XXXI.

De familie de Géran bleef nog eenige dagen in de hoofdplaats; vele

pretjes hadden zij in dien tijd: een hertenjacht, een receptie bij den

resident, eindelijk werd er nog besloten een tocht te maken naar den

krater van den Merawoe.

Nog zeer vroeg in den ochtend, verzamelde zich het gezelschap op den

aloon-aloon; de regent had bergpaardjes laten aanrukken en een menigte

Javanen, door hun groote schildvormige hoeden gedekt, stonden reeds

gereed om den stoet te vergezellen. Ook eenige dames waren van de

partij: Corona de Géran en haar beide zusters Hermelijn en Kitty, de

zuster van den resident, een weduwe, die met haar kinderen bij hem

inwoonde en de eer van zijn huis ophield, de vrouw van den ingenieur en

de dochters van een koffieplanter uit de nabijheid hadden het besluit

genomen, de heeren te vergezellen. Daartoe behoorden verder Guillaume,

Conrad, hun vader, Portias en Akkeveen, evenals Thoren van Hagen, die

alle feesten had bijgewoond, maar slechts als toeschouwer.

’t Was opgemerkt, dat hij zich zeer weinig met de dames de Géran bezig

hield en Hermelijn nauwelijks aansprak; twee paar oogen volgden hem

onophoudelijk, die van broeder en zuster. Hoe los ook de band was, die

ze vereenigde, in één punt dachten zij eenstemmig, de verhouding

tusschen Hermelijn en den vriend harer jeugd streng na te gaan.

Een vroolijke geest heerschte onder het gezelschap; waren er eenige

minder levendigen bij, dit viel niet op; er werd veel gelachen en

geschertst. Men dronk met volle teugen de balsemgeuren in van het

ontwakende woud; de eerste stralen der zon doopten de toppen der bergen

in purperen tinten, die langzaam over de valleien neerdaalden; witte

wolkjes zweefden om den getanden top van den Merawoe en vermengden zich

met de fijne, witte pluim die achteloos den krater verliet, als wilde

de vulkaan door dezen bevalligen groet aan den aanbrekenden dag tevens

het bewijs leveren, dat hij nog leven en vernielende kracht binnen zijn

rotswanden verborg, maar het versmaadde, die anders dan door een

liefelijk, dartel wolkje te openbaren.

Eerst ging de stoet door de bloeiende koffietuinen, wier bloemen zich

reeds tot vruchten zetten en een rijken oogst beloofden, afgewisseld

door aanplantingen van vanille, kina of indigo, kaneel en kruidnagelen.

Deze geuren, welke in Europa slechts in den kruidenierswinkel t’huis

hooren en daar steeds met zekere mufheid vermengd zijn, vervulden hier

de lucht met hun fijn onbedorven aroma; langzamerhand werden zij

zeldzamer, men kwam aan het tweede gedeelte der beklimming.

Een zee van groen strekte zich voor de reizigers uit, aangenaam

fonkelden de roode hoeden en gele sarongs der inlanders daartusschen en

gaven een bonten tint aan het landschap. Men kwam nu in het woud, een

moeilijk pad kronkelde zich omhoog; de dames, die er op hadden

aangedrongen mee te gaan, deden hun best niet te klagen, wat

verscheidene zeer moeilijk viel.

Corona was steeds vooruit; haar hooge gestalte stak boven allen uit als

Diana tusschen hare nymphen; de resident verliet haar zijde niet, hielp

haar opstijgen als de weg te moeilijk was en over trappen van klei of

rots leidde. ’t Pad werd hoe langer hoe steiler en meer onbegaanbaar.

»Portias, ik kan niet verder,” riep Kitty plotseling, hoewel zij ’t

misschien het gemakkelijkst had, gedragen als zij bijna werd door de

lange armen van haar man.

Die uitroep van Kitty deed de dames stilstaan; zij sprak uit, wat allen

sinds lang hadden gedacht, maar wat valsche schaamte haar dwong te

verzwijgen; te meer indruk maakte haar klimstaking, daar juist zij ’t

hardst op het meegaan der dames had aangedrongen.

»Och ja, ik geloof ook dat het beter is...” zei de residentszuster.

»’t Duurt nog zoo lang.”

»En ’t wordt van kwaad tot erger.”

