de magere August, die ’t altijd van de zwakke Yolande had
gedacht; Akkeveen gaf immers zijn vrouw geen geld genoeg om de kinderen
te voeden, neen dan liet hij Poppie anders voor de hunnen zorgen.
Guillaume was zeer gevoelig en schreide als een kind, toen hij zijn
zwager, die zich buitengewoon goed hield, de hand drukte; Portias beet
op zijn langen knevel, Kitty vergezelde hem troosteloos, als moest zij
al haar tranen in eens vergieten, Corona bleef statig en bedaard, maar
men kon zien dat zij zwaren strijd voerde om de onrust, die haar
vervulde, te verbergen; zij voelde zich op nieuw vernederd door
Nonnie’s dood, zooals zij zich in den laatsten tijd telkens had
gevoeld; niemand had haar noodig, niemand scheen behoefte aan haar te
hebben. Iteko had zij naar huis gezonden.
Ook Thoren van Hagen kwam mede; hij reed met de broers. Corona, die met
Kitty, Portias en haar vader in een rijtuig was gekomen, had geen
gelegenheid hem te zien of te spreken. Dolly sliep toen zij
binnenkwamen.
»Laat haar gerust slapen,” beval Corona, »op het oogenblik der
begrafenis.”
»Papa,” zeide Hermelijn, »ik heb Dolly beloofd, toen zij van nacht
wakker was, dat ik haar zou wekken als het tijd werd, op die voorwaarde
alleen is zij rustig gaan slapen. Mag ik haar wekken?”
»Vraag het Akkeveen, ik wil niet beslissen,” sprak de Géran.
»Neen, neen, dan begint het weer! Waarvoor dienen al die
overgevoeligheden, ik hou daar niets van, ’t is al een beroerde boel
genoeg,” bromde hij.
»Akkeveen heeft gelijk, ’t zal haar te veel aandoen,” meende Corona;
voor ’t eerst waren zwager en schoonzuster het eens.
»Zij zal zich goed houden, ze heeft het mij beloofd,” verzekerde
Hermelijn, »maar laat mij haar wekken.”
»Och, wat bemoeit ge je ook met alles. Je hebt hier al genoeg te
bestellen; ’t is of er niets zonder jou kan klaar komen; van het eerste
oogenblik heb je hier een toon aangenomen, die niet te pas komt. Ik had
behoefte het je te zeggen; je bemoeizucht wordt alleen geëvenaard door
je pretentie en als je niet begonnen was met dat kind te knoeien, wie
weet of dan niet...”
»Dat lieg je!” barstte Conrad plotseling bleek van toorn uit, »de
dokter heeft zelf verklaard, dat alles wat zij gedaan heeft, uitstekend
was en als hij dadelijk haar raad had gevolgd of jij, die hier alles te
bevelen wilt hebben, waart haar bijgebleven, wie weet dan of de ziekte
niet overwonnen was.”
Hermelijn, die gebloosd had van verontwaardiging bij Corona’s bitter
verwijt, keerde zich met stralende oogen naar haar man; zij wist niet
of zij waakte dan wel droomde, hij verdedigde haar met een vuur, zooals
zij ’t nog nimmer van hem had ondervonden.
»Stil kinderen, stil! De plaats is te heilig voor zulke woorden,” beval
de vader met gebiedenden blik. »Als Dolly moet gewekt worden, zal
Akkeveen het wel doen.”
»Ik had van jou zoo’n warme verdediging niet verwacht voor de tottok,
die je toch uitlacht,” beet Corona haar broer toe.
Hij keerde zich om met minachtend gebaar.
De begrafenis had plaats zonder dat Dolly wakker werd; de stoet
kronkelde reeds sinds lang omlaag door de gewelfde lanen van
neerbuigende boomtakken, waar, kleine acrobaten gelijk, de vogeltjes
stoeiden en dartelden in hun goud-, robijn- en saffierkleurig kleed; de
bloemen vielen op het witte kleed, dat de kleine baar dekte. Zoolang
mogelijk had men gereden, maar toen de weg te moeilijk werd, stapten de
heeren uit en volgden het kistje naar de stille plek, door ruischende
bamboestruiken omringd, die hun geheimzinnig eeuwig lied murmelden
rondom de monumenten, wier witte gedaanten zich ophieven tegen het
zachte, wegsmeltende groen der buigzame stammen.
Toen Dolly ontwaakte, was haar eerste vraag:
»Zijn ze gekomen?”
»Bedaard, lieveling!” sprak Corona zoo zacht en teeder als zij
vermocht, »’t moest eens immers gebeuren!”
