Dolly was als altijd druk bezig met haar twee kleine kinderen, terwijl
de oudste, een allerliefst meisje van drie jaren, in den tuin speelde,
waar zij de koepoes (vlinders) vervolgde.
Dolly moest de moeilijke kunst uitvoeren, met een hoogst beperkt
inkomen een veeleischenden, gemaklievenden man in goed humeur te
houden, drie kinderen te verzorgen, een grooten tuin en een ruim huis
na te gaan, terwijl slechts één mannelijke en twee vrouwelijke
bedienden haar daarin ter zijde stonden.
Zij was nog geen een-en-twintig jaar, en eerst een goed viertal jaren
getrouwd, maar zij zag er mager en bleek uit; holle kringen lagen om
haar oogen en een zekere matheid verried zich in al haar bewegingen;
soms alleen flikkerden haar oogen als zij tijd had, met haar oudste en
eenige meisje te spelen. Nonnie was een aardig, vlug kind, dat niets
dan Hollandsch sprak en vol lieve oplettendheden voor haar moeder was;
zij droeg de kleertjes aan als ma de kleine Njo’tjes hielp, die
bijzonder lastig en ondeugend waren; zij speelde met haar oudste
broertje, zoo aardig als ware zij een klein moedertje.
Zij gehoorzaamde elken blik van Dolly, maar als zij haar vader hoorde,
werd de kleine Nonnie schuw en angstig en alleen het bevel van mama kon
haar er toe brengen, papa een kusje te geven.
Toen Hermelijn onverwachts aankwam, betrok Dolly’s gelaat een weinig;
zij kende haar nieuwe schoonzuster volstrekt niet, zij had noch op haar
man, nog minder op een gast gerekend en haar eerste gedachte gold
natuurlijk het menu.
Met een onbeschaafdheid, die Hermelijn tegen de borst stiet, zonder
zijn vrouw te groeten of eenige excuses te maken, beval hij Dolly:
»Maak me gauw een grog; Hermine blijft hier logeeren, zij zal wel een
kop koffie lusten, en schep maar goed op van avond, verstaan?”
»Lieve Dolly, ik hoop dat je niets geen last van me zult hebben,” zeide
Hermelijn vriendelijk, »ik zal je vertellen, wat voor avonturen wij
doorleefd hebben, en dan zal je begrijpen, hoe dankbaar ik ben, hier
wat te kunnen bekomen.”
Dolly zag het vreemdsoortige négligé van haar schoonzuster en
glimlachte even:
»Kom met mij mee naar mijn kamer,” zeide zij, »je kunt mijn kleeren
passen, we zijn zoo wat even groot.”
»Zorg eerst voor mijn grog,” riep Akkeveen, zijn laarzen uitgooiend
zoodat zij door de galerij vlogen, »waar is Non, kan zij d’r vader niet
helpen? Je moet weten, zus Hermine, dat wij stiefkinderen zijn en geen
stoet bedienden er op na kunnen houden, we dresseeren onze kinderen er
dus maar op. Non, waar zit dat kind, moet ik je bij de ooren hierheen
trekken?”
’t Kleine meisje kwam uit den tuin aangeloopen, en zag haar moeder even
vragend aan.
»Help papa, poes!” verzocht Dolly op zachten toon, »breng die laarzen
naar achteren.”
»Doe de kousen er ook maar bij!”
Hermelijn vroeg zich af, of hij zich nu geheel onder de galerij wilde
uitkleeden en verzocht Dolly, met haar naar binnen te gaan.
»Maar mijn grog,” riep Akkeveen, »’t is toch schande, Dolly, zooals jij
je met alles bemoeit behalve met je man!”
»Heb toch geduld, Ak, ik kan niet alles tegelijk doen!” zeide zij
weemoedig en ging naar binnen van waar zij weldra met een gevuld glas
terugkeerde; hij proefde even.
»Bah! wat een kost! ’t Smaakt naar niets; ik zou liever zuiver water
geven,” bromde hij, »overal anders kun je de bedienden wakker
schreeuwen, maar hier moet je alles aan je vrouw overlaten, die van
niets verstand heeft. De kebon [91] moet dienst doen van huisjongen,
staljongen, tuinman! Was ik maar nooit in die vervloekte boel gekomen.”