»Ik geloof dat de dames groot gelijk hebben,” verzekerde de oude heer

de Géran, »er is alle gevaar dat zij er bij neervallen, want het

moeilijkste komt; nu is er nog terugkeeren mogelijk.”

»Als de njonja’s het veroorloven, zal ik hen naar beneden brengen,”

sprak een der wedono’s, die nog al zwaarlijvig was en misschien zelf

ook tegen de beklimming opzag.

»Ik laat mijn vrouw natuurlijk niet alleen gaan!” verzekerde Portias.

»Dus geleide genoeg, dan kunnen wij na die flinke aderlating behoorlijk

marcheeren. Ik heb lust er ook den brui aan te geven, alle bergen

lijken op mekaar,” bromde Akkeveen, »die vrouwen zijn me ook schepsels

om mee uit visschen te gaan, allemaal.”

»Daarom laat je bij preferentie je vrouw t’huis,” zeide een ander.

»Wie keeren nu terug.”

»Ik, ik, ik...” riepen de vrouwenstemmen.

»Ik niet!” sprak Corona.

»Anders had ik niet van u verwacht,” fluisterde de resident haar toe.

»Dat spijt me, dan had ik misschien anders besloten,” antwoordde zij,

»ik hou van verrassingen.”

»En ik alleen van prettige.”

»Dan is deze al een heel onaangename, niet waar, dat uw steun nog

verder gevraagd wordt?”

»Ik ga ook niet terug!” verklaarde Hermelijn.

»Maar zusje,” riep Kitty, »bedenk je toch!”

»Ik hou meer van geheel dwalen dan halverwege terugkeeren.”

Zoo scheidde het gezelschap zich in tweeën, het eene ging snel bergaf,

het andere zette zijn tocht voort naar boven. Hermelijn verliet de

zijde van haar schoonvader niet en, wat zelden gebeurde, nu was

Guillaume ook steeds in de buurt van zijn papa te vinden.

Thoren van Hagen had zich bij de overige heeren aangesloten; de weg

voerde nu eens langs ravijnen, die met bosschen gevuld waren, of

steile, loodrechte rotswanden, bosschen van woudrozen en lianen,

tunnels van dertig à veertig voet hooge varens, reusachtige boomen, die

hun koepelachtige kronen in elkaar slingerden, en ondoordringbare

gewelven vormden en wier stammen zoo dicht omstrikt waren door de

orchideeën, als wilden deze hen in hun omarming verstikken;

daartusschen de tjilpende vogels, de dartele eekhoorns en de

glinsterende kapellen, hun eindeloozen dans uitvoerend. Langzamerhand

wordt de weelderige plantengroei armer, de rijkdom aan kleuren

verbleekt, het loof wordt schaarscher, de varens verdwijnen, de lianen

laten hun slingerende trossen niet langer van de kale stammen afhangen,

geen specerijgeur maar een sterke zwavellucht omgeeft hen. Nergens meer

bloemen of vlinders, vogels of eekhorens; men nadert den krater, een

dof gerommel doet zich onder de hoeven der paarden en de voeten der

reizigers hooren.

Over rotsblokken gaat het thans bijna steil in de hoogte, men ziet de

rookwolken geheel nabij; eindelijk staat men aan den rand van een der

wijdgapende kraters, alles is met asch bedekt, en de zwaveldampen, die

er uit opstijgen en de rookpluimen vormen, vervullen ooren, oogen en

neus der omstanders met een onaangenaam scherp gevoel.

Eerst als men zijn oogen gewend heeft, door den rook omlaag te zien,

bemerkt men, dat de dampen uit ontelbare rotsspleten opstijgen, gevormd

door reusachtige blokken, welke boven en naast elkander liggen en over

een klein meer hangen, dat op den bodem van den afgrond ligt en waarvan

het kokende, onstuimig borrelende water zich aan den rand van den

krater doet hooren.

»Nu zullen de dames het ons toch overlaten, dat meer van nabij te

bezoeken,” sprak de resident tot Corona en Hermelijn.

»Ik ben juist hier gekomen om het te zien,” antwoordde zij.

»En wat mijn schoonzuster doet, hoop ik ook te kunnen,” verzekerde

Hermelijn.