»Wat is er gebeurd? Is ze weg? Waar is Hermine, zij had beloofd mij te
wekken. Je hebt haar weggezonden, Corona, je ontneemt mij alles, je
hebt mij mijn lief kind misgund, nu beroof je mij van mijn zuster, mijn
vriendin!”
»Ik zal haar roepen,” zei Corona dof, »maar Dolly, ben ik je eigen
zuster niet, waarom is Hermelijn je meer, zij een vreemde!”
Kitty kwam binnen en nam Dolly in de armen, zij liet zich door haar
omhelzen maar herhaalde telkens:
»Ze hebben mij bedrogen! Ze hebben het altijd op mijn kind voorzien,
allen, allen! Niemand gunt mij iets!” En zij brak los in een storm van
hartstocht en woede, zooals Indische vrouwen die kunnen ontwikkelen;
niets baatte, men moest Hermelijn, die even ingesluimerd was, roepen.
Zij knielde bij de razende vrouw neer en fluisterde haar teeder toe,
maar niets baatte nog, geen liefkoozingen, geen beroep op Dolly’s
godsdienstige gevoelens, geen herinnering aan hare andere kinderen.
Eindelijk viel zij uitgeput neer; hevige koorts greep haar aan en
beurtelings lachte en schreide zij, wees ieder af, behalve Kitty die
zij duldde en Hermelijn om wie zij telkens riep.
Corona stond alleen, ieder spande tegen haar samen, en zij had toch
zulk innig medelijden met Dolly; zij hield waarlijk veel van Yolande en
voelde spijt, bitteren spijt zonder het zich zelf te bekennen over haar
aandringen om het kind af te staan. Toen de begrafenisstoet
terugkeerde, vonden zij Dolly in een treurigen toestand, die Hermelijn
in het gelijk stelde.
»Hadden we haar maar gewekt,” zeide de oude heer.
»Dan hadden we nog meer spektakel gezien.”
»Zij had dan niemand iets te verwijten gehad,” meende Portias.
Alleen enkelen kwamen weer, de meesten, waaronder de vreemden, waren
teruggekeerd naar de hoofdplaats.
Tegen den avond wilde ook de heer de Géran vertrekken.
»Blijf je nog, Corona?” vroeg hij.
»Neen papa, ik heb hier niets te doen,” antwoordde zij scherp.
»En Kitty?”
Het gezicht van Akkeveen verried genoeg, hoe bezwarend hij de
aanwezigheid van vele logés vond.
»Wij gaan ook mee,” sprak Portias.
»Evenals ik,” zei Conrad.
»Je vrouw is de eenige, die met haar overweg kan; je zult mij pleizier
doen te blijven.”
»Maar morgen moet ik naar huis. Ik ben er lang genoeg vandaan!”
»Zooals je verkiest, als Hermine maar niet meegaat.”
»Dat moet zij weten!”
Zoo bleven dan Conrad en Hermelijn alleen bij de beroofde ouders; de
reiswagens verdwenen, het licht der fakkels, door de loopers gezwaaid,
flikkerde door het geboomte, de vonken spatten weg tusschen het groen,
en diepe duisternis omhulde weldra het huis, waaruit dien morgen het
helderste licht was weggedragen.
Toen na een onrustigen slaap Dolly den volgenden morgen ontwaakte, zag
zij met starende oogen voor zich uit, als ontbrak haar alle bewustzijn
en alle herinnering aan het gebeurde. Hermelijn, die bij haar had
gewaakt, kwam met haar oudste jongetje op den arm voor haar bed staan,
zij wilde of kon het niet opmerken; wezenloos bleef zij voor zich uit
zien.
Akkeveen kwam haar bezoeken; zij rilde even maar sprak niets, geen
voedsel of drank wilde zij gebruiken op Hermelijn’s dringende beden;
zoo bleef zij uren lang.
»Dolly,” fluisterde Hermelijn. »Ik wil je iets laten zien, je moet mij
zeggen, of het gelijkt en wat er aan ontbreekt.”
Vragend zag zij op terwijl Hermelijn een portefeuille opensloeg en haar
een teekening toonde, het welgelijkende portret der kleine Nonnie, met
haar sprekende zwarte oogjes en het bloemkransje op ’t haar.
»Vind je dat het gelijkt, Conrad heeft het op mijn verzoek geteekend.”
»O Hermine,” en snikkend viel de arme vrouw in de kussens terug en gaf
zich nu aan een natuurlijke droefheid over.
