XXXIII.

»Heb je dat gehoord, Iteko,” zoo sprak Corona den volgenden morgen

tegen den middag tot haar trouwe adjudante, »Akkeveen is opzettelijk

beneden gekomen om mij te zeggen, dat Yolande bij ons blijft.”

»O juffrouw, wat doet me dat pleizier! ’t Zou zonde wezen van het kind,

als het in die omgeving bleef.”

»Ja, dat heb je mij altijd gezegd; ’t spijt me wel voor Dolly maar nu

heeft ze ook minder te doen, zij houdt er nog twee over en haar

geldduivel van een man strijkt zijn ƒ 100 ’s maands naar binnen. Om

alles is het goed; ik bewonder je scherpen blik, Iteko, voor alles weet

je raad, ik wou dat je die zaak met Hermine ook in orde bracht; als ik

maar wist wat er aan haperde. Kun je er niets aan doen?”

»Mevrouw Conrad vereert mij niet met haar vertrouwen.”

»En hij?”

»Met hem zou ik ’t kunnen probeeren, maar...”

»Nu ja, zie ’t uit hem te krijgen; met mij leven zij in openlijke

vijandschap en ik kan me niet begrijpen waarom. Denk je dat Hermelijn’s

komst invloed heeft uitgeoefend op Dolly’s besluit? Akkeveen pocht er

op, natuurlijk is zij in zijn achting gestegen, sedert ze mij

beleedigde. Foei, wat een verachtelijke vent, voor geld zijn kind af te

staan; zoodra Yolande er is, krijgt hij zijn briefje van ƒ 100, maar

hij voelt geen vernederingen. Ik verlang naar het kind, zij is de

eenige, die de Gérans aard verraadt, de andere zijn domooren en

onbeduidende stijfkoppen.”

»’t Komt misschien door haar naam.”

»Ja, ik stond er op, dat zij dien familienaam zou dragen, maar nu spijt

het me, ik dacht er niet om dat die dan voor goed zou gekoppeld zijn

aan Akkeveen. Yolande Akkeveen, bah! ’t is een heiligschennis.”

»Bij welken van zou uw mooie naam kunnen passen?”

»Bij geen enkelen, daarom trouw ik niet. Ik heb mijn naam veel te

lief.”

»Corona Meijers, dat klinkt niet, ’t zou een reden zijn den resident te

bedanken, daar hij u niet beter kan doen heeten. Corona Thoren van

Hagen, dat is beter.”

»Iteko!” riep Corona bloedrood uit, »aan alle scherts zijn grenzen, die

man is.....”

»U gevaarlijk!”

»Altijd die waarschuwing, geef me toch je redenen op!”

»Die mis ik nog steeds, ik vertrouw hem niet, dat is alles.”

»Maar wat wil hij dan?”

En zij dacht aan die woorden te midden van den storm.

»Iteko, ’t is tijd voor de lessen, ga heen!” gebood zij plotseling, als

om haar ondergeschikte weer den afstand tusschen hen beiden te doen

gevoelen.

Akkeveen was dien morgen reeds vroeg op het pad gegaan, hij vreesde

zeker, dat zijn vrouw van plan zou veranderen.

Een booze vreugde vervulde hem.

Zijn doel was bereikt, Dolly wist nu wel, dat wanneer hij iets

wenschte, zij slechts te gehoorzamen had, hij kon zijn doel bereiken,

op welke wijze dan ook; nu zou hij haar ook spoedig weten te dwingen,

haar moederlijk erfdeel op te eischen. Honderd gulden in de maand, dat

was het gemis van het kind meer dan waard.

»Corona moet maar zeggen, wanneer zij haar hebben wil,” sprak Dolly met

pijnlijke kalmte, »misschien was het ’t beste, als Hermine haar meenam,

aan haar is zij ten minste gehecht.”

»Meer dan aan haar vader, een gevolg van je mooie opvoeding; maar

Conrad komt haar vandaag halen en je begrijpt dat ik er niet op gesteld

ben twee logés tegelijk te houden.”

»Misschien zal Hermine nog een dag er bij willen voegen.”

En zij ging naar haar schoonzuster, die juist wakker was geworden en

vroeg of zij haar nog een dag gezelschap wilde houden.

»Maar lieve Dolly, niets liever!”

»’t Is de laatste dag, ik vind ’t heerlijk dat we dan samen blijven; ik

heb mijn moed zoo noodig, ik moet dien sparen.”

Zoo vertrok Akkeveen en liet de beide vrouwen achter; hij was nu hoog

met Hermelijn ingenomen en dacht niets anders dan dat zij een invloed

ten goede op Dolly uitoefende.

Conrad was nog niet vertrokken.

»Iteko zal wel voor Hermine’s reistoilet zorgen,” zeide Corona tot hem,

»en ik begrijp niet, waarom je straks maar niet gaat. Een andere man

zou verlangend zijn te weten, hoe zijn vrouwtje geslapen had, na zoo’n

vreeselijk avontuur.”

»Je weet er nog al wat van, hoe mannen zich voelen,” gromde hij, haar

een norschen blik toewerpend.