Corona zag haar aan, sinds den dag van het bal hadden zij elkaar niet

meer toegesproken; een onheilspellende trek lag over haar mond en

tusschen haar oogen, die Corona deed huiveren.

Als zij eens vreeselijke bedoelingen had, als zij werkelijk ongelukkig

was, omdat zij Conrad had getrouwd en Thoren beminde.

»Neen, laat ons hier blijven,” riep zij plotseling angstig.

»Ik dacht wel dat u op ’t laatst aan het halverwege keeren de voorkeur

zou geven,” zei Thoren, die eensklaps naast haar stond.

»In elk geval is het niet halfweg,” merkte de resident op.

»’t Is niets moeilijk,” raadde Thoren aan, »’t eenig ongemak zal uw

japonnen gelden, want een dikke laag asch bedekt de rotsen. Het zal een

glissade zijn; meer niet.”

»Kom Iwan!” zeide Hermelijn en reikte hem de hand; hij greep die en zij

liet zich afglijden.

»Papa, Conrad, verbied ’t haar,” gilde Corona haast in doodsangst.

Een helder gelach steeg uit den krater en vermengde zich met het

rusteloos koken der golven en het rommelen van den onderaardschen

donder.

»’t Is hier heerlijk, poëtisch! Komt spoedig!” riep Hermelijn en tot

Thoren sprak zij:

»Een stap, en ’t ware gedaan... misschien!”

»Och, daarvoor hoefde je zoo hoog niet te klimmen, Hermelijn,” hernam

hij droogjes, »bij mijn meer is een geschikter gelegenheid, daar ziet

het er veel netter uit en je kunt als laatste herinnering aan de aarde

heerlijke bloemengeuren en geen zwavellucht mee nemen, maar je hebt

gelijk, niets gemakkelijker dan een afdaling tot de onderwereld.”

Het gezelschap volgde spoedig; Corona was toch van de partij, daar

stonden zij nu aan de oevers van het meer, dat aan Dante en zijn

Inferno, aan den Styx en Charon herinnerde; als akelige spoken, met

verkoolde en verdorde stammen, bogen zich reusachtige boomen ter aarde,

beken van gloeienden zwavel stroomden tusschen de rotsblokken door;

duizenden en duizenden rookspiralen ontsnapten uit den grond en

kronkelden hun schier ondragelijk riekende dampen omhoog; de zilveren

sieraden der dames, de geldstukken in de zakken der heeren werden

gitzwart, de bloemen die de dames op de kleederen droegen, raakten

verwelkt en verbleekt; toch ontzonk haar de moed niet, zij volgden

moedig de heeren op hun ontdekkingstocht.

Hermelijn leunde op Thoren van Hagen, Corona scheen niet te kunnen

scheiden van haar resident.

»Maar Conrad, hoe kan je toch zoo weinig om je vrouw geven?” vroeg

Guillaume, »als zij de mijne was, ik zou nog dwazer zijn met haar dan

Portias met Kitty.”

»Zij geeft niets om mij, zij spreekt veel liever met haar

landgenooten.”

»Dat wil ik gelooven, als je ook zoo bokkig bent, en ’t is ook niet

waar. Nu eerst geeft zij Thoren den arm; tot nu toe heeft zij altijd

met papa en mij geloopen en we zijn toch geen tottoks.”

Zij stonden nu aan een groote spleet van verscheidene vierkante meters;

een helsch geraas deed zich daarbinnen hooren, dat nu eens aan het

stoomen van een locomotief, dan aan het snuiven van een reusachtigen

blaasbalg herinnerde.

»Vulcaan is aan het werk met zijn cyclopen,” zeide Thoren van Hagen tot

Hermelijn, »hoeveel eenvoudiger en natuurlijker dachten die oude

Grieken toch over de geweldigste natuurverschijnselen dan wij met onze

Neptunus- en Plutotheorieën. Zij wisten zelfs een glimlach op het

gelaat van den helschen reus te tooveren door hem Venus tot gezellin te

geven.”

»Die hij niet beminde; ik geloof niet dat hij haar ooit toelachte.”

»Waarover zij zich ook wist te troosten,” grinnikte Akkeveen met een

boosaardig lachje.

»Papa,” riep Hermelijn, »is u daar?”