Hermelijn volgde Dolly binnenshuis, waar ze de kleine Non tegenkwamen,
die door haar tante innig gekust en getroeteld werd.
»Hoe heet je, engeltje?” vroeg Hermelijn, het mooie kopje streelend.
»Yolande,” antwoordde Dolly, »een vreemde naam, vind je niet? Cor wilde
het absoluut! En dan is er niets aan te doen, als zij iets verlangt. Ik
had haar liever Leentje genoemd, Hélène, naar mijn lieve mama.”
»Ook de mijne,” zeide Hermelijn zacht.
Dolly’s oogen vulden zich met tranen.
»Laten we naar binnen gaan; Non, breng papa zijn sloffen!”
Dolly hielp Hermelijn zich verkleeden, maar telkens werd haar aandacht
afgeleid, óf door het geroep van Akkeveen, óf door het geschreeuw der
jongetjes.
»Zoo gaat het nu den heelen dag,” sprak Dolly met een zucht en een
gelaten glimlach, »die heeren weten niets van zich te behelpen.”
Intusschen moest de arme Dolly nog maar naar de keuken gaan, om met
Kokkie schikkingen te maken voor het diner, en haar baboe te ontlasten
van de kinderen, daar deze het logeerbed zou opmaken.
Hermelijn vertelde het gebeurde in den krater en stak tevens haar
handen uit, nam een der kinderen op den arm en bracht hem al sussend en
zingend tot kalmte, hetgeen haar uitstekend gelukte.
Akkeveen, die, in kabaja en sloffen zoo lekker mogelijk gemaakt, in de
galerij terugkwam, maakte haar een kompliment over haar handigheid, en
voegde er onkiesche toespelingen bij, die ’t blanke Hermelijntje het
bloed naar de wangen jaagden.
Het begon donker te worden en Dolly was nog steeds in de weer, het
verveelde Hermelijn, de eindelooze klachten van Akkeveen te hooren over
de achteruitzetting, waaraan hij leed door Corona’s schuld.
»En als ik nu maar een flinke vrouw had, dan eischte zij Dolly’s
moederlijk erfdeel op, maar jawel! dat wil zij niet doen en als ik ’t
probeerde dan had je de poppen aan het dansen, vat je! De groote Cor
was in staat ons met pak en zak van het land weg te jagen; en de ouwe,
’t is crimineel hoe die onder haar pantoffel zit, daarbij is ’t een
verduiveld klein beetje wat wij hebben. Een uitgeslapen loeris, die
ouwe heer van ons. Dolly haar mama was een arm weesmeisje moet je
weten, die bij Corona voor een soort van bonne speelde en hij is me
waarachtig toch nog met huwelijksvoorwaarden getrouwd.”
»Och Akkeveen, dat kan me heel weinig schelen. Me dunkt als Corona
alles durft ondernemen komt het voornamelijk door jelui schuld. Je
geeft haar veel te veel toe.”
»Niet allen durven wat jij durft, maar ze kijkt je ook naar de oogen!
Ik weet niet, wat haar scheelt, zij is toch een beetje raar in den
laatsten tijd.”
Om van hem af te zijn riep Hermelijn kleine Nonnie, die druk en ernstig
met haar pop speelde en liet het kleine ding naar hartelust babbelen;
zij stond verbaasd over het verstand van het schepseltje, dat vleiend
naar haar toeschoof en smeekte om een sprookje.
Hermelijn nam haar op den schoot en vertelde van Roodkapje; met
glinsterende oogen en half geopende lipjes luisterde de kleine en riep
zoodra het uit was:
»Nog een, tante, nog een!”
Dolly kwam zeggen dat het eten klaar was; zij had zelf het meeste
moeten gereed maken, want haar kokkie was dom en onwillig; zij kon
nauwelijks den tijd vinden, een schoone witte kabaja aan te trekken,
toch snauwde Akkeveen haar toe:
»Dat eeuwige ongekleed zijn, den eersten avond, den besten dat Hermine
hier is; kon jij je dan niet een beetje fatsoenlijk kleeden? Wat een
nonnaboel zal zij ’t hier vinden.”
