Conrad reed zoo snel als de bergachtige weg ’t hem toeliet naar boven;
de haastige rit bracht zijn onstuimig bloed eenigszins tot bedaren, het
was bijzonder koel en frisch na het onweer van den vorigen dag; en die
kalmte deelde zich ook aan hem mede, maar het was de kalmte, die den
storm volgt en wellicht een nieuwe uitbarsting voorafgaat.
In de laatste nachten had hij niet geslapen, spijt en wroeging
vervulden zijn ziel, onophoudelijk hield een gedachte hem bezig, met
martelende eentonigheid.
»Als ik anders tegen haar geweest ware in het begin, wie weet of zij
mij dan niet lief had gekregen, terwijl zij thans naar Thoren van Hagen
opziet als naar haar redder maar ik geef niets om haar liefde, niets.
Zij heeft met hem gewandeld op den vulkaan, wat zei Guillaume ook? Maar
ik kan er niets aan veranderen, ik zal met hem duelleeren als ik hem in
Kaboelen vind; die gemeene Akkeveen, ik zal mij ook op hem wreken, één
van ons zal sterven, hij of ik; als ik het ben, dan kan hij toch niet
met mijn weduwe trouwen! Mijn weduwe...” herhaalde hij bij zichzelf met
een soort van genot, gaf zijn paard de sporen en reed sneller en
sneller voort.
Hij had den weg reeds meer dan half afgelegd, toen een Javaan op zijn
klein vlug paard gezeten hem tegemoet kwam; zoodra hij Conrad herkende,
stapte hij af, zette zich met de beenen kruiselings op den grond neder
en boog het hoofd op zijn samengevoegde handen.
Conrad herkende Sariman, Akkeveen’s huis- stal- en tuinjongen.
»Wat is er Sariman?” hij wist niet waarom hij zoo koud en angstig werd.
»Ik ben gezonden naar den dokter, nonna is hard ziek.”
»Wat zeg je, njonja, mijn njonja?”
Een vreeselijk voorgevoel maakte zich van Conrad meester; ’t kon wezen,
wat Corona had gezegd, zijn vrouw ondervond de treurige gevolgen van
het avontuur in den vulcaan.
»Ik vraag u verschooning,” was het kalme, afgemeten antwoord, »’t is de
kleine nonna, die onwel is en mevrouw heeft mij gezonden om mijnheer te
waarschuwen en den dokter te halen.”
»Nonnie ziek, het oogappeltje van Dolly!” hij gevoelde er behoefte aan,
zijn arme zuster bij te staan.
»Rijd spoedig naar beneden, Sariman en zeg den dokter, dat hij
onmiddellijk komt, ik ga naar mijn zuster.”
»Dan is er tenminste een man t’huis,” sprak de trouwe bediende, terwijl
hij het paard eenige schreden verder leidde om daar te kunnen
opstijgen. Conrad reed door, maar keerde zich plotseling om.
»Sariman?” vroeg hij met verstikte stem, »is er geen bezoek op
Kaboelen, is er niemand geweest, mijnheer Thoren, dien je wel kent?”
»Neen meneer, niemand; van morgen is onze toewan vertrokken en dadelijk
is Nonnie zoo akelig beginnen te hoesten, ik heb hier een brief van uw
njonja aan den toewan dokter.”
»Goed, maak haast!”
»Zou dat ellendige wijf mij bedrogen hebben,” dacht Conrad, »of zijn ze
allen medeplichtig, zelfs Sariman?”
Hij dreef zijn paard voort; waar loopen gemakkelijker viel, steeg hij
af en klom vlug als een eekhoorn, de bergruggen op; eindelijk zag hij
het eenvoudige atappen dak van Akkeveen’s woning en ’t eerst Hermelijn,
die op het hooren van den hoefslag in de voorgalerij verscheen.
»O Conrad, Goddank, dat je er bent! Die arme Nonnie! ’t is de croup, ik
heb geholpen, wat er te helpen viel. Een van mijn broertjes heeft het
ook gehad, maar ach, ’t is zoo erg.”
Conrad voelde zich vreemd te moede; om een soort van Othello-scène te
maken was hij gekomen en hij werd geroepen aan het bed van een ziek
kind.
»Waar is Dolly?” vroeg hij zoo norsch mogelijk.
Hermelijn voelde dat hij hun verhouding weer afbakende, en antwoordde
hem ijskoud:
»Bij het zieke kind natuurlijk, kom je mee?”