De oude heer kwam nader, Thoren liet haar arm los en boog zich voorover

als wilde hij zelf den bodem van het meer onderzoeken; onmiddellijk

voegde zich Hermelijn bij hem.

Een akelig klagend gebrul deed zich uit de zwavelzee hooren, de gele

zwavel vormde prachtige kristallisatiën, die als pyramiden en heggen de

spleten omzoomden.

»Nu een walsje, dan hebben wij met recht op een vulkaan gedanst,” zeide

Guillaume.

»Geen dwaasheden,” beval de heer de Géran, »we gaan naar boven, ’t is

wel geweest.”

»Nu ’t wordt dan ook tijd, onze oogen zijn fonteinen geworden en zie

onze kleeren eens! Dames, ’t is misschien voor ’t eerst dat uw geslacht

in den Merawoe is gedaald, wat moeten we doen om die heldendaad te

vereeuwigen?” vroeg de resident.

»Daar!” riep Corona, nam den zilveren ketting dien zij om den hals

droeg en wierp hem in het meer; »als er een uitbarsting komt, krijg ik

hem misschien terug!”

»Bravo,” werd er algemeen geroepen en de resident zeide half spottend:

»We mogen wel onze dames bewonderen, die zoo gemakkelijk kostbare

sieraden offeren.”

»Noemt u dat een offer?” vroeg Corona.

»O neen, ’t is het penningske der weduwe niet, eerder de ring van

Polycrates,” sprak Thoren van Hagen.

Zij beet zich op haar lippen en toonde plotseling nog meer haast dan

haar vader om naar boven te komen.

»Zou er gevaar zijn voor een nieuwe uitbarsting?” vroeg Hermelijn haar

schoonvader.

»Gevaar altijd, kind! deze krater is nog in volle kracht en hoevele

vulkanen, die men geheel uitgebrand dacht, hebben ons weer verschrikt

door geweldige uitbarstingen, maar wat is dat?”

Vreeselijke donderslagen deden zich hooren, door de kale rotswanden

honderdmalen weerkaatst, de reuzentrechter, met dampen gevuld, scheen

te weergalmen van een duivelachtig concert; ’t was of hemel en aarde

vergingen.

»De vulkaan zal nog meer teruggeven dan uw ketting,” hoorde Corona

Thoren van Hagen zeggen; duisternis omgaf haar. Angstige gillen klonken

door het gedruisch heen, men trachtte zich aan elkander vast te klemmen

en zoo de helling op te gaan.

»’t Is niets, ’t is een onweer,” riep de resident en werkelijk, de

regen viel bij stroomen neer en kletterde met onbeschrijfelijke woede

tegen de rotsen; nu en dan doorboorden flikkerende bliksemstralen de

zwavel- en waterdampen, de asch scheen een modderbad geworden.

»’t Is onmogelijk je op te werken verd....” vloekte Akkeveen

klappertandend van natte koude.

»Halverwege kunnen we nu niet blijven,” riep de resident, »nog een

weinig moed!”

De dames hoorde men niet; niemand kon zeggen dat zij het gezelschap

bezwaarden. Thoren van Hagen had den arm om Corona geslagen, die

eindelijk in de algemeene woede der elementen haar cavalier kwijt was

geraakt en zich nu gewillig door hem liet helpen. Eindelijk was men aan

den rand van den krater.

»De weg uit de hel is moeilijker, dan die er heen,” zeide Thoren

lachend, »oef! men herleeft, ’t is hier zoo frisch.”

»Frischjes,” spotte Akkeveen, »ik ben nat tot het merg. Een beroerde

liefhebberij, wie er mij ooit weer toe vangt!”

Het onweer ging met steeds toenemende kracht voort, de boomstammen

werden geveld als waren zij geen woudreuzen maar zwakke stengels; de

een na den andere, die zoo straks zijn kale takken nog omhoog hief werd

weggemaaid door een onzichtbaren sikkel, boven en onder, overal dreven

zwarte wolken beladen met electriciteit. ’t Was of er vurige ballen

ronddreven, die in getakte bliksemflitsen losbarstten en de regen ging

voort zijn ijskoude wateren uit te storten; het meer diep in den krater

ontving al bruisend en bulderend dien nieuwen toevoer, de zwaveldampen

sloegen zelfs neer door de kracht der neerstortende wateren; alles

scheen in opstand, de berggeesten waren blijkbaar verstoord over de

vermetelheid der stervelingen, die zich binnen hun gebied waagden.