»Dan ben ik de grootste nonna,” sprak Hermelijn lachend, »want ik geef
’t voorbeeld van mij niet te kleeden.”
»O jij, dat is wat anders, je bent hier logée en daarbij ben je in
gevaar geweest om te stikken en te verbranden. Maar zoo’n vrouw, die
den heelen dag in huis zit.”
»En handen vol heeft met kinderen, bedienden en man.”
»Och Hermine,” verzocht Dolly, »zeg er niets op, ’t helpt niets; een
vrouw is op de wereld om te tobben van ’s morgens vroeg tot ’s avonds
laat.”
»O ja, word maar eens sentimenteel, dat staat je goed. Wat moet ik dan
wel zeggen, ik, die dacht een rijke vrouw te krijgen en ’t nu
ellendiger heb met dien heelen nasleep dan voor mijn huwelijk!”
»Waarom heb je mij getrouwd?”
»Waarom, wel omdat ik je krijgen kon.”
»Als ’t zoo voortgaat, vind ik het in den Merawoe nog amusanter,” zei
Hermelijn, »we hebben immers allen ons leed, allen zonder onderscheid,
de eene meer, de andere minder.”
»Behalve Cor, dat schepsel gaat alles voor den wind.”
Het diner was niet zeer vroolijk, Akkeveen had het hoogste woord; Dolly
sprak niets, de kleine meid werd door de moeder geliefkoosd, door den
vader afgesnauwd. Nu eens hield zij haar vork niet goed, dan dronk zij
te haastig, dan had zij gemorst; zoolang hij slechts aanmerkingen en
vitterijen op haar zelf had, bleef Dolly kalm, maar toen hij tegen het
kind begon, werd zij driftig.
»Nonnie kan ook nooit iets goeds bij je doen! Ze doet nu volstrekt geen
kwaad,” zeide zij.
»Je zoudt dat kind heel bederven, met je malle toegevendheid. Non, sta
op van tafel!”
’t Kind zag hem verbaasd aan en scheen niet van zins te gehoorzamen,
maar met een forsche stem herhaalde hij:
»Opstaan, kwade meid! hoor je ’t niet!”
Toen kroop ’t meisje van haar stoeltje af, kroop bij haar moeder en,
met het hoofd in Dolly’s sarong verscholen, begon zij luid te schreien.
»Zie je, daar heb je ’t! Je moet opstaan, omdat ik ’t zeg, ik verlang
blinde gehoorzaamheid, dat mankeert er nog aan, dat je zoo’n kleine
heuvel nog rekenschap van al je woorden geeft! Moet ik bij je komen?”
»Als ’t kind van tafel moet opstaan om niets, dan ga ik met haar mee,”
sprak Dolly, stond op, nam het schreiende kind in haar armen en verliet
de achtergalerij.
»Zoo gaat het nu altijd, altijd zit ze mijn opvoedingssysteem in den
weg; een domme, onverstandige vrouw, die je niet begrijpt, je weet niet
wat voor kruis dat is. Verbeeld je, een van Cor’s grieven tegen ons is
dat Dolly standvastig weigert haar dat kind af te staan.”
»Daar heeft ze groot gelijk aan!”
»En waarom dan? Ze wil ons ƒ 100 in de maand schadevergoeding geven, is
dat niet prachtig?”
»Dan vind ik het nog meer te prijzen in Dolly, dat ze haar kind niet
verkoopen of verhuren wil.”
»Zoo, is dat je oordeel, juffrouw wijsneus, nu, ik zie wel, alle
vrouwen hangen aan mekaar; zelfs die men voor de verstandigste houdt,
willen hun waar belang niet erkennen.”
»’t Spijt me erg dat ik je tegenval, Akkeveen, en misschien ook hierin
dat ik me zeer moe en mat voel, zoodat ik dus mijn bedje ga opzoeken,
al is ’t nog nauwelijks acht uur.”