In de slaapkamer zat de arme moeder met het akelig blaffende kind op
den schoot. Yolande’s lief gezichtje scheen blauw van benauwdheid, haar
oogen stonden akelig, star en stijf; haar kleine vuistjes waren kil en
krampachtig in elkaar gedrukt.
»Dag Conrad,” zei Dolly met pijnlijke bedaardheid, »je had niet gedacht
hier zoo aan te komen.”
»Kan ik iets doen?” vroeg hij met verstikte stem.
»Vraag Hermine, zij alleen weet het. Als ik haar niet had....”
Er was weinig te doen, zoo bitter weinig, Hermelijn bracht eenige
verlichting aan in afwachting dat de dokter kwam. Intusschen trachtte
zij de beide jongentjes tot bedaren te brengen, suste den jongste,
speelde met den oudste, al brak haar hart; Conrad knielde naast Dolly
en trachtte de kleine meid tot bewustzijn te wekken.
»Oom,” fluisterde zij tusschen twee hoestbuien, »oom Conrad, waar is
tante?”
Dolly moest haar jongste helpen, dat om voedsel schreide. In dien tijd
nam Hermelijn het zieke kind op den schoot.
»Houd haar bezig,” fluisterde zij haar man toe, »zij mag niet slapen.”
Conrad knielde voor haar neer, speelde met haar poppen alleen om haar
aandacht te wekken, maar haar oogjes vielen telkens toe, terwijl haar
akelig benauwd hoesten onophoudelijk weerklonk.
Om de vijf minuten gaf Hermelijn haar een lepeltje van de door haar
bereide medicijnen in; haar bewegingen waren zoo zeker, er lag zulk een
geruststellende kalmte in haar geheel optreden dat zelfs Conrad naar
haar opzag als naar de eenige, van wie redding en hulp kon komen.
»Zou er hoop zijn?” vroeg hij fluisterend.
»Als de croup niet te laag zit. Ik moet bloedzuigers hebben, zou je de
jongens er niet om uit kunnen zenden?”
Conrad stond dadelijk op en ging naar de bijgebouwen, waar hij
Javaansche kinderen naar de sawahs stuurde om de dieren te zoeken; ’t
was of hij nog in een droom verkeerde. Hij was hier gekomen om te
dooden, te duelleeren, hij wist zelfs niet wat, en nu moest hij met
zijn vrouw een menschelijk wezentje aan den dood betwisten.
Er gingen eenige uren om vol angst en schrik en spanning; ’t was of het
hoesten minder benauwd klonk, of de kleine ruimer adem haalde.
»O Hermine, Hermine, hoe zal ik je ooit danken,” riep Dolly.
»Bedaard, zusje! Ik weet niet of het gevaar geweken is. Als de dokter
komt....”
»Ik wilde dat de dokter niet kwam, ik stel meer vertrouwen in jou dan
in hem!”
Daar kwam een reiswagen aanrollen.
»O hemel, wie komt er nu weer aan?” zuchtte Dolly en haar zucht was
niet zonder oorzaak geweest, want er stapten uit haar man, de dokter,
Corona, Iteko en nog een baboe.
»Ook een mooie manier om te troosten,” bromde Conrad, »zoo vol beladen
aan te komen.”
De dokter was een bejaard Duitscher, die als officier van gezondheid
was »uitgekomen”, later zijn ontslag gevraagd en zich in Soekarenga
gevestigd had; hij had veel praktijk omdat er uren ver in de rondte
geen mededinger te duchten was, maar overigens was het vertrouwen in
hem niet bijster groot; hij had zijn eigen begrippen, waarvan niets hem
kon afbrengen; alles voerde hij op tot in het overdrevene. Zoo was hij
de inderdaad niet verwerpelijke meening toegedaan, dat niets voor het
oppassen der zieken dienstiger is dan dat de omstanders hun kalmte en
bedaardheid behouden, daarom wilde hij tot geen prijs hen agiteeren,
maar de weg, dien hij tot dat doel insloeg, was een geheel verkeerde.
Hij vertoonde zich doodkalm, over niets ongerust, altijd glimlachend en
tot het einde ontkennend dat er gevaar was, daarbij volstrekt niet
haastig, steeds zijn voorschriften afwisselend met de onnoozelste
praatjes, zonder te willen begrijpen, dat deze wijze van handelen den
patiënt en zijn familie tot de uiterste graden van zenuwachtigheid en
ongeduld bracht.