»Corona ik heb je lief, ik moet het je nu zeggen te midden van het

woeden der elementen,” fluisterde haar een stem in de ooren, zij

schrikte terug en zag om, neen, ’t was de resident niet, die haar met

zijn liefdesbetuigingen vervolgde en die zij niet eens meer hoorde,

Thoren van Hagen had haar in zijn plaid gewikkeld maar hij zag haar

niet aan, van hem kon toch die stem niet wezen?

Een nieuwe uitbarsting volgde; Corona bedekte oogen en ooren met de

handen en toen zij weer rondzag was de hevigheid van het onweer

eenigszins bedaard.

»Hermelijn, waar is Hermelijn?” gilde zij plotseling.

»Is ze dan niet bij jou?” vroeg de oude heer de Géran.

»Bij het begin van het onweer hield ik haar vast, maar toen hebben

Guillaume of Conrad haar onder den arm genomen.”

»Waar kan zij wezen?” en Corona, die onder het razen van den storm haar

tegenwoordigheid van geest had behouden, stond nu hulpeloos te beven en

te klagen. »Zoek haar toch! Zij is weg, zij is weg,” snikte zij.

»We moeten terug naar den krater, er helpt niets aan!” sprak Thoren van

Hagen kalm en maakte aanstalten om af te dalen; een hand hield met

stevigen greep hem terug.

»Dat hoeft niet, ik zal ’t wel doen,” zei kortaf een stem, hij zag om

en herkende Conrad’s doodsbleek gelaat en verwilderde oogen, »ik kan

mijn vrouw wel zelf zoeken!”

»’t Is ook je plicht en alleen als je in gebreke bleef, zou ik ’t

beproeven, maar toch twee zullen ’t beter kunnen dan een.”

»Er komt een nieuw onweer op,” waarschuwde de regent, en wees op de

zwarte wolken, die zich weer samenpakten terwijl zij op een ander punt

vaneen geschuurd waren en valsche gele zonnestralen doorlieten.

Maar Conrad, Thoren en een paar jongelui hadden zich reeds op nieuw in

den krater gewaagd; tot aan de knieën staken zij in de slijkerige asch,

door geen der Javanen gevolgd.

»U krijgt ze met geen geld of goede woorden er toe, meneer de

resident,” sprak de regent; »de poetrie, [90] die hier inwoont is

vertoornd omdat de orang blanda haar bezocht hebben en nu zendt zij dat

onweer.... ze denken dat ten minste,” voegde hij er bij opdat men niet

zou meenen, dat ook hij het bijgeloof deelde.

Zoo was men eindelijk aan de oevers van het meer teruggekeerd; nergens

een spoor van Hermelijn.

»Zij is in het meer gevallen,” fluisterde Guillaume aan Thoren van

Hagen, »o ’t is zoo jammer, zoo jammer van die lieve meid, maar Conrad

heeft het verdiend.”

»Waar is hij?” vroeg Thoren van Hagen, wiens inwendige gemoedsangst

zich slechts openbaarde door een doodelijke bleekheid.

Conrad was intusschen over de rotsen geklauterd, en vlug over de beken

gloeiende zwavel gesprongen, tot hij een opening zag, die in een der

rotswanden gaapte.

Zwaveldampen ontsnapten door den ingang, hij tastte er door heen.

»Hermine!” riep hij, »Hermine!”

Doch ’t was of slechts het geborrel der kokende wateren en het sissen

van de zwavel hem antwoordden.

»Hermine!” riep hij nogmaals.

»Conrad,” antwoordde iets, onbestemd als een zucht.