»Meneer,” zoo kwam Iteko dood onnoozel bij hem, »zou u eens willen

zeggen wat ik mee moet nemen.”

De eerste beweging van Conrad was haar te antwoorden dat hij niets wist

van de kleeren zijner vrouw, maar bij nader inzien besloot hij haar te

volgen naar de kamer, die Hermine met Kitty deelde, terwijl de heeren

op Corona’s bestelling in de bijgebouwen waren gekwartierd. Iteko hield

een amazonekleed in de eene hand en het gewone huiskleedje van

Hermelijn in de andere.

»Dat is alles, wat ik van mevrouw vind!” sprak zij, »blijft mevrouw nog

een paar dagen dan moet ik ze wel beide inpakken, vindt u zelf niet?”

»Paardrijden zal zij wel niet doen, pak dus dat andere kleedje dan maar

in,” zeide Conrad vrij kortaf.

»Gaat u er morgen heen, meneer?”

»Ik denk het wel!”

»O zoo, dan heb ik mij vergist, ik meen gehoord te hebben dat iemand

met meneer Akkeveen meeging, dan zal het meneer Thoren van Hagen zijn.”

»Gaat die naar Kaboelen?” vroeg Conrad, plotseling verbleekend.

»Ik weet het niet mijnheer, ik weet het heusch niet! maar ik hoorde het

hem gister avond juist zeggen tegen meneer uw Papa, dat hij graag

meneer Akkeveen zijn huis zou willen bezoeken, u weet, ze zijn heele

goede vrienden.”

»Maar ik heb den heelen dag Thoren niet gezien!”

»Niet, ô dan zal hij misschien van morgen reeds naar Kaboelen zijn

gegaan; weet u er niets van? Ik denk dat mevrouw ’t met hem besproken

heeft. Is ’t hoedje van mevrouw ook bedorven, dan zal ik dat Spaansche

kanten doekje maar meenemen, dunkt u niet? Ik vind het erg aardig voor

mevrouw dat zij hier midden in het gebergte een schoolkameraad heeft

aangetroffen. En ’t is zoo’n net mensch, die meneer Thoren, juist

iemand voor freule Corona, gelooft u niet?”

Conrad gaf geen antwoord, hij liep de kamer op en neer. »’t Is niet om

te verdragen,” mompelde hij, »’t kan zoo niet langer, ’t kan niet!”

»Hoe gelukkig dat het mevrouw hier zoo goed bevalt,” zoo begon de

lijmerige stem van Iteko weer, »ik was er anders bang voor, zoo’n echte

Hollandsche vrouw!”

»Was ze in Holland gebleven,” riep Conrad met een echt jongensachtige

drift. »Iteko, ik weet dat je alles durft zeggen aan Corona, zeg haar

dan dat ze mij en haar nicht diep ongelukkig heeft gemaakt, zoo

ongelukkig als menschen het maar zijn kunnen.”

»Maar meneer Conrad!”

»Zeg niets meer! Hoor je, niets! Ik weet wat mij te doen staat, om haar

van mij te verlossen! Maar die kerel zal haar niet krijgen, Sidin!”

riep hij, naar buiten gaande, »zadel mijn paard!”

»Wat moet dat beteekenen, Iteko, waarom rijdt Conrad weg?” vroeg Corona

verbaasd.

»Och juffrouw, meneer kreeg zoo’n verlangen naar mevrouw, hij

verbeeldde zich, dat u de hand in ’t spel had gehad om haar tot een

huwelijk over te halen en dat heb ik natuurlijk ontkend bij hoog en

laag. En nu gaat hij haar afhalen, hij heeft de kleeren zelfs vergeten,

ik mag ’t wel, zoo’n vurigheid in jonge lui.”

»Gaat meneer Thoren van Hagen daar niet langs, ik wed dat hij van

Kaboelen komt, nu ik ben in de tegenwoordige omstandigheden maar blij,

dat hij er niet meer is.”

»Zou je denken, dat hij er geweest was?” vroeg Corona.

»Wel zeker, daarom heeft meneer Akkeveen uw schoonzuster te logeeren

gevraagd.”

Het viel Iteko op, hoe sprekend Corona thans op haar broer geleek,

bleek en verwrongen van bitterheid.

»O jalouzie,” schreef zij dien morgen in haar dagboek, »wat zou de

wereld zijn zonder u. Ge zijt de machtigste hefboom, de koningin der

wereld; laat hen de liefde daarvoor niet roemen, zij is niets zonder

jalouzie. Jalouzie is haar schaduw, haar schijnbeeld, zij houdt de

maatschappij aan elkander, zij vereenigt de vijanden en scheidt de

echtgenooten. Jalouzie alleen wekt op tot groote daden en doet ons

buiten ons zelf treden, zij helpt de machteloozen, de leelijken, de

geteekenden, zooals ik, aan moed en lust om zich naast anderen te

verheffen, die alle gaven bezitten om dat alles nutteloos te maken of

in vloek te veranderen. Jalouzie, jalouzie waarom hebt ge geen dichter

gevonden om u te verheerlijken, gij oppermachtige alleenheerscheres,

eerste kracht die het heelal beweegt.”

Hermelijn · 第 39 / 67 题