Met Corona leefde hij sinds jaren in aanhoudenden oorlog, die zich in
eindelooze schermutselingen openbaarde; dat was dan ook de reden
geweest, waarom zij dien morgen de hut van Djario zoo snel had
verlaten; eens had zij zelfs een jongen dokter weten over te halen den
militairen dienst te verlaten en zich geheel te wijden aan de
behandeling der de Gérans en hun onderhoorigen.
Het huis bij ’t meer Ngaroe was voor hem gebouwd; wat er nu volgde
scheen een duistere bladzijde in Corona’s levensboek te vormen; zij
sprak er liefst niet over. De menschen fluisterden van een dollen
hartstocht, dien de jonge man voor zijn schoone beschermster had
opgevat, dien zij eerst min of meer had aangemoedigd om hem later te
bespotten; hoe ’t ook zij, de arme Bremmers, aan wien zij haar beruchte
medicijnen-kist dankte, had in het meer zijn dood gevonden, opzet of
toeval, niemand wist het, maar na dien tijd beproefde Corona niet meer
dokter Altorff’s praktijk te dwarsboomen en stond haar onderdanen met
weerzin toe gebruik te maken van zijn diensten.
Toen Sariman met Hermelijn’s briefje kwam, dacht zij dat de dokter wel
vooruit zou rijden, maar hij antwoordde onveranderlijk kalm:
»Liebe Fräulein, aber dat kann ja niet! Ik durf het niet doen; dat
angstigt de arme moetter te veel. Als u er heen vaart, kom ik mit, dat
is beter.”
Corona nam natuurlijk haar rechterhand, Iteko, mede, en nog een meid;
Akkeveen gaf den dokter gelijk.
»Och, ’t zal een verkoudheid zijn, niet meer. Die twee vrouwen maken
mekaar gek met die malle drukte. ’t Zou al heel toevallig wezen als
Nonnie wat mankeerde en ’t erg was, juist nu Hermine er is.”
Maar toen Conrad hen met een bezorgd gezicht tegenkwam, en zeide dat
het zeer bedenkelijk was, raakte hij ook een weinig uit de plooi en
ging dadelijk naar de ziekenkamer.
»Laat ze niet allen binnenkomen. Ik heb alleen om den dokter gevraagd,”
zeide Dolly.
De dokter kwam, gevolgd door Corona, die Iteko voorloopig buiten had
gelaten; haar mocht men toch de ziekenkamer niet ontzeggen.
»Hoe is ’t met je, Dolly?” vroeg zij deelnemend, »wat heb ik je
beklaagd, zoo alleen met dat zieke kind.”
»Ik had Hermine,” antwoordde zij eenvoudig.
»Dokter,” sprak Hermelijn, »ik heb ’t een en ander gedaan...”
Zij wilde hem alles uitleggen, maar hij viel haar in de rede.
»Bedaard, mevrouwtje, bedaard! Kalmte alleen helpt. Laat eenmaal zien!
Kom hier, kleine Fräulein! Wat heeft u een ongeluk gehad darüber op den
berg!”
»Och dokter, kijk liever naar het kind.”
»Gewis, gewis, daarvoor kom ik, ja! En was u niet erg besturzt?”
»Kom dokter! Geen praatjes,” beval Corona, »en zeg wat er van is.”
»Immer dieselbe, Fräulein, immer!”
En zoo ging het voort terwijl de drie dames hem onophoudelijk
aanzetten, waardoor hij steeds treuzeliger werd.
Voor Hermelijn’s behandeling had hij slechts lof.
»Met uw medicijnkist,” voegde hij er boosaardig bij, zich tot Corona
wendend, die vuurrood werd van toorn, »had u het kind freilich niet zoo
lang in leben gehouden!”
Hij had steeds een kleine handapotheek bij zich en begon uit te leggen
hoe veel het verschilt, als een dokter zulke dingen hanteert of een
leek en droeg Hermelijn alles op, wat voor de zieke gedaan moest
worden, gedurende den nacht; hij kon onmogelijk overblijven, want
»beneden” had hij nog een paar zware kranken.
»’t Schijnt dat ik hier te veel ben,” zei Corona, »Dolly, ik heb Iteko
meegebracht, om je met de kleinen te helpen; ik blijf natuurlijk hier
en zij ook.”
»’t Is goed Corona, ik dank je wel,” antwoordde Dolly weemoedig; het
vonkje hoop, dat haar straks bezield had, was vervlogen, de
benauwdheden der kleine namen meer en meer toe.
»Maatje, zend Non niet weg!” fluisterde zij.
»Neen mijn engel, neen! Als Onze Lieve Heer je aan mij laat,”
antwoordde Dolly, haar hartstochtelijk aan het hart drukkend, »blijf je
bij Mama.”