Hij trad in de grot; een weinig dieper stond Hermelijn, geleund tegen

den rotswand, omhuld door den zwavelrook, doodsbleek met de haren

verward over rug en schouders, het hoofd gebogen, op ’t punt in

bezwijming te vallen; zij kon geen stap vooruit doen, al wilde zij ook,

zij was te bedwelmd om hem te toonen hoe verheugd zij zich voelde over

de naderende redding. Hij ging tot haar, en nam haar op in zijn sterke

armen als ware zij een kind geweest, en wilde zoo met haar naar buiten

terugkeeren. Geen woord kwam over zijn lippen, geen kreet van vreugde

geen liefkoozing; daar begon de berg weer te dreunen en op zijn

grondvesten te daveren, een nieuw onweer brak los, geweldige slagen

klonken rechts en links. Vondel en Milton zelfs, die de hemelsche en

helsche machten in strijd zagen, hadden zich geen denkbeeld kunnen

vormen van het razende gebulder hoog in de lucht; de boomen stortten

telkens, als door het vuur getroffen soldaten, krakend en kletterend in

den afgrond, de wind gierde in de kolk, en daalde, na zijn woede tegen

de wanden gebroken te hebben spiraalvormig in de diepte.

»Hou me vast met beide armen,” fluisterde Conrad zijn vrouw toe.

Zij gehoorzaamde half bewusteloos, en verborg het hoofd op zijn borst;

hij klemde haar vast aan zich en bleef in de opening staan om het razen

van den storm te laten voorbijtrekken; telkens kwamen de zwaveldampen

hem benauwen en het gezicht benevelen, soms meende hij het stikken

nabij te zijn; hij ging op een rotsblok zitten, met zijn last op de

knieën.

»Is er gevaar, Conrad?” vroeg Hermelijn.

»Ik weet het niet, het moet niet lang meer duren!”

De slagen namen intusschen af in heftigheid, de stormen zijn geweldig

in de tropische gewesten maar gaan snel voorbij; nu ontlastte de

donderwolk zich wellicht een half uur verder op een anderen bergtop,

het gebulder klonk zeldzamer en slechts in de verte, de bliksemflitsen

glinsterden flauw en moesten den strijd opgeven tegen de doorbrekende

zonnestralen.

Conrad stond op, en trad naar buiten.

»Laat me los, Conrad!” verzocht Hermelijn, »je kunt zoo de helling niet

opklimmen; ik zal ’t zelf beproeven.”

Hij hield haar steeds vast, als kon hij geen besluit nemen, maar er was

niets aan te doen, zij moesten deze benauwde atmosfeer verlaten; de

helling was bezaaid met neergestorte boomstammen, die het opstijgen

wellicht konden vergemakkelijken.

»Conrad, Hermine,” werd er geroepen.

»Hier, hier!” riepen beiden tegelijk, daar kwamen inderdaad Guillaume

en Thoren aan; zij hadden in een andere grot het voorbijtrekken van den

storm afgewacht.

»Goddank, dat wij je terug hebben!” riep Guillaume, »nu maar spoedig

naar boven.”

»Hoe?”

»Wacht,” zeide Thoren van Hagen, »ik weet iets: klim spoedig op de

helling, eekhoorn, die je bent, ik volg je en blijf half of minder dan

halfweg staan; Conrad reikt me zijn vrouw over en ik geef haar weer aan

jou, Guillaume! Opgepast!”

Thoren’s raad bleek echt practisch; Hermelijn werd van hand tot hand

overgereikt en daarna kropen ook de mannen bijna op handen en voeten

naar boven.

Corona vloog hen te gemoet en slaakte een juichkreet toen zij Hermelijn

ongedeerd, hoewel bevend van natheid en koude en bedwelmd door de

zwaveldampen, terugzag.

»Mankeert je niets, heusch niets? Arm kind, hoe is dat toch toegegaan,

en wat lompe jongens, om je zoo te kunnen achterlaten.”

»’t Is niemands schuld,” antwoordde Hermelijn, »misschien mijn eigene;

toen het zoo regende en onweerde, werd ik duizelig, ik hield iemands

arm vast en liet dien los, maar toen gleed ik af en merkte dat ik

alleen was. Ik wist niet meer wat er gebeurde, maar zag een overhangend

rotsblok en zocht daaronder een toevlucht.”

»Nu ontbreekt ons niemand meer, we zijn er allen,” riep de heer de

Géran, »laat ons terugkeeren, de weg zal moeilijk genoeg zijn.”