»Doe dat niet, Hermine, ik heb nog een boel met je te praten. Vertel me
eens, waarom je zoo’n gloeienden hekel aan Cor hebt. Ik weet wel, dat
het koppelen met Conrad niet zoo van een leien dakje geloopen is, maar
’t fijne weet ik er eigenlijk niet van.”
»Dan zal je ’t van mij ook niet hooren, Akkeveen! Goeden nacht!”
Zij ging naar Dolly’s kamer, die reeds te bed lag, kleine Non speelde
naast haar met de poppen.
»Tante Mien,” riep ze uit, »tante Mien! kom hier! Non houdt veel van
tante Mien, maar nog meer van Maatje.”
En zij kuste Dolly hartelijk en vroeg toen op een allerliefsten
deelnemenden toon:
»Maatje huilt, waarom Maatje bedroefd?”
Dolly had werkelijk in tranen haar troost gezocht; toen zij Hermine
hoorde binnenkomen, stond zij op en ging met haar schoonzuster op den
divan zitten.
»Och, ’t is zoo beter, nu kan ik ten minste dadelijk naar bed gaan,”
zeide zij met een droevigen lach, »anders moest ik nog tot 12 uur met
hem in de galerij zitten, ik ben altijd zoo moe ’s avonds, maar hij
staat me niet toe te gaan slapen. Nu ben ik boos en dan doe ik ’t
niet.”
»En anders wel?”
»Zeker, we praten niet veel samen, maar telkens als ik een beetje
ingedommeld ben, heeft hij me wat te vragen en dan word ik weer
wakker.”
»Maar dat is toch wreed, Dolly!”
»’t Is het eenige bewijs dat hij nog een beetje op zijn vrouw gesteld
is. Als hij dat niet meer deed, dan was ik geheel en al zijn meid. Kom
hier Non, je moet naar bed! Ga eerst paatje goeden nacht zeggen.”
»Och, maatje, Non bang voor papa!”
»Maar Non mag niet bang voor haar paatje zijn. Kom, ga naar buiten en
geef papa een zoen!”
»Neen Maatje, Non blijft bij Maatje en bij tante, Non zal tante dertig
zoenen geven?”
»Nu kom dan maar, pak tante eens heel lekkertjes beet en nu mij. Gaat
Non haar avondgebedje opzeggen?”
Hermelijn, hoewel Dolly’s zwakheid afkeurend, kon haar tranen niet
weerhouden bij het zien van dat arme, jonge moedertje, zelf nog bijna
een kind, dat haar dochtertje het korte, hartelijke gebed voorzeide en
haar toen onder een menigte liefkoozingen en zoete woorden te bed
legde.
»Je vindt me onverstandig, Hermine,” zoo begon zij nadat zij de kleine
meid te slapen had gelegd, »ik ben ’t ook. Ik moest volhouden, maar ik
kan er niets aan doen, waarom stoot hij het kind altijd van zich af?
Met een vriendelijk woordje maakt hij die lieve Non zoo gelukkig maar
hij heeft niets dan hardheid voor haar, geen wonder dat zij bang voor
hem is!”
»Hoe is ’t mogelijk, dat een vader zoo’n dot van een kind niet opeet of
doodknuffelt!”
»Och, Akkeveen houdt niet van kinderen, maar hier is er nog wat anders,
iets heel anders. Je moet weten,” en nu vertelde zij haar het voorstel
van Corona.
»Maar je hebt groot gelijk,” riep Hermelijn uit, »en ik begrijp niet
hoe je man er aan denkt, zijn kind toe te vertrouwen aan Corona die hij
zoo haat.”
»Als ’t hem maar voordeel aanbrengt; meer vraagt hij niet. Hoe ’t ook
zij, Corona is mijn zuster en ik kan het niet verdragen dat hij zelfs
tegen wildvreemden zoo over haar uitvaart. Ik weet nu heel goed wat hij
vóórheeft met dat plagen van de kleine; hij wil me dwingen haar weg te
zenden. Misschien zal ik het ook doen, ik kan ’t niet langer aanzien.”
»O foei, Dolly, doe dat niet! Zij is je alles en wie kan voor haar zoo
goed zorgen op het groote huis, waar er reeds zoovelen zijn?”