»Is paatje nog boos?” vroeg zij half onhoorbaar.
Akkeveen kwam nader en streek haar langs het gloeiende kopje.
»Papa is niet boos geweest, Non,” zeide hij met grove stem, »word maar
gauw beter!”
»Sedert dat zij dokter’s medicijnen gebruikt, wordt zij erger,”
mompelde Dolly, »ik vergis mij niet!”
»De croup zit te laag, vrees ik!” zeide Hermelijn.
Het waren vreeselijke uren, die volgden; Corona bestelde alles in huis,
Akkeveen ging op en neer in de voorgalerij, soms vragend hoe het met de
zieke ging. Iteko trachtte de andere kinderen stil te honden maar deze
gilden het uit, zoodra zij het monstertje zagen.
»We zullen ze naar het groote huis zenden,” besliste Corona, »hier
brengen zij nog maar meer drukte en verwarring.”
Maar nauwelijks had Dolly iets van dit plan gehoord of zij verzette er
zich met kracht tegen.
»Neen, ik sta geen van mijn kinderen meer af. Ik ben er genoeg voor
gestraft,” en hoe dwaas en onredelijk Corona dit ook vond, er viel
niets aan te doen; zij was zeer onrustig, en de werkeloosheid, waartoe
zij zich veroordeeld zag, maakte haar nog prikkelbaarder.
Conrad en Hermelijn waren vereenigd in hun liefdewerk, beiden schenen
Dolly onmisbaar en haar, die zooveel verstand had van zieken, kon men
missen. Welk een ander figuur maakte Hermelijn bij dit ziekbed dan zij
bij dat van Djario!
»Conrad,” fluisterde zij hem in, terwijl hij een paar Spaansche vliegen
toebereidde, »weet je ook of Thoren van Hagen er van morgen geweest
is?”
»Ze hadden wel wat anders te doen dan visites ontvangen,” antwoordde
hij barsch.
Den volgenden morgen was er reeds een groote verandering in de arme
kleine Nonnie te bespeuren, haar lieve oogjes stonden dof en
vertrokken, haar wangen waren blauw, haar borstje, door de bloedzuigers
uitgezogen, was met bloed bedekt en haar halsje ruw van de Spaansche
vliegen.
»Maatje, zoo benauwd,” kermde zij zacht; het waren haar laatste
woorden; koud zweet parelde op haar voorhoofd, zij begon te hikken en
te kreunen en zoo vond haar de dokter bij zijn bezoek.
»Dokter,” voegde Hermelijn hem zacht toe, »ik heb er u gisteren reeds
over gesproken. Durft u de operatie niet wagen, die zij in Europa met
veel succes op de croup beproeven? ’t Spreekt van zelf, dat u bijstand
uit Samarang moogt laten komen.”
»Mevrouwtje begrijpt, dat als ik een patient behandelen durf, ik voor
alles verantwoordelijk blijf. Maar het gaat ja goed!”
Van daag bleef de dokter den geheelen dag; de oude heer scheen hem de
les te hebben gelezen; tegen den middag sprak hij er van, een telegram
naar Samarang te sturen.
Corona, die voelde dat zij en haar adjudant hier eigenlijk te veel
waren, besloot met haar te vertrekken; de kinderen in het groote huis
waren al zoo lang zonder toezicht; ook kon zij te Soekarenga beter
zorgen voor geneeskundige hulp.
»Corona, ik behoef haar niet meer aan je af te staan,” sprak Dolly met
een bitteren lach.
»O Dolly, ’t is de groote vraag, alle hoop is nog niet vervlogen. Ik
zal Dr. X. laten komen en je zult zien dat hij de operatie waagt.”
»Neen, ’t kan niet meer. Hermelijn had haar kunnen redden, misschien.”
Zoo vertrokken de beide dames en haar vertrek was een ware verlichting;
Conrad nam Iteko nog even ter zijde:
»Juffrouw! Ik heb nog iets met u af te rekenen. Je hebt gelogen,
schandelijk gelogen!”
»Och meneer, een mensch kan zich vergissen! U was net weg toen ik het
merkte. ’t Is toch van achteren beschouwd maar goed, dat u naar boven
is gegaan, vindt u zelf niet?”
Corona was nog geen half uur weg, toen de kleine zich onrustig begon
uit te rekken, even sloeg zij de lieve oogjes op; toen greep een
geweldige benauwdheid haar aan, Dolly stond op en liep radeloos met
haar op en neer.
»Mijn engel, mijn Nonnie, verlaat je arme moeder niet! O God, laat haar
mij!” smeekte zij, het kind vurig aan haar hart drukkend. Helaas! ’t
was slechts een levenloos lichaam, dat zij omklemde, door het zieltje
reeds ontvloden.
Akkeveen werd zenuwachtig en begon luid misbaar te maken toen Hermelijn
bleek en ontdaan hem de treurmare bracht; Conrad sloop dadelijk naar
zijn zuster, die met haar dood kindje nog op den schoot zat, versteend
als een Niobe.
»Dolly, lieve Dolly! hoe kan het zijn?” snikte hij, en toen Hermelijn
binnenkwam, zag zij haar man naast de zwaar beproefde vrouw zitten met
zijn armen om haar heen, zoo innig deelnemend, zoo teeder troostend als
zij niet had kunnen vermoeden, dat hij ooit doen kon; het was de
norsche, onvriendelijke Conrad niet meer, dien zij te goed kende.
»Zoo is hij alleen tegenover mij!” dacht zij vol bitterheid, maar zich
reeds onmiddellijk over die gedachte op zulk een oogenblik schamend.
Zij ook trachtte Dolly tot het bewustzijn te brengen dat het kind haar
kort leven geëindigd had.
»Ik heb ze afgestaan,” zeide Dolly eindelijk, »ik mag niet klagen. ’t
Is nog beter aan God, dan aan Corona. Ik ben gestraft!”
Zij legde haar op het bedje neer en begon met ijzige kalmte het lijkje
te ontkleeden; zij vroeg Hermelijn water en reukwerk om haar af te
wasschen.
»Maar Dolly, dat zullen wij wel doen!” riep Conrad.
»Neen, haar moeder alleen mag haar aanraken voor het laatst,”
antwoordde zij. Akkeveen kwam bij zijn vrouw en wilde haar omhelzen.
Zij weerde hem bedaard af.
»Nu zal zij je geen ƒ 100 ’s maands meer opbrengen, Akkeveen!” sprak ze
met snijdenden spot; ieder voelde dat de ramp inplaats van toenadering
slechts meerdere scheiding tusschen de echtgenooten zou aanbrengen.
Hij deed of hij haar niet verstond; Dolly bleef onnatuurlijk kalm, zij
kleedde het kind in ’t wit, bestrooide haar met bloemen, vlocht zelf
een kransje in elkander van witte rozeknopjes en melati’s en legde haar
die om het donkere kopje, dat nu allengs zijn gewone uitdrukking terug
kreeg.
Toen brak Dolly’s moed; zij zonk voor het bedje neer, begroef haar
gelaat in de bloemen en snikte het uit:
»’t Is niet waar, ’t is niet waar;” gilde zij, »mijn eenig geluk!
Waarom moet ik zoo lijden en anderen niet. O God, waaraan heb ik ’t
verdiend? Deed ik dan niet altijd mijn plicht?”
Eindelijk gelukte het Hermelijn haar weg te voeren naar een andere
kamer.
»O Hermine, blijf bij mij, verlaat mij niet!” smeekte zij, »je hieldt
zooveel van haar en zij ook van jou. ’t Is vreeselijk, ik kan, ik wil
niet meer leven zonder mijn Non! Ik heb niet genoeg van haar gehouden,
ik heb niet goed op haar gepast. Ze hoestte reeds een paar dagen lang
en ik had er niet op gelet. Je hebt er mij ’t eerst over ongerust
gemaakt; als de dokter niet gekomen was, dan zou ze nog leven en beter
zijn geworden!”
Hermelijn liet haar uitbarsten, zij wist dat elk woord, in deze
oogenblikken uitgesproken, werkt als de druppel koud water op de
gloeiende plaat; dat de wanhopige voor elke troostreden met
onbegrijpelijke scherpzinnigheid, honderd ontzenuwende woorden gereed
heeft, dat zij slechts aan één ding behoefte had, haar smart uit te
weenen en te rusten aan een deelnemend, medevoelend hart.
Hermelijn dacht aan mevrouw van Diteren, die ook zoo menigmaal haar
verdriet aan haar oor toegefluisterd, op haar borst uitgeschreid had;
’t scheen of er van haar omhelzingen een bedarende werking uitging,
want de afgetobde vrouw werd kalmer en kalmer; zij liet haar uitgeput
hoofd rusten in Hermine’s armen en viel moegeweend in een gerusten
slaap.
Zachtkens legde Hermelijn haar op de kussens van den divan neer en
verliet toen zacht het vertrek om zich met Conrad bij de kleine doode
op te sluiten.