Moeilijker dan iemand het kon denken; de grond was een gladde

schaatsbaan geworden van blauwachtige glinsterende klei, waarin het

azuur des hemels zich weerkaatste en door de zon met bonte kleuren

getooid, maar toch heerschte er vroolijkheid, men lachte en schertste

ondanks de natte kleeren en den moeilijken weg; de dames waren bijna de

eenigen, die te paard zaten, door de heeren gesteund; de anderen

sprongen of gleden af en bekommerden er zich niet om of het slijk hunne

reeds zoo gehavende kleeren nog meer kwam ontsieren.

Eindelijk bereikte men de streek van het dichte woud, waar de storm

groote verwoestingen had aangericht; op den roodachtigen grond, waaruit

een frissche, opwekkende geur van natte aarde steeg, zag men duidelijke

sporen van tijgerklauwen en van de kronkelingen der vergiftige slangen.

Men ontmoette gelukkig een vrij groote Javaansche woning, waarin een

Inlandsch hoofd huisde; daar besloot men gastvrijheid te vragen, want

er viel niet aan te denken, in zulk toilet naar de hoofdplaats terug te

keeren.

Met de grootste beleefdheid ontving de wedono hen; zijn vrouw bood haar

geurige, zindelijke kleeren aan de dames en deze maakten gaarne van het

vriendelijk aanbod gebruik, terwijl hun natte garderobe gedroogd werd;

de heeren maakten hun toilet zoo goed als het ging en droogden zich bij

het vuur, dat de gastheer in de open lucht deed ontsteken.

»Was je niet erg geschrikt, Hermelijn?” vroeg Corona vriendelijk.

»Och neen,” antwoordde zij koel, »’t ergste wat me wachten kon is de

dood en voor mij is hij een uitkomst.”

»Ik bid je, zeg me alles!” smeekte Corona, »hoe kan je mij veroordelen

zonder mij gehoord te hebben? Misschien kan ik er iets aan veranderen;

Conrad heeft je niet lief en je geeft mij de schuld van alles.”

»Ik geef niemand de schuld en ik klaag ook niet, niets kan mij meer

helpen!”

Corona zag haar aan, terwijl Hermelijn zich omkeerde en haar lange

haren afdroogde; ’t was haar zoo vreemd te moede. Er klonk haar nog

steeds een stem in de ooren met zulke wonderbaar weeke tonen.

»Ik heb je lief, Corona.”

Had hij er Corona bij gezegd? Misschien niet eens, misschien bedoelde

hij wel Hermelijn, schande, een getrouwde vrouw!

Haar hart klopte, haar oogen schitterden, ’t was of zij duizelde; zij

smachtte naar zekerheid, maar hoe die te verkrijgen?

»Hermelijn,” wilde zij nogmaals roepen, maar Hermelijn deed of zij niet

hoorde en ging de kamer uit.

»Hoor eens, Hermine,” zoo sprak Akkeveen haar aan, »ik heb je een

voorstel te doen; we zijn hier maar een paal of drie van mijn huis af.

Wat dunkt je er van als je gebruik maakte van het voorstel van onzen

wedono, die een tandoe voor je beschikbaar stelt? Dan kan je nu bij mij

op je gemak uitrusten en nog een paar dagen blijven.”

»Wat zegt Conrad er van?”

»Hij zegt dat het uitstekend is. Ik verlang naar huis, zie je, naar

warme kleeren, naar een stevige grog; Conrad gaat naar huis je koffer

met kleeren halen en brengt die bij ons op Kaboelen.”

»Nu, ik heb er niets tegen.”

Corona verbeet zich; het was opmerkelijk hoe allen Hermelijn met

vriendelijkheid omringden, terwijl ze haar vroeger steeds benijd

hadden; nu zij wisten, welke houding zij tegenover haar, de gevreesde

prinses aannam, werd zij zelfs door Akkeveen gevleid en gezocht.

»En ik kan ’t haar niet afraden, zij zou niet naar mij luisteren; zij

vindt mij te min om mee te spreken; wat is er tusschen haar en Thoren?

Mij ziet hij niet aan, hij veracht mij ook. Waarom toch, waarom? En dan

zou ik dwaze denken, dat hij ’t mij had gezegd. Maar Hermelijn was toen

juist weg en hij zal mij niet voor haar hebben aangezien. Als dat toch

zoo ware... ik zou me wreken!”

Waarom, op wie, wanneer, dat wist Corona zelf niet!

Hermelijn · 第 37 / 67 题