Hermelijn verliet haar geen oogenblik; het portret moest voor haar
blijven staan; ’t was het eenige, wat zij van haar behield en de
krulletjes, die Hermelijn had afgeknipt.
»Je hebt aan alles gedacht, ik dank je!” zuchtte zij.
Zij lag kalm, hoewel zielsbedroefd en vroeg eindelijk naar haar man.
»Akkeveen,” sprak zij toen hij binnenkwam, »als ik je misschien iets
bitters gezegd heb, vergeef ’t mij! Ik wist niet wat ik zei; ’t had
niet veel gescheeld of ik was krankzinnig geworden. Zij heeft mij
gered! Zie, wat ze mij bracht.”
Ook Akkeveen was diep ontroerd, toen hij de teekening zag.
»Heb je daarom je bij haar bedje opgesloten, Hermine, we zullen je
altijd dankbaar blijven,” sprak hij, haar de hand drukkend.
Tegen den middag keerde Conrad naar huis terug; een koortsachtige
spanning dreef hem weg; wat het was kon niemand vermoeden, Hermelijn
bleef natuurlijk. Dolly kon en wilde haar nog niet missen.
Hij nam afscheid van zijn zuster, die juist alleen was.
»Conrad,” zeide Dolly hoog ernstig, »waardeer toch goed wat voor schat
je in Hermine bezit! Ik geloof niet dat zij gelukkig is.”
»Ben ik het dan?” vroeg hij bitter.
»Dan heb je het aan jezelf te wijten; het leven is zoo vol ellende en
verdriet, dat we door onze eigen schuld geen oogenblik van geluk mogen
laten verloren gaan. Waarom ben je niet gelukkig, Coen?”
»Omdat.... omdat zij mij uitlacht en bespot!”
»Zij, o foei Conrad! schaam je!”
Juist trad Hermelijn binnen en Conrad wilde heengaan.
»Dag Hermine,” zei hij en gaf haar verlegen de hand.
»Dag Conrad,” en zij drukte die; toen ging hij snel heen.
»Je moet me alles vertellen, Hermine,” fluisterde Dolly, »misschien kan
ik er iets aan doen; ’t mag zoo niet blijven.”
»Niemand kan het veranderen, niemand!” was het moedelooze antwoord, dat
Dolly door de reeds zoo verwonde ziel sneed.
Reeds daags daarop stond zij op en deed haar gewone werk, zij streefde
er naar, niet om weer zichzelf te zijn, maar om dat te blijven, waartoe
zij zich met alle krachtsinspanning had opgewerkt.
Zij deed haar gewone bezigheden, verzorgde haar kinderen, opende het
kastje met de kleertjes van de lieve, kleine afwezige, en sloot daar
alles in weg, haar poppen, haar speelgoed, haar kleertjes; soms werd de
aandoening te machtig, en dan liet zij haar tranen vloeien op de
geurige kleertjes, op de voorwerpen, die nog den indruk bewaarden van
haar thans verstijfde vingertjes.
»Ik sluit alles weg, ik wil niets meer van haar zien dan haar portret,”
zeide zij tot Hermelijn, »’t maakt mij zwak en ik moet sterk wezen om
mijn plicht te doen.”
»Altijd plicht, o Dolly, wat is dat koud,” sprak de jongere zuster
huiverend en onwillig.
»Wat blijft er over als alles heengaat? Wat zouden we zijn zonder
plichten! God heeft het beschikt dat ik Nonnie moest missen. Hij weet
ook waarom! Hier zou zij bedorven zijn, bij Corona was zij misschien
ook overleden, verre van mij, en toch, ik kon niet anders handelen, ik
kon niet! Zij is goed bewaard bij de engelen, haar zusjes.”
Zij snikte, maar zonder wanhoop of woeste smart.
»Als ik geen andere kinderen had, zou ik bidden dat ik spoedig bij haar
mocht komen want het leven is niets dan last, maar nu mag ik het niet.
Ik wil mijn jongetjes niet alleen laten. Ik hoop dat Corona hun vader
niet meer in de verleiding brengt. En daarom moet ik sterk zijn en mag
mij niet meer aan mijn droefheid zoo overgeven als dien ochtend.”
»Dolly je leert mij veel!” zeide Hermelijn diep ontroerd. »Ik geloof ’t
ook, plichtsvervulling alleen geeft ons kracht, maar ach, ik heb geen
plichten.”
»En tegenover je man!”
Toen verborg Hermelijn het gelaat aan Dolly’s borst en bekende haar
alles.