»Laat hij ’t niet hooren, Hermine, dan verbiedt hij je ook, mij te
bezoeken, zooals hij ’t Kitty heeft verboden. Niemand van mijn familie
komt hier ooit meer. Papa alleen voor zaken, maar noch Conrad, noch
Margot mogen mij gezelschap houden, en de andere bedanken er voor hier
te komen. ’t Is er ook niet heel prettig.”
»En woon je in deze eenzaamheid zonder ooit menschen te zien of zonder
eenige afleiding?”
»Ik ga eens of tweemaal in ’t jaar naar het groote huis, zooals toen je
kwam, maar anders spreek ik niemand.”
»En vind je dat niet verschrikkelijk?”
»Ik heb mijn kinderen, vooral mijn Non en wij zijn immers niet op de
wereld om geluk te hebben.”
’t Was ontzaggelijk treurig, dat woord te hooren uit den mond van die
jonge, mooie vrouw, wie men ’t kon aanzien dat zij geen uitroep zonder
innerlijke beteekenis slaakte, maar slechts lucht gaf aan haar eigen
levensbeschouwing.
»Dus wel om verdriet te hebben?” vroeg Hermelijn spottend, »nu ik moet
je zeggen, als anderen gelukkig zijn, dan wil ik het ook wezen, ik heb
er evenveel recht toe als een ander en tegen diegenen, welke oorzaak
zijn van mijn verdriet, koester ik bitteren wrok.”
»En helpt je dat? Er is maar één ding, dat het ons mogelijk maakt, dag
aan dag ons leed te dragen, ’s morgens er mee op te staan en het ’s
avonds weer naar bed mee te nemen. Je kunt mij gelooven, Hermine, ik
spreek bij ondervinding.”
»En dat is?”
»Veel en hard werk!”
»Juist wat mij ontbreekt.”
»En verder het leed aan te nemen zooals God ’t ons toezendt, en te
gelooven dat Hij het doet om ons beter te maken. Soms is het mij of ik
er slechter tegen in word maar dan tracht ik mij te overreden, dat het
niets helpt, wanneer ik mor en onaangenaam word, dat ik dan geen nut
trek uit mijn verdriet. Wanneer je nu niet hier was, zou ik toch weer
bij Akkeveen zijn gaan zitten.”
»Maar je houdt veel van hem?” vroeg Hermelijn weifelend. ’t Was of de
met moeite veroverde kalmte van Dolly voor een oogenblik plaats maakte
voor haar oorspronkelijke, hartstochtelijke natuur; haar oogen
fonkelden, zooals die van Conrad in zijn toorn het konden doen, en haar
lippen trilden.
»Waarom zou ik van hem houden?” vroeg zij.
»Wel, omdat je met hem getrouwd bent.”
»Is dat een reden?” en zij zuchtte diep, »hou jij zooveel van Conrad?”
»Zeker, anders zou ik mijn land niet voor hem verlaten hebben.”
»Daar wordt hier niet naar gevraagd; niemand heeft hier zijn man of
vrouw lief, behalve Kitty en je weet hoe ’t haar gegaan is. Ik ben met
hem getrouwd, zooals een ander naar een bal gaat. Cor zei me: Akkeveen
heeft je gevraagd, dat en dat en dat heeft hij in zijn voordeel, papa
en ik vinden het goed; nu, zoo waren August en Guillaume ook getrouwd
en ik dacht dat het altijd zoo ging.”
»Maar je hadt toch wel eens boeken gelezen.”
»Jawel, heel veel zelfs. Maar Cor zei, in het leven ging alles heel
anders toe dan in de boeken. Akkeveen was toen ook zeer goed;
natuurlijk, dat zijn ze allen vóór het trouwen, ze veranderen allen
behalve Portias, zegt Kitty, en ik ben zijn vrouw geworden. Nu moet ik
ook een goede, brave vrouw voor hem zijn; voor de kinderen zorg ik
omdat ik ze lief heb, maar voor mijn man omdat het mijn plicht is, en
Onze Lieve Heer mij rekenschap zal vragen van al mijn daden en zelfs
mijn gedachten. De eene heeft wat meer leed, de andere wat minder, heb
je straks gezegd, ’t voornaamste is dat ik niemand verdriet veroorzaak
en daarom... daarom...”
Groote tranen rolden uit Dolly’s oogen.
»Wil ik Nonnie wegzenden?”
»O foei Dolly, je eenige zonnestraal buitensluiten, wat zal er van je
worden als de kleine meid weg is!”
»Dat weet ik niet, ’t komt er niets op aan, men mag in de eerste plaats
aan zich zelf niet denken; ’t kind wordt geheel bedorven door
Akkeveen’s plagen, en ik kan haar niet dwingen om hem te gehoorzamen
want hij is veel te onredelijk. Als hij het in ’t hoofd kreeg, zou hij
haar uit het bedje nemen om haar te dwingen, hem een nachtzoen te
geven.”
»Maar Dolly, niemand kan de moeder vervangen. Hoe zal ’t haar gaan
tusschen al die vreemde kinderen, zij de jongste!”
»Corona zal goed op haar passen. Maak ’t mij niet moeilijker Hermine,
je weet niet hoeveel ’t mij kost. Zij is mijn alles!”
»Juist daarom mag je haar niet wegzenden, de eenige roos, waarmee Onze
Lieve Heer je kruis versiert, zou je afwijzen?”
»Die roos heeft zulke scherpe doornen,” hernam zij met haar
hartverscheurenden lach.
Hermine omhelsde haar schoonzuster en raadde haar, over haar besluit
nog eens te slapen.
»Neen,” antwoordde zij hoofdschuddend, »ik ga ’t dadelijk Akkeveen
zeggen! Ik moet het doen Hermine, het kan zoo niet langer blijven, ik
word hoe langer, hoe meer gergetèn—nijdig—ik weet er geen beter
Hollandsch woord voor—tegen hem. Ik ondermijn zijn gezag wanneer hij
dat kind zoo onbillijk behandelt; ik zou hem kunnen haten en daarvoor
bid ik dagelijks, opdat ik het niet eenmaal doe.”
»Maar er zijn zooveel oogenblikken dat hij niet t’ huis is en je alleen
bent met het kind!”
»Je behoeft me niet te zeggen, hoe hard het is, Hermine, ik weet het
genoeg maar geloof me, ’t is zoo het beste.”
Hermelijn ging naar haar kamer, terwijl Dolly haar man opzocht om hem
haar besluit mee te deelen.
’t Duurde lang vóór dat Hermelijn den slaap kon vatten, alle
gebeurtenissen van den langen dag trokken haar voor den geest, die
vreeselijke oogenblikken in den krater, Conrad’s verschijning, de
wijze, waarop hij haar aan zijn borst had gedrukt, zijn gewone koele
houding toen het gevaar even geweken was, de treurige toestand in dit
huishouden, en het smartelijke besluit der arme moeder. Ofschoon zij
haar best deed nooit eenstemmig met Corona te denken, toch moest zij
haar op één punt volledig gelijk geven, ’t was in haar antipathie tegen
Akkeveen.
»Maar hoe slecht dat zij hun verhouding nog verergert door hem dat
lokaas voor te houden; arme, arme Dolly, ik weet niet van wie ik meer
hou, van haar of Kitty.”
In haar gedachten ging zij de verschillende huishoudens na, door
Corona’s teedere zorg gesticht, August en Poppie waren er het beste af,
doch ze leidden dan ook een volledig plantenleven; Guillaume en Toetie,
Akkeveen en Dolly, zij zelf en Conrad, maar een zilveren rand zag zij
aan de donkere wolk; alle de Gérans—Corona zonderde zij natuurlijk
uit—schenen goedig, hartelijk, liefdevol. Tegen Dolly met haar ernstige
hoewel bitter treurige levensbeschouwing zag zij hoog op, Guillaume
scheen de goedheid in persoon zelfs jegens zijn akelige, lastige vrouw,
Kitty was de verpersoonlijking van geluk en liefde. Zou Conrad
hetzelfde karakter hebben? Als hij haar eens liefkreeg, zou ’t haar
geen moeite kosten om van haar huis geheel iets anders te maken dan van
dat der